Monument voor de Mensheid
<
English txt.
De Italiaanse beeldhouwer Luciano Fabro (°1936) beweert dat elke tentoonstelling, individueel of in groep, groot of klein, belangrijk of minder belangrijk, voor alles een feest is of zou moeten zijn ter ere van de kunst. Een tentoonstelling is het publiekelijk tonen van een kunstwerk. Een feest, zo zegt hij, dat wij samen houden telkens de kunst geopenbaard en belichaamd wordt. De ritus van het bedanken en verzoenen voor een nieuw ontkiemen. Een ‘Monument voor de mensheid’ gemaakt door kunstenaars van verschillende nationaliteiten heeft het potentieel van een uniek feest voor de kunst; eenmaal gerealiseerd, een feest voor oog en geest, een feest van het denken en voelen over alle grenzen heen. Uitgedaagd door het unieke opzet, wil Gilbert Degryse deelnemen aan het ‘feest van het monument voor de mensheid’. De mogelijkheid om één schakel in de totale ketting te realiseren en hierbij de cultuur van eigen bodem gestalte te geven, vormt de aanleiding voor een heel specifieke artistieke vertaling van de opdracht. Gilbert Degryse kiest als consequente stap binnen het geheel van zijn beeldend oeuvre om te werken met het principe van de ‘objet trouvé’ of ‘ready made’ (1). De ‘gevonden’ namen van vijf kunstenaars vertegenwoordigen datgene wat ons land vroeger en nu werkelijk groot maakte; over de grenzen heen werd de kunstgeschiedenis van Vlaanderen bekeken en wel bevonden. Kunst was steeds hét exportproduct bij uitstek, datgene waarvoor men Vlaanderen – lang voordat het zijn eigenlijke naam kreeg - apprecieerde. De keuze van het woord, hier onder de vorm van namen, past volledig in de traditie van de Vlaamse kunstgeschiedenis. De directe relatie tussen het woord en het beeld in de taalschilderijen van René Magritte (1898 – 1967), de Cobrakunstenaars (2) en het werk van de Belgische kunstenaar Marcel Broodthaers ( 1924 – 1976) zijn maar enkele voorbeelden. Ook de talrijke dubbeltalenten zoals bijvoorbeeld Hugo Claus (° 1929), geven gestalte aan de confrontatie van de woord- en beeldcultuur. Gilbert Degryse sluit zich hier in het werk voor ‘Een monument voor de mensheid’ volledig aan bij deze traditie. Beide, het woord en het beeld zijn componenten van onze algemene culturele vorming en verruimen bijgevolg onze leef- en denkwereld. Een beeld vat dikwijls in één teken samen waarvoor anders een hele zin nodig is. Het kan gebruikt worden door mensen die mekaars taal niet kennen en de opnamesnelheid is groter dan bij het woord. De taal daarentegen neemt gemakkelijker afstand van plaats en ruimte en roept een hele wereld van gedachten op. De keuze van Gilbert Degryse om het woord met zijn wereld van inhoud aan te brengen op het beeld als vorm en materie, zorgt voor een sluitend geheel. Een waaier van interpretaties wordt mogelijk. De namen van vijf van onze grootste kunstenaars geven gestalte aan ruim vijf eeuwen Vlaamse kunstgeschiedenis. Jan van Eyck (1390 – 1441) is één van de beroemdste namen uit onze kunstgeschiedenis. Hij was niet alleen een schitterend schilder maar ook een zeer bekwaam diplomaat. Zijn technisch meesterschap bezorgde hem de naam van ‘Koning der schilders’. Door het verbeteren van de techniek van de olieverfschilderkunst realiseerde hij een opvallende naturalistische detaillering in zijn werk. Samen met de andere Vlaamse Primitieven is zijn werk verantwoordelijk voor een belangrijke kentering in de kunstgeschiedenis, die de overgang van de middeleeuwse beeldtraditie naar de Renaissance (wedergeboorte van de mens en zijn wereldbeeld) kenmerkt. Hij vertegenwoordigt ook de eerste generatie van kunstenaars die in de West-Europese kunstgeschiedenis hun werk signeerden. ‘Johes de eyck me fecit’ (Jan van Eyck heeft me gemaakt) is als het ware een statement dat het groeiende individuele zelfbewustzijn van de kunstenaar in de vijftiende eeuw gestalte geeft. De beeldwereld van Pieter Bruegel ( ca1525 – 1569) is uitermate origineel. Hij toont de ‘aparte’ kant van de wereld en zijn bewoners. Dit is totaal uniek ineen tijd waarin de West – Europese kunstgeschiedenis het verhaal van het Christendom en de hoogste adel toont. Bruegel kiest voor het beelduniversum van de gewone mens als een klein verloren wezen in een hem overweldigende kosmische natuur. We zien hier niet langer de ideale mens in een klassiek rustpose maar de volksmens gekenmerkt door zijn handelen. In het naar voor brengen van deze ‘comédie humaine’ is Bruegel Erasmiaans (3) en vertegenwoordigt op die manier het Humanisme van het Noorden (4). Pietro Pauolo Rubens (1577 – 1640) is de beroemdste Vlaamse vertegenwoordiger van de 17de eeuwse Barok en meteen één van de productiefste kunstenaars aller tijden. Als meest gevraagde schilder van Europa leidt hij een bloeiende werkplaats. Rubens maakt niet alleen altaarstukken, portretten, mythologische en historische taferelen, maar ook ontwerpen voor tapijten, boekillustraties en sculpturen. Als eminent intellectueel verkeert hij in humanistische kringen en op sociaal en politiek vlak wist hij zich eveneens op een indrukwekkende manier te manifesteren. Regelmatig werden hem diplomatieke missies toevertrouwd, waardoor Rubens zowel op artistiek, socio-cultureel en politiek vlak zijn streek internationaal vertegenwoordigde. James Ensor (1860 – 1949) vertrekt vanuit het Impressionisme en het Symbolisme en effent de weg voor de moderne kunst van de 20ste eeuw. In zijn werk toont hij op complexe wijze de tragische situatie van de vereenzaamde moderne mens in een ik-gerichte chaotische wereld. Vormelijk hanteert hij kleuren die vaak de felheid van een schreeuw aannemen en lijnen die de kwetsbare gevoeligheid van een zenuw blootleggen. Opgebouwd van uit een diepe gelaagdheid vertellen de schilderijen van Ensor talrijke onverwachte betekenissen. Met zijn expressieve, fantasierijke schilderkunst en zijn puur subjectieve kijk op de dingen heeft Ensor talrijke kunstenaars van de 20ste eeuw beïnvloed. Het werk van de Belgische surrealist René Magritte (1898 – 1967) kan benaderd worden vanuit verschillende zienswijzen, waaronder de filosofie, de poëzie, maar ook van uit het belang van Magritte voor de actuele Belgische kunstwereld. Centraal in zijn werk staat de gedachte: ‘Schilderkunst moet poëzie zijn, en poëzie moet het mysterie op roepen’. Schilderkunst is voor Magritte een uitdrukkingsmiddel van zijn denken maar heeft geen doel op zich. Zijn bijdrage aan de kunstgeschiedenis is niet formeel maar inhoudelijk. Als ‘poète visible’ herleidt hij de zichtbare wereld tot een vorm van geabstraheerd denken. Zijn werken beelden niet alleen af maar ver- beelden. Door middel van zeer natuurgetrouwe figuren die op een uiterst onverwachte en ongebruikelijke manier gecombineerd worden, ondergraaft Magritte de algemeen aanvaarde betekenis van woorden en dingen. Specifiek in zijn taal- schilderijen is het woord letterlijk aanwezig. Door de keuze van deze kunstenaars plaatst Gilbert Degryse zich in de traditie van ‘Les poètes visibles’. Zijn werk sluit zich aan bij de conceptuele traditie (het idee – het objet trouvé) door een welbewuste keuze van namen. De inhoud ervan refereert aan de enorme rijke beeldwereld van onze artistieke en culturele traditie. Het ambachtelijke kappen van de namen in de steen maken het geheel sluitend. Concept, inhoud en betekenis vallen volledig samen. Veeleer dan een beperkende keuze van bijvoorbeeld een kenmerkende gastronomie of folklore, kiest Gilbert Degryse om in zijn ontwerp voor het ‘Monument van de mensheid’ datgene te tonen op een verantwoorde, actuele, artistieke manier van datgene wat ons land ooit groot maakte! Els Vermeersch