Home

Nederlands

     
Fischers federale ideaal moet nieuwe EU-verdrag inspireren      
          
In verkorte vorm verschenen in Trouw, 17 juni 2000 
Kathalijne Buitenweg en Joost Lagendijk 

De Europese Federatie waarvoor Joschka Fischer onlangs een lans brak, maakt weinig kans bij de lopende onderhandelingen over een nieuw EU-verdrag. De Franse regering, vanaf juli voorzitter van deze Intergouvernementele Conferentie (IGC), voelt er niets voor om de onderhandelingen te belasten met discussie over het einddoel van de Europese integratie. Toch zou het spijtig zijn als de rede van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken door de verdragsonderhandelaars werd afgedaan als vrijblijvend visioen. De nationale hoofdsteden zouden de door Fischer blootgelegde knelpunten onder ogen moeten zien. De EU onderhandelt met twaalf Midden- en Oost-Europese landen over toetreding, maar het ongedeelde Europa dreigt met de huidige spelregels verlamd te raken. De stabiliteit van de muntunie wordt ondermijnd door het ontbreken van een politieke en sociaal-economische unie. De EU kan haar verantwoordelijkheid voor de pacificatie van de Balkan niet langer ontlopen, maar ontbeert de instrumenten voor een effectief buitenlands beleid. 

Wie de urgentie van deze problemen onderkent, ontkomt er niet aan te pleiten voor een hoger ambitieniveau van de huidige IGC. Een herschikking van de stemmen van de lidstaten, wat minder Eurocommissarissen een onsje extra meerderheidsbesluitvorming - de officiële agendapunten - volstaan niet om de EU klaar te stomen voor de uitdagingen van de nabije toekomst. Bij een ambitieuzere verdragswijziging kan het federalisme goede diensten bewijzen.Niet als einddoel, maar als model voor de volgende integratiestap op de terreinen waar het handelingsvermogen van nationale staten tekortschiet. Het federale model is de enige garantie dat de daadkracht van de Europese instellingen zich niet tegen de eigen burgers keert, maar juist gepaard gaat met een grotere democratische controle, rechtszekerheid en doorzichtigheid. 

Daartoe moeten de IGC-onderhandelaars hun vingers durven branden aan de volgende voorstellen: 

- Maak een einde aan de ondoorzichtige intergouvernementele constructies die onder meer het buitenlands beleid van de EU overwoekeren. Wijs de Europese Commissie een initiërende en uitvoerende rol toe, onder controle van het Europees Parlement en de Raad van Ministers. De wijze waarop de Raad steeds meer taken toeschuift aan zijn Hoge Vertegenwoordiger voor het buitenlands en veiligheidsbeleid, topambtenaar Javier Solana, is verontrustend. Met de recente benoeming van Solana tot coördinator van het EU-Balkanbeleid hebben de lidstaten de verantwoordelijkheid van de Europese Commissie voor economische hulpverlening ondergraven. De vraag rijst wie er nog in welk parlement rekenschap moet afleggen als de miljardenhulp aan de Balkan (wederom) vastloopt in bureaucratie en corruptie. Solana is als ambtenaar immers aan geen enkel parlement verantwoording schuldig. De oplossing is eenvoudig, maar vergt moed: maak de Hoge Vertegenwoordiger tot lid van de Europese Commissie. Daarmee wordt competentiestrijd vermeden, de democratische controle hersteld. 

- Maak Europees Commissarissen individueel verantwoordelijk tegenover het EP, zodat zij bij slecht beleid kunnen worden heengezonden. In de huidige IGC betekent de term 'individuele verantwoordelijkheid' dat niet het EP, maar de Commissievoorzitter een Commissaris kan ontslaan. Daarmee worden zowel de taal als de democratie vervuild. Commissievoorzitter Prodi lijkt niet te beseffen dat een sterkere verantwoordingsrelatie met het EP zijn positie tegenover de Raad juist versterkt. Dat schept ruimte voor voortvarende initiatieven. 

-Beperk het vetorecht van lidstaten in de Raad van Ministers tot de werkelijk 'constitutionele' kwesties en voer voor de overige onderwerpen de medebeslissingsprocedure tussen Raad en EP in. Als elke lidstaat bij het terugdringen van het vetorecht vasthoudt aan zijn eigen lijstje uitzonderingen, komt er van het vergroten van de besluitvaardigheid niets terecht. De Nederlandse regering wil het vetorecht handhaven voor alle besluiten die eventueel geld zouden kunnen kosten. Dit is van een adembenemende kortzichtigheid. Neem de Europese belastingcoördinatie. De huidige blokkade van de besluitvorming door veto's van individuele lidstaten heeft tot gevolg dat overheden tegen elkaar uit worden gespeeld door internationaal opererende bedrijven en rijke burgers. Het wordt steeds moeilijker hen aan te slaan voor de financiering van publieke voorzieningen.Deze lasten zullen dan gaan drukken op de schouders van werknemers en consumenten. Lukt dat niet, dan dreigen aan het eind van de huidige hoogconjunctuur nieuwe begrotingstekorten, in weerwil van alle muntunie-regels. 

- Zet het debat over de vorming van kopgroepen in het juiste perspectief. Maar al te vaak dienen pleidooien voor kopgroepen als bliksemafleider voor het hete hangijzer van de meerderheidsbesluitvorming. Zie de reactie van staatssecretaris Benschop van Europese Zaken op Fischers rede: juist diens kopgroep-voorstel wordt gretig omarmd. In een groter groeiende EU blijft het voeren van Uniebreed beleid mogelijk, mits de Raad bij (gekwalificeerde) meerderheid kan besluiten en mits de rijkere lidstaten bereid zijn de armere financieel te ondersteunen. Precies op deze punten is Paars weigerachtig. Kopgroepvorming is hoogstens een second-best remedie voor de gevreesde verlamming bij handhaving van de huidige spelregels. Fischer ziet kopgroepen als een intergouvernementele omweg naar een Europese federatie. Hij onderschat het risico dat deze omweg een dwaalspoor wordt wanneer de 'federale' instellingen geen rol krijgen in de kopgroepvorming. Een initiatiefrecht voor de Europese Commissie en een instemmings- en begrotingsrecht voor het Europees Parlement zijn onmisbaar om te voorkomen dat doorzichtigheid, rechtszekerheid en democratische controle verloren gaan in een institutioneel moeras van uiteendrijvende kopgroepen. 

-Laat de leden van het Europees Parlement verkiezen via grensoverschrijdende kieslijsten, te beginnen met 10% van de zetels. GroenLinks kan dan met Die Grünen, Les Verts en andere bondgenoten een transnationale kandidatenlijst opstellen, op basis van een gemeenschappelijk programma. Een grensoverschrijdende verkiezingsstrijd dwingt geestverwante nationale partijen tot intensiever onderling debat over gemeenschappelijke prioriteiten, en creëert Europese politieke persoonlijkheden. Votez Joschka of desnoods Wählt Benschop, dat is een offensievere bijdrage aan het onstaan van een Europees publiek domein dan Fischers onwerkbare voorstel tot herinvoering van het dubbelmandaat. 

-Splits de huidige EU-verdragen in een constitutioneel deel en een deel met uitvoeringsbepalingen. Dan worden de grondbeginselen van de Europese samenwerking weer leesbaar. Een zware nationale ratificatieprocedure voor wijziging van uitvoeringsbepalingen kan in de toekomst wellicht achterwege blijven. Bij deze stap richting Europese grondwet hoort ook een Europees grondrechtenhandvest. Zo'n handvest - een initiatief van Fischer - wordt op dit moment ontworpen door een 'Conventie' van Europese en nationale parlementariërs alsmede regeringsvertegenwoordigers. Helaas zit de Conventie klem tussen de opdracht een begrijpelijk handvest te schrijven en de noodzaak bestaande internationale mensenrechtenverdragen te respecteren. De regeringen van de EU-landen kunnen de kans op een wervend handvest vergroten door zich vast te leggen op toetreding van de EU tot het bestaande Europees Verdrag over de Rechten van de Mens. Dan worden twee vliegen in één klap geslagen: interne binding van de EU aan een eigen grondrechtencatalogus, extern toezicht door het Europese Mensenrechtenhof.  

Tikkeltje te wild, deze voorstellen? In tegenstelling tot Fischers Europese Federatie zijn alle bovenstaande ideeën al door één of meer Europese instellingen of lidstaten aangedragen bij de lopende verdragsherziening. Het gaat er nu om ze daadwerkelijk in onderhandeling te brengen. Zo'n verbreding van de IGC-agenda verkleint het risico op een langdurige loopgravenstrijd tussen kleine en grote lidstaten over ieders aandeel in de stemmen, Commissarissen en parlementszetels. In het federale model, zoveel is duidelijk, zullen klein én groot soevereiniteit moeten inleveren, ten gunste van het gemeenschappelijke handelingsvermogen. 

Belangrijker nog is dat een ambitieuze IGC-agenda recht doet aan het onomkeerbare karakter van de toetredingsbelofte aan de kandidaat-lidstaten in Midden- en Oost-Europa. De uitbreiding van de EU kan niet straffeloos op de lange baan geschoven worden. Veel Europese politici rekenen stiekem met een tweede verdragsherziening rond 2004. Dan zijn pas vanaf 2006 nieuwkomerswelkom. In hun lafheid nemen deze politici een onverantwoorde gok met de toekomst van Europa. 

Kathalijne Buitenweg en Joost Lagendijk zijn lid van het Europees Parlement voor GroenLinks 
GroenLinks
 

 
 
  1