Op winterreis

Atrecht, 5 januari — Toen gisteren de waterleiding bevroor; toen de levensmiddelen bijna op waren; toen de stroom uitviel; toen de steile oprit die van mijn huis naar de dijkweg leidt door sneeuw bedolven was; toen Big Brother Radio deelname aan het verkeer afried zo niet verbood; toen moest ik eruit, al was het maar om wat boodschappen te doen.

Toen vond ik het nodig urenlang sneeuw te ruimen om de auto mobiel te maken. Toen reed ik glibberend en slingerend omhoog en naar het stadje met de supermarkt. Ongehinderd door ander verkeer.

Bij de supermarkt was het brood op. Waren de aardappels op. Was er nog veel meer op. Weldra zou misschien alles op zijn, vreesde ik.

Op de vlucht dus. Het land Uit. Zuidwaarts. De al zo vaak uitgestelde reis naar het gezellige warme Parijs ondernemen. Wel eerst de ANWB opbellen, ook al had de radio dat verboden, juist nu. `Vlaanderen en Noord-Frankrijk? Geen probleem. Nee, geen sneeuw.' Goed zo, ik haat dat wit dat alle landschappen gelijkschakelt, alle geluid dempt, alle activiteit lamlegt.

Drie uur later — gistermiddag vier uur was dat — bereikte ik de Belgisch-Franse grens. De sneeuw die ter hoogte van Doornik de wegen onveilig maakte, was meer dan drie uur oud, zo werd me verzekerd. In een eetgelegenheid bij Rijsel lag de France-Soir met over de volle breedte de kop C'est une catastrophe, waarmee op de toestand van de wegen in de omgeving van Parijs werd gedoeld.

Bij de afslag Atrecht besloot ik niet verder te gaan en een hotel te nemen vlak bij het station, om de volgende ochtend per trein verder te reizen. Ik had immers mijn treinvrees overwonnen.

De sneltrein van tien voor tien is keurig op tijd binnengelopen, hier in het Station van Atrecht, waar ik met tevredenheid een affiche van de SNCF heb bekeken: er staat een trein op die, met een blauwe ijsmuts op zijn hoofd, door een sneeuwlandschap snelt, en de tekst wijst erop dat er `s winters toch maar niets boven het spoor gaat. Redécouvrez les Chemins de Fer, hoe vertaal je dat voor de NS: Ontdek de Spoorwegen opnieuw of iets in die geest, een boodschap voor de automobilist.

Maar nu ik hier zit, in dit luxe treinstel waarvan buiten- én binnendeuren ondanks de felle koude automatisch openen en sluiten en waarin iedereen, ook de tweederangs reizigers tussen wie ik me bevind, over een verstelbare vliegtuigstoel, een uitklaptafelije en een eigen ventilatie beschikt, nu ik hier werkelijk comfortabel gezeten ben, begin ik toch te twijfelen. Want ik zit hier nu al ruim twintig minuten en de trein heeft zich nog niet in beweging gezet. Het lijkt overigens niemand ongerust te maken, dus wat zal ik me opwinden. Ze kunnen hier verschrikkelijk hard rijden met die treinen, misschien halen ze de vertraging wel in.

Een deel van de lichten wordt nu gedoofd — een goed teken; in vliegtuigen doen ze dat soms ook voor het opstijgen.

Maar nu gaan alle lichten weer aan.

Niemand reageert. Wel stappen er nog wat mensen in. Zeker passagiers voor de volgende trein. Niemand vraagt zich hardop afwat er eigenlijk aan de hand is. Bijna halfelf is het nu. Ik zou wel eens willen informeren, maar nergens is treinpersoneel te bekennen. Die conducteurs zijn wel wijzer, die verstoppen zich natuurlijk ergens als er iets niet in orde is.

Door het wat smalle gangpad wandelt nu een aantal reizigers met koffers in de richting van het voorste treinstel. Om straks iets eerder in Parijs te zijn natuurlijk. Iemand stoot met zijn koffer tegen mijn linkerschouder en verontschuldigt zich.

Waarom voel ik me eigenlijk zo onrustig, zo opgesloten in een stilstaande trein? Ik kan er toch zo uit als ik wil. Kijk eens naar je medereizigers, die dragen hun lot met gelatenheid. Neem die man tegenover je, met zijn hoornen bril op zijn paaseivormige hoofd — van koninklijken bloede zeker — hij heeft zich nog niet verroerd in de drie kwartier die we tegenover elkaar zitten. Zijn mollige linkerhand ligt over zijn mollige rechterpols, op zijn doublé horloge kan ik voortdurend de tijd bijhouden, zij het ondersteboven. Het is alsof hij slaapt, maar zijn ogen zijn geopend en staren.

Een van de passagiers die zich naar voren begeven, stoot haast mijn bril van mijn hoofd. Beleefd keert hij zich om en glimlachend zegt hij: `C'est pas grave.' Hindert niet. Dat is nog eens beschaving.

Nu zou ik wel eens willen weten wat er aan de hand is. Of op zijn minst met iemand een gesprek beginnen over het weer en de ongemakken die het met zich meebrengt. Maar met wie? Het is alsof ik me in een wassenbeeldenkabinet bevind.

De jongen naast de man met de hoornen bril heeft eerst nog even een krant ingekeken, nu slaapt hij. Links tegenover me zit een jongen, met twee horloges om, te grijnzen zoals alleen Fransen kunnen grijnzen — Yves Montand, Belmondo. Voor geen goud zou ik hem aanspreken. Wat valt er nu nog te grijnzen. Twee horloges. Kwart voor elf.

Geen treinreiziger zonder horloge, vanwege de haast om de trein te halen zeker. Maar kalmte en berusting kenmerken de sporende mens zodra hij eenmaal zit. Het oponthoud gaat trouwens van de werktijd af.

Nu loopt er zelfs niemand meer door het gangpad. Het wordt niets. Parijs zal ik nooit bereiken. Alweer niet. Als ik er niets aan doe, raak ik misschien ook in de verstarrende betovering die over dit station, deze trein, deze mensen is gekomen. Als ik niet vlug opsta en uitstap, zal de verstarring zich ook van mij meester maken.

Het begint weer te sneeuwen.