Hoofdstuk 1 : TERUG NAAR DE OORSPRONG

 


Ga naar : Beginpagina Index van het boek Samenvatting


 

 

 

HOOFDSTUK 1 : TERUG NAAR DE OORSPRONG

1. NU !

2. VAN MENS TOT AAP

2. VAN ZEE NAAR LAND EN LUCHT

4. EEN DUIK IN DE OCEAAN

5. EENCELLIGEN, DE BASISBOUWSTEEN VAN ALLE LEVEN

6. HET ONTSTAAN VAN DE AARDE

7. DE VORMING VAN DE ZON EN DE EERSTE STERREN

8. STERRENSTELSELS, CLUSTERS EN SUPERCLUSTERS

9. DE OERKNAL, EN HET EERSTE MILJOEN JAAR ERNA

10. CONCLUSIE

 

 

 

 

 

 

 

 

HOOFDSTUK 1

TERUG NAAR DE OORSPRONG

 

1. NU !

 

Er bestaat niet veel woorden die meer in contradictie zijn met het begrip evolutie dan het woord "Nu".

Het woord impliceert een momentopname, een foto van de evolutie, met het totaal weglaten of verwaarlozen van alles wat eigen is aan het evolutieproces.

Het is dan ook een ideaal vertrekpunt in onze zoektocht naar wat het evolutieproces dan wel is.

In dit hoofdstuk zullen we de evolutie schetsen van het heelal, door vanaf het heden (het "nu") stap voor stap terug te gaan in het verleden.

We starten met een blik vanuit de ruimte, op onze huisplaneet "de aarde".

Laten we inbeelden dat we de aarde waarnemen door iemand die nog nooit op de aarde geweest is en die voor het eerst in een baan rond de aarde zweeft en daar af en toe een foto neemt die een beeld geeft van het moment "nu".

Vanuit een ver standpunt zien we de aarde als een blauwe bol, omgeven door een witte waas van wolken. De wolkenmassa ondergaat een langzame beweging, die op de foto bevroren wordt tot een stilstaande vlek.

Wanneer we dichter bij de aarde zouden komen, of de aarde met een sterkere vergroting zouden bekijken, zouden we bergen en dalen kunnen zien, woestijnen, ijsbergen, savanne’s en rivieren. Een ongekende diversteit aan landschappen zou voor onze ogen verschijnen, en het uniforme beeld van "de blauwe planeet" beetje bij beetje nuanceren.

Deze onregelmatigheid van deze landschappen staat in schril contrast met de georganiseerde regelmaat die we op bepaalde plaatsen zien : de steden. De eerder vloeiende vormen van de landschappen worden gebroken door deze "kolonies", die bij nader toezien via kanalen en wegen verbonden zijn tot echte netwerken.

Wannneer we de foto’s sneller zouden laten opeenvolgen op dezelfde plaatsen, zouden we waarnemen dat de foto’s meestal zeer gelijkaardig zijn, doch dat sommige objecten zich intussentijd veel of weinig verplaatst hebben. Er zit een zekere evolutie in. Het zou de eerste formele bevestiging zijn van bewegende objecten op de aarde. Bij nader toezien zou de diversiteit van deze bewegende objecten enorm hoog blijken te zijn.

Sommige bergen worden gekenmerkt door berggeiten en buizerds; woestijnen door zeldzaam leven bij dag, doch des te verassender leven bij nacht ; ijsbergen door goed gecamoufleerde ijsberen en waggelende pinguins, savanne’s aan de equator door kuddes antilopen, zebra’s, olifanten, giraffen en tientallen andere soorten dieren...

Bovendien blijken sommige objecten ook in omvang toe te nemen of van vorm te wijzigen. Planten en bomen worden groter, verliezen in bepaalde periodes hun bladeren of veranderen van kleur. Bloemen vertonen verbazingwekkende symmetrieën en harmonieuze kleuren.

De steden en hun netwerken breiden continu uit, zodanig dat het beeld van bepaalde landschappen erdoor wordt gedomineerd. In en tussen de steden wordt de snelle beweging gedomineerd door tweepotige mensen en veelwielige voertuigen. Bouwwerken groeien op georganiseerde wijze en worden regelmatig vernieuwd.

Stilaan moeten bij de waarnemer een aantal vragen de kop opsteken:

Vanwaar die ongekende diversiteit ?

Welk mechanische zit er achter de groei en evolutie van het leven ?

Hoe is deze steeds toenemende diversteit onstaan ?

Tijd dus om afscheid te nemen van de illusie van het nu.

Laten we eens terugkeren in de tijd en de evolutie nagaan die voorafgegaan is aan de enorme diversiteit die de aarde kenmerkt.

Terug naar de index van dit hoofdstuk

2. VAN MENS TOT AAP




Het meest complexe wezen op aarde : de mens.

We starten onze beknopte reconstructie van de evolutie met dit complexe wezen.

Gekenmerkt door zijn door bij plant noch dier gekende intelligentie, organisatie, mobiliteit en communicatievaardigheid.

Communicatie gebeurt door middel van talen, waarin zinnen, woorden en symbolen de omgeving vereenvoudigen in abstracte weerspiegelingen. Naast de geproken talen (honderden talen en duizenden dialecten), zijn er de geschreven talen. Ook hier een onbegrensde diversiteit gaande van Chinese karakters, Arabische letters, tot binaire computercodes.

Door middel van artefacten als computers, televisie, radio en internet wordt multimediacommunicatie in fracties van seconden de ether doorgezonden.

De eigen mobiliteit wordt verbeterd door het gebruik van fietsen, auto’s en treinen op het land, boten op en in de zee en vliegtuigen in de lucht.

Dit alles leidt tot een steeds gesofisticeerder organisatie in kleine groepen (gezinnen, verenigingen), grote groepen (bedrijven, politieke verenigingen, dorpen, steden) tot internationale verbonden (UNO, ...).

Deze steeds toenemende organisatie, communicatie en mobiliteit is mogelijk geweest door de intelligentie van de mens, die toelaat de evolutie bewust en selectief te beïnvloeden in zijn eigen voordeel.

 

Daardoor is de menselijke populatie exponentieel gegroeid, en dus ook zijn impact op de omgeving te land, in de zee en in de lucht. Om de toekomstige generaties te kunnen voeden is bijvoorbeeld de komende 30 jaar ongeveer evenveel voedsel nodig als in de volledige menselijke historie is verorberd.

Deze exponentiele groei is ongeveer 10000 jaar geleden begonnen, tijdens de overgang van de "jager-verzamelaar"-levenstijl, naar de sedentaire levensstijl met ontwikkeling van de landbouw. Deze overgang had verrijkende implicaties op de omgeving, doch ook op de samenlevingsvormen. Van toen af ontstonden stabiele gemeenschappen, dorpen en steden. De mens ging zich specialiseren en leerde schrijven en rekenen.

Deze agrarische revolutie betekende ook een overgang van het wezen dat zich uitstekend wist aan te passen aan de omgeving, naar een wezen dat de omgeving uitstekend aan zichzelf wist aan te passen.

Deze revolutie was echter reeds 300000 jaar voorbereid, toen de eerste "wijze man" of "Homo sapiens" ontstond. Deze vertoonde reeds de meeste kenmerkende gelaatstrekken van de moderne mens. Onderzoek van fossiele schedels heeft aangetoond dat de schedelomvang, en dus het brein continu in omvang is toegenomen. Dit liet toe meer en meer gespecialiseerde werktuigen (bijvoorbeeld speren) en schuilplaatsen te ontwikkelen ; wat op zijn beurt meer vaardigheid en dus een grotere intellegentie vereiste : een vicieuse cirkel die de ontwikkeling van brein en vaardigheden versnelde.

De eerste mensachtige die in staat was twee typisch menselijke activiteiten uit te voeren, nl. werktuigen ontwerpen en grote dieren jagen en slachten, was de "Homo Habilis", die ongeveer 2 miljoen jaar geleden ontstond.

Deze Homo Habilis heeft een gemeenschappelijke stamboom met de overige primaten op onze aarde.

Van de overige primaten staan de chimpansee en de gorilla het dichtste bij de mens : de gemeenschappelijke stamvader met de mens gaat ongeveer 5 tot 10 miljoen jaar terug. Tussen 10 en 20 miljoen jaar terug behoorden ook de Orang-oetan en de Gibbon tot dezelfde familie.

Deze apen hebben zich langzaam aangepast van een leven in bomen, naar een leven op het land en in de bomen. Ze zijn allen gekenmerkt door een grote zorg voor de opvoeding van de jongen en vertonen allen een kenmerkend sociaal gedrag. Het grootste onderscheid met de mens is echter dat de mens geleerd heeft op 2 poten (benen) te staan. Dit was niet enkel de aanleiding tot het verchillen van de lichaamsvorm van mens en aap, doch maakte ook 2 handen vrij voor het uitvoeren van complexe taken. Opvallend hierbij is ook de ontwikkeling van de uiterst vaardige rechterhand. Deze kenmerken vereisten een grotere intelligentie, en liggen ook aan de basis van de steeds verdere toename van het breinvolume.

De eerste wezens met een aapachtig uitzicht, de eerste primaten, ontstonden ongeveer 65 miljoen jaar geleden. Het waren toen veelal insectenetende, relatief kleine zoogdieren, met een beperkt sociaal gedrag.

Deze stamboom van aap tot mens is door paleantheologen zorgvuldig gereconstrueerd door het opzoeken en analyseren van de sporen die de evolutie heeft nagelaten. De evolutie wist zijn verleden grondig uit, doch onvoldoende om de mens te verhinderen dat de puzzel van zijn eigen evolutieverhaal stukje per stukje (fossiel per fossiel) vervolledigd wordt.

Terug naar de index van dit hoofdstuk

 

3. VAN ZEE NAAR LAND EN LUCHT



Ongeveer 65 miljoen jaar geleden werd de aarde geteisterd door een grote ramp.

De catastrophe die de aarde 65 miljoen jaar geleden teisterde was wellicht van kosmische oorsprong. Men vermoedt dat een enorm grote meteoriet het aardoppervlak heeft bereikt. Door de enorme snelheid zou een deel hiervan verbrand zijn geweest en in stof en rook opgegaan. Dit zou gevolgd zijn door massale branden, die vermoedelijk 10% van de planten op aarde in rook hebben doen opgaan. De enorme rookwolken hadden tot gevolg dat de temperatuur aan het aardoppervlak sterk daalde. Vele dieren overleefden de ramp. Hieronder waren niet alleen kleine, koelbloedige reptielen zoals slangen, schildpadden en krokodillen, doch ook vogels, amfibieën, wormen, insecten en kleine zoogdieren overleefden het incident. Het waren echter uiteindelijk de zoogdieren, met hun intern verwarmingssysteem, die van toen af sterk domineerden. Wellicht was het een combinatie van verschillende factoren die leidde tot het massaal uitsterven van de toenmalige heersende klasse van grote reptielen of dinosauriers. Feit is dat de grote diversiteit in omvang en soort van zwemmende, vliegende en lopende dinosauriers door de ramp vrij abrupt tot een einde is gekomen. Deze gaf de ontwikkelings kansen aan een veelvuligheid van zoogdieren die we nu nog steeds kennen. Niet enkel de primaten, doch alle zoogdieren zijn gekenmerkt door een relatief groot brein. Uiterlijk zijn ze te herkennen aan hun behaarde huid. De evolutie van deze groep vertoont daarenboven een aantal kenmerkende trends : de temperatuurregulatie van hun lichamen wordt steeds gesofisticeerder, de vorm van de tanden word meer en meer aangepast aan het voedsel (vleeseters, planteneters en alleseters, waaronder de mens) en het breinvolume is steeds toenemend. Ook de verschillende ledematen gaan zich langzaam "specialiseren" aan de diverse taken. Het voorbeen van het "gemeenschappelijk voorouderzoogdier" is bvb. bij de vleermuis ontwikkeld tot vleugel, bij het paard tot been met hoef en bij de mens tot de lange arm met een zeer flexibele hand. Eén basisdesign wordt dus ontwikkeld in verschillende toepassingen.

De heerschappij van de zoogdieren werd voorafgegaan door de heerschappij van de reptielen.

Tot 65 miljoen jaar geleden hadden deze reptielen gedurende een periode van ongeveer 150 miljoen jaar een kwantitatief overwicht op aarde : een periode die men daarom ook het "tijdperk van de reptielen" noemt. De oorzaak is dat ze zich door een aantal "slimme" aanpassingen wisten te integreren in verschillende biologische habitats. Kenmerkende aanpassingen zijn hierbij dat de baby-reptielen geboren worden in eieren met een schaal (een techniek die ook door de vogels is overgenomen), dat ze een droge en ruwe huid vertonen en dat ze over mechanismen beschikken om het waterverlies door excretie te beperken.

Dit zijn uiteindelijk voornamelijk aanpassingen aan droge omgevingen. Dit bood hen op het land een competitief voordeel ten opzichte van hun evolutionaire voorgangers, de amfibieën.

Deze visachtige dieren bestaan reeds ongeveer 350 miljoen jaar, en hebben geleid tot de nu nog bestaande amfibieën zoals kikkers, salamanders en padden. Ondanks het feit dat ze hun jeugd doorbrengen als visachtig organisme in het water, zijn er al duidelijk een aantal aanpassingen voor het leven op het land waarneembaar. Het skelet en de spieren zijn al vrij stevig, wat nodig is om op het land te kunnen bewegen, de huid is doorlaatbaar en laat gasuitwisseling toe. Ook de communicatie op het land wordt bevorderd door de ontwikkeling van signalen die zich door de lucht bewegen, een evolutie die geleid heeft tot de symfonische kikkerorkesten die men hedentendage nog in een drassige poel kan waarnemen.

Gedurende deze 350 miljoen jaar dat de amfibieën evolueerden tot de huidige mens, hebben niet alleen de dieren doch ook de planten ingrijpende cellulaire reorganisaties ondergaan. Deze zijn ongeveer 400 miljoen jaar geleden het land beginnen koloniseren. Net als de amfibieeën waren de eerste landplanten gekenmerkt door een aantal specifieke aanpassingen aan het land. Zo is er bijvoorbeeld de selectief doorlaatbare wand van de planten, die enerzijds gasuitwisseling toelaat, doch anderzijds voldoende bescherming biedt tegen indringers die hun cellen zouden kunnen vernietigen. Ook de plantenevolutie is gekenmerkt door steeds toenemende specialisatie en aanpassing aan specifieke omgevingen, gaande van de dorre woestijnen, waar cactussen het water op zorgvuldige wijze opsparen, tot orchideeën die op schitterende wijze bloeien in bomen en diverse habitats over de ganse wereld, mossen en korstmossen die als pioniers stenen kunnen koloniseren en de torenhoge sequoa’s met hun metersdikke stammen, die bossen kunnen imponeren.

Opvallend is ook dat de evolutie van plant en dier op het land soms hand in hand is gegaan. Zo is er een duidelijke "co-evolutie" tussen bepaalde bloeiende planten en hun bestuivers. Verchillende soorten vlinders, vogels en bijen gaan bij de bloemen van de bloeiende planten op zoek naar het voedingsstoffen (nectar), doch zorgen daarbij ook voor de bevruchting van de planten. De bestuivers hebben hierbij monddelen (vb. de tong) van een correcte lengte en vorm, terwijl de planten een vorm een kleur hebben die specifiek bepaalde soorten insecten of vogels aantrekt. Bloemen die door bijen bestoven worden, zijn veelal blauw of geel en kunnen vrij sterk ruiken. Niet toevallig kunnen bijen geel en blauw waarnemen -doch geen rood- en kunnen ze zoete geuren vanop lange afstand waarnemen. Bij andere bloemen is de vorm van de bloembladen zodanig, dat enkel bepaalde dieren de bloem kunnen betreden of het nectar raken.

Net zoals de bloemen de waarschijnlijkheid van de bestuiving moeten bevorderen, zijn de zaadhoudende vruchten succesvol omdat ze de verspreiding van de zaden bevorderen. Ook hier zijn er aanpassingen voor de verspreiding ; bijvoorbeeld door de wind (bijvoorbeeld het bij kinderen gelievde "pluimpje" bij paardebloemen), via het water (bijvoorbeeld de specifieke schaal van kokosnoten). Sommige vruchten zijn qua kleur, vorm, geur en smaak zodanig geevolueerd, dat ze een bepaald dier sterk aantrekken (bijvoorbeeld frambozen, peren, appels). Ook mensen hebben een smaak en voorkeur ontwikkeld voor deze vruchten.

Terug naar de index van dit hoofdstuk

 

4. EEN DUIK IN DE OCEAAN



De coelacanth.

Een moeilijke naam die symbool staat voor een moeilijke stap in de evolutie : de stap van zee naar het land.

De coelacanth is een "levend fossiel" : een vis van ongeveer 1 meter lengte met als merkwaardige eigenschap dat zijn vinnen vrij sterk gespierd zijn. Het gevolg is dat de vis zich door de modder kan voortbewegen op een wijze die gelijkt op het kruipen van een landdier. Wellicht zijn de amfibieën ontstaan uit een op een coelacanth gelijkende vis, waarbij de kruipvinnen geleidelijk ge-evolueerd zijn tot de ledematen van de amfibieën, die nog veel beter ontwikkeld zijn voor voortbeweging op het land.

Om die reden wordt het dier dan ook terecht een levend fossiel genoemd. De ontdekkers waren toen ook heel verbaasd toen ze dit dier - waarvan tot dan toe alleen heel oude fossielen werden aangetroffen - in 1938 levend aantroffen in Madagascar.

De diversiteit aan vissen die gegroeid zijn uit hun coelacanth-achtige voorouder is groot.
Hun ontwikkeling is dan ook gekenmerkt door een langzame evolutie. Inwendig is de evolutie gekenmerkt door de langzame ontwikkeling van een kraakbenige structuur (de graten), die een vaste structuur vormen waaraan de spieren konden vastgehecht worden. Dit leidde enerzijds tot vissen die sneller konden bewegen, en anderzijds tot vissen die - door de aanwezigheid van gespierde kaken - in staat waren kleinere vissen te verorbereren. Haaien zijn wellicht het meest typerende voorbeeld van vissen die door hun snelle beweging en krachtige kraakbenen tot zeer gevreesde predatoren zijn ontwikkeld. Uitwendig evolueerden de vissen op dusdanige wijze, dat alle ecologische niches gevuld werden.

Het meest tot de verbeelding sprekende ecosysteem onder water is wellicht het koraalrif. De diversiteit en de pracht van de vissen die hier worden aangetroffen is indrukwekkend. Het kleurgebruik en de abstracte, doch esthetisch zeer geslaagde patronen van sommige van deze vissen is onovertroffen en kunnen tot de meesterwerken van De Natuur gerekend worden. Ze zijn dan ook het resultaat van een heel langzame co-evolutie tussen alle dieren en planten in het koraalrif.

Het koraalrif is daarom ook een plaats bij uitstek om de exploratie naar primitiever biologische organismen verder te zetten.

Bij alle dieren die we tot nu toe gezien hebben, was de structuur van het lichaam bepaald door een kraakbeenachtig "skelet" : deze groep van meer recente dieren worden om die reden "de vertebraten" genoemd. In en rond het koraalrif bemerken we echter ook vele dieren die hun stevigheid danken aan een "hydrostatisch skelet". Zo treffen we verspreid over het koraalrif diverse types van zeesterren, zee-egels, zee-komkommers en zee-appels aan. De kern van hun lichaam is een "hydraulische installatie" die continu water rondpompt. Op die wijze bouwen ze niet alleen een interne druk op, die het lichaam de stevigheid verleent, doch de watercirculatie zorgt ook voor het binnenstromen van de voeding (bijvoorbeeld algen), voor de ademhaling en voor de sensorische waarneming.

Nog van primitievere oorsprong (ongeveer 540 miljoen jaar geleden ontstaan), zijn de weekdieren. In het koraalrif treffen we bijvoorbeeld de inktvissen aan, met hun merkwaardige eigenschap om de lichaamskleur van plaats tot plaats aan te passen aan de omgeving, en de prachtige zeeslakken die te mooi zijn om op te eten (doch in vele gevallen ook te gevaarlijk, want hun felle kleuren zijn een waarschuwingsteken voor predatoren dat ze wel eens onsmakelijk of zelfs giftig zouden kunnen zijn).

Indien de weekdieren niet over deze "chemische beschermingsmiddelen" beschikken, kunnen ze zich beschermen door zich bvb. te omgeven door een schelp (de schelpdieren) of een beschermingsmuur met calcium als primaire bouwsteen (zoals bvb. de stekels van de zeesterren). Het onuitgesproken devies van de weekdieren lijkt dan ook te zijn "wie niet sterk is moet slim zijn".

Even opvallend en op het eerste zicht gelijkend op sommige van de opmerkelijke zeeslakken zijn sommige platwormen in de zee. Hun inwendige lichaamsbouw is echter nog een stuk primitiever : ze missen immers een inwendig circulatiesysteem of enige vorm van respiratie. Hun huid is zo dun en doorlaatbaar dat de opgeloste gassen , voedingsstoffen en afvalstoffen erdoor kunnen diffunderen. Toch lonen ze de moeite om even stil bij te blijven staan. Het zijn immers de eerste organismen in de evolutie met op zoek gaan naar voedsel door vooruit te kruipen. Het vooruit willen komen had uiteindelijk twee heel belangrijke gevolgen voor alle evolutionaire nakomelingen van de platwormen. Het leide tot een "bilaterale symmetrie" of "spiegelsymmetrie", dit wil zeggen dat het dier een linkerkant en een rechterkant heeft. Het is precies door het afwisselend bewegen van de linker en de rechterkant, dat het dier vooruitkomt. Het gevolg van symmetrie en het vooruitkomen, is wat men noemt de "encephalisatie", of de vorming van een hoofd. Het is immers zo dat, doordat het dier vooruitkomt in 1 richting, het geleidelijk aan een "voorkant" en een "achterkant" gaat ontwikkelen. De voorkant bevat de mond, de belangrijkste sensorische organen en ook de belangrijkste concentratie aan zenuwcellen. Het is immers de voorkant die zowel het voedsel moet zien als de vijanden. Deze bilaterale symmetrie en hoofdvorming is verder doorgetrokken van platworm, via de zeeslakken, vissen, amfibieën, reptielen tot en met de mens. Het belang van deze 2 kenmerken mag niet onderschat worden. Beeld u zich maar 1 moment in dat de instrumenten van uw "voorkant" (ogen, oren, neus en mond) van plaats verwisseld werden met de "achterkant" (excretiekanalen). Een dergelijke evolutionaire vergissing zou zelfs de verbeelding tarten van uiterst creatieve kunstenaars als Salvador Dali, met zijn langpotige paarden en Juan Miro met zijn surrealistisch vervormde huisdieren... Zelfs de meest bizarre creature in science fiction verhalen voldoen aan het basisontwerp van de bilaterale symmetrie.

Nochtans is het niet het enige succesvolle ontwerp. Denken we maar aan de vijfvoudige symmetrie van de zeesterren of de radiale, rondomrond-symmetrie van de zee-egels. Er is echter geen plaats meer voor een hoofd in een dergelijke opbouw, vanwaar wellicht de verklaring dat radiale symmetrie niet het meest succesvolle bouwconcept is geweest voor het leven op aarde.

De radiale symmetrie is ook kenmerkend voor organismen die nog primitiever zijn dan de platwormen.

Het koraalrif is immers rijkelijk versierd met radiaal symmetrische anemonen, kwallen en poliepen. Deze radiale symmetrie is dan ook goed geschikt voor het "zittende" of "zwevende" bestaan van deze dieren. De meest opvallende dieren met radiale symmetrie in het koraalrif, zijn de koraaldiertjes zelf. Het zijn in feite poliepen met meestal 6 tot 8 tentakels die ringvormig geplaatst zijn. Hun voedsel (algen) laten ze binnenstromen met het warme water waarin ze leven, en zetten ze om in enerzijds de energie die ze nodig hebben om te leven, en anderzijds de kalksteen die hen bescherming biedt tegen vijandig gezinde dieren. Deze eenvoudige strategie is zo succesvol, dat de kalksteen skeletten van deze dieren de basis vormen van de koraalriffen, en zelfs van volledige eilanden. Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld de Malediven, een verzameling van ongeveer 2000 eilanden ("atollen") ten Zuiden van India en dicht bij de Evenaar, die zijn bestaan volledig te danken heeft aan deze kleine diertjes.

"Small can be very beautifull" is een spreuk die daar in de dagdagelijkse praktijk wordt bevestigd.

Andere diertjes, nog primitiever dan de koralen doch ook hun steentje bijdragend toch het dagdagelijkse bestaan, zijn de sponzen. In tegenstelling tot de koraaldiertjes, vertonen de sponzen geen weefsels en duidelijke celspecialisatie zoals de koraaldiertjes. Het zijn dan ook de diertjes met de meest primitieve weefsels. Zo primitief dat, als je een (bepaalde soort) levende spons door een fijne zeef duwt, de individuele cellen in staat zijn "elkaar terug op te zoeken" en te reorganiseren tot een spons die op de originele lijkt.

Meer dan een "fait divers" is dit gegeven echter niet, wetende dat de sponsen er niet in geslaagd zijn te evolueren tot organismen met meer capabiliteiten. Ze vormen een evolutionair dood spoor.

Het enige interessante gegeven is dat ze de meest primitieve dierlijke meercellige dierlijke organismen zijn.

Wat hen onderscheidt van een belangrijke andere groep meercelligen, de planten, is dat de dierlijke organismen niet in staat zijn om het licht te gebruiken als energiebron, met andere woorden ze zijn niet in staat om aan "fotosynthese" te doen, het synthetiseren van biologisch materiaal door middel van licht. Alle planten, gaande van de simpele algen, complexere waterwieren tot en met de meest complexe bloeiende planten, zijn wel in staat tot fotosynthese. Het is meer bepaald het chlorofyll, een "groene fabriek" (letterlijk en figuurlijk) die zonne-energie kan gebruiken om organische moleculen op te bouwen. Dit chlorofyll geeft de groene kleur aan de meeste planten en is bovendien zeer milieuvriendelijk. Planten kunnen dus volledig zelfstandig in hun eigen materiaalopbouw voorzien : ze zijn autotroof. Door deze autotrofie hebben de planten geen behoefte om op zoek te gaan naar voedsel, en is er dus geen behoefte om zich te verplaatsen zoals de dieren. Alle dieren daarentegen kunnen geen zonnelicht gebruiken om hun materiaalopbouw te doen, waardoor ze verplicht zijn om andere reeds meer complexere voedingstoffen te zoeken en in zich op te nemen (dit kunnen andere planten zijn of dieren) ; met andere woorden, ze zijn heterotroof en daarom ook meestal mobiel. Ook de heel primitieve sponzen kunnen niet leven zonder het continu opnemen van algen, als bron van zowel energie als bouwstenen.

De heterotrofie is ook de reden waarom dieren in de evolutie later zijn ontstaan dan planten. De eerste multicellulaire dieren ontstonden ongeveer 670 miljoen jaar geleden.

Terug naar de index van dit hoofdstuk

Ga naar het vervolg op de volgende pagina