Er waren twee koningskinderen
 
Er waren twee koningskinderen,
Die hadden elkander zo lief
Ze konden niet samen komen,
Het water was er veel te diep,
Het water was er veel te diep
 
Ach liefste, kon je zwemmen,
Zo zwom dan over tot mijn zij
Drie kaarsen zal ik branden
Die schijnen  dan je weg naar mij
Die schijnen  dan je weg naar mij
 
Dat hoort een valse vrouwe,
Die deed alsof ze sliep,
Ze liet de kaarsen doven
De jong`ling verdronk zo diep
De jong`ling verdronk zo diep
 
Ach visser, lieve visser,
Wil jij verdienen, een groot loon
Zo werp je net inīt water
Vis op  mijn koningszoon
Vis op  mijn koningszoon
 
Hij wierp zīn net in īt natte
Het ging tot op de grond
Hij viste, vist zo lange
Tot hij de koningszoon vond
Tot hij de koningszoon vond
 
Ze sloot hem in haar armen
En kust zijn bleke mond,
Ach mondje, kon je spreken,
Zo werd  mijn harte gezond
Zo werd  mijn harte gezond

1