Hollandse herders in oude boeken

Ik heb mijn boekenkast doorgesnuffeld naar oude hollandse herder plaatjes en artikelen. Het resultaat van deze zoektocht is op deze pagina te vinden. Onder andere artikelen uit de eerste en tweede jaargang van de Hondenwereld daterend resp. van 1947 en 1948, twee gebonden boeken die ik op een boekenmarkt op de kop heb getikt.

Index:


De Hondenwereld 1e jaargang no.5
8 januari 1947
Clubmatches 1946

Het is een zeer goede gedachte geweest van de Ned. Herd. Club om bovengenoemde clubmatches te houden. Immers men moest toch weten waar men aan toe was, n.l. wat aan bruikbaar materiaal er overgebleven was na den oorlog. En eerlijk gezegd het viel mij niet tegen; v.n.l. als men bedenkt met welke moeilijkheden liefhebbers en fokkers te kampen hebben gehad. Bv. het vorderen van de honden door de moffen en het gebrek aan voeding.

In Utrecht waren eenige zeer goede kortharige reuen en ook enige goede teven. Het was voor mij niet doenlijk door het ontzettende geblaf een behoorlijke uiteenzetting te geven van de verschillende honden. Alleen na afloop kon dit gebeuren. In Tilburg was dit veel beter niettegenstaande er veel meer honden waren. Op zeer behoorlijke wijze heb ik daar een uiteenzetting kunnen geven.van de verschillende goede en slechte eigenschappen van de honden en ik meen zeer tot genoegen van het publiek. In Tilburg waren zoowel verschillende zeer goede kort- als ruwharige honden. Bij de kortharigen zagen we een paar voor ons onbekende honden, die zeer zeker veel goed kunnen doen voor de fokkerij, n.l. een nieuwe reu van den heer Bakker te Wolfhaartsdijk en nog een jonge reu van 10 maanden van den heer Erp, als hij niet zwaarder wordt. Dit zal de tijd moeten leeren. Ook een paar goede teven waren er vertegenwoordigd. Onder de ruwharen waren eveneens zeer goede honden, hoewel deze naar mijn meening niet op het peil staan van de kortharigen. Het zou zeer te wenschen zijn als de heer van Oetelaar en de heer van Grunsven eens samen gingen praten over de steun, die ze elkaar kunnen geven voor het fokken der ruwharen. Van den heer van Oetelaar is het bekend, dat hij een harde werker is voor de ruwharige honden. Maar nog meer genoegen doet het mij dit ook in den heer van Grunsven te hebben gevonden, die ook deze honden een zeer warm hart toedraagt en kosten, noch moeite spaart om iets goeds te bereiken. Dan was er nog als verrassing een langharige, een Z.G.-hond, die voor den verderen opbouw van goede waarde kan zijn al was zij volgens eenige liefhebers nog niet ideaal.nog Van deze langharen, die men sporadisch tegenkomt kan men nog niet verwachten, dat er een hond komt, die direct als ideaal kan worden beschouwd. A1 was het haar op het lichaam nog niet het juiste, het dier had een goed hoofd met prima ooren en was anatomisch zeer goed gebouwd. Wie heeft een goede reu voor deze teef? Dan kan er ook van de langhaar nog iets terecht komen.*) Van de honden, die er waren was het karakter algemeen, zeer goed te noemen. En ik meen te kunnen zeggen, dat in het algemeen deze beide fokkeuringsdagen een succes voor de N.H.C. zijn geweest. A. FRANZEN.

*) Het zal schrijver ontgaan zijn, dat Dr. W. v. d. Akker te Zeist een enthousiast liefhebber is van den langharigen Holl. Herdershond en ook reeds verschillende goede exemplaren gefokt heeft.( Red.)

Terug naar de index.

De Hondenwereld 1e jaargang no.9/10 8 maart 1947
Politioneele perikelen

EEN STUKJE HISTORIE. Hoe ik er toe ben gekomen om de zoon van mijn trouwe herder "NORA" "TURK" te noemen weet ik niet. 0f ik geinspireerd ben door "Orlando" - een worstelaar van professie van Turksche nationaliteit, die een 35 jaar geleden tegen onze "Dirk van de Berg hou je taai" in het strijdperk stond ~ geloof ik niet. Wel heeft mijn geweldenaar dit met "Orlando" gemeen dat ook hij een "krachtpatser" is; doch ik herinner mij dat deze Turksche worstelaar niet groot van stuk was, terwijl mijn ,,Turk" reeds de 70 haalt, 12 maanden na zijn entree in dit tranendal. Neen heeren keurmeesters, gij behoeft niet medelijdend Uw schouders op te halen. Ik weet het! Z.G. is voor hem taboe doch "never mind". Hij is een heerlijke schooier met manieren... nou ja, laten wij nu maar over iets anders praten. Per slot van rekening kan hij niet weten dat de keurig verzorgde grasperkjes op de Amsterdamsche pleinen niet bestemd zijn voor "hondenzitjes". En omdat ik er niets voor voel eigenaar te zijn van een kettinghond, kon het volgende conflict met afdeeling "beplantingen" dan ook niet uitblijven. "TURK" ' woest blij dat wij samen met de fiets er op uit trokken, was als gewoonlijk uitgelaten. U kent dat wel, springen, dansen, rennen, wegschieten met razende vaart en donderend geweld achter een soortgenoot aan, rollend over zijn kameraad heen en daarbij niets ontziend totdat... hij door -"Beplantingen" tot de orde werd geroepen middels een stuk hout. Van nature ben ik een redelijk man en dus begrijp ik dat alleen mijn stem hier redding kan brengen. - "Turk, kom hier," commandeer ik argeloos, doch mijn begrip voor orde bezorgt mij, maar dan ook onmiddellijk, een terechtwijzing van een opzichter die er juist dezen morgen op gespitst was om dat ged ...... met die honden eens en voor goed uit te maken. Met "U moet Uw hond vasthouden" stormt deze ambtenaar - die van uit zijn gezichtshoek volkomen in zijn recht stond - op me af en ...... ik begrijp! "ik zal hem vastmaken is mijn lustig bescheid, waarmede ik de rest van zijn onzalig betoog afsnoer. Maar mijr Turk is zijn energie nog niet kwijt en dus Stormt hij voorwaarts, mij op mijn fiets met zijn geweldige kracht als een veertje meetrekkende. Het geweld is niet te keeren en ik schiet met een vaart van nul, komma, zooveel door de straat totdat een andere gemeente-ambtenaar op ons af komt en mij sommeert te stoppen. Aan dit, overigens vriendelijk verzoek van dezen agent voldoe ik als goed democraat natuurlijk onmiddellijk. "Mijnheer, waarom laat u zich trekken?" Ik staar den agent stom verrast aan en weet niet direct een wat ik op deze vraag moet antwoorden. Ja, het is een jongeman die waarschijnlijk dierenvriend is en het dus goed bedoelt. Mijn bloed vloeit terug en mijn stem klinkt zonder trilling. "Och agent,"besluit ik te antwoorden, "ik waardeer het dat U op dergelijke dingen let, doch in dit geval is er geen kwaad aan boord. Mijn hond is nog jong en heeft er pret in. Dit trekken gebeurt niet op mijn bevel doch uit vrijen wil." "Dat is best mogelijk," antwoordt de goedwillende agent, "maar dan moet U hem los maken." "Dat wil ik wel," geef ik grif toe, "maar ........ dan wordt hij overreden!" zeg ik tenslotte. Een discussie over gelijk en ongelijk moest bij dergelijken stand van zaken wel in mijn nadeel uitvallen en dat werd mij toch te bar. Waarom is de hei in Laren en niet op het Rembrandtplein! J.J. VAN PEURSEN

Terug naar de index.

De Hondenwereld 1e jaargang no. 15 16 mei 1947

De Hollandse en Belgische herders op de Winner

De Holl. Herderliefhebbers kunnen tevreden zijn; 32 ingeschreven honden is een mooi getal, dat men zeker niet verwacht had. En wat ook verrassend was, dat de kwaliteit van de gladharen beter was dan die der ruwharen. Dat hebben we vaak omgekeerd gezien. Keurmeester S. Franzen zag te zijner beoordeling: 11-4 kortharige, 1-1 langharige en 6-9 ruwharige Holl. herders. Bij de korth. reuen won Mevr. E. Bakker met Borre; bij de teven kwam haar Aukje v. Wolphaartsdijk tweede achter Daatje v. d. Trouwe Wacht, van M. C. de Laat. De langharigen konden het niet hoger dan Z.G. brengen. Bij de ruwharen slechts één U.-hond, n.l. de reu Jisk eig. Joh. Gimbrère. Ria v. Willies Kroost, eig. A. v. Grinsven, was bij de teven de beste met Z.G. Het is heel wat jaren geleden, dat we een dergelijk aantal op de tentoonstellingen zagen. Men is weer op de goede weg; nu vasthouden, Holl. herdermensen.

Ook bij de Belg. herdershonden verrassingen. In geen 15 jaar is het gebeurd, dat alle 4 variëtelten vertegenwoordigd waren. Ook de inzenders zelf mogen van geluk spreken, althans wat de keurmeester betreft. Het tentoonstellingscomité had tevoren mijn advies gevraagd voor een Belg. keurmeester. Nu zijn er de laatste 10 jaren geen ruwh. Belg. herders meer in België en aangezien men die juist hier het meest had, kon ik slechts één Belg. kenner, n.l. de heer L. Huyghebaert opgeven, die zowel de ruwharen als de Mechelaars door en door kent. Of de heer Huyghebaert niet geaccepteerd heeft wegens zijn hoge leeftijd, of dat de Winner hem niet gevraagd heeft, weet ik niet, doch in het vraagprogramma stond als keurmeester de Belg. allround Jos. Creuwels en in de catalogus de Belg. Bouvierman V. Martinage. Daar beiden geen Belg. herders mochten kwalificeren, moest de heer H. A. P. C. de Groot ter elfder ure inspringen. Hij kon Zaterdags pas om over 6 uur met de keuring der 30 Belgen aanvangen, hetgeen noch voor hem, noch voor de honden en hun eigenaars prettig was. In 2 uren had de Groot er zich doorheen geslagen, daarmee het praatje logenstraffend, dat onze Holl. keurmeesters zo langzaam keuren; zijn voorganger in de ring keurde een zelfde aantal Bouviers in... ca. 6 uren.

Ingeschreven waren dan: 8-10 ruwh. Lackense, met als besten de reu Astor v. h. Heideland. eig. B. Plomp en de teef Mia v. Beekvliettijd, eig. C. Colsters. Eerstgenoemde werd tevens beste Belg. herder en bij de erepn'jzen beste van alle herdershonden. Dit was dus een volledige bevestiging van mijn te Breda op 8 Sept. 1946. Bij de 2-3 Mechelaers bracht Mevr. E. Bakker haar beide imports, n.l. de reu Unic de l'Ecaillon en de teef Ulrita de l'Ecaillon die ondanks hun jeugdige leeftijd beide Uitmuntend en de Jeugdwinnertitel kregen. Vooral de teef was heel mooi, met mooi masker en charbonné, prima houw en karakter; een Mechelaer, zoals men ze ook in België met een lantaarntje zoeken moet. De 4-1 Groenendaelers brachten zowaar ook een U.-hond in de reu Dartel v. Frederikshuize, eig. R. Pool. Tenslotte verraste Dr. Th. Boersma ons met zijn 1-1 Tervuerensen, waarvan de reu Duc de la Ferme Termunt de beste was met Z.G. Reeds door mijn beschrijving van deze variëteit in de kynologische bladen had ik de belangstelling gewekt; nu men de honden in levende lijve zag, waren velen over deze herdershond, die ik nog altijd de meest imposante van alle herdershonden vind, enthousiast, vond hij direct aanhangers en als het lukt, zullen er wellicht dit jaar enige goede exemplaren uit België geïmporteerd worden. Toen we des avonds kwart over 8 met de keuring klaar waren, waren mens en dier doodop en hadden die dag niet cadeau gekregen.

D.W. v. BROUWERSHAVEN

Terug naar de index.

De Hondenwereld 1e jaargang no. 19 16 juli 1947

Verslag Winner 1947

Verslag Hollandse Herders Winner-tentoonstelling 22-23 maart 1947.

Het was mij een genoegen te worden uitgenodigd om de Holl. Herders op deze Winnertentoonstelling te kunnen keuren. De opkomst van Holl. Herders was zeer goed, wat voor mij zeer aangenaam was. Uit alle oorden van het land waren ze opgekomen. Ik zou tegen het bestuur der N.H.C. willen zeggen: Maak wat meer propaganda. Onze hond zal er wel bij varen. Nu de honden: (zie hieronder)

S. FRANZEN

Klik om deze pagina vergroot af te beelden Klik om deze pagina vergroot af te beelden
Terug naar de index.

De Hondenwereld 1e jaargang no.22 1 september 1947
Waar gaan we naar toe met onze HH?

Het is alle jaren mijn gewoonte met de vacantie een kijkje te nemen in het land naar de stand van de Hollandse Herder. Ook dit jaar deed ik dit, al moest ik me wat beperkingen opleggen. Vroeger kon men een abonnement krijgen voor een 1 week van fl 15,- en dit is nu zo geheel anders. Ik ben dit jaar geweest in Wolphaartsdijk en Wemeldinge, Driebergen en Arnhem. In de twee eerste plaatsen zag ik wel aardige honden. Maar in Amhem en Driebergen was het anders, in Arnhem b.v. zag ik honden zoals ik ze de laatste 25 jaar niet meer had gezien. Heel grote, slecht gedragen. oren, ook anatomisch lieten ze veel te wensen over.

Als ik mij zelf de vraag moet stellen, hoe deze achteruitgang komt, dan moet ik zeggen, dat er mensen zijn in de N.H.C. die volgens mij een absoluut verkeerde opvatting van fokken hebben en het ergste is, deze ook propageren. Nu is in de laatste vergadering der N.H.C. een fokplan aan de orde gesteld. Natuurlijk ben ik ook voor een goed fokplan, maar laat men zich goed bedenken, alvorens men gaat fokken, dat men zich laat voorlichten door mensen; die enige ervaring hebben door de praktijk, maar niet door hen, die zeggen jaren lang te hebben gefokt en nog nooit iets goeds hebben laten zien, want dan zal men met dit fokplan meer afbreken dan opbouwen. Het is met de Hollandse Herders zo gesteld, dat er inderdaad behoefte is aan wat vers bloed, maar toch nog niet zo, zoals van een bepaalde zijde wordt gepropageerd. Deze groep gaat min of meer op een manier te werk, die volgens mijn inzien de Holl. Herder naar de afgrond voert. Men is om vers bloed In de Holl. Herder te krijgen honden gaan gebruiken, als ze maar mooi gestroomd waren en een goed karakter hadden. Een lid van de N.H.C. die het meent te weten, gaf eens het volgende verhaal: "In Haarlem bij de Amsterdamse Poort in een garage is een hond, die zeer zeker in aanmerking komt om er mede te fokken, n.l. een reu." Bij onderzoek bleek mij, dat hij met een Holl. Herder absoluut niets gemeen had, alleen de kleur, het bleek niets meer of minder te zijn dan een zeer slechte grote Keeshond. Ook zijn er nog gebruikt, die nog minder met een Holl. Herder gemeen hadden. Namen noem ik maar niet, maar ze zijn genoegzaam bekend.

Deze manier van fokken, althans het gebruiken van deze honden, kan niet anders als funest werken en uiteindelijk is het ras op de duur ten ondergang gedoemd. Men schijnt te vergeten wat er wel achter deze onbekenden kan zitten, n.l. van alles, en dergelijk fokken is en blijft een slag in de lucht. Nu is het heel gemakkelijk om daarover critiek te leveren. Welnu, ik zal trachten, aan de hand van de praktijk een ander plan voor te leggen. In de jaren 1926-'27 traden twee reuen zeer sterk op de voorgrond: de ouderen zullen dit met mij nog wel weten, n.l. Marganda en Tinus. De laatste had eerder een andere naam, n.l. Merwe's Tristan, doch daar bleek, dat deze een valse stamboom had, kreeg bij de naam van Tinus. Margando kwam, als ik goed ben ingelicht, en ik meende te weten van wel, uit een Duitse moeder en een Hollandse vader, een prima gebouwde hond, maar met een overwegend Duits type-, niet alleen in 't hoofd, doch in zijn geheel. Tinus daarentegen was voor honderdprocent een Holl. herder op en top. Dus eigenlijk 2 honden zonder goede afstamming. Van Margando is zo goed als niets gekomen, men kreeg veelal honden die te grof waren, zie Margando's Jan en andere, met grote oren. Tinus daarentegen bracht een mooi zuiver type, Iets fijnere honden, met mooie kleine oren en goed karakter. Zeer veel goede exemplaren zijn er uit voortgekomen, n.l. Sonja van het Polderland, nog eens beste hond van de tentoonstelling in Haarlem in 1931, dan Sonja en Lummona van Purrnerstein, Metha van de Merwestadt en nog vele andere.

Ik wil hiermede aantonen, dat men, indien de noodzaak er is, nog wel kan fokken met honden zonder afstamming, maar dan moet de hond die men gebruikt zeker het type hebben van het bedoelde ras. Van minder belang is als deze anatomisch wat mankeert. Ook moet er een behoorlijk karakter aanwezig zijn! Ook is mijns inziens te proberen een typische Mechelaar, daar toch kan men aan de hand van de bijbehorende stamboom zien wat er achter zit, en als men met selectie deze weg zou volgen, zoals ik hier aangaf, dan. ben ik overtuigd, dat men zeker iets zal bereiken in opbouwende zin. Maar zoals de groep het wil zoals ik hierboven aangaf, ben ik absoluut overtuigd dat het niets anders kan brengen dan teleurstelling niet alleen, maar dat het de Holl. Herder absoluut naar de afgrond voert. Ik zou nog dit in overweging willen geven: Het is nu eenmaal een tijd, dat de buren elkander nodig hebben. Niet alleen politiek en economisch. Ik bedoel hier bijzonder België. Maar ook op het gebied van de honden zou het goed zijn. Ik ben van mening, dat zowel de Hollandse als de Belgische Herders er bij gebaat kunnen zijn, door zich met elkander te verstaan, om te kijken in hoeverre zij elkander zouden kunnen steunen. Hebben misschien andere fokkers of liefhebbers een andere zienswijze. Gaarne wil ik deze horen. A. FRANZEN, Brummen (Gld.)

Terug naar de index.

De Hondenwereld 2e jaargang no.1 Januari 1948
reactie op: Waar gaan we naar toe met onze HH?

Waarheen met de Hollandse herder, vraagt Fransen in no. 22 van 1 Sept. We zijn het met schr. eens, dat het niet naar wens gaat. We weten dat al jaren en hebben het bij herhaling gezegd. Er zijn mensen in de N.H.C. die: primo: niet vasthouden aan het ideaal, zoals dit in de raspunten omschreven is; secundo: die een verkeerde opvatting van fokken demonstreren. We zullen dat toelichten. Elke hond moet in bouw aan minimum eisen voldoen. Voor de Hollander als gebruikshond is de bouw van voor- en achterhand van overwegend belang. De raspunten spreken hier duidelijke taal. Van de voorhand wordt nadrukkelijk gezegd, dat geen terrierfront mag worden toegelaten. Wat zien we nu bij de winnende honden op de tentoonstellingen? Het is - bij de ruigharen - al terrierfront, wat we tegenkomen. Het is een ware gemeenschappelijke fout. De heer Fr. moet dat weten. Aan wie de schuld?

Onder de raseisen lezen we aangaande het karakter, dat verlangd wordt "zelfbewustheid; steeds oplettend en in beweging, levendig temperament." De heer Fr. schrijft, dat er een behoorlijk (dus geen goed?) karakter aanwezig moet zijn. Maar wat toonden verschillende winnaars op de shows? We zagen een U.-hond die van voren niet wist of hij achter leefde. Ook dat moet heer Fr. weten. En alweer: aan wie de fout?

Vatten we - om niet te uitvoerig te worden - slechts deze twee cardinale punten in het oog bij de beantwoording van de vraag: hoe krijgen we de H.H.-wagen weer in het spoor? Dan is ons antwoord: zorg in de eerste plaats dat gekeurd wordt volgens de raseisen. En vervolgens: laten we fokken op verantwoorde wijze. De heer Fr. geeft geen lijn aan. Ontleden we wat hij schrijft. Hij wenst geen honden van onbekende afstamming te gebruiken en zegt: "men schijnt te vergeten wat er wel achter deze onbekenden kan zitten, n.l. van alles en dergelijk fokken is en blijft een slag in de lucht." Even later zingt hij de lof van een zekere Tinus, oorspronkelijk gepresenteerd als Merwe's Tristan, doch later. (we citeren weer) als "hond van onbekende afstamming" Tinus gedoopt. En dan volgen de uitspraken: "zeer veel goede honden zijn daaruit voortgekomen" en "Tinus was voor honderd procent een Hollandse herder op en top." (A propos: sinds wanneer ziet men de rasiuiverheid aan de buitenkant?) Daarop lezen we weer: er kan wèl gefokt worden met een hond zonder afstamming, als hij maar het juiste type heeft. Pal daarna adviseert hij te fokken met een Mechelaer met stamboom, ergo: met een hond mét afstamming en zónder H.H.type (want Mechelaar-type !) dus voor honderd procent het tegengestelde. Wie kan daaruit wijs worden? Ligt het aan ons als het ons begint te duizelen?

Tot slot onze mening. 1e. Zorg dat de raspunten nageleefd worden. 2e. We menen, dat de Tinussen-zonder-stamboom het materiaal vertegenwoordigen om uit de put te komen. Wij waarschuwen tegen overschatting van de stamboom. (Wat natuurlijk geen uitsluiting voor de fok betekent van daartoe in aanmerking komende stamboekdieren). Wij hebben aangespoord het land door te gaan en te zoeken naar de overgebleven resten van onze oorspronkelijke, inheems.e herder, ons landras. We raden aan van die exemplaren gebruik te maken en de afstammelingen streng te selecteren op karakter en type. We hebben dit advies bij de leden der N.H.C. naar voren gebracht. Steeds weer vonden we de heer Fr. tegenover ons. Ten bewijze een letterlijke aanhaling uit de notulen ener vergadering: "de heer Fr. maakte de opmerking, dat niet kan en mag gefokt worden met honden van onbekende afstamming, daar men dan nog verder van huis zou geraken". Deze uitspraak, die nimmer herroepen werd, sluit elke twijfel uit.

En eindelijk: wij weigeren de voorstelling van de heer Fr. te geloven, dat er een "men" in de N.H.C. gevonden kunnen worden, die een enkel kenmerk, de stroming, voldoende zou achten om daardoor tot rasverbetering te komen. Zulke zwakzinnigen bestaan slechts in de verbeelding!De heer Fr. vecht tegen windmolens!

ult. September 1947. Dr. W. VAN DEN AKKER en Ir. J. VOSKENS

Terug naar de index.

Tentoonstelling Utrecht november 1947.

Brabantse vrouwen en mannen met hunne hollandse herders.

Terug naar de index.

 

De Hondenwereld 2e jaargang no.15
16 mei 1948

RECHTUIT NAAR HET DOEL:

* De Hollandse herder ons nationale ras

Aangezien er tot dusverre zo weinig over de Holl. Herders verschenen is in de Hondenwereld en dit zeker niet in het belang is van ons nationale ras, waag ik mij eens op dit gladde pad.

Allereerst wens ik vast te stellen, dat ik slechts liefhebber ben en mij de korth H.H. zeer ter harte gaat. Nimmer was ik zonder hond en heb dan ook meerdere soorten gehad. Echter sinds 1910 heb ik mij oervast gehecht aan de H.H. en kocht ik toen op een aangekondigde paring van, de destijds zeer bekende reu "Ursus" en een prima teef de daaruit eventueel te verwachten donker gestroomde reu. Deze werd inderdaad geboren en zou later blijken ieders favoriet te worden. Alle mij bekende mensen, met naam op kynologisch gebied werden aangezocht om mij bij de opfok van advies te dienen en mijn gedachten gaan heden nog meermalen dankbaar uit naar de mannen als o.a. de Heren Seegers, Bicker, Caarten e.a. Weldra zou blijken dat de nieuwe aanwinst reeds als pup de meest bekende raseigenschappen zou bezitten zoals, zich hechten aan zijn baas, steeds in diens nabijheid blijven, speuren op voetstappen, aldoor om de baas heen draaien, en fel zijn op katten en ander gespuis. Toen destijds, evenals thans, staande oren een eerste vereiste was en of nu Ursus of Truda de oorzaak was van het niet ten volle voldoen aan deze eis. hierop heb ik nimmer antwoord kunnen geven of krijgen. Toch heb ik nimmer de gedachte van mij af kunnen zetten, dat Ursus niet de schuldige zou zijn, alhoewel deze een product van onbekende herkomst was. Niettegenstaande dit feit behaalde hij op diverse tentoonstellingen meermalen het kampioenschap en tientallen van eerste prijzen en vond men hem in die dagen de meest toonaangevende*).

Eenmaal zond ik mijn herder naar een tentoonstelling, waar hij nietttegenstaande slappe, slechte oorstand door menigeen werd bewonderd door zijn goede bouw en kleur, doch voor bekroning kansloos was. Dit deed echter voor mij niets af, daar hij opgroeide als een echt typische herder met prima karakter als huis- en geleidehond, intelligent en een uiterst gehoorzame vriend. De dressuur voor politiehond was in die dagen in het beginstadium, doch de handleidingen als de Politiehond.e.a. waren voor het amateurdressuur van groot belang. Zo herinner ik mij, dat mijn vrouw eens twee kwartjes verloor in de tuin, die wij niet konden vinden. Enige uren later Friesje op het speur zettende, kwam hij na enkele minuten kwispelstaartend op ons af met een kwartje in zijn mond. Het tweede volgde weldra en hij heeft soortgelijke prestaties meermalen herhaald.

Zo o.a. verloor een logé zijn sigarettenpijpje, waaraan hij zeer gehecht was. Ook in dit geval zocht Friesje dit op onder zeer lastige omstandigheden, bracht het terug niettegenstaande de reuk en smaak hoogst onaangenaam waren.

Als rattenvanger was hij beslist onbetaalbaar en heeft hij het gepresteerd op een middag bij de opruiming van ons graanpakhuis met onze hulp 87 exemplaren naar de eeuwige jachtvelden te helpen zonder zelf noemenswaardige verwondingen op te lopen. Zijn reukorgaan bleek meermalen buitengewoon ontwikkeld te zijn, hetwelk zich bijv. als volgt steeds demonstreerde: wanneer de koffer van onze ouders per van Gend & Loos bezorgd werd snuffelde Friesje daaraan als een bezetene en deed op alle manieren z'n best om ons te betuigen, dat hij wist, dat zijn geliefde wandelkameraad weldra zou komen. Dieren als paarden, koeien, varkens, schapen hadden z'n speciale aandacht, doch nimmer heeft hij, zich hieraan vergrepen. Uit alles bleek echter, dat hij niets liever zou doen dan deze bij elkander te drijven.

Op onze kinderen was hij in één woord dol en wij konden deze rustig aan hem overlaten. Reeds in die jaren bestond er veel belangstelling voor de H.H. en werden er voor die tijd hoge prijzen voor z.g.n goede exemplaren betaald. De 8 heer Prince te Driebergen hield een grote kennel en ik heb meermalen met deze over aan- en verkoop van H.H.'s gecorrespondeerd. Ook nu, evenals in die jaren. komt het meermalen voor, dat onze HH. keurmeesters zeer verschillende beoordelingen geven en doen zulke verschillende uitspraken m.i. zeer veel kwaad aan de opkomst van ons ras. Reeds de heer Seegers wees in zijn zuiver en helder geschreven "De Hollandse Herderhond" op deze feiten. Meer één zijn bij de beoordelingen van onze H.H. zou ons nationale ras zeer ten goede kunnen komen. Er klopt m.i. iets niet wanneer een hond bijv. in Mei een U. haalt en vier weken later met een G. naar huis gezonden wordt. In de door mij beschreven jaren werden in Drente, Gelderland en Noord- Brabant nog meerdere kudden schapen gehouden en zag men bijna altijd hierbij een herdershond, hetzij een ongeveer zuivere Hollander of, een uit de naaste familie. Hieruit bleek, dat deze dieren het meest aangename karakter hadden en zich met weinig voedsel tevreden stelden. Toch wil het mij thans voorkomen, dat een prima, practijkhond nimmer, samen gaat met een showhond en wel omdat de eerste een prima karakter moet hebben en men bij de tweede eerst let op bouw, oogkleur, gebit, beharing, oorstand en staartdracht en uiteindelijk karakter. Lette men hierop eerst dan zou de fok nog veel bezwaarlijker worden dan deze reeds is. Vanuit dit standpunt gezien, heb ik dan ook op de laatst gehouden ledenvergadering van de N.H.C. o.a. mijn inzicht naar voren gebracht. Wij allen voelen, dat er iets hapert en om uit deze impasse te geraken, heeft men gezocht in een z.g. fokplan. Lang niet ieder kan zich hierbij aansluiten en zal eerst na ettelijke jaren ook moeten blijken of men goed of verkeerd gedaan heeft.

Dit jaar bestaat de N.H.C. 50 jaar en ik heb na hoor en wederhoor voorgesteld dit najaar een clubmatch uit te schrijven speciaal voor H.H.'s. Hier moet m.i. iedere eigenaar van een H.H. komen, ook al is zijn hond nu niet direct een tentoonstellingsexemplaar. Meerdere keurmeesters zouden dan kunnen worden aangezocht om over die exemplaren een gezamenlijk oordeel uit te spreken, doch onder voorwaarde, zich zuiver te houden aan de raseigenschappen. De liefhebber van ons ras kan dan zien wat er zoal in Nederland aanwezig is en wanneer dan de beste honden in het najaar naar een tentoonstelling worden gezonden, kan de N.H.C. mogelijk een zeer propagandistisch feest aldaar organiseren. Stelt U voor dat ook het buitenland nog eens weer H.H.'s zou willen hebben. Eerst dan, liefhebbers van ons nationale ras, zouden wij vroeg of laat, evenals onze zusterverenigingen kunnen bogen op een groter aantal H.H.'s op alle tentoonstellingen. Op mijn rondschrijven aan alle leden van de Ver. ontving ik in totaal 2, zegge en schrijve twee antwoorden en toch mijne heren, ik zet door. Ik zal mij blijven geven voor ons ras, want dit verdient ieders belangstelling, doch liefhebbers toon mij uw hulp. Voor afbraak ben ik niet bang, want nieuwbouw kan veel goed maken en dus doe wat, geef bijv. voor de mogelijke clubmatch uw volle medewerking, laten wij ons bij onze fokplannen voorlichten, stel een klein of groot bedrag beschikbaar en laat ons gezamenlijk het gouden jubileum van de N.H.C. doen slagen. Mogelijk volgen op deze uiting meerdere stukjes in de Hondenwereld. Hierdoor reeds zal onze H.H. meer belangstelling krijgen en dus "Wie helpt?" Kortom, blijf niet aan de kant staan, doch grijp uw pen, beurs, of stel een prijs of prijsje beschikbaar voor dit doel. Ik vraag, wie draait verder?

De redactie van "De Hondenwereld" zeg ik hierbij gaarne dank voor de opname en ik zie met belangstelling de mij toegezegde pennevruchten tegemoet.

v. ZADELHOFF.

*) Hetgeen uiteraard wat zijn vererving betreft niets zegt. (Red.)

 

De Hondenwereld 2e jaargang no.15
16 mei 1948
Hollandse Herdershonden

In 1931 werd in De Hond door de heer J. Steijns te Roosendaal een klacht geuit over de Holl. Herders. "Waar zijn de stoere forse werkhonden van 40 jaar geleden?", zo roept hij uit. En dan verder: " ... nu, na 40 jaar (waarin nu en dan gezegd werd, dat Wij op de goede weg waren) zijn we er nog niet en komen wij er nooit, althans indien we zó doorgaan. Het is om wanhopend te worden en ik heb de moed al lang opgegeven." De schrijver zegt dan: "laat men een flinke, stevige schaapshond zoeken, zó van achter de kudde", "stevige boerenlummels", "geen porseleinhondjes". Men zou kunnen vragen of intussen niet menige "flinke schaapshond" naar voren is gekomen. De heer J. Meijer toch schreef in 1940 in De Flond, dat in 1939 voor de keuring der K.N.P.V. voorgebracht werden 18 Holl. Herders, waarvan slechts één werd afgewezen en waarvan vier het certificaat "met lof" behaalden.

De heer Steijns had gelijk, men moet proefnemingen doen met onbenut goed materiaal van het platteland. De gewenstheid daarvan voel ik sinds jaren. Speuren moeten wij waar zulke honden nog te vinden zijn. Het moeten stevige, niet zenuwzwakke gebruikshonden zijn. Het ideaal moet wezen: uiterlijk schoon te verbinden met physieke en vooral psychische gezondheid. Wat het laatste betreft: bij herdershonden moet altijd sterk op het zenuwgestel worden gelet, degeneratiefheid op dat punt komt dikwijls voor.

Wat nu het uiterlijk betreft: volgens mijn smaak (die op dit punt wel veler smaak zal wezen) zijn de zilvergestroomden mooier dan de goudgestroomden en vooral verdient de langharige varieteit de aandacht. Waarom heeft men niet tijdig de fokkerij van die zilvergestroomden en langharigen aangepakt? Terwijl men toch het bevorderen van schoonheid bedoelde, toen men besloot om alle wit te verbieden (waardoor menig waardevol dier, menige hond met uitmuntend karakter in de ban werd gedaan). Wil men schoonheid slechts op één enkel punt bevorderen? In tegenstelling tot Denemarken, bezitten wij een inheems herdershondenras. Wat is de houding van ons, hondenvrienden, tegenover dat bezit? Misschien wil een deskundige in dit blad zich ook over het type van de H.H. eens uiten.

E. E. G.

Terug naar de index.

 

1