EEN INLEIDING TOT DE
HOOGEVEENSE
EN ANDERE VERMEENDE KENNIS
OVER HET VERLEDEN VAN
HOOGEVEEN EN OMSTREKEN
Gepubliceerd 8 november 2006 tijdens de eerste avond van de nieuwe cursus Geschiedenis van Hoogeveen van de Volksuniversiteit Hoogeveen.

Informatiecentrum Geschiedenis
Hollandscheveld e.o.
Met dank aan Marga Zwiggelaar voor het kritisch meedenken.
©Albert Metselaar, Hoogeveen 2006.
Niets uit deze uitgave mag worden openbaar gemaakt of vermenigvuldigd, op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur.
HOOGEVEENSE MYTHOLOGIE
Albert Metselaar
Het is hartstikke mooi als er over een plaats veel geschreven wordt. Dan heb je meestal ook een goed overzicht over alle mogelijke zaken van geschiedenis en cultuur van de eigen omgeving. Een bijkomend probleem is echter wel dat veel schrijven en publiceren ook zal inhouden dat er veel wordt herhaald, of zelfs gewoon overgeschreven. Ach, iedereen neemt wel eens wat van een ander over. Zolang het maar een onbeduidend deel is van een publicatie is er nog geen man/vrouw overboord. En zolang je maar aangeeft waar je de informatie vandaan haalt. Erger wordt het als pertinente onjuistheden steeds weer worden herhaald, overgeschreven, doorgegeven, zonder onderzoek en zonder bronvermelding, ook al is de onjuistheid ervan al lang aangetoond. Dan krijg je uiteindelijk het effect van: het wordt door iedereen verteld, dus het zal wel waar zijn. Of je krijgt een nog minder plezierig effect: die en die heeft het gezegd, en die weet zoveel, als je er niet mee eens bent, dan val je hem of haar aan. Uiteindelijk zit een gezonde discussie helemaal vast, terwijl geschiedenis alleen kan floreren als er gezond gesprek mogelijk is.
Bij veel dingen is een half ei beter dan een lege dop, maar bij geschiedenis is een halve waarheid al gauw een hele leugen. En laten we nu niet zeggen dat dingen niet zo precies komen. Wie bijna raak schiet, schiet helemaal mis. Iedere onderwijzer zal een rekensom met 4 cijfers in het eindgetal afkeuren als het antwoord niet goed is, al zit je er maar 3 cijfers = een paar promille naast. En wat zegt Geertje als je haar Gerritje noemt? Precies, we zijn eigenlijk helemaal niet tevreden als iets niet klopt. Alleen als we elkaar eens wat lekker smeuigs willen vertellen, dan interesseert het ons geen biet of het nu wel of niet waar is. Wat dan gebeurt, valt niet meer onder de term geschiedenis, maar noemen we met een mooi Engels woord: urban legends, oftewel: stadsmythen. Urban legends of stadsmythen zijn een populaire vorm van orale vertelkunst. Kenmerkend voor stadsmythen is dat ze her en der spontaan opduiken en heel wat varianten kennen. Wie ermee begonnen is, dat is vaak niet meer na te gaan, en de verhalen worden zo vaak verteld dat je ze vanzelf begint te geloven. Broodje-aap-verhalen. In Hoogeveens perspectief kunnen we beter spreken van dorpsmythen. Want dat van die stad, dat is van zichzelf al een mythe……
P.S.
Misschien is de tekst hier en daar een beetje cynisch. Maar laten we alsjeblieft een beetje lachen om onszelf als Hoogeveners onder elkaar. Je zou soms in tranen uitbarsten als je ziet wat we soms van ons verleden hebben gemaakt!
dorpsmythen, en enige inhoudelijke
reacties daarop:
ROELOF VAN ECHTEN KOCHT IN 1625
5000 MORGEN VEENLAND VAN DE
BOEREN VAN ZUIDWOLDE EN STICHTTE ZO HOOGEVEEN
“Roelof van Echten was een visionair man, die het veengebied in Hoogeveen en omstreken wilde ontwikkelen. Om dat te kunnen doen, kocht hij in 1625 5000 morgen veen van de boeren van Steenbergen en Ten Arlo. Dit was het juridische begin van Hoogeveen. Hij was dan ook de stichter van Hoogeveen. Omdat hij geen geld genoeg had om de ontwikkeling van het gebied alleen op te zetten, stichtte hij de Compagnie van de 5000 Morgen, waar hij de leider van was. Roelof bezat een uitgestrekt stuk veenland, Van Echtens Morgenland. Hij stichtte tevens een fonds voor kerk, school en armen, de zogenaamde ‘100 Morgen’, nu ondergebracht in het Jonkheer Rudolph van Echten-fonds.”
Dat is de mythe van het ontstaan van Hoogeveen. En daar klopt niets van, is inmiddels gebleken. Om een heel lang verhaal een beetje overzichtelijk te maken zal hier puntsgewijs een en ander van worden gezegd:
1. De mythe is niet in overeenstemming met de historische werkelijkheid, en wordt als zodanig bestreden door Roelof van Echten zelf. Die zegt van zijn veenhandel: “De Zuidwolder Venen daar in heb ik een partie gekocht en de vorige eigenaar betaald, namelijk Jr. Menno van den Clooster, en het principaalste van die gezamenlijke eigenaren bij solemneel contract ontvangen, die daarvoor genieten zullen mede uit en vrijdom van de tienden turf het welke u Edele mede voor lange is bewust geweest, als mede dat ik de ondergrond namaals van die van Zuidwolde heb gekocht”. Hij laat zijn handel met Zuidwolde dus niet beginnen met 1625, maar verklaart dat het nog eerder was. Tevens geeft hij aan dat er in 1625 (bij “het principaalste bij solemneel contract”) sprake was van ruilhandel[i], en geen koop. Hij ruilde veen tegen tienden, zei hij. De ondergrond had hij later (1630) wel gekocht. Hoeveel veen ruilde hij met Zuidwolde? In de bronnen is zelden of nooit sprake van oppervlakten, behalve voor de beschrijving van het totale gebied van de 5000 Morgen. Toch kennen we een aanduiding van Roelof van Echten zelf van de grootte van de Zuidwolder Venen. Hij zegt in zijn brief van januari 1632: “Zij lieden evenwel niet kunnen geloven dat ik met alle de Zuidwolder en Mepper Venen geen 5000 morgen zou kunnen leveren. Indien nu zij lieden nog niet kunnen begrijpen dat uit zeven of acht wel vijf kunnen geleverd worden…….” Zeven of achtduizend morgen was dus het hele gebied van de Meppense Venen en de Zuidwolder Venen samen. Als we weten dat de Meppense Venen zelf werden geschat op 6000 morgen, dan kunnen de Zuidwolder Venen dus nooit meer zijn geweest dan hooguit 2000 Morgen. Wel minder. Als ‘zeven of acht’ staat voor het hele gebied, blijft er na aftrek van ‘zes’ nog één tot twee over. De Zuidwolder Venen waren minimaal. 1000 morgen en maximaal 2000.
2. De mythe gaat ervan uit dat er één moment is geweest dat het grondgebied van de Compagnie van de 5000 Morgen is aangekocht, december 1625, en neemt dat moment als het begin van Hoogeveen. In werkelijkheid is het bijeenbrengen van het veencomplex een proces geweest, met als hoofdjaartallen: 1551 (Meppense Venen van 6000 morgen los van boeren van Meppen), 1558 (uiteenvallen Meppense Venen in twee delen), 1625 (boeren Steenbergen en Ten Arlo ruilen hooguit 2000 morgen veen met Roelof van Echten voor uitvaart en tienden), 1630 (Roelof koopt de ondergrond onder dat veen), 1631 (aankoop helft Meppense Venen door Roelof van Echten), 1631 (aankoop 33 morgen door Roelof van Echten), 1631 (overdracht van wat Roelof al had aan Compagnie van de 5000 Morgen), en 1633 (Roelof wint het naarkoopproces, en verkrijgt voor de Compagnie van de 5000 Morgen de andere helft van de Meppense Venen. Pas in 1633 is het hele gebied in één hand, maar niet die van Roelof, doch in de hand van de Compagnie van de 5000 Morgen. Het jaartal 1625 is dus in feite slechts een moment in een proces, meer niet, en er is sprake van minder overdracht dan het geval was in 1551, 1631 en 1633, zodat het jaartal 1625 ook nog eens in de schaduw staat bij andere jaren. Als we één moment willen zien waarin de veenlanden van de Compagnie in één hand waren, en dat moment wil de mythe dus weergeven, dan zou je moeten kiezen voor 1633 en niet voor 1625.
3. Dat ene moment, dat dus foutief in 1625 wordt geplaatst, dat noemt men ‘stichten’. Het stichten van een plaats gebeurde in de 17de eeuw veel meer. Hoe verschillend de verhalen ook zijn, in alle gevallen is er bij ‘stichten’ sprake van een bewust gewilde en geplande handeling of serie handelingen, gericht op het stichting van een volksplanting, een dorp of een stad, met plannen hoe die plaats eruit zou moeten zien. Er is nooit sprake van een min of meer automatisch gevolg, een neveneffect of voortvloeien uit een andere bewuste daad. Als de mythe spreekt over het stichten van Hoogeveen, dan voldoet dit stichten niet aan de definitie die in de 17de eeuw en tegenwoordig algemeen aan stichten werd gegeven. In 1625 gaat het niet over een kolonie, het gaat over een ruil van veen tegen vrije uitvaart en turftienden. Er is in 1625 geen volksplanting ontstaan, noch plannen ervoor gemaakt, Roelof van Echten heeft ook niet aantoonbaar actie ondernomen om een volksplanting op het veen van de 5000 morgen van de grond te krijgen, en als dit enige jaren later wel gebeurt, dan zijn er in 1636 andere initiatiefnemers met duidelijke plannen, die wel voldoen aan de 17de eeuwse definitie van stichten. Hoogeveen is in 1626 als veenkolonie gesticht door de Hollandsche Compagnie. Dat was om nog exacter te zijn door twee van hun directeuren, die toen een bezoek brachten aan het veen: Johan van der Meer en Pieter Joosten Warmont. Tot slot nog een andere logische stap: Als we – nu dus tegen beter weten in – de acte van 1625 toch nog als het stichten van Hoogeveen zouden beschouwen, zouden we alle vier ondertekenaars als stichters moeten opvatten. Het was een ruil, de een kon niet zonder de ander. Kortom, er was van begin af aan al flink wat mis met dit idee.
4. Er kon in 1625 en 1630 helemaal niet gesticht worden. De grond was nog niet eens geleverd! In 1630 ging het alleen over de koop van de grond onder het in 1625 geruilde veen. De grond waarop het dorp Hoogeveen zou ontstaan werd pas in 1631 gekocht! Dan kun je niet eens stichten in 1625, al zou je willen! En net als de bij grond van 1630 was er in 1631 nog geen sprake van formele overdracht. Er werd wel rekening gehouden met de komst van kolonisten, dat wel. Er werd toestemming geregeld voor een lucratieve tapperij, er werd vrijdom van belasting voor 50 jaar geregeld. Maar er werd helemaal nergens gesproken van concrete plannen om een plaats vorm te geven. Er werd nergens gesproken over het bouwen van woningen, of waar die moesten komen. Er is in alle stukken nog niet één keer sprake geweest van een woning, huis, keet, of waar men zoal onderdak in kon vinden. Volgens de gangbare opvatting over stichten, zoals dat in de vaderlandse geschiedenis en de klassieke opvatting daarvan wordt uitgedragen, is er dus noch in 1625, noch in 1630, noch in 1631 een plaats Hoogeveen gesticht, en er werd in geen van die aangegeven jaren een concrete handeling verricht die dat ten doel had.
5. Alle bekende auteurs wisten al dat Hoogeveen niet in 1625 gesticht kon worden en hebben dat ook zo geschreven, wat ze mondeling ook uitdroegen! Een mooi beeld van de situatie op het Hooge Veen krijgen we in de brief van Roelof van Echten van 12/22 januari 1632. Hierin sprekt hij nergens over kolonisten, een kolonie of andersoortige bewoning op het Hooge Veen. De vaart is nog niet klaar, er wordt nog geen turf gegraven, er kan nog niet gewoond of gewerkt worden[ii]. In 1678 schetst Roelof van Echten II een beeld, waarin duidelijk wordt dat de kolonisatie iets was wat pas na 1625 op gang was gekomen[iii]. Schulte C.E.Carsten kreeg volop informatie van de familie Van Echten, toen hij rond 1791 een pleidooi voor het behoud van de zuidelijkste venen voorbereidde. In zijn pleidooi[iv] wordt duidelijk dat de stichting van de kolonie iets was van na 1625. Jan van der Veen Azn. publiceerde in de Drentsche Volksalmanak voor 1868 een beeld over het ontstaan van Hoogeveen, waarin in de toenmalige optiek in 1625 wel een kiem werd gelegd voor de wording van de gemeente, maar waarin nog geen sprake was van kolonisatie in dat jaar. Verder dan die kiem kwam het niet in 1625, de plaats zelf kwam later. In de zomer van 1924 was het nog niet vanzelfsprekend om te spreken van de stichting van de plaats Hoogeveen in 1625. Omdat er geen concrete informatie was, werd dit stichten van Hoogeveen zowel gekoppeld aan het ruilcontract van 20 december 1625 als aan de acte van 12 maart 1631, de oprichting van de Compagnie van de 5000 Morgen. Er werd flink over gediscussieerd. Dat men in 1925 toch een 300-jarig bestaan is gaan vieren, was omdat de toenmalige lokale historicus Albert ten Heuvel een doorslaggevend pleidooi hield, waaruit voor hem duidelijk leek dat er al een kolonie was voor 1631, die omstreeks 1625 ontstaan moest zijn[v]. Vervolgens werd het feest voorbereid voor 1925. Nog voor dat feest los kon barsten, stond er in de Hoogeveensche Courant van 29 april 1925 een artikel van dezelfde Albert ten Heuvel waarin hij zijn conclusie volledig herzag. Hij constateerde dat er voor 1631 nog niet gedacht werd aan de stichting van de kolonie! Het feest ging gewoon door. Hoogeveen was gesticht in 1625, iedereen zei het toen, en iedereen bleef het zeggen. Maar geen van de lokale historici verdedigde het nog. Dr. Jacob Wattel publiceerde in de Nieuwe Drentse Volksalmanak van 1956 (blz.52) wel dat er in 1631 voorzien werd dat er kolonisten zouden komen, maar ze waren er nog niet. Hij schreef (blz.58): “Vermoedelijk zijn in ’t begin der dertiger jaren de hoofdvaart en enkele wijken tot stand gekomen en is het binnenstromen van immigranten begonnen”. Dit herhaalde hij nog eens in 1975[vi]. De kolonie begon dus in zijn optiek na 1631, maar hij had geen duidelijkheid wanneer precies. Lammert Huizing sprak in 1975 eveneens de stichting van een kolonie in 1625 tegen, en herhaalde dat toen het boek later verbeterd herdrukt werd. Hij zei daarover[vii]: “Zo lang hij (Roelof van Echten) niet kon beschikken over de ondergrond, kon hij geen kanaal graven, kon hij geen verlaten aanleggen of bruggen bouwen, kon hij geen bomen planten, kon hij geen mensen zich blijven op het veen laten vestigen: kortom: kon hij niet gaan koloniseren” Kortom, alle bekende en minder bekende auteurs wisten dat de plaats Hoogeveen niet gesticht was in 1625, en de enige reden waarom dit in 1925 wel werd aangenomen, is een vergissing van Albert ten Heuvel, die te laat werd gecorrigeerd om de festiviteiten nog te verplaatsen. Zelfs de koningin was al ingelicht, en de lintjes voor de burgemeester, de gemeentesecretaris en een andere hoogstaande plaatsgenoot lagen al klaar. Wanneer Hoogeveen wel was gesticht, dat wist niemand precies. In 1975 telde men gewoon verder vanaf 1925, en niemand vroeg zich af of dit wel klopte, ook al kende men de krantenpublicaties van Albert ten Heuvel.
6. Roelof van Echten was niet de visionaire man, die het veengebied in Hoogeveen en omstreken tot ontwikkeling bracht. Het veengebied was groter dan de 5000 Morgen en die 5000 Morgen maakten dus deel uit van twee complexen, de hooguit 2000 morgen die van Zuidwolde werd overgenomen, en de 3000 morgen van Meppen/Gees. Roelof belemmerde de boeren van Steenbergen en Ten Arlo bij het opstarten van de vervening in hun gebied. Door geen samenwerking te zoeken met de Compagnie in de Meppense Venen, maar dit gebied helemaal te annexeren, is de ontwikkeling van de 3000 morgen op de oost- en de zuidzijde van de latere gemeente Hoogeveen zeker een eeuw later op gang gekomen dan mogelijk was. Al met al had hij een rol bij de ontwikkeling van de 2000 morgen, en was hij belemmerend bij de ontwikkeling van zeker 4500 morgen aangrenzend gebied. Het ging hem duidelijk niet om de ontwikkeling van het gebied, maar om een gewone machtspolitiek, in het eigen voordeel.
7. De mythe werkt als dekmantel, om te camoufleren hoe Roelof van Echten zakelijk gezien omgegaan is met de boeren van Steenbergen en Ten Arlo. Bij een koop waren er geen verdere verplichtingen. Maar er was geen koop, er was in 1625 sprake van ruil. Bij de ruil waren deze verplichtingen er feitelijk volop, en Roelof van Echten heeft tijdens zijn leven al deze verplichtingen ontlopen, doordat hij zijn schulden niet betaalde, geen sluizen plaatste, en turfgraverij door de boeren van Zuidwolde tegenhield, zodat men geen gebruik kon maken van de vrije uitvaart en de vrijdom van de turftienden.
8. De mythe werkt als dekmantel, om diverse oude en dubieuze veentransacties, waarvoor hij gedurende de rest van zijn leven gerechtelijk vervolgd werd, volledig weg te poetsen. Zo verkocht Roelof de Wolfskuilen aan de Compagnie, en droeg dit gebied per stoklegging over, terwijl hij aantoonbaar volgens zijn eigen archief dit gebied nooit had bezeten. In 1657 moest zijn zoon Johan dit contractueel erkennen en gingen de Wolfskuilen naar Gees. Roelof verkocht tevens een grote driehoek veenland ten zuiden van de Oostwijk en ten noorden van de Carstenswijk, terwijl hij die nooit had overgenomen van Zuidwolde, en er ook op basis van andere akten geen ongedeeld recht op had. Dit werd pas in 1664 gecorrigeerd toen de markegenoten van Steenbergen en Ten Arlo alsnog per akte dit gebied overdroegen. Een derde dubieuze zaak was de manier waarop Roelof van Echten de Meppense Venen in zijn bezit kreeg: de ene helft werd zodanig overgenomen, dat de familie van de oorspronkelijke eigenaar onmiddellijk een proces begon, de andere helft werd overgenomen via een gemanipuleerde naarkoop-procedure. Door de mythe werd er nooit meer over gepraat. Roelof had alles in één keer overgenomen. Netjes gekocht. Zei men…..
9. De mythe werkt als dekmantel, om een grote tiendenfraude uit beeld te houden. Roelof had in 1631 alle participanten vrijgesteld van de turftienden. Na een lange periode van conflict, moest zijn zoon Johan in 1657 erkennen dat de Meppense Venen, op basis waarvan 3000 morgen veen ingekomen was in het gebied van de Compagnie, eigendom waren van de marke van Gees. Het gevolg was dat dit hele gebied, deel van de Compagnie van de 5000 Morgen, tiendplichtig was aan de tiendheren van Gees, inclusief de turftienden. Omdat Roelof de participanten had vrijgesteld, zouden de Van Echtens voor hen moeten betalen. Door de mythe, honderd jaar later toen het land opbrengsten gaf door iedereen als waarheid aanvaard, zijn de turftienden aan de tiendheren van Gees nooit betaald, en verwierf de familie van Echten en Van Holthe tot Echten tot 1907 – toen de tienden werden opgeheven – geld van een vorm van belasting, waar ze geen recht op hadden. Deze gelden werden anderen onthouden.
10. Van een juridisch begin was in 1625 absoluut geen sprake. De akte had zelfs geen juridische geldigheid! De schulte van Zuidwolde heeft hem niet gezegeld, de zogenaamde vertegenwoordigers van de boeren hadden geen aantoonbaar mandaat, de venen waren deel van de Heerlijkheid Ruinen en de officiële eigenaar protesteerde tegen de onderlinge handel van de gerechtigden in de marke van Steenbergen en Ten Arlo, en als klap op de vuurpijl heeft Roelof van Echten de veenruil van 1625 in 1635 in feite moreel teniet gedaan omdat hij niet meer achter de ruilvoorwaarden bleek te staan. Hij blokkeerde deze! Kortom, als de akte niet in maart 1626 door de Drentse overheid was bekrachtigd, was er geen enkele juridische status geweest voor het stuk. Het stuk zelf rammelde als een brommer met 150 op de snelweg…….
11. Roelof was helemaal niet de leider van de Compagnie van de 5000 Morgen. De groep participanten was intern democratisch ingesteld. Wie 100 morgen had, kon 1 stem uitbrengen. De Hollanders dwongen met hun 2300 morgen al snel splitsing van de venen af, zodat de Compagnie eigenlijk alleen nog maar over de Hoogeveensche Vaart ging, en zelfs daarbij zette men Roelof onder curatele.
12. Roelof van Echten heeft het fonds voor kerk, school en armen niet gesticht. Net zo min als hij de Compagnie van de 5000 Morgen heeft opgericht. Een groep kan je niet alleen oprichten, daar heb je anderen voor nodig. Dat doe je samen. Roelof is dus als oprichter een deel van een collectief, dat gezamenlijk de Compagnie heeft gesticht, en gezamenlijk heeft gezorgd voor dat fonds voor kerk, school en armen. Roelof zou dat wel moeten activeren, maar dat heeft hij niet gedaan. Het bestond slechts op papier, opgericht door het collectief van participanten, en pas feitelijk in leven geroepen door Johan van Echten, de zoon van Roelof.
13. Door Roelof van Echten als stichter van Hoogeveen neer te zetten, wordt geen recht gedaan aan zijn feitelijke rol. Hij had een rol als grondspeculant en makelaar in de periode voordat de plaats werd gesticht, werd nadien een van de grotere verveners ter plaatse en leidde namens de Compagnie van de 5000 Morgen de aanleg van de Hoogeveensche Vaart. Overigens is hem dat laatste weer uit handen genomen, toen bleek dat hij als zodanig niet meer functioneerde. In de dagelijkse leiding over het Hooge Veen was hij al terzijde gezet door de Hollanders, die feitelijk de baas waren op het Hoogeveen, maar dat neemt niet weg dat Roelof ook een plaats in de geschiedenis toekomt. Maar wel één die past bij de feiten, en die andere mensen ook recht doet. Als je iedereen die als een soort makelaar of regelaar actief is ook als stichter wilt zien van alles wat later op die grond komt, en dan ook nog los van context en medewerkers en medeverantwoordelijken, dan heeft burgemeester Urlings de kaasfabriek van de DOC gesticht. Ach ja, waarom niet, er kan nog wel een mythe bij.
14. Als een verhaal feitelijk historisch onjuist is, en allerlei verwerpelijke vormen van handel worden ermee verdoezeld, waarom zou je in de 21e eeuw zo’n 17e eeuws verhaal dan nog blijven vertellen? We spreken nu ook anders over de VOC, de moord op tal van Indiërs in de 17e eeuw, Van Heutz, de slavenhandel, noem maar op, waarom zouden we nu dan wel vasthouden aan dat historisch onjuiste beeld van Hoogeveen, terwijl de ware verhalen op zijn minst net zo mooi zijn?
15. Niet zo moeilijk doen over het woord ‘stichten’, maar gewoon spreken over het ontstaan van Hoogeveen in 1625, of het begin van het ontstaansproces? En dan Roelof van Echten beschouwen als degene die het allemaal op gang heeft gebracht? Gewoon de feiten negeren? Dat is een optie. Dat wordt wel gezegd, door mensen die 1625 nog gewoon vast willen houden. Maar spreek dan ook niet meer van stichten. Besef dan ook dat 1625 niet het begin was van dat ontstaansproces, slechts een datum uit een lange reeks, vanaf 1551. Je moet dan 1625 alleen vasthouden omdat men dat al doet vanaf 1924, verder niet, want de feiten spreken dit dus tegen. Wat mensen gaan doen moeten ze natuurlijk zelf weten, maar Hoogeveen ontstond niet in 1625. Er was gewoon geen Hoogeveen in 1625 en het zou er de eerste jaren ook nog niet komen. Alleen de naam van Roelof verbinden aan dit moment uit 1625 is ook onjuist, want er waren vier mensen die dat moment mogelijk maakten en deze vier mensen hadden samen gedachten over het vervenen van een gebied, dat niet het latere Hoogeveen dekt. Het ging zelfs niet over het gebied van de latere Compagnie van de 5000 Morgen. Het ging over hooguit 2000 morgen van dat gebied, en de resterende venen van 1300 morgen Zuidwolde. De resterende 3000 morgen van het latere Hoogeveen stonden er buiten.
16. Kortom, wie gewoon wil vasthouden aan 1625 kan dat gerust doen. Maar noem dat dan geen geschiedenis. Iedereen mag in Sinterklaas blijven geloven.
17. Heeft iemand er al eens aan gedacht dat het huidige Hoogeveen 129 km2 telt? Van de 5000 morgen ging pakweg 900 morgen verloren aan Overijssel en kwam nooit weer terug. In de huidige gemeente Hoogeveen is dus nog pakweg 4100 morgen daarvan over. Van die 4100 morgen was hooguit 2000 morgen betrokken bij de aankoop van 1625. Dat is hooguit 20 km2. Minder dan een zesde van de huidige gemeente is dus betrokken geweest bij het jaartal 1625. En wie dit wil blijven zien als het begin van Hoogeveen, vergeet blijkbaar dat de geschiedenis van De Weide al honderden jaren ouder is. Pesse is al minstens 5000 jaar bewoond. Ook allemaal Hoogeveen! Onder de huidige omstandigheden is het een vorm van kolonialisme, waarbij geen rekening wordt gehouden met eigenheden van een gebied, als al die 129 km2 moeten vasthouden aan een jaartal van en stuk veen zonder ondergrond bij het Kruis.
In die ene mythe zitten al zoveel andere mythische voorstellingen en historische onwaarheden verstrengeld, dat er bijna geen uitkomen meer is. En we zijn er nog niet, als we het hebben over Roelof van Echten:
WE HEBBEN EEN PORTRET VAN ROELOF VAN ECHTEN.
HET STAAT VOOROP HET BOEK ‘VAN ECHTENS MORGENLAND’
Helaas, we weten niet wie dat is. In ieder geval niet Roelof van Echten. Hoe komen we dan op dat verhaal? Lees verder……
ALBERT TEN HEUVEL IRRITEERDE NET ZOLANG MET VRAGEN NAAR EEN PORTRET, DAT DE VAN HOLTHE TOT ECHTENS HEM MAAR WAT HEBBEN GEGEVEN
Albert ten Heuvel is een van onze bijna vergeten schrijvers. Tal van boeken bevatten gegevens, die direct of indirect aan zijn werk zijn ontleend. Hij publiceerde ooit een artikelenserie over oud Hoogeveen in de Hoogeveensche Courant, en werkte in 1925 aan een boek over de geschiedenis van Hoogeveen. Helaas is dat boek nooit verschenen. Het zou prachtig zijn als voor het boek ook een afbeelding van Roelof van Echten beschikbaar zou zijn. Toentertijd werd deze nog gezien als de stichter van Hoogeveen. Er kwam een portret, maar het bleek achteraf volkomen onjuist te zijn. Het is het portret dat ook nu nog op tal van boeken prijkt, waaronder “Hoogeveen, Van Echtens Morgenland”. Dr. Jacob Wattel, een van de auteurs van dat boek, kwam er achter dat het portret dat doorging van dat van Roelof van Echten uit een tijdschrift uit 1911 kwam. Er werd in die dagen vermoed dat het ging om een onbekende Rembrandt.
Nu bleek het geen Rembrandt, maar ook geen portret van Roelof van Echten. We weten niet wie het wel is, die voorop onze boeken prijkt. Hoe kon het gebeuren dat we al die jaren gedacht hebben dat het wel Roelof van Echten was? Hoe kon het gebeuren dat Albert ten Heuvel in 1925 er zo van overtuigd was dat hij een portret van Roelof van Echten had bemachtigd? De overlevering had een goede verklaring. Albert ten Heuvel zou net zo lang bij de Van Holthe tot Echtens gezeurd hebben om een afbeelding van Roelof van Echten, dat ze hem de plaat uit 1911 maar in handen hebben gestopt. En zo ging de ‘irritant drammende’ Albert ten Heuvel de geschiedenis als de oorzaak van de fasificatie. Een andere verklaring was dat iemand een practical joke had willen plegen. Albert was daar in gelopen. Zo werd tenminste gezegd. Beide gedachten vonden hun weg op papier en in druk, beide gedachten worden nog doorverteld. We krijgen meer informatie uit de bewaarde briefwisselingen van Albert ten Heuvel. De familie heeft namelijk stukken bewaard uit die dagen, en daarin vinden we wat er feitelijk gebeurd is rondom dat portret.
Een afbeelding van Roelof van Echten was natuurlijk prachtig, maar het was niet Albert ten Heuvel die uitgebreid irritant doordramde daarover. Hij blijkt heel goed een ‘nee’ geaccepteerd te hebben. Hij kon namelijk ook geen inzage krijgen in het archief van de Compagnie van de 5000 Morgen, en had zich daar ook bij neergelegd. Iedereen deed wat hij kon in die dagen, en de mensen die Albert bijstonden lijkten naar vermogen bijdragen te hebben geleverd. Waar grenzen lagen, werden die ook geaccepteerd. Nee, er kwam vanuit een onverwachte hoek zo ineens een aanbod van een portret van Roelof van Echten, zo blijkt uit de brieven!
Het was H.Bonder, medewerker van het Rijksarchief in Assen, die Albert ten Heuvel in een brief van 31 maart 1925 enthousiast vertelde over ‘een origineel schilderij’. Een citaat: “Volgens Jhr. A.W. van Holthe tot Echten alhier bevindt zich bij zijn oom op den huize Echten een origineel schilderij - vrij groot formaat – van Jhr. R. van Echten, waarvan Jhr. A.W. een verkleinde kopie bezit. Mocht u van het origineel geen foto kunnen bekomen, dan mag u van deze kopie een foto nemen.” Albert ten Heuvel las deze brief en schreef de 1e april 1925 onmiddellijk een brief naar G. A. Pet. Hij vertelde wat hij had vernomen, gaf aan dat er foto’s gemaakt mochten worden en vroeg: “Zou u dat misschien willen onderzoeken?” Uit Albert ten Heuvels archief krijgen we dus de indruk dat een zo op het oog vertrouwd adres, Bonder van het Rijksarchief, de boodschap van de Van Holthe tot Echtens zelf doorgaf: we hebben een portret van Roelof. We hebben er zelfs twee. Vervolgens werd G.A.Pet aan het werk gezet om hier een afbeelding van te krijgen, omdat Albert ten Heuvel te ver weg woonde, en Pet het portret voor het boek zou kunnen gebruiken.
Niet Albert ten Heuvel kreeg een onjuiste afbeelding in handen, maar Gerrit Agricola Pet. Van Rijksarchief tot Huize Echten, en van de Hoogeveensche Courant tot Albert ten Heuvel in Loosduinen geloofde men uiteindelijk met een portret van de stichter van Hoogeveen te maken te hebben…… Maar het was wel op 1 april 1925 dat de brief met de mededeling van Bonder bij Albert ten Heuvel aankwam. Was het een aprilgrap? Maar van wie dan? Bonders brief bevatte los van de mededeling over het portret volop serieuze informatie. Was Bonder op het verkeerde been gezet door Jhr. Anne Willem van Holthe tot Echten uit Assen, en speelde diens oom het spel mee door G.A.Pet een vals portret te geven, of geloofde iedereen toentertijd met een echt portret te maken te hebben? Kan het misschien ook zijn dat een Jhr.Anne Willem van Holthe tot Echten, die ook zelf in 1925 met een boek bezig was, en zag dat het draagvlak voor dat boek door Albert ten Heuvels werk langzamerhand wegglipte, Albert op 1 april terug wilde pakken? Duidelijk is in ieder geval dat niet het aandringen van Albert ten Heuvel tot een vals portret leidde, maar de mededeling van de Jhr. Anne Willem Van Holthe tot Echten aan een medewerker van het Rijksarchief in Drenthe, en het daarna doorspelen aan Pet van een verkeerde afbeelding.
ER BESTOND OOIT EEN UITGESTREKT VEENLAND VAN DE VAN ECHTENS,
HOOGEVEEN VAN ECHTENS MORGENLAND
Dit is wel de titel van een boek, dat toentertijd niet anders geschreven kon worden omdat de beschikbare archieven nog niet open waren, maar dit is geen feitelijke geschiedenis. Dit mythologische verhaal heeft Roelof van Echten trouwens wel op proberen te houden. Hij had zoveel veen, hij was daar zelf volop de baas over, en hij kon iedereen met hem rijk maken, als je maar betaalde voor een stuk veen in ZIJN Compagnie van de 5000 Morgen. Die Compagnie was niet van hem, maar van alle deelnemers samen, en ook het veenland was van alle deelnemers samen. Roelof had daar alleen taken en verantwoordelijkheden die hem door die deelnemers werden gegeven. Die werden hem trouwens ook al gauw weer afgenomen, vanwege disfunctioneren. Hoe dan ook, op basis van Roelofs EIGEN ARCHIEF staat het als een paal boven water dat hij NOOIT dat uitgestrekte morgenland als privé-bezit heeft gehad, dat hij anderen voorhield. Het in 1625 gekochte veen, had hij zonder ondergrond. Dus hij mocht wel het veen eraf halen, maar bezat niet het veenland zelf. Toen hij eind 1630 de ondergrond kocht, werd hem dit niet overgedragen, dus hij was nog steeds geen eigenaar-gebruiker, toen hij 73 dagen later het hele veenland doorverkocht aan de Compagnie van de 5000 Morgen. Hoewel hij die Compagnie 5000 morgen zei te verkopen, zo’n 5000 bunder, is het aantoonbaar dat hij dit toen niet had. Hij had nog niet meer dan de 2000 morgen veenland, ongeleverd! Alles wat hij er daarna nog bijkocht, bijvoorbeeld de uitgestrekte Meppense Venen van op papier 5000-6000 morgen groot, had hij daarvoor al verkocht en per stoklegging geleverd aan derden, of was veel kleiner dan werd ingeschat, omdat hij het land van de buren er ook nog bij innam. Hoogeveen, Van Echtens Morgenland, is een mythologisch land, alleen bestaand in de geest van Roelof van Echten, en alle mensen die met zijn droom meegingen en nog gaan, om daarmee ver verwijderd te raken van de werkelijkheid. Jammer. Het was zo’n mooi verhaal, dat van Roelof van Echten en het ontstaan van Hoogeveen. Ik heb het zelf ook vaak met geuren en kleuren verteld.
ACHTER HET OLDE SCHIPPERSHUUS IS EEN PLEINTJE
MET HET OUDSTE HUIS VAN HOOGEVEEN
Wie op de westkant langs het 'Olde Schippershuus' loopt, komt uit op een pitoresk pleintje, met op de westkant daarvan een stenen woning, niet groter dan één kamer van 5,5 meter breed, en een uitstraling waardoor mensen al snel aan heel heel oud pandje denken. Kunstschilder Leo van Dam had er ooit zijn atelier. Het pandje lijkt weggelopen uit een prent van Anton Pieck. Wat wil je ook, luiken voor de ramen, een familiewapen op de luiken geschilderd, jaartallen 1660-1760 erbij. Het prikkelt de fantasie. Boven de kamer zit een zolder, en helemaal bovenin de nok van het pandje werd een jaartal gevonden, zo wordt verteld. Daaruit bleek dat het pandje wel van zo rond 1630 moest zijn. Inmiddels is dit pandje bekeken en zijn de gegevens vergeleken met bouwgegevens van alle woningen en schuren in deze hoek van Hoogeveen uit 1758 (O.S.A. 858). Als het pandje namelijk echt het oudste of een van de oudste huisjes van Hoogeveen zou zijn, en het was al gebouwd in de jaren 1630-1640, dan zou het logisch zijn dat het pandje te vinden was in het register van 1758. Als het pandje dat er nu staat niet te vinden is in dit register, kan het nooit uit de periode 1630-1640 zijn. De 10e maart 2006 werd twee vrijwilligers van het Museum de 5000 Morgen een blik achter de schermen gegund. Hun bevindingen:
"Het metselwerk van de zichtbare gevel doet 20e eeuws aan, al kan er oude steen in verwerkt zijn. Het pandje heeft dragende muren, met daarop de balken voor de ruime zolder. In het pandje zijn geen gebinten te vinden. De balken lijken stuk voor stuk 19e of 20e eeuws. De ene balk met het jaartal is niet meer te zien. Die zit helemaal bovenin de nok. Voor de zekerheid werden nog wat maten opgenomen, maar dit blijkt achteraf voor dit onderzoek niet van belang te zijn. Zeker is dat dit pandje, als het er al gestaan heeft in 1758, beschreven zou zijn in aantallen 'bemuurde vakken'. Bij 'bemuurde vakken' mat men ruimten op met lengten van ongeveer 2,4 meter, oftewel 8 voeten van 29,45 centimeter per vak. Het ging dan stevast om bouwwerken met zelfdragende muren. In het register van 1758 staat achter de woningen op deze hoek van Hoogeveen niet één bouwwerkje dat beschreven wordt in termen van 'bemuurde vakken'. Het zou kunnen zijn dat de woning apart was beschreven, gewoon in de rij woningen, zonder dat zo duidelijk was dat hij wat achteruit stond. Maar we vinden ook in de algemene opsomming van woningen hier geen woning vermeld in termen van 'bemuurde vakken', die zo klein was, dat het dit pandje zou kunnen zijn. We vinden in 1758 achter de woningen wel schuren, maar dan beschreven in termen van gebindten. In de oude bouwstijl werd een stelsel van dragende balken opgesteld, waartussen dan vakwerk van riet en leem of planken werden aangebracht, om de muren dicht te krijgen. In het betreffende pandje werden geen dragende gebinten aangetroffen. Zou het dan kunnen zijn dat er ooit een schuurtje heeft gestaan, waar later stenen muren omheen werden gezet, waarbij het oude dak bewaard is gebleven? We weten achter welk pand het woninkje staat. Achter dat pand stond in 1758 een schuur met 3 gebinten en een breedte van 16 voet, in totaal 4,7 meter. De muur die nu op de breedte van de mogelijke gebinten staat, meet 5,5 meter. Dat is 80 centimeter breder dan de breedte van het schuurtje dat hier ooit heeft gestaan. De conclusie moet zijn dat het pandje dat er nu staat op geen enkele manier overeen komt met de schuur die hier gestaan heeft in 1758. Het oude pandje is dus van na die datum, en gelet op de gebruikte materialen 19e en/of 20e eeuws. Er kan best een nokbalk zijn met een jaartal van rond 1630. Die is nu niet te zien, maar al is hij er wel, dan is het nog maar de vraag waar dit jaartal op slaat, en of die balk misschien niet eerder is gebruikt in een andere schuur, of in de nok van een oude woning. Een balk van hoge ouderdom zegt echter niets van de ouderdom van het pand zelf. Zeker is dat het pandje aan het pleintje achter het 'Olde Schippershuus' een prachtig stukje Hoogeveen in zich draagt, maar dat het niet bij de oudste panden van deze plaats hoort. Weer een mythe ontzenuwd".
DE BRANDWEER WERD OPGERICHT IN 1755
Hoogeveen werd gesticht in 1636, toen een serie bedrijfsgebouwen rechten en mogelijkheden kreeg om een kolonie te vormen. We lezen in de notulen van de Compagnie van de 5000 Morgen van 18 juni 1647: ‘Dat al langs heen zo ver de wijk voor de huizen betimmerd is, een bekwaam zandpad zal gemaakt worden, waartoe een ieder der heren participanten zijn meiers zal constringeren. Op het stuk om orde te stellen van brandgereedschap is geordonneerd dat men zal laten maken vijftig brandemmers, en dezelve tekenen met H en V en wordt voorts geordonneerd dat ieder huisgezin zal gesteld worden op het onderhouden van een bootshaak.’ Dit was het begin van de brandweer in Hoogeveen. Alle huishoudens moesten mensen leveren, die bij brand aan een emmer stonden, de emmers doorgaven en onder leiding van brandwachten de brand blusten. De mythe dat de brandweer werd opgericht in 1755 berust op een misverstand. In dat jaar werd een pomp aangeschaft. Een hele vooruitgang. Maar de brandweer van de 17e eeuw was voor de normen van die tijd ook al een volwaardige brandweer.
HOOGEVEEN IS EEN STAD
Dat werd al vaker verteld, vooral door het gemeentebestuur, die al in de jaren ’60 met de publicatie ‘Stad in stijgwind’ de toekomst van de plaats aan probeerde te geven. Niet alleen bleken nogal wat verwachtingen een luchtbel, ook de term ‘stad’ kunnen we vanuit historisch perspectief niet bij Hoogeveen plaatsen. Al heeft een plaats een stedelijk karakter gekregen, daarmee wordt je nog geen stad, net zo min als een kippig persoon nog geen kip is. Toch hebben de koppen van een lokale krant het ooit uitgebreid naar voren gebracht. Hoogeveen was een stad. Dat was inmiddels bewezen door een gemeentesecretaris uit Noord-Holland, die studie had gemaakt van stadsrechten in heel Nederland. De teksten werden overgenomen, doorverteld, de lokale radiozenders pikten het op….. en niemand nam contact op met de gemeentesecretaris. Wat bleek nu? Hoogeveen was bij het toekennen en erkennen van de laatste serie stadsrechten, in de eerste heft van de 19e eeuw, op een aparte lijst gezet, vanwege de Heerlijke rechten die er ooit gegolden hadden. Dat was het recht van de Heer van Echten om de lagere rechtspraak te doen. Hoogeveen had dus geen stadsrechten, had ze toen ook niet gekregen, en met die lijst was nooit meer wat gedaan. Toen het onderzoek in de publiciteit kwam, werd er een snel geschreven persbericht gemaakt, dat door een ander weer werd samengevat, en uiteindelijk werd de kop nu net datgene wat volstrekt onjuist was.
DE NAAM ‘DE HUIZEN’ HERINNERT AAN DE HERENHUIZEN EN ZET ZICH AF TEGEN DE HUTTEN ER OMHEEN
In onze beeldvorming van het oude Hoogeveen hebben we in de diverse publicaties verschillende streken voor ogen gekregen. Daarbij spiegelde zich een verschil af tussen ‘de Huizen’ en ‘de velden’. Het is al langer bekend dat dit geen verschil tussen arm en rijk was. Inderdaad stonden in ‘de Huizen’ de woningen van de grootste veeneigenaren van het gebied en andere gegoeden uit de streek. Maar in de stegen tussen de huizen werd grote armoe gevonden. Tal van gezinnen leefde in een woning van slechts een kamer groot, zonder stukje landbouwgrond en zonder vee. In de velden hadden de meeste arbeiders wel wat om op te verbouwen, of was er wel plek voor een of twee koeien. Uitzonderingen daargelaten. In de velden woonden misschien niet de grootste verveners, maar ook daar werden gegoede schippers en grondeigenaren gevonden. Een van de misverstanden die hardnekkig is blijven bestaan, is dat de naam van de streek ‘de Huizen’ afgeleid zou zijn van de herenhuizen, de woningen van de gegoede bovenlaag. Dit blijkt niet zo te zijn. Al in 1633 is er sprake van de huizen, en in 1641 blijkt overduidelijk dat die rij huizen de arbeiderswoningen van de meiers van de verschillende compagnieën waren. Het begrip ‘huizen’ stond niet voor ‘herehuis’, in tegenstelling tot ‘arbeiderswoning’, maar was bedoeld om verschil te maken tussen de arbeiderswoningen en de keten van de seizoenarbeiders. Dat het begrip ‘de Huizen’ is blijven bestaan heeft waarschijnlijk wel alles te maken met het verschil herenhuizen-arbeiderswoningen. De naam werd namelijk in de loop der jaren anders begrepen dan zoals ze is ontstaan, en kon daardoor gehandhaafd blijven.
HET WAS ALLEMAAL ARMOE EN ALLEMAAL HUTTEN IN DE VELDEN
Met ‘de velden’ bedoelde men de buitengebieden van het dorp Hoogeveen. Rondom het Noordse Opgaande, het Krakeel, het Hollandscheveldse en het Alteveeerse Opgaande groeiden in de 18e eeuw de bevolkingskernen, waaruit later dorpen zijn ontstaan. Onderzoek heeft uitgewezen dat in de velden voornamelijk schippers en arbeiders met een klein boerderijtje woonden. De schippers hadden hun eigen pramen, de arbeiders hadden een beetje land, een of twee koeien, en stuk voor stuk woonden ze in huizen die voor die tijd gewoon waren. Er waren uitschieters naar twee kanten. Er woonden namelijk ook verveners in de velden, mede-participanten in de diverse compagniën. De grootste veeneigenaar uit de 18e eeuw uit de velden was Albert Jacobs Koster, die meer had dan wie dan ook in zijn dagen. En er waren uitschieters naar beneden. Er waren arbeiders zonder land, maar dat betekende nog niet direct armoede, als we dat zien in het beeld van die tijd. Een deel van de mensen leefde echt in armoe. In het 18e eeuwse Hollandscheveld woonde echter nooit meer dan 10% van de bevolking in hutten, en dan nog alleen tijdens de grootste economische crisis. Een enkele keer kreeg men ook van de diaconie. Voor de 19e en het begin van de 20e eeuw zijn soortgelijke verhalen te vertellen. De schippers verdwenen langzamerhand. Daarvoor kwamen ambachtslieden en middenstanders in de plaats.
Er waren altijd wel mensen met diepe armoe, maar dat was altijd een minderheid. Een kleine minderheid. Waarom we dan toch denken dat er zoveel armoe was? Toen de schoolvereniging Het Mosterdzaad een Christelijke school in het huidige Elim wilde bouwen, werden de meest armoedige hutten op de foto gezet. Deze foto’s zijn volop verspreid, en vind je nu op alle ansichtkaartenbeurzen. Maar het gaat dus om een bewust opgeroepen armoedebeeld, opdat mensen gaan geven voor een school. Een bedeltechniek, die zeer goed is geslaagd, al zitten we nu nog met de naweeën ten aanzien van de beeldvorming. Maar uw familieleden vertelde ook over armoe? Jazeker, die was er wel, maar nooit meer dan bij een minderheid, zoals al gezegd is. En daarbij komt ook nog eens dat we die armoe moeten relativeren in het beeld van die tijd. De mensen op het veen hadden het beter dan de arbeiders in de 19e eeuwse industrie. En de armoe die er was, die zat net zo goed in de kom, in de Huizen als in de velden. Denk maar eens aan al die armoedige eenkamerwoninkjes in de steegjes aan de Hoofdstraat.
DE HOOGEVEENSCHE VAART LAG VOL MET SLUIZEN
Ja, die indruk krijg je wel, als je een en ander leest. Zelfs in het contract van 1625 is er sprake van sluizen. Roelof van Echten beloofde ze te zullen plaatsen, zo gauw de vaart klaar was. En als je dat leest, dan geloof je dat toch? Nu blijkt echter dat hij dit niet heeft gedaan. Er werden geen sluizen gelegd, er werden verlaten gelegd. Wat is het verschil? Een sluis heeft een dubbel stel deuren, met een kolk er tussen. Een schip gaat in de kolk tussen de dubbele deuren liggen, en met de deuren kan men het water in de kolk laten zakken of stijgen. Een verlaat is iets heel anders. Een verlaat heeft of een enkel stel deuren, of een grote valdeur die met een draaiende balk omhoog of omlaag kan worden getakeld. Dit laatste blijkt in genoemd te worden in de oudste vermeldingen hierover in de notulen van de Compagnie van de 5000 Morgen. Bij een verlaat daalde of steeg het water niet in een kolk, maar in een heel stuk van de vaart, zodat men complete vloten van turfschepen kon laten zakken of stijgen. Er is maar een afbeelding van zo’n Hoogeveens verlaat bekend, op een wel heel wonderlijke plaats: op de binnenkant van een ‘kniepertiesiezer’. Hij is te zien in het Museum de 5000 Morgen.
IN HET OUDE HOOGEVEEN WAS GEDWONGEN WINKELNERING
Als er gesproken wordt over het veen, doet stevast ook het verhaal van de gedwongen winkelnering weer de ronde. Dat heeft veel te maken met de veenderijen in Emmen en omstreken. Daar moet het beeld ook vandaan komen. In Hoogeveen en omstreken kwam gedwongen winkelnering weinig of helemaal niet voor. Lezers die daar voorbeelden van kennen worden verzocht contact op te nemen. Er deed zich wel een ander fenomeen voor. Banken waren er niet. Je moest geld zien te lenen bij wie geld had. Een arbeider die geld leende van een veenbaas of een grootgrondbezitter had daarna verplichtingen naar die persoon toe. Hij moest voor hem blijven werken, en moest daarom doorlopend zorgen niet in conflict te komen met de baas, omdat dan ook zijn lening op het spel kwam te staan. Als geld werd geleend van een winkelier, werd verwacht dat men bij die winkelier boodschappen ging doen. Net zo goed dat men naar een vast cafe ging, als de kastelein de geldschieter was. Bekend is dat Annigje van der Weide in het begin van de 20ste eeuw haar huishoudelijk werk bij de dokter in Hollandscheveld opzei, toen ze trouwen zou, en geld kon lenen van een kastelein, waar ze toen in de huishouding kwam. Maar dit soort verplichtingen staan dus los van gedwongen winkelnering. Niemand spreekt nu nog van gedwongen winkelnering, terwijl een grote sponsor van een sportvereniging ook min of meer verwacht dat het publiek van die club iets gaat doen met zijn zaak.
ALS DE SCHOORSTEEN BRANDT, MAG MEN BLIJVEN WONEN
Het wordt nog steeds verteld. Als men in een nacht een hut op een willekeurige plek in het veen kon bouwen, en de schoorsteen zou roken voordat het morgen werd, dan mocht men daar blijven wonen. Het boek van Thomas Rosenboom heeft dat nog weer eens goed naar voren gehaald. Waar dat verhaal oorspronkelijk vandaan komt, dat is onduidelijk, maar dat het zo niet toeging op het oude Hoogeveen, dat is wel heel erg duidelijk. Zwervers, mensen zonder vaste woon- en verblijfplaats, werden weggejaagd door de kerspelsoldaat, dus snel even een hut bouwen, zonder arbeid bij een van de veenbazen, dat was er niet bij. En wie wel bij een veenbaas of een schipper werkte, moest eerst netjes in overleg met die baas om een plaats voor een woning uit te kunnen zoek. Er waren twee constructies. 1. Men kon een eenvoudige woning huren van de baas, een meierwoning, en gold dan als een van de vaste arbeidders van die baas, met eveneens de garantie van werk in de winter aan sloten, vaarten en paden. 2. Men kon een stuk ondergrond in erfpacht nemen, om er vervolgens naar eigen inzicht een (eenvoudige) woning of een hut op te bouwen. Een ‘wilde’ vestiging, zoals het verhaal suggereert, zou niet worden getollereerd. Bij wie zou je dat dan ook moeten doen? Als je het deed op het land van je baas, kon je vertrekken, zoals dat heette. Ontslag. De bazen in die dagen lieten zich namelijk niets afdwingen. Als je het deed op het land van een andere veenbaas of veenbezitter, sloten de bazen de rijen en kon je ook vertrekken. Wie echter aan kan tonen dat er toch zulke ‘wilde’ vestigingen waren, en ook nog aan kan tonen dat dit geen uitzondering was die de regel bevestigt, maar de gangbare werkwijze was op het oude Hoogeveen, is van harte welkom. We staan open voor ieder nieuw onderzoeksresultaat.
DE HOOGEVENERS ZIJN ALLEMAAL DUITSERS
c.q. HOOGEVENERS ZIJN GEEN DRENTHEN
Er zijn ook wat andere varianten op dit verhaal. Zo werd ooit gepubliceerd dat het Hollandscheveld zo werd genoemd omdat daar allemaal Hollandse kolonisten zijn gaan wonen. Dan zouden we als Hoogeveners weer voor een groot deel uit Holland komen. Het gaat hier natuurlijk wel over de oudere bevolking van de streek, niet over al die mensen die er vanaf de 2e Wereldoorlog aan zijn toegevoegd. Die kwamen overal vandaan. Nee, daarvoor was het duidelijk, toen kwam men zo’n beetje allemaal uit Duitsland. Zegt men. Dr. Jacob Wattel heeft ooit onderzoek gedaan naar de herkomst van de eerste bewoners van het Hoogeveen. De conclusie was dat de mensen voor het merendeel uit de driehoek Hoogeveen, Meppel, Dwingeloo/Diever afkomstig waren. Dus uit zuidwest Drenthe. Kinderen uit boerendorpen, die op zoek waren naar werk, en voor vast werk en een voor die dagen goed inkomen naar het veen kwamen. Natuurlijk waren er ook mensen van elders. Bij het opstarten van de vervening in dit gebied werden mensen met kennis van zaken gehaald uit andere steden en dorpen van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Zo kwam er een enkele Fries binnen, kwam Carst Peters als rentmeester van de Compagnie van de 5000 Morgen uit Hasselt, en kwam er ook een enkele Hollander binnen. Er bleef ook zo nu en dan iemand hangen uit het Duitse rijk. Maar het gros van de seizoenarbeiders ging weer naar huis. Dat verhaal van die Hollandse kolonisten zal in de wereld zijn gekomen doordat iemand niet het verschil kende tussen kolonisten en participanten. Hoe dan ook, er zijn uitzondering op de regel, maar de regel is dat de oude Hoogeveners voor het meerendeel uit Drenthe kwamen. Hoogeveners zijn dus van oorsprong gewoon Drenthen. Ja, maar niet helemaal zuiver, want er is dus een klein groepje import tussen gekomen, zouden we kunnen zeggen. Nou, dan wil ik wel eens weten hoe die andere dorpen precies in elkaar staken in de 17e eeuw. Het verhaal van die eeuwig stabiele Drentse samenleving waar niemand verhuisde en iedereen in zijn streek bleef wonen, dat schijnt ook niet helemaal te kloppen. Kortom, we zijn zo Drents als de andere Drenthe, en of die wel helemaal Drents zijn moet ook maar eens onderzocht worden…………
JANNES VAN DER SLEEDEN WAS EEN HUMANIST
In 1690 kwam de Hoogeveense onderwijzer Jannes van der Sleeden in conflict met de kerk, omdat hij er andere godsdienstige denkbeelden op na hield. Helaas kennen we niet de visie van Jannes zelf, alleen de zwart-wit gestelde conclusies die de toenmalige Hoogeveense kerk haalde uit gesprekken met hem. Deze zijn geanalyseerd en in het boek ‘Hoogeveen, oorsprong en ontwikkeling’ werd geconstateerd dat hij deel moet hebben uitgemaakt van de stroming van de Rijnsburger Collegianten. Dit was een vrijzinnige groep christenen, die was voortgekomen uit de Remonstrantse kerk, toen vanwege het gebrek van predikanten aldaar steeds meer groepen ontstonden waarin de leden zelf spraken. Wat betreft hun organisatie leken de Collegianten dus wel wat op de Vergadering van Gelovigen. Al met al was deze groep een duidelijk onderdeel van het toenmalige christendom. Hun visie betekende een nieuwe interpretatie van het christendom, met ideeën die elders in de kerkgeschiedenis ook al waren uitgewerkt, en zeker geen breuk daarmee. Bij Humanisme is wel degelijk sprake van een breuk met het christelijke godsbeeld. Centraal staat de mens zelf, in zijn streven naar een menswaardige wereld. Jannes van der Sleeden – die om te kunnen trouwen al zijn denkbeelden herriep – was dus zeker geen Humanist, zoals tegenwoordig vaak wordt gezegd. Dat beeld hebben we te danken aan geromantiseerde visies op zijn persoon en denken, die dus onder invloed van nader historisch onderzoek moesten worden bijgesteld. Maar ja, als een verhaal eenmaal de ronde doet, en een Hoogeveens Humanistisch verzorgingshuis gebruikt Jannes’ naam, help dan zo’n verhaal over Jannes van der Sleeden maar eens weer uit de wereld.
‘PUBLIEKE WERKEN’ VAN THOMAS ROSENBOOM GEEFT EEN BEELD VAN OUD HOOGEVEEN EN ELIM
Over dit boek valt heel veel te zeggen. De historiciteit van tientallen onderwerpen uit dat boek is inmiddels belicht, en onjuist bevonden. Er klopt werkelijk waar bijna niets van de informatie die we in het boek vinden. We kunnen het daarom kort houden. Het boek van Thomas Rosenboom is een prachtige roman. Als zodanig zeer lezenswaard. Maar het boek heeft niets te maken met de geschiedenis van Hoogeveen en Elim. Vrijwel alles wat daarover wordt gezegd is onjuist, uit zijn verband gerukt, of heeft betrekking op iets wat elders is gebeurd, niet in Hoogeveen of Elim. Dat heeft Thomas Rosenboom ook ruiterlijk toegegeven, toen hij ooit op de planken van de tamboer hierover werd geïnterviewd. In Michican, Amerika, kwam hij in contact met nazaten van mensen van de Van Raalte-trek, uit het midden van de 19e eeuw. Dat verhaal, en het type van een docent die hij ooit eens ergens had gehad, plakte hij op het beeld dat hij kreeg van de apotheker Radijs uit Hoogeveen. Hij kocht voor honderden euro’s boeken over regionale geschiedenis en cultuur van Overijssel en Drenthe bij de firma C.Pet BV. Toen duidelijk leek dat er over Elim niets was gepubliceerd, en deze naam hem juist zo leuk toeleek vanwege een bijbelse trektocht, besloot hij alles wat hij wilde schrijven daar omheen te verweven. Jammer voor Thomas Rosenboom, maar over Elim was nu juist wel veel geschreven, alleen lag dat niet bij Pet in de winkel. En laat nu Radio Drenthe niet besluiten om het boek ‘Publieke Werken’ direct na verschijnen te laten recenseren door de auteur van het boek over Elim. Zo kwam de aap uit de mouw. Thomas Rosenboom schijnt het leuk te vinden de schijn op te houden dat iets ergens wel eens echt gebeurd zou kunnen zijn. En zo hoort het ook bij een romanticus. Laat er maar mooi mystiek, mythologie, dikke verhalen, noem maar op, gewoon verspreid blijven. Na het monument voor Roelof van Echten – een altaar voor de voorouderverering – is het tijd voor een monument in Elim voor alle misleide arbeiders, die in de 19e eeuw naar Amerika gingen, en daar min of meer berooid aan lager wal raakten. Maar zeg nooit dat het met geschiedenis te maken heeft.
DE HOOGEVEENSCHE COURANT STAMT UIT 1857
Het staat er duidelijk op, onder de grote krantenkop: 1857. Als je de jaargangen terugtelt, zoals die ook voorop worden genoemd, kom je daar ook uit. Probleem is alleen dat het jaartal en de jaargangen pas veel later op de krant zijn aangebracht, als vermoede correcties van foutieve vorige vermeldingen. Jammer genoeg klopt ook de huidige kop nog steeds niet. De krant is namelijk niet ontstaan in 1857, maar in 1860. Het geboortebewijs van de krant is een brief van de eerste uitgever en drukker, Van Dieren. Mattheus Lodewijk Van Dieren was boekdrukker en papierhandelaar. Hij was getrouwd met Maria Eckerveld. Ze woonden in het Haagje, A 546. Dat was nog niet zo lang, toen hij met een krant naar voren kwam. Hij had er een drukkerij sinds 1 mei 1860. Op 20 juni 1860 schreef hij een brief aan de gemeente Hoogeveen: “Edel Achtbare Heeren! Het voornemen hebbende om tegen den 5 julij aanstaande uit te geven een Hoogeveensch Nieuws- en Advertentieblad, hetwelk eens per week zal uitkomen, wensch ik in de kolommen van het zelve te plaatsen, 1e, de publicatiën van het Gemeentebestuur; 2de de besluiten van den Gemeenten-Raad en de openbare vergaderingen door denzelven genomen; 3de de burgerlijke stand en 4de de Marktberigten. Tot verkrijging van dit een en ander wordt de toestemming van U Edel Achtbare vereischt, waarom ik de vrijheid neem, deze mijne onderneming beleefdelijk aan te bevelen en te verzoeken mij ten Gemeentehuize die inlichtingen te willen doen verstrekken, welke goed en nuttig zijn, zullende ik zorgen dat dit blad in den geest van het bestuur geredigeerd wordt en geene bespiegelingen van staatkundige of Godsdienstige aard bevat, zijnde het doelmatig voorgekomen, telken donderdag het licht te doen zien. In de hoop dat mijn verzoek welwillend ontvangen en gunstig moge beantwoord worden, heb ik de eer mij met verschuldigd respect te noemen, Uw Edel Achtbare onderdanige Dienaar M.L. van Dieren.” Kortom, de krant stamt uit 1860. Hij werd al snel verkocht aan Claas Pet.
DE EERSTE KERK VAN HOOGEVEEN HAD GEEN TOREN
Die had hij niet, omdat de grond in Hoogeveen zo zacht was, dat een toren zou verzakken. En daarom heeft Hoogeveen een trommelslager gekregen, want als je geen toren hebt, kun je ook geen klokken ophangen. Nou, die eerste kerk had wel degelijk een toren. Het was een kruiskerk, een kerk met een grondplan in de vorm van een kruis met armen van gelijke lengte. Op oude kaarten vinden we kleine afbeeldingen van deze kerk, met een toren, en in de archieven van de Compagnie van de 5000 Morgen vinden we ook gesproken over die toren. Die toren was goed genoeg om klokken in op te hangen. Dat deed men niet, omdat klokken gewoon te duur waren, en toen die klokken zelfs konden worden geschonken, wees men dit af. Klokken waren geen noodzaak, want men had toch een trommelslager? Kortom, de toren was er. Vanaf wanneer, dat is niet bekend. Men begon met de bouw in 1652, maar het duurde jaren voor de kerk af was. De toren verdween pas bij de verbouwing in 1801. Wie een beeld wil hebben van de eerste Hoogeveense kerk, moet eens wandelen door oud-Coevorden. De oude kerk van Coevorden lijkt sterk op de eerste kerk van Hoogeveen.
DE TRADITIE VAN DE TAMBOER IS ONTSTAAN OMDAT……
Niet één, maar zeker vijf mythen doen daaromtrent de ronde. Ds.Van Schaick gaf zijn visie, en mede zijn ongenoegens over het fenomeen, onder meer weer achterin de in 1852 uitgegeven inwijdingstoespraak van de op 26 december 1851 door hem ingewijde Hervormde kerk van Hollandscheveld: "Niet genoeg kan de bevolking van ‘t Hollandsche veld dankbaar zijn aan de H.H. Mr. H.G. van Holthe tot Echten, Mr.A.H.witsenborgh, Jan Gerrits de Jonge, Hendrik Berghuis en Werner ten Oever, die in hunne betrekking als leden der commissie voor de regeling der stichting van kerk en pastorij aldaar, zo wel gedurende de tijd der werkzaamheden, als bij de plechtige inwijding, zich van hunne moeilijke taak op een zeer loffelijke wijze gekweten hebben. Vooral heeft het ons genoegen gedaan dat zij er op bedacht waren om ‘t nieuwe Godshuis van een toren en klok te voorzien, die de menigte tempelwaarts roept; zodat zij niet, zoals te Hoogeveen bij trommelslag, daartoe opgewekt wordt; een gebruik dat men, en niet zonder grond, vermoedt afkomstig te zijn uit de tijd, toen een der aandeelhouders in de Compagnieschap, kapitein in dienst van den Lande, zijne arbeiders bij trommelslag het uur van werkzaamheden en rust aankondigen liet. Het moge waar zijn, dat de trommel op ‘t Hoogeveen van meer nut en op verder afstand hoorbaar is, dan een gewone kerkklok, het is toch stuitend en heeft ons altijd gehinderd, zo dikwerf wij aldaar een predikbeurt vervulden, de roffel te horen slaan, als de leraar de kansel moest beklimmen."
Jan van der Veen Azn. sloot aan bij de verklaring van ds.Van Schaick, maar zette in zijn boek over de geschiedenis van Hoogeveen in 1872 ook tal van andere verklaringen op papier. Een overzicht daarvan:
1. Het was zo dat men zijn toevlucht tot een tamboer moest nemen, omdat de veenachtige grond niet toeliet een toren te bouwen, sterk genoeg om een klok te dragen, wier capaciteit voldoende was, om op meer dan een uur afstand gehoord te kunnen worden.
2. Mensen beweerden dat de trilling door een trom te weeg gebracht, omdat deze dichter bij de grond was, het geluid beter over het veen zou voortplanten dan een torenklok, die zoveel hoger hing, zou kunnen doen.
3. De tamboer zou een verkregen recht zijn. Men moest eens ergens in de gemeente een nieuw kanaal graven. Om dit te kunnen doen moest men in het bezit zijn van een strook grond, toebehorende aan iemand, die tamboer bij de landstorm en tevens gemeenteomroeper was. Men trad met die man in onderhandeling. Het gevolg ervan was, dat men de grond van hem kocht, doch onder de voorwaarde dat de verkoper en diens wettige nakomelingen, ten eeuwigen dage het recht zouden hebben, om tegen billijke vergoeding door middel van hun trom in het gemis van een klok te voorzien, zo vaak er kerkdienst zou zijn.
4. De vierde verklaring van Jan van der Veen Azn. was de militaire verklaring. Jonkheer Johan van Echten, onder wiens toezicht de grote kruiskerk gebouwd is, gaf aanleiding tot het gebruik. Als generaal in Staatsen dienst had hij bij zijn Huis te Echten in een wachthuis enige onderofficieren, korporaals, manschappen en tamboers onder zijn onmiddellijke bevel. Hij liet een tamboer iedere zondag de mensen bij elkaar trommelen, omdat er geen kerkklok was om dat werk te doen.
Waarom deze verklaring wel of niet steekhoudend zouden zijn: De eerste verklaring is de meest gehoorde, en is in het voorgaande al ontzenuwd. De kerk had wel degelijk een toren. Wat de tweede verklaring betreft, deze lijkt niet echt overtuigend. Als veen het geluid van een trommel zoveel beter en verder over zou brengen dan een klok, dan zou in een uitgestrekt veengebied als het Hollandsche Veld geen toren met een klok gebouwd zijn. De praktijk wijst ook wel anders uit. Het geluid van de trommelslager sterft al snel weg tussen de huizen en de klokken van Hoogeveen zijn tegenwoordig van veraf te horen. De derde verklaring van het verworven recht is mooi gevonden, maar dat is dan ook alles. Er is geen sprake van een tamboersgeslacht. Een enkele keer waren zowel vader als zoon tamboer, maar vanaf de eerste tamboer tot de laatste was er absoluut geen sprake van familieverbanden, ook niet in de eerste eeuwen van het gebruik. Daar komt nog bij dat een verworven recht op papier gezet zou zijn, opdat ook latere generaties dit recht aldus zouden kunnen houden, en het eventueel zouden kunnen doorverkopen.
Een dergelijk stuk is nergens genotuleerd en werd nergens aangetroffen in de archieven van de kerk en de Compagnie, terwijl het zeker vermeld zou zijn in 1754, toen er sprake was van het afschaffen van de Tamboer. De Compagnie was ook machtig genoeg om stukken grond, waarvan de eigenaren moeilijk afstand zouden willen doen, via gerechtelijke procedures alsnog te krijgen, en rijk genoeg om mensen over de streep te halen. Los van het feit dat in Echtens-Hoogeveen, in de tijd waar het hier over gaat, helemaal geen kleinschalig particulier bezit was! Alle ondergrond was eigendom van de participanten van de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen. Men kon wel grond in erfpacht krijgen, maar niet volledig eigenaar worden. Er was dus niemand in Echtens-Hoogeveen in de eerste eeuw van haar bestaan die het graven van een kanaal op kon houden. De vierde verklaring van Jan van der Veen Azn. is gelijkend aan de verklaring van ds.Van Schaick, en lijkt de juiste te zijn. Dat nam niet weg dat het verhaal van de niet te bouwen of niet gebouwde toren gewoon zijn eigen leven bleef leiden.
De militaire verklaring voor het ontstaan van de tamboer, de trommelslager, bij het ter kerke roepen van de bevolking van het Hooge Veen is dus de meest waarschijnlijke. Van Schaick achtte het gebruik: “…..uit de tijd, toen een der aandeelhouders in de Compagnieschap, kapitein in dienst van den Lande, zijne arbeiders bij trommelslag het uur van werkzaamheden en rust aankondigen liet.” Van der Veen dacht aan de stichter van de kerk, Johan, en zag in hem een generaal in Staatsen dienst. Maar Johan was geen generaal. Johans vader, Roelof van Echten, was kapitein. Dat zou dus weer pleiten voor Van Schaick’s visie. Dat neemt niet weg dat het toch ook best Johan geweest kan zijn, die het invoerde. Johan studeerde in Frankrijk, waar wel meer tamboers werden gebruikt bij het ter kerke roepen van de bevolking. In Amiens, om maar een voorbeeld te noemen, staan nog steeds regelmatig tamboers bij de kathedraal. Onder begeleiding van knallende roffels wandelt het kerkvolk op hoogtijddagen de kerk in, de tamboer voorop. Johan kan ook op het idee zijn gekomen naar voorbeeld van zijn vaders tamboer. Opmerkelijk is dat Van Schaick niet alleen rept van kerkgang bij trommelslag, maar ook spreekt over het aangeven van het uur van werkzaamheden en rust. Hij vermoedde dus dat de tamboer ook doordeweeks de arbeiders commandeerde. In een kroniek uit 1622 werd van het werkvolk van het Heerenveen gezegd: “Het volk welke tot dezen gebruikt werd, ging met trommelslag aan ’t werk en vertrok insgelijks op die wijze.”
Al met al komen we er niet goed uit. Zeker is dat het de van oorsprong militaire tamboer was, die op het Hooge Veen ook voor burgerdoelen werd ingezet. De tamboer ging de bevolking van het Hooge Veen ter kerke roepen. Dat was in de tijd van Roelof van Echten of van zijn zoon Johan, dus mogelijk al toen men nog in Echten kerkte, maar mogelijk ook pas vanaf 1652 in Hoogeveen. Het is tevens mogelijk dat op het Hooge Veen, naar voorbeeld van Heerenveen, de tamboer werd ingezet bij het aangeven van het begin van de arbeid en de rusttijden. Meer zekerheid hebben we niet.
DE TROMMELSLAGER HOORT BIJ HEEL HOOGEVEEN
In 1759 was de onvrede over de route van de trommelslager groeiende. De bevolking van het Hoogeveen breidde zich uit, en woonde steeds verder van de kerk af. Voorafgaand aan de gebruikelijke volksvergadering van de 2de februari bij de Hollandsche Brug werd aangekondigd dat deze route onderwerp van gesprek zou zijn. Deze route zou uitgebreid moeten worden. Als reactie daarop schreef scheepstimmerman Koert Alberts Winkel uit het Haagje een brief, waarin hij pleitte voor uitbreiding van de route in het Hollandsche Veld, zoals het Haagje toen ook nog heette. Hij schreef:
“Terwijl de scholte en volmachten de gemeente verzocht hebben om bij elkander te komen om te spreken over de trommelslager, zo wordt de scholte en de volmachten verzocht om in te geven aan de gemeente van het Hoogeveen deze onze klacht: wij ingezetenen van het Hollandsche Veld klagen over de trommelslager dat hij niet ver genoeg des zondags met de trom slaat om die verderaf woont te horen. Zover menen wij reden te hebben om te klagen, omdat de trommelslager nauwelijks de trom slaat tot aan de zogenaamde Tweede Wieke en wij eisen het recht te hebben dat de trom zover naar het Hollandsche Veld wordt ingeslagen als naar de Zuidwoldinger slaat of anderweegs, of wij zullen nu tevreden zijn als die trom wordt geslagen in het Hollandsche Veld aan de zuidkant van het opgaande tegenover de zogenaamde Vijfde Wieke, en vermenen hier genoeg temeer reden toe te hebben omdat het Hollandsche Veld verst en met de meeste inwoners is gekleed. Zo deze onze klacht niet wordt gehoord zo protesteren wij tegen het anders stellen van de tamboer. Dit ingegeven uit veler namen van het Hollandsche Veld. Hoogeveen de 2de februari 1759. Koert Alberts Winkel.”
De tamboer kwam in Het Haagje niet verder dan de Tweede Wijk, waar later de Gereformeerde school stond, terwijl de bevolking in 1759 al opgeschoven was tot achter Het Hoekje! De klacht werd meegenomen in de beraadslagingen. De uitkomst was dat de route nu wel werd uitgebreid, maar toch beperkt bleef in een wandeling in de directe omgeving van de huidige Hoofdstraat. De trommelslager kwam ook verder het Hollandsche Veld in, zoals we hiervoor lezen het dichtst bevolkte buitengebied van Hoogeveen in die dagen, maar bleef in het Haagje. Daarmee was zijn route nog veel te kort om van nut te kunnen zijn voor de mensen die verderop in de velden woonden. Er zat echter niet meer in. Daar is ook nooit iets aan veranderd. De trommelslager kwam nooit in de Wolfsbos, het Krakeel, verderop op Noord, Noordscheschut, Alteveer in de velden ten westen van de huidige Hoofdstraat, op het eind van de Schutstraat, en zeker niet in De Weide. De historische trommelslager had enkel een functie voor de bevolking rondom de huidige Hoofdstraat. Als we hem nu wel laten lopen in de gebieden waar hij toen nooit kwam, heeft dat dus niets te maken met oud-Hoogeveen of een oud-Hoogeveense traditie. Het is een soort culturele kolonisatie: gewoonten van de een, worden opgeschoven naar het gebied van de ander, om een stempel ergens op te zetten. Daar kan een mens ook voor kiezen natuurlijk…..
ALBERT VELD WOONDE IN HET KRAKEEL
In het boek: “Albert, een Drentse loteling naar Moscou”, wordt in geuren en kleuren verteld over Albert Jans Veld, die in de Franse Tijd met de Franse troepen mee moest op de Russische veldtocht. Mooi beeldend wordt het vertrek uit het Krakeel voorgesteld. De volksoverlevering heeft hem daar geplaatst. Logisch, want eenmaal terug in Nederland, had hij een winkeltje in het oude Krakeel. Jammer dat dr.Jacob Wattel, die de informatie voor de roman via een leerling van hem kreeg, en een en ander op papier zetten, geen onderzoek heeft gedaan naar de woonplaats van Albert Veld. Toen dat jaren later wel gebeurde, bleek hij niet eens een Hoogevener te zijn! Albert Veld woonde op de noordkant van de Pesserdijk, buiten het Pesserveld, buiten Hoogeveen dus, in de gemeente Ruinen, onder Pesse. Omdat de woning van zijn ouders maar een paar meter over de grens stond, zonder andere woningen van Pesse in de buurt, werd hij gemakshalve maar onder Hoogeveen gerekend. Dat is wat anders. Maar wonen deed hij er dus niet, ook al werd hij wel in Hoogeveen opgeroepen. En zijn vertrek naar Moscou had plaats vanuit het Pesserveld.
VINCENT VAN GOGH WERKTE OP DE BEGRAAFPLAATS VAN PESSE
Toen er eind jaren ’50 van de vorige eeuw onderzoek werd gedaan naar Vincent van Gogh in Drenthe, had de auteur van het te verschijnen boek, Tralbaut, contact met Van der Sleen, journalist van de Drentse en Asser Courant. De vraag waar Vincent van Gogh de bekende tekening van het kerkhofje had gemaakt, was volgens Van der Sleen gemakkelijk te beantwoorden. Op de tekening was een kerktorentje te zien. Er was maar één plaats in Hoogeveen en omstreken waar je vanaf de begraafplaats een kerktorentje kon zien. Dat was bij de begraafplaats van Pesse. Het boek verscheen, de logica werd zelfs letterlijk opgenomen in het boek, en vanaf dat moment was de tekening zogenaamd gelocaliseerd. Nu wil het geval dat er niet één, maar twee plaatsen bij Hoogeveen zijn waar vanaf de begraafplaats een kerktorentje te zien is. In Hollandscheveld was dat ook al zo in 1883, toen Vincent er rondliep. Over dat bezoek gingen ook nog twee overleveringen rond, dus dat hij in Hollandscheveld aanwezig was geweest, dat lijdt geen twijfel. Meent van der Sluis was samen met Wout Dijk aan het werk met een nieuw boek over Vincent in Drenthe. Meent betrok Albert Metselaar erbij, die volop bezig was met onderzoek rondom het begrafeniswezen in Hoogeveen en omstreken. Toen aan de hand van bronnenonderzoek duidelijk was geworden dat Vincent niet in Pesse, maar in Hollandscheveld de tekening gemaakt had, was er een groot probleem: in de logica rondom een hele serie andere tekeningen en schilderijen van Vincent van Gogh, wilde Wout Dijk Vincent een wandeling laten maken van Hoogeveen naar Pesse, en vervolgens daar al die ontraceerbare werken plaatsen. Alsof Vincent, die in zijn brieven melding maakte van talloze wandelingen en wandelroutes door Hoogeveen, niet verder was gekomen in die weken dat hij hier was! Kortom, de boodschap was niet welkom. Vincent’s tekening moest vanwege andere belangen in Pesse worden geplaatst, en al die andere werken kregen op papier zo een schijn van zekerheid.
Misschien is Vincent ook wel in Pesse geweest. De kans is groot, want hij hield nu eenmaal van begraafplaatsen, en die van Pesse lag aan een van de routes waar hij vast heeft gelopen. Maar de tekening is daar absoluut niet gemaakt. Feiten spreken dat tegen. De ene mythe leek zo opgelost. Maar het ‘standaardwerk’, dat had het tenminste moeten worden, wilde de feiten niet opnemen. Meent van der Sluis stond open voor correctie van het al afgewerkte manuscript. We maakten een afspraak om de feiten te controleren. Die nacht stierf hij. Wout Dijk liet de tekst bij het oude. En schiep daarmee tal van nieuwe mythen. Het ‘standaardwerk’ over Van Gogh in Drenthe van Wout Dijk en Meent van der Sluis laat ten noorden van Hoogeveen overal tekeningen en schilderijen plaatsen, aan een route van Hoogeveen naar Zwartschaap, en vandaar over Pesse terug naar Hoogeveen, die op tal van andere plaatsen in en rond Hoogeveen geschilderd of getekend kunnen zijn. We weten gewoon niet waar dat was. De afbeeldingen geven te weinig exacte informatie om plaatsing mogelijk te maken, in tegenstelling tot die van het kerkhofje. We doen er goed aan dat maar gewoon te vertellen. Wie wil er nu onder valse voorwendselen naar een plaats worden geleid, waarvan hij later hoort dat de kans klein is dat het de juiste plaats was? Maar twijfel was voor de auteurs niet meer mogelijk, wat er ook met redeneringen op basis van gezond verstand tegen in werd gebracht. Hoe dan ook, de begraafplaats van Hollandscheveld kreeg in 2005 een monumentje. Een klein teken van aanwezigheid van een groot mens.
VINCENT VAN GOGH WOONDE AAN DE GROTE KERKSTRAAT
Wout Dijk en Meent van der Sluis brachten dit met prachtige artikelen in het Nieuwsblad van het Noorden. O, die domme gemeente Hoogeveen, dat die het originele Van Goghhuis af hadden laten breken. Nu was er nog maar één van Van Goghhuis over, namelijk dat van Nieuw-Amsterdam. En daar kon dus mooi een sloot subsidie naar toe. Een geluk bij een ongeluk. Tijdens de discussies die er toen ook al waren met de beide auteurs, werd het duidelijk dat er geen mogelijkheid was tot open gesprekken. De standpunten lagen muurvast, wat je ook inbracht. Was het misschien zo dat de hang naar subsidie voor het ene huis, het praten over het andere huis bijna onmogelijk maakte? Met twee Van Gogh-huizen in Drenthe, die zich beiden wilden ontwikkelen, was er dan nog wel een kans op veel geld voor Nieuw-Amsterdam?
Hoe dan ook, Vincent van Gogh was zaterdag 15 september 1883 in het Hollandscheveld, en schilderde daar de begraafplaats aan de Kerkhoflaan. Dit werd duidelijk nadat alle relevante gegevens hieromtrent werden gewogen. Een schier onoverzichtelijke berg informatie werd handzaam samengevat in een doorslaggevend overzichtje, waarin van alle belangrijke items werd aangegeven of ze wel of niet voor de kerkhoven van Pesse en Hollandscheveld van toepassing waren. Iedereen kon daarin aflezen dat Vincent alleen in Hollandscheveld het bewuste kerkhofje getekend kon hebben, omdat in Pesse de gegevens niet klopten. Ten aanzien van de vraag waar Vincent van Gogh in Hoogeveen woonde, toen hij in september 1883 in Drenthe aankwam, is een nog veel grotere berg informatie voor handen. Centraal staat daarin het twistpunt of hij nu wel of niet in een woning aan de Toldijk verbleef (nu Pesserstraat 24), of dat Vincent in een inmiddels afgebroken pand aan de Grote Kerkstraat onderdak had gevonden. Aanvankelijk speelde daarbij dat het niet duidelijk was waar Vincent’s kosbaas woonde, Albertus Hartsuiker.
Later kwam uit het archief van de gemeente Hoogeveen de schriftelijke aanvraag van een tapvergunning van zijn vrouw Catharina Beukema tevoorschijn. Daarin lezen we: “Geeft met verschuldigde eerbied te kennen Catharina Beukema tapster te Hoogeveen dat zij na 1 mei 1882 met de verkoop van sterke drank in het klein wenst voort te gaan; dat zij dat bedrijf wenst uit te oefenen in het thans door haar bewoonde perceel gemerkt wijk B no. 446 en wel in de gelagkamer; dat zij op 1 mei 1881 reeds zonder strijd met wet of verordening in de localiteit, waarvoor zij vergunning aanvraagt, sterke drank verkocht…” Het was een vondst van Johan Valk. Catharina Beukema noemt als huisgenoot, ouder dan 16 jaar (informatie die nodig was om in het kader van de toen nieuwe drankwet een vergunning te geven): “Haar echtgenoot Albertus Hartsuiker, van beroep arbeider bij de Spoorweg Maatschappij.” Opvolger in de tapperij aan de Toldijk werd Albertus Oets. Deze vroeg in een brief van 13 februari 1886 een drankvergunning aan bij de gemeente Hoogeveen. Uit deze brief blijkt dat op die datum het pand nog steeds werd bewoond door Albertus Hartsuiker en zijn vrouw Catharina Beukema, net zoals ze dit in 1881 en 1882 hadden gedaan, en dat het echtpaar voornemens was om het pand per 1 mei 1886 te verlaten.
Met deze stukken in de hand, kon hard worden gemaakt dat Albertus Hartsuiker, kostbaas van Vincent van Gogh, in september 1883 in het pand aan de Toldijk had gewoond, nu Pesserstraat no. 24. Dit wordt nog ondersteund door akten van de burgerlijke stand, waarin Albertus Hartsuiker optrad als getuige, in veel gevallen de buurman, van iemand die in de omgeving van de Toldijk woonde. De discussie verlegde zich toen naar de vraag of Vincent misschien in het pand Grote Kerkstraat 51 had gewoond in kamers, die Albertus Hartsuiker gehuurd had van Albert Klaas Koster, de eigenaar van het pand. Er zou sprake zijn van een ‘huurbeding’ in een van de akten. Dit ‘huurbeding’ blijkt echter in dit geval niets te zeggen. Er was gericht onderzoek nodig aan de hand van alle items die Vincent van Gogh zelf naar voren bracht, in zijn brieven aan zijn broer Theo. Feiten waaraan zijn logement voldeed, en waaraan de ware woning herkenbaar zou zijn. Deze items c.q. feiten zijn:
1. Het pand stond ‘vlak bij het station’.
2. In het logement was een grote gelagkamer.
3. Vanuit de gelagkamer was een veld te zien, door een ‘spoorwegraampje’.
4. Bij het logement was een stal.
5. Er was een schuur bij het logement.
6. Er was een tuin bij het logement.
7. Vincent sliep op een hoekje van de zolder.
8. Vincent kreeg waarschijnlijk een achterzolder als werkplaats.
9. Op de woonzolder zat als verlichting een dakpan.
10. Er was een mogelijkheid om meer licht te maken.
11. Het was een boerenlogement.
12. Het was dus duidelijk een logement.
13. Als adres gaf Vincent op: A. Hartsuiker.
Waar een pand aan de beschrijving voldeed, kreeg dit een plus, waar dit niet voldeed een minnetje. Waar informatie onbrak of onduidelijk bleek, werd een vraagteken genoteerd. We komen op basis van voorgaande feiten tot het volgende schema:
WAAR WOONDE VINCENT VAN GOGH IN SEPTEMBER 1883?
|
IDENTIFICATIE-ITEM:
|
TOLDIJK (PESSERSTRAAT 24) |
GROTE KERKSTRAAT |
|
Vlak bij het station |
+ |
+ |
|
Grote gelagkamer |
+ |
- |
|
Spoorwegraam en veld |
+ |
- |
|
Er was een stal |
+ |
+ |
|
Er was een tuin |
+ |
+ |
|
Er was een schuur |
+ |
+ |
|
Sliep op hoekje zolder |
+ |
- |
|
Glazen dakpan(nen) |
+ |
+ |
|
Meer licht mogelijk |
+ |
? |
|
Achterzolder |
+ |
+ |
|
Boerenlogement |
+ |
? |
|
Logement |
? |
? |
|
Adres: Hartsuiker |
+ |
- |
|
|
|
|
|
Score |
13x plus! |
7x plus! 4x min! |
CONCLUSIE: VINCENT VAN GOGH WOONDE AAN DE TOLDIJK!!!!!
VINCENT TEKENDE EN SCHILDERDE TAL VAN PLEKKEN
TUSSEN ZWARTSCHAAP EN PESSE
Dat zou je denken ja, als je ziet wat daarover gepubliceerd is. In het Van Gogh-jaar 2003 zijn er in de regionale pers diverse artikelen verschenen over Vincent van Gogh in Drenthe. Tevens verschenen er boeken en brochures over dit onderwerp, met inbegrip van te volgen routes en gedetailleerde kaarten. Dit ondermeer bij uitgeverij Boon te Groningen. Helaas is het er voor de Van Gogh-liefhebber niet duidelijker op geworden. Het onderzoek dat tot resultaat had dat Vincent’s kerkhof niet in Pesse was, en zijn logeeradres duidelijk wel aan de Pesserstraat, is gestart op verzoek van Meent van der Sluis, en afgerond na zijn overlijden. De uitkomsten daarvan zijn zodanig, dat we moeten constateren dat de grote studie van Meent van der Sluis en Wout Dijk voor alles wat betreft Hoogeveen en omgeving herzien zou moeten worden. Dit althans is de mening van de werkgroep die het Van Gogh-jaar in Hoogeveen met activiteiten begeleidde. In die werkgroep hadden zitting: de Gemeente Hoogeveen, het Museum de 5000 Morgen, het Informatiecentrum Geschiedenis Hollandscheveld en omstreken, de Hoogeveense VVV, Lanting Reizen en de eigenaren-beheerders van het Hoogeveense Van Gogh-huis. Kleine aanpassingen van de bij Boon gepubliceerde studie lijken niet mogelijk, omdat de in elkaar overlopende redeneringen steeds weer vastzitten op de vraag waar Vincent woonde in Hoogeveen, en welk kerkhof hij schilderde.
Het gevolg is dat de door uitgeverij Boon gepubliceerde routekaarten en boekjes de lezers onbedoeld op het verkeerde been zetten, omdat de Van Gogh-liefhebber naar plaatsen wordt gestuurd waar hij misschien ook wel is geweest, maar waarvan niets met zekerheid te zeggen is, en waarvan zeker niets aantoonbaar is op basis van zijn brieven of ander feitelijk documentatiemateriaal. In tegenstelling tot de studie van Van der Sluis en Dijk hebben we op basis van overtuigend bewijsmateriaal gemeend te moeten kiezen voor het Hoogeveense Van Gogh-huis als logeerplaats, en het kerkhof van Hollandscheveld als plaats van het kerkhof. Dit heeft zoveel voor leken onvermoede gevolgen, dat we gemeend hebben u hierop te moeten wijzen. U mag natuurlijk gerust alle plaatsen in en rond Hoogeveen bezoeken die uitgeverij Boon uit Groningen via de boekjes en kaarten van Van der Sluis en Dijk aangeeft, maar u weet nu in ieder geval dat de tocht u niet dichter bij Vincent van Gogh brengt. Enkel bij een achterhaald onderzoek.
Er zijn drie plaatsen in Hoogeveen waar Vincent met zekerheid is geweest, en die u met zekerheid kunt bezoeken, met het gevoel: hier stond hij, hier keek hij, hier schreef hij of schreef hij over. Als u op de oude Hoogeveense begraafplaats staat, bij de ‘bult’, de grafkelder met bomen erop van de Van Holthe tot Echtens, en u kijkt naar het zuiden, dan staat u op zo’n punt. Daar zag Vincent in 1883 een kist per bok naar de begraafplaats gebracht worden. Hij was onder de indruk van wat hij zag. En u kunt naar de begraafplaats van Hollandscheveld gaan, naar het monumentje dat daar voor hem staat. Ingang Kerkhoflaan, begraafplaats op, 1e grote pad rechts, het middenpad, doorlopen tot de boom en u staat er bij. U kunt natuurlijk ook eens een rondleiding vragen door het Van Goghhuis aan de Pesserstraat.
Links zien we een schets van de woning aan de Pesserstraat, zoals we deze terug vinden op een bouwtekening uit 1912, waarbij gegevens uit dit onderzoek zijn toegevoegd. Bij 1 zien we de grote gelagkamer, die zoals we zagen over de gehele breedte van de woning langs de voorgevel liep. Bij 2 zien we twee woonkeukens. Bij a zien we de bedsteden. De b’s slaan op de watervoorziening. De ronde is een welput de andere een regenton. De grote houten schuur zal onderverdeeld zijn geweest in diverse ruimten. In de grote schuur werden bij c de gebinten ingetekend. De houten schuur was latere bewoners te groot. In 1912 werd hij afgebroken en verkort opnieuw opgebouwd in steen. De onderbroken lijn geeft aan waar we momenteel de buitenmuur zien. Als Vincent van Gogh in dit pand op de achterzolder gewerkt heeft, dan is dat dus in de huidige situatie buiten het pand, in de open lucht!
EVERT HARTMAN IS DE GROOTSTE HOOGEVENER ALLER TIJDEN
Dat bracht het Dagblad van het Noorden zaterdag 11 maart 2006. Radio Hoogeveen had de verkiezing gelanceerd, samen met het Dagblad, vervolgens mocht iedereen iemand opgeven, daaruit werden weer mensen geselecteerd, aanvullen mocht niet meer, en voor een bepaalde datum was degene die de meeste stemmen kreeg (brief, mail, noem maar op) tot grootste Hoogevener aller tijden gelanceerd. Het organiseren van een dergelijke verkiezing is niet eenvoudig. Wanneer men spreekt van ‘aller tijden’, dan zou men kunnen veronderstellen dat zowel Radio Hoogeveen als het Dagblad moeite zouden gaan doen om de mensen bewust te maken van de geschiedenis van Hoogeveen en de personen die daarin een rol hebben gespeeld. Niets van dit alles. De waan van de dag, de man/vrouw in de straat, die koos wat hij/zij op dat moment van belang vond, zonder verdere voorlichting. Dat was nou net zo interessant, wat die koos, was de toevoeging van Radio Hoogeveen. Het gevolg was dat er een lijst kwam van 15 personen, die op geen enkele manier een goede afspiegeling vormde van de grote Hoogeveners uit de jaren 1633-2006, vanaf de eerste bewoners tot heden. Door het Museum de 5000 Morgen en het Informatiecentrum Geschiedenis Hollandscheveld e.o. werd de organisatie daar dan ook op gewezen. Tientallen namen bleken te missen. Men werd uitgenodigd bij een informatieavond over de geschiedenis van de plaats, in het Museum de 5000 Morgen zelf. Niemand reageerde, niemand kwam. De verkiezing ging door, de organisatie veranderde tussendoor de spelregels (waardoor Erik Dekker de titel misliep), liet mensen gewoon staan die niet aan de criteria voldeden (iemand moest in Hoogeveen wonen of gewoond hebben zei hun website, Roelof van Echten deed geen van beide), en zo ineens was het zelfs mooi dat er vanuit heel Nederland vakbroeders mee gingen stemmen.
Evert Hartman werd uiteindelijk gekozen doordat er campagne voor hem werd gevoerd door voormalige collega’s van het Menso Alting College. Die konden natuurlijk moeilijk meer op de naamgever van het huidige college stemmen, want Roelof van Echten bleek inmiddels toch niet zo’n beste te zijn geweest als gedacht was. Om een lang verhaal heel kort te maken, een hele dure titel is op een volstrekt onverantwoorde manier in de wereld gekomen, en Hoogeveen heeft er weer een nieuwe mythe bij: Evert Hartman is de grootste Hoogevener aller tijden. Gezien de gang van zaken is het net zoiets als dat je wereldkampioen spitten wordt, zonder echte competitie. Niets verkeerds van Evert Hartman, die is toch al ondergewaardeerd in Hoogeveen, maar op zo’n manier zo’n titel krijgen is gewoon lullig. Trouwens, weet u nog wie wereldkampioen spitten was geworden? Dat was Hans Schonewille, die 4 april 1998 in een minuut tijd een gat maakte van 97 centimeter, in speciaal loskorrelig zand. Bij de dames werd Anjet van Kapel eerste, met een gat van 77 centimeter. Toneel: speeltuin, achter Van Leeuwenhoekstraat 44. Als we wat met de ene titel gaan doen, heeft de andere net zoveel – of net zo weinig? – bestaansrecht. Maar wat let ons om nu eens een echte verkiezing te gaan organiseren?
We hebben trouwens nu wel een probleem. Hebben de organisatoren zich het volgende wel gerealiseerd: Als de KRO de verkiezing van grootste Nederlander aller tijden heeft gehouden, en een van de mededingers voldoet aan de criteria van Radio Hoogeveen en het Dagblad van het Noorden (kwam uit of woonde ooit in Hoogeveen, stemmers mogen overal vandaan komen), is er dan niet al lang een Grootste Hoogevener Aller Tijden gekozen geweest? Vincent van Gogh werd 10e in de landelijke verkiezingen, woonde in Hoogeveen, en kreeg 6000 stemmen. Veel meer dan Evert Hartman. Kortom, was Vincent van Gogh niet al lang de grootste? Daar komt nog bij dat onderzoek ook al heeft uitgewezen dat wereldwijd Vincent van Gogh de bekendste Nederlander is. Wat zegt die reclame ook al weer? Er kan er maar een de grootste zijn…..
VROUWEN WERDEN ACHTERGESTELD BIJ MANNEN
Er was inderdaad verschil tussen mannen en vrouwen, en niet alleen door de biologische factoren, er was ook verschil in rollen, rolverwachting, kansen, maar het lag niet zo zwart-wit als men wil doel geloven. Sterker nog, er waren voor sommige vrouwen kansen, waar mannen nog niet van droomden. Hoe kan dat nu weer? Gewoon omdat de voorstelling dat vrouwen werden achtergesteld bij mannen veel te simpel is. Wat er wel aan de hand was, kunnen we het best vergelijken met een zigzagpatroon, van boven naar beneden.
De bovenste laag van de samenleving van het oude Hoogeveen werd bepaald door de hoofdparticipanten. De grootgrondbezitters met meer dan 100-morgen ondergrond en veen. Onder hen zat een brede laag van middenstanders en schippers. De oude voorstelling dat de dominee en de dokter bovenaan stonden, is voor Hoogeveen slechts ter dele waar. De kerk was namelijk van de Compagnie van de 5000 Morgen, die beheerd werd door de hoofdparticipanten, en de dominee was dus in dienst van de grootgrondbezitters, moest naar hun pijpen dansen. Hoe dan ook, de man uit de bovenlaag, keek neer op de man uit de middenstanders. Maar: de vrouw van de bovenlaag, had haar man misschien wel te volgen, maar stond weer hoger in aanzien dan de man in de middengroep. Een man uit de middengroep van middenstanders en schippers moest oppassen hoe hij omging met de vrouw van de bovenlaag, want die stond boven hem.
Onder de middengroep stond een brede groep arbeiders. Binnen die arbeiders was er nog weer standverschil. Een arbeider met een boerderijtje, vee en land, had een hogere status dan een arbeider met alleen maar een meierwoning, zonder vee en land. Iedere keer weer gold dat de vrouw misschien volgend was aan haar eigen man, maar dat de man weer op moest zien zowel de man als de vrouw uit de klasse boven hem. De pikorde ging nog verder, liep ook nog over regionale schijven. Wie in Hoogeveen woonde, was meer waard dan wie in Hollandscheveld woonde, dacht men. Wie in Hollandscheveld woonde, was meer waard dan wie in Elim woonde, dacht men. En wie op de wijken woonde, was helemaal onderaan de pikorde. Mannen volgende misschien vrouwen, maar ook de mannen moesten altijd weer opkijken tegen de vrouwen uit de groep die hoger stond in de pikorde, om geen gedoe te krijgen met de mannen.
Dit beeld is misschien wel wat zwart-wit gesteld, net als de mythe, maar schetst in ieder geval iets van de verhoudingen op het oude Hoogeveen. Dit beeld maakt ook duidelijk dat emancipatie nooit iets kan zijn van vrouwen alleen, als het doel is dat we als mensen op voet van gelijkwaardigheid met elkaar om zouden willen gaan. Emancipatie geldt voor alle groepen die lager staan in de maatschappelijke pikorde. En dat maakt de geschiedenis ook heel erg duidelijk. Aletta Jacobs, ze woonde zelfs nog een tijdje in Hollandscheveld, was dan wel de eerste vrouw die studeerde, maar ze kon dat alleen omdat ze uit een klasse kwam die hoger stond in de pikorde. Ze had daarmee meer kansen dan mannen uit de lagere klassen. Op het oude Hoogeveen ging dat net zo. In de 20e eeuw kregen al heel wat vrouwen uit de hogere groepen meer onderwijs en ontwikkelingsmogelijkheden dan de mannen uit de lagere groepen.
Het was 100 jaar geleden mogelijk dat vrouwen de gezondheidszorg in gingen, dat ze gingen evangeliseren, zending, een sociale rol gingen spelen in eigen land. Het was toen volstrekt ondenkbaar dat een kind van een van de wijken verpleegkundige werd, of zelfs op zondag ging preken in de officiële gevestigde kerken. Hoezo vrouwen werden achtergesteld?
DE NEVELHEKSE HEEFT ECHT GELEEFD….
..en ze woonde rond 1700 in Hollandscheveld, en daar heeft ze zichzelf van het leven berood, omdat ze vreselijk werd gepest. Ze heette dan ook niet ‘Nevelhekse’, dat was haar scheldnaam. Alsjeblieft, noem haar niet zo, dan lijdt ze er nog steeds onder…. Het verhaal is prachtig, de novelle moet men zeker lezen. Maar het is niet echt gebeurd, in die zin dat we echt ‘echt’ bedoelen. Het verhaal is een sleutelroman. De hoofdrolspelers zijn Albert Steenbergen, de schrijver zelf, in de rol van Allard, en Cilie de Cosse, het meisje dat men uitschold voor ‘Nevelhekse’ is een onbekende jongemeid uit Hollandscheveld geweest. Albert was gek op haar, maar vanwege het standsverschil was de relatie niet mogelijk. Tenminste, deze analyse kun je op de novelle loslaten. Als dit klopt, zal de beginnende verkering plaatsgevonden hebben omstreeks 1842. Maar misschien blijkt dit later ook nog eens een dorpsmythe te zijn. In ieder geval kunnen we vasthouden: de novelle ‘Nevelhekse’ is een mooi verhaal, moeten we in ere houden met lezen, schrijven, gedichten, toneelstukken en musicals, maar wat we er lezen is geen feitelijk verslag van gebeurtenissen uit de periode rond 1700.
DE CLAPPER DER CALKOENS IS EEN ECHT DAGBOEK
De oudste versie van het verhaal van de Nevelhekse komen we tegen in de Clapper der Calkoens, het zogenaamde dagboek van A. en P. Calkoen. Na al de studies die er over dit onderwerp verschenen zijn lijkt het misschien overbodig om te zeggen, maar de ‘Clapper der Calkoens’ is geen historische bron, maar een roman. Het blijkt echter dat sommige (amateur) historici en genealogen de verleiding niet kunnen weerstaan, en informatie uit deze ‘Clapper’ vermengen met hun genealogisch onderzoek uit echte bronnen. Het is goed voor te stellen dat de verleiding groot is. Wanneer we op zoek zijn naar de wortels van onze families, en de Hoogeveense bronnen uit de 17de eeuw hebben daarover geen informatie, dan is het prachtig om een ‘mogelijk familielid’ in de ‘Clapper’ aan te treffen. De personen uit de ‘Clapper’ kwamen er echter niet in voor omdat ze in de 17de eeuw in Hoogeveen woonden, ze kwamen er alleen in voor omdat Albert Steenbergen ze nodig had om op zijn eigen wijze de sfeer te scheppen van een Hoogeveen, dat hij nooit gekend had, maar op deze wijze tot leven wilde laten komen.
Sommige personen en situaties haalde hij uit de notulen van de Hollandsche Compagnie, de Compagnie van de 5000 Morgen en andere bronnen. Andere gegevens kende hij uit eigen ervaring uit 19de eeuwse situaties. Hij plaatste deze zonder meer twee volle eeuwen terug, omdat daarmee zijn boek levendiger werd. Bakker Troost uit de Clapper werd bakker in de 17de eeuw, omdat Albert Steenbergen in de 19de eeuw een bakker Troost kende, en diens ‘verhuizing in de tijd’ wel goed uitkwam. De familie Calkoen had een Van der Weide in een meijerwoning in Hollandscheveld wonen, zo lezen we in de ‘Clapper’. Niet de zogenaamde schrijver Calkoen had echter een meijer Van der Weide in de velden wonen, maar wel de echte schrijver Albert Steenbergen, toen in zijn jeugd Van der Weide van het 3de Zandwijkje in een woning van de Steenbergens verbleef. Om maar wat voorbeelden te noemen.
Nu blijkt de wens om voorouders in 17de eeuwse bronnen te vinden zo’n sterke vader van de gedachte te zijn, dat men er soms veel voor over heeft om de ‘Clapper’ niet als bron af te schrijven, maar hem het voordeel van de twijfel te geven. Na meer dan 20 jaar onderzoek rondom Albert Steenbergen en zijn ‘Clapper’ denk ik alle twijfel en hoop de bodem in te moeten slaan. De ‘Clapper’ is geen origineel dagboek, en dat is aantoonbaar met een eenvoudige redenering:
1.Albert Steenbergen heeft aanvankelijk de schrijvers van de ‘Clapper’ Abraham en Petrus Calkoen genoemd. Tijdens de eerste publicatie in de Hoogeveensche Courant van de ‘Clapper’ heeft hij zoveel kritiek gehad, dat hij toegaf zich vergist te hebben. Het ging niet om Abraham en Petrus Calkoen, maar om verre familieleden: Arent en Petrus Calkoen. Deze zouden gewoond hebben in de hoekwoning op de hoek van de huidige Hoofdstraat en het Haagje. Dat houdt dus in dat wanneer de ‘Clapper’ echt zou zijn, er in het laatste kwart van de 17de eeuw zowel een Arent als een Abraham Calkoen in Hoogeveen gewoond moeten hebben.
2.Er is een lijst met bewoners van Hoogeveen uit 1678, die erkenden dat de Heer van Echten het wettig gezag in Echtens-Hoogeveen vertegenwoordigde. Alle inwoners van Hoogeveen moesten deze lijst ondertekenen, om niet met de Heer van Echten in conflict te komen. Er zijn ook haardstedenregisters uit de periode 1691-1694, met de namen van alle hoofden van huishoudens. Op geen van de lijsten vinden we een Arent Calkoen vermeld. Sterker nog, er is slechts één volwassen Calkoen per lijst ingeschreven, Abraham Calkoen. Zelfs al zou Albert Steenbergen zich alsnog in de voornaam vergist hebben, en het zou bijvoorbeeld niet om een Arent maar om een Hendrik Calkoen gaan die de ‘Clapper’ geschreven zou hebben, dan nog zou hij een tweede hoofd van een huishouden met de naam Calkoen nodig hebben, om de echtheid van de ‘Clapper’ vol te kunnen houden.
3.Sinds het openstellen van het Archief van het Huis te Echten en de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen te Hoogeveen is er een veelheid aan historisch bronnenmateriaal voor het publiek toegankelijk geworden. Ik heb heel veel daarvan onder ogen gehad. Ik heb nooit een tweede volwassen Calkoen aangetroffen op het eind van de 17de eeuw, in welke bron dan ook.
4.Eén volwassen Calkoen in Hoogeveen, waarvan Albert Steenbergen zelf aangaf dat hij niet de schrijver van de ‘Clapper’ was, houdt als vanzelfsprekend in, dat de ‘Clapper’ dus geen in de 17de eeuw in Hoogeveen geschreven dagboek kan zijn. Helaas…..
Gezien voorgaande, lijkt het me voor de hand liggend dat de ‘Clapper’ niet meer gebruikt wordt als bron voor het 17de eeuwse Hoogeveen of als bron van genealogieën. Net zo goed als het voor de hand ligt dat degene die dat wel doet, en serieus genomen wil worden met zijn onderzoek, eraan verbindt dat hij of zij een sluitende bewijsvoering bijvoegt, waaruit blijkt dat de ‘Clapper’ wèl echt zou zijn. Dat neemt niet weg dat de ‘Clapper’ een prachtige roman is, die ik met liefde koester. Ik had zelf ook graag gehad dat het hier om een origineel dagboek zou gaan. Al was het alleen al omdat we dan ook bewijsvoering hadden voor het bestaan van Cilie, de Nevelhekse. Jammer genoeg is ze net zo min historisch als Arent Calkoen, want het wegvallen van de ‘Clapper’ als bron, doet alle bronnen van een historische Cilie vervagen…….
DE BRIEF VAN CILIE EN DE NEDERZETTING BIJ SCHOONHOVEN
Hoe graag mensen willen geloven dat Cilie de Cosse heeft geleefd, mag blijken uit het volgende: ik heb ooit bij wijze van 1-april-grap een brief geschreven, op naam van Cilie de Cosse, bijgenaamd ‘Nevelhekse’. Uit die brief zou blijken dat ze veilig met Allard naar Nederlands-Indië was gevlucht. Die brief zou rond 1 april in de Hoogeveensche Courant komen. Wat dus ook gebeurde. Die brief wordt nu als bewijsmateriaal TEGEN MIJ gebruikt, door mensen die volhouden dat ze nog steeds leeft. Die brief is inmiddels vertaald in het Duits, en meegenomen in een populair wetenschappelijk boekwerk over de Witte Wieven, in het Duits ‘Nevelhexen’. Als die brief echt is, dan ben ik Cilie. Geloofden mensen sommige andere dingen die ik geschreven heb maar net zo gemakkelijk…..
Over geloof en werkelijkheid: Toen er in de 70’er jaren hard werd gewerkt aan de recreatieplas Schoonhoven, zat ik met Bertus ten Caat om tafel, fantaserend over hoe het leven moet zijn geweest toen er nog geen veen was, of op de zandkoppen voordat die door veen waren overwoekerd. Als die al allemaal overwoekerd waren. We fantaseerden een nederzetting bij elkaar, Bertus had nog een papieren skellet, slager Wildeboer had nog wel wat botten voor ons, de fotograaf werd gebeld, ikke hoedje op, en ja hoor: amateur-archeoloog A.Timmerman had een belangwekkende fonds gedaan bij Schoonhoven. De resten van een nederzetting en zijn bewoners. Leuk, jazeker, dikke lol gehad. Maar nu komt het: het artikel ging mee in knipselarchieven, om vervolgens overal op te duiken. Ook in serieuze verzamelingen van het Rijksarchief in Drenthe, en wie weet wat al meer. Alsjeblieft, als een van u een artikel vindt met een geknielde A.Timmerman, pijp in de mond – geen vuur en geen tabak – bij een papieren skelet van Bertus en de botten van Wildeboer: mooi laten zitten, maar er wel bij schrijven dat dit een 1 april mop was!
DE TROMMELSLAGER TROMMELDE OP DE KERKENTROMMEL
“Kerkhistorisch gezien is er deze week in Hoogeveen een belangrijke mijlpaal gepasseerd. De beide grootste kerkbladen, Kerkespraak (gereformeerd) en Hervormd Hoogeveen (hervormd) zijn na een jarenlange aanloop samengegaan. Deze week verscheen het eerste nummer van de gefuseerde kerkbode onder de naam Kerkentrommel. Een naam die verwijst naar het oude en in Hoogeveen traditionele gebruik van kerkgang met trommelslager. Een originele eeuwenoude ‘kerkentrommel’ is te bewonderen achterin de Grote Kerk.” Zo lazen we vrijdag 14 april 2006 in de Hoogeveensche Courant. Een artikel waarin de geschiedenis van de voorlopers van de Kerkentrommel op een rijtje werd gezet, en waarin de naam van het nieuwe blad werd verklaard. Hoogeveen was weer een mythe rijker: de trommelslager trommelde op de kerkentrommel.
De redacteur van het kerkblad gaf desgevraagd uitleg over de herkomst van de naam. Deze was gevonden in de ‘Clapper des Calkoens’, van Albert Steenbergen (zie bijlage b in het boek). De naam ‘Kerkentrommel’ was buiten dit gefingeerde dagboek nog in geen enkel ander document aangetroffen. De redactie van de ‘Kerkentrommel’ ging er echter van uit dat Albert Steenbergen gebruik had gemaakt van een oud woord, dat hij gehoord had van de Hoogeveense bevolking. Nu is het probleem met Albert Steenbergen dat hij wel meer woorden gebruikte, die niet in de historische documenten zijn aangetroffen. Het begrip ‘Nevelhekse’ is in Duitsland als ‘Nebelhexe’ wel bekend, maar niet in Nederland. Albert Steenbergen introduceerde dit woord en een complete novelle er omheen voor een specifiek figuur uit zijn literaire belevingswereld.
Zolang er geen enkel historisch document is aangetroffen waarin sprake is van een ‘kerkentrommel’ moeten we ervan uit gaan dat dit woord eveneens literair taalgebruik is van Albert Steenbergen. De trommelslager trommelde op zijn trommel. Niet op de kerkentrommel. Het blad kan gerust zo genoemd worden. Maar met de geschiedenis van de trommelslager heeft het voorlopig nog niets te maken. Het heeft er alles van dat nu precies gebeurt wat Albert Steenbergen ook al deed: een nieuw woord, wordt terug geplaatst in de tijd, en krijgt zo een suggestieve geschiedenis. Wie het woord toch nog ergens aantreft, buiten een citaat van Albert Steenbergen om, kan contact opnemen.
SCHOONHOVEN IS GENOEMD NAAR DE COMPAGNIE DIE DAAR WERKTE
Als we het hebben over naamgeving, is er heel wat mis in de gemeente Hoogeveen. De recreatieplas Schoonhoven, bijvoorbeeld, zou genoemd zijn naar de verveningsmaatschappij, de compagnie die hier aan het werk was. Nu wil het geval dat die compagnie wel in Hollandscheveld actief was, maar juist niet daar. De plas van Schoonhoven ligt in het gebied van Cools Compagnie, ook wel de De Vriese Compagnie genoemd. Als we het er toch over hebben: in Hoogeveen Zuid liggen tal van straten die genoemd zijn naar de eerste participanten, deelnemers, van de Compagnie van de 5000 Morgen. Wat verwarrend, want dat gebied hoorde helemaal niet bij de Compagnie van de 5000 Morgen. Nog iets: Cornelis Martsen heette ook wel Cornelis Martsen Pronck. Dat is de zelfde persoon. Wonderlijk genoeg ligt er echter zowel een Martsen- als een Pronckstraat. Zijn rol was nogal dubieus, zo in het begin van Hoogeveen, dus als een straat naar iemand vernoemd is, houdt dat niet in dat zo’n persoon het navolgen waard was.
VV HOLLANDSCHEVELD IS OPGERICHT IN 1950
En als je dat denkt, dan vier je dus ook een zoveeljarig bestaan, gebaseerd op dit jaartal. Alleen wel jammer dat het jaartal van geen kant klopt. Om daar iets van te begrijpen, moet je wat meer weten van de Hollandscheveldse voetbalgeschiedenis. De geschiedenis van de sportverenigingen in Hollandscheveld begint in de twintiger jaren van de 20ste eeuw. Mevrouw Kooiman, de echtgenote van ds.Kooiman, was zeer actief op sociaal gebied. In het begin van de 20'er jaren kwamen er in het Hollandscheveld door haar werkzaamheden voogdijkinderen in kostgezinnen. Stadskinderen, “bleekneusjes”, die hoognodig eruit moesten, en op het platteland op krachten konden komen. Ze kwamen uit Rotterdam. Deze ‘Rotterdammertjes’ hadden een hobby die hier nog niet bekend was: straatvoetbal. De Rotterdammertjes gingen om met de kinderen uit Hollandscheveld, en brachten hen alle kneepjes van het voetballen bij. Ze vormden samen een voetbalclubje van 12-, 13-, en 14-jarigen. Ze noemden zich: “Klein Maar Dapper”. Voorzitter werd de Rotterdammer Henk Kieviet. Kees Stolk, ook uit Rotterdam, was in huis bij Hendrik Fidom aan het Rechtuit. Kees werd penningmeester. Secretaris werd Jaap Damming, de bron van dit verhaal. Jaap werd 13 oktober 1908 geboren. Heeft geeft aan hoe vroeg we dit verhaal in de twintiger jaren moeten plaatsen. Het was omstreeks 1921. De oranje shirts van “Klein Maar Dapper” zijn gebleven. De jongens voetbalden al met al in dezelfde kleuren waar VV-Hollandscheveld nu ook nog de eer van het team in verdedigt.
“Klein Maar Dapper” verwaterde, toen de Rotterdammertjes niet meer kwamen en de Hollandscheveldse jongens groter werden. Jaap Damming en anderen, afkomstig uit Noordscheschut en Hoogeveen, vormden een nieuwe voetbalclub, met Hollandscheveld als thuisbasis. Dit werd “Door Eendracht Sterk”. Toen ook deze verwaterd was, kwam het in 1929 tot de oprichting van een eerste sportclub met de naam HSC: Hollandscheveldse Sport Club. Deze sportclub HSC heeft een geschiedenis gekend van hoogtepunten en dieptepunten, waarin de sport door omstandigheden weer een tijd stil kwam te liggen. Men hield zich bezig met voetbal, korfbal en wat al niet meer. Zo was er op 26 september 1942 een grote sportdag, met twee voetbalwedstrijden, een korfbalwedstrijd, 100 meter heren hardlopen, 80 meter hardlopen dames, discuswerpen, polsstokhoogspringen en een singelloop. De door HSC georganiseerde singellopen werden zo'n traditie, dat deze een nu nog jaarlijks terugkerend festijn geworden zijn. Probleem is wel dat men ook bij die singellopen de tel kwijt is. Ze zijn veel ouder dan men doorgaans in de krant aangeeft.
Door oorlogsomstandigheden moest HSC stoppen met de sport. HSC werd na de bevrijding voor de zoveelste keer heropgericht. Op 27 juni 1945 werd een nieuw bestuur gekozen, bestaande uit de heren Hendrik Bakker Gzn. (voorzitter), O. Lip, Arend Metselaar Jzn., D. Oechies en J. Blokzijl en de dames A. Boerma, A. Bijleveld en T. Meek. Het bestuur zag – gezien een verlate viering van een zoveel jarig bestaan – zichzelf als de voortzetting van de vereniging uit 1929. Er waren echter grote financiële problemen met de KNVB. In de laatste oorlogsjaren werd niet gevoetbald en betaalden de leden geen contributie. De KNVB wilde de leden met terugwerkende kracht alsnog de contributie uit die jaren laten betalen. Om daar van af te komen, werd de vereniging voor de zoveelste keer opgeheven verklaard, en vervolgens weer opgericht. Op dinsdag 18 maart 1950 werd HSC voor de vijfde maal opgericht, als voetbalvereniging. Maar men was nog niet van de problemen af.
De KNVB eiste dat leden eerst hun contributieachterstanden betaalden, alvorens ze konden voetballen. Sommigen betaalden zelf, voor anderen werd met de pet rondgegaan en derden bleven tot op de dag van vandaag geschorst. Die achterstanden en de problemen daaromtrent betekenden ook het einde van de naam HSC. Toen de vereniging voor de vijfde maal werd opgericht, wilde men de oude naam door blijven voeren. HSC was al zo vaak over de kop gegaan en weer heropgericht. Men beschouwde deze herstart dan ook weer als de zoveelste heroprichting van HSC. Dit vasthouden van de naam bleek echter onmogelijk. Hoogezand kende een vereniging met dezelfde naam. De nieuwe HSC heet dan ook tot op de dag van vandaag "gewoon" Voetbal Vereniging Hollandscheveld. Maar dit verhaal zal duidelijk hebben gemaakt dat dit niet anders is dan de voortzetting van HSC, want onder die naam werden ze ook weer heropgericht, alleen mocht dat niet van de KNVB. Dat VV-Hollandscheveld in 2000 een 50-jarig bestaan heeft gevierd, in plaats van een 70-jarig bestaan in april 1999, is dan ook vooral een zaak van gebrek aan historische kennis geweest. Maar het feest was er niet minder leuk om……
DE DRIE DODEN VAN HET SPAARBANKBOS ZATEN IN HET VERZET EN WERDEN DAAROM GELIQUIDEERD DOOR DE DUITSERS
In het Spaarbankbos vinden we een gedenkplek voor vijf gefusilleerde inwoners van Hoogeveen. De tekst bij deze gedenkplaats luidt: “In dit bos, op deze plek, schoot de bezetter vijf Hoogeveners dood, op 1 augustus 1943, Jonkheer de Jonge, notaris Mulder en Adriaan Baas; op 3 augustus 1943 Levie en Manus van der Wijk. Ook vandaag, terwijl u hier staat, en dit leest, wordt elders iemand verkracht, gemarteld vermoord, omdat hij zich verzet, omdat ze vrouw is, of vanwege de kleur van huid of hart.” De achtergronden van deze vijfvoudige moord en de gedenkplaats op zich gaven aanleiding tot tal van mythen. En voor je het weet is er weer een mythe bij.
Eerst maar eens over de tekst op de gedenkplaat. Als we met een beetje kennend van begrijpend lezen of het leggen van inzichtelijke verbanden binnen een tekst naar de gedenkplaat kijkt, dan worden hier zaken op één lijn gezet, die helemaal niets met elkaar te maken hebben. Er wordt verband gelegd tussen de vijfvoudige moord en verkrachting, moord omdat iemand vrouw is, moord vanwege de kleur van huid of hart. Wat met dit laatste wordt bedoeld, zegt de tekst niet. Hoe dan ook, hier werden geen vrouwen gefusilleerd, of deze vijf mannen ook verkracht zijn, daar is niets over bekend, dus waarom daarover speculeren, en een andere huidskleur, kom nou, het ging hier over Europese blanke mensen. Martelen, ja, misschien. Verzet? Nee, helemaal niet. Tenminste, niet in die zin dat de vijf mensen stierven omdat ze deel waren van het verzet. De tekst kan zelfs beledigend worden opgevat. Als we de holocaust en de massamoord op onze Joodse Nederlanders, waaronder Levi en Manus van der Wijk, op één lijn zetten met hedendaags straatgeweld of geweld tegen vrouwen, dan hebben we daar niets van begrepen, gooien we gemakshalve alle geweld maar op één hoop, lossen we nooit wat op. In ieder geval heeft de tekst helemaal niets te maken met wat daar feitelijk is gebeurd, daar in dat Spaarbankbos, in augustus 1943.
Om de zaak helder te houden, moeten we ook eerst nog een andere mythe opruimen. Op 29 juli 1943 werden in het gemeentehuis van Nieuw Schoonebeek drie mensen gedood door het verzet. Reden: ze waren allemaal zo slecht, ze heulden met de Duitsers, ze waren NSB’ers, Landwachters, noem maar op. Ze moesten gedood worden, om anderen te redden. Anders hadden ze mensen uit het verzet verraden. De kinderen van deze doden kregen dus na de oorlog een heel duidelijk stempel mee: daar moet je niet mee omgaan. Dat zijn kinderen van landverraders. Hun vader was zo slecht dat hij door het verzet werd gedood.
Hoewel ik geen behoefte heb om mensen schoon te praten die dat niet waren, of mensen zwart te maken die dat niet toekomt, moet hiertegen wel wat worden ingebracht, omdat deze mythe mensen onterecht beschadigd heeft. Wat is er dan gebeurd op 29 juli 1943 in Nieuw Schoonebeek? Twee broers, Koos en Daan, waren ooit lid van de KP-Middelstum. Ze kregen een beruchte en beroemde reputatie als overvallers op distributiekantoren. In de zomer van 1943 waren ze ondergedoken in De Krim en werkten ze samen met Rieks Zomer en Jan Leijssenaar van Alteveer. Er maakten ook nog enige andere onderduikers deel uit van de ploeg, bekend als de KP-De Krim. De 29e juli zouden ze een overval plegen op het distributiekantoor van Nieuw Schoonebeek, dat in het gemeentehuis was gevestigd. Het hoofd van het distributiekantoor, De Boer, was daarvan op de hoogte. Het was zo gepland, dat op het moment van de overval er een politieagent als bewaker zou staan, Kippers, die ook bij het verzet was. Wat er mis ging, was dat Daan en Koos op een motor opvallend heen en weer reden door Nieuw Schoonebeek, en één van hen in het zicht van het gemeentehuis ook nog een valse snor opplakte. De NSB-burgemeester vroeg conciërge Roelof O. – zelf ook een tijd lid van de NSB en de WA – om de beide heren op te halen, voor een gesprek.
Wat er is gebeurd in de kamer van de burgemeester is niet bekend. Er klonken schoten. De burgemeester was dood. Roelof O. vluchtte naar buiten, de kamer uit, en werd ook doodgeschoten. De Boer – van het verzet! - liep in het schootsveld, ook hij werd doodgeschoten. Daan en Koos vluchtten weg. De overval was mislukt. Iedereen sprak vervolgens over een liquidatie met drie doden. Een aanslag op de NSB. Het verzet wist beter. Arie, hoofd van de KP in Drenthe, sprak later in een verslag eerlijk over een mislukte overval met drie doden. Veldwachter Kippers werd diezelfde dag nog gearresteerd. Kippers werd gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte. In de hal van het Schoonebeeker gemeentehuis herinnert een plaquette aan de dood van de veldwachter.
De Duitsers stelden natuurlijk onmiddellijk een onderzoek in. Op basis van het dialect van de mannen die zich rondom Nieuw Schoonebeek hadden opgehouden, en daar de telefoondraden hadden doorgeknipt, ging men ervan uit dat de daders uit Hoogeveen kwamen. In de nacht van donderdag 29 op vrijdag 30 juli 1943 arriveerden twee afdelingen Grüne Polizei uit Arnhem in Hoogeveen. Ze stonden onder leiding van Polizei Meister Ott. De eenheden werden ondergebracht in de ambachtschool en het Noorderhuis, aan de weg naar Pesse. Dit Noorderhuis werd het hoofdkwartier. Doel van Ott's aanwezigheid: razzia's. De vele overvallen in deze omgeving en het toenemende aantal brandstichtingen ‑ behalve wat al genoemd is, gingen 13 en 26 juli ook boerderijen in vlammen op van NSB'ers in Drogteropslagen en Pesse ‑ vroegen volgens de bezetters om een harde aanpak. De drie doden van Schoonebeek hadden de doorslag gegeven. Uitgaande van de (foutieve) veronderstelling dat het verzet zo brutaal geweest was drie mensen op klaarlichte dag bewust te liquideren, waaronder voor het eerst in Nederland een NSB‑ burgemeester, en dan nog wel ín diens gemeentehuis, zou er direct hard teruggeslagen moeten worden. Hoe moest Ott het aanpakken? Ott ontbood enkele kenners van de plaatselijke situatie, waaronder Albert.
Albert (geb. 1896) was koopman te Hoogeveen. Al in 1934 werd hij lid van de NSB. In 1940 vertrok hij naar Duitsland. Na zijn terugkeer, december 1942, is hij direct een actieve rol gaan spelen in de nieuwe Hoogeveense groep van de NSB. Hij volgde groepsleider Meekhof op, die daarna zijn invloed tot Pesse beperkt zag. Verder werd Albert ambtenaar bij de Nederlandse Volksdienst. In een later stadium van de oorlog zou hij zich actief inzetten bij het laten functioneren van de Organisatie Todt in Hoogeveen. Hij was als administratieve kracht toegevoegd aan het bureau van de Chef Arbeitseinsatz. Daar er nogal wat ambtenaren waren die zich aan die arbeid onttrokken, kreeg hij geleidelijk aan de gehele administratieve leiding. Hij werkte zeer punctueel. Binnen de NSB werd van hogerhand gestimuleerd dat er plaatselijke lijsten met namen van "vijandige" personen aangelegd werden. Mensen die anti‑Duits waren, de NSB tegenwerkten of mogelijk betrokken waren bij illegale activiteiten. Albert stelde een lijst samen met de namen van 15‑20 personen, waarbij hij tevens aangaf welke straffen ze zijns inziens verdiend hadden. Hij schroomde niet zijn plaatsgenoten tien jaar concentratiekamp of de doodstraf te geven, als het aan hem lag. De staf van de Grüne Polizei in het Noorderhuis werd geassisteerd door mensen van de politie uit de naaste omgeving, die kleine hand en spandiensten verrichtten. Wachtmeester Rehwinkel uit Nieuweroord kreeg opdracht Albert voor zaterdagmiddag 31 juli te ontbieden. Albert verscheen en gaf Ott en enige officieren een uitgebreid verslag van de situatie in de gemeente Hoogeveen, die volgens hem zo vijandig was tegenover de bezetters vanwege de godsdienstige inslag. Op een wandkaart gaf hij de route naar Hollandscheveld aan. Ott zou later zeggen weinig eerbied te hebben voor NSB'ers en Albert te minachten. Maar hij maakte dankbaar gebruik van de lijst met namen die hem die zaterdagmiddag overhandigd werd........
Die zaterdag nog raasden overvalwagens richting Hollandscheveld, over de Coevorderstraatweg. Er volgde een razzia op de Krakeelse wijken. Op de 5de Krakeelse Wijk woonde de familie Duinkerken. Vader Everhardus Duinkerken was kippenkoopman en had een boerderijtje. Hun woning bood onderdak aan twee Joodse collega's, die daar ondergedoken zaten. De gebroeders Levie en Manus van der Wijk woonden daarvoor in de Kerkstraat. De beide kippenhandelaren sloegen op de vlucht, bij het zien aankomen van de Grüne Polizei. Waren ze in het hol gekropen, dat in het hooivak voor hen klaargemaakt was, was er niets gebeurd. Ze zaten tussen de aardappelen te wachten tot de kust veilig was. Op een gegeven moment moesten ze toch even kijken of er nog Grüne Polizei was. Met dat hun hoofden boven het aardappelloof uitkwamen, keek men in hun richting. Ze werden gezien, gearresteerd en afgevoerd naar het Noorderhuis. In de plaats Hoogeveen werd vrijdag 30 juli 's morgens al een scherpe persoonscontrole ingesteld. Vele tientallen personen werden meegenomen naar het Noorderhuis. Ze werden al vrij snel weer in vrijheid gesteld. Nadat 's zaterdagsmiddags de lijst van Albert in ontvangst genomen was, werden er huiszoekingen gehouden. Per overvalwagen werden de arrestanten afgevoerd naar het Noorderhuis. Drie van de 25‑30 arrestanten van die zaterdag werden zondagmorgen 1 augustus "gelucht". Nietsvermoedend liepen ze achter het Noorderhuis naar buiten. Ze werden daarop onmiddellijk doorzeefd met kogels. Hun namen hadden gestaan op Alberts lijst: notaris Johannes Mulder, onderwijzer Adriaan Baas en jonkheer Marinus Willem Cornelis de Jonge. Albert verklaarde later dat hij hun namen had doorgegeven na de liquidatie. In Hoogeveen werd later verteld dat de mannen waren vermoord omdat ze bij het verzet waren. Wachtmeester Dobma, van de politie uit Hoogeveen, werd ontboden om de lichamen te identificeren. Op 3 augustus werden ook de gebroeders Van der Wijk gefusilleerd. Hun dood stond los van die van de eerste slachtoffers. Als Joden waren ze rechteloos, volgens de bezetters.
De eerste drie doden van het Noorderhuis (Baas, De Jonge en Mulder) stierven zeker ook als reactie op het verzet in de omgeving van Hoogeveen in zijn algemeenheid. Maar ze stierven in de eerste plaats als represaille in verband met de drie doden van Schoonebeek. Ze stierven in ieder geval niet om hun eigen verzetswerk. Volgens het principe “oog om oog, tand om tand”, dat later ook bij de Silbertanne-moorden werd toegepast, werd op een liquidatie gereageerd met een represaille. Dat is hier dus ook gebeurd. De beide andere doden (de gebroeders Van Der Wijk) stierven omdat ze ondergedoken Joden waren. Antisemitisme. Dat zijn de feiten. En die vinden we niet bij het monument.
ALBERT ALBINO IS HERBEGRAVEN IN DE VERENIGDE STATEN
Op 29 november 1943 werd een piloot van een Lightning, een Amerikaans jachtvliegtuig, in een luchtgevecht dodelijk geraakt door Duitse kogels. Het ging om Albert Albino uit de Verenigde Staten. Het toestel vloog recht naar beneden en boorde zich met een knal en een grote steekvlam in de spoorbaan, bij het station te Hoogeveen. De Lightning kwam weer onder de aandacht toen onder de spoorweg een voetgangerstunnel werd aangelegd. De tunnel loopt door het graf van Albert Albino. In het eindrapport van de Gravendienst van de Koninklijke Landmacht vinden we de volgende bijzonderheden van de opgraving: "Zondag 5 maart 1978 te +21.15 uur telefonische melding van de Luchtmachtbergingsdienst om assistentie te verlenen bij de berging van een Lockheed Lightning neergestort eind 1943 op het station te Hoogeveen, waarbij stoffelijke resten van een Amerikaanse militair aangetroffen waren met de beide herkenningsplaatjes. Reeds gevonden stoffelijke resten en uitrustingsstukken op zondag, waaronder ook de herkenningsplaatjes, waren reeds overgebracht naar het politiebureau te Hoogeveen. Er werd afgesproken dat de Gravendienst op maandag 6 maart 1978 te 08.00 uur te Hoogeveen aanwezig zou zijn om tussen het 2de en 3de perron van het station te Hoogeveen de stoffelijke resten te exhumeren (= opgraven) van een Amerikaanse vliegenier. Tevens zou dan de overdracht plaats vinden van de reeds gevonden stoffelijke resten en de herkenningsplaatjes, die zich bevonden op het plaatselijke politiebureau te Hoogeveen. Bij het zoeken naar nog meer stoffelijke resten werd gebruik gemaakt van een Atlaskraan van de gemeente Hoogeveen. Tijdens de exhumatie, die de gehele dag duurde, zijn nog stoffelijke resten en restanten kledingstukken gevonden. De gevonden stoffelijke resten, die bestonden uit niet verteerde stukken huid en vlees, werden door de Gravendienst piëteitsvol verpakt. De reeds eerder gevonden stoffelijke resten werden ‘s middags door de Gravendienst op het politiebureau opgehaald. De plaatselijke pers, de Asser en Drentse Courant, heeft de Gravendienst nog geïnterviewd naar aanleiding van de berging van de Amerikaanse vlieger. Tegen 16.00 uur is de Gravendienst weer vertrokken naar Bussum. Door het vinden van de herkenningsplaatjes was de identificatie voor de Gravendienst een routine zaak. De stoffelijke resten bestonden slechts uit stukken huid en vlees met enkele botstukjes, welke voor de identificatie niet te gebruiken waren. De uiteindelijke identificatie is gebaseerd op de beide gevonden Amerikaanse herkenningsplaatjes."
Op 5 april 1978 meldde de Gravendienst van de Koninklijke Landmacht in hun eindrapport dat men had aangetroffen ‘verse’ stoffelijke resten van een niet volledig aangetroffen Amerikaans militair. De gevonden stoffelijke resten bestonden uit slechts enkele restanten van zijn borstkast, bekken en stukken huid, en waren beschadigd en vervormd. Hoe miniem deze resten waren, werd later aangegeven op een tekening, gemaakt door iemand die alle stukjes been had proberen te identificeren naar de plaats van herkomst uit het menselijk lichaam. Het bleek te gaan om slechts twee fragmenten van voetbeentjes van de rechtervoet, 9 kleine fragmenten uit het rechter onder- en bovenbeen, twee kleine fragmentjes uit de linkerkant van het bekken en een groter stuk van het rechter bekken, vier ribfragmenten uit de rechter helft van de borstkas en een stukje linker sleutelbeen. Het betrof, zoals gezegd, kleine stukjes, flink beschadigd. Van het linkerbeen, de armen, ruggewervels, nek en hoofd, werd niets terug gevonden. Op enkele stukjes huid, bewaard op enig vlees op de ribfragmenten, waren haartjes aangetroffen, welke de indruk gaven dat men te doen had met iemand met een donkerbruine of zwarte haarkleur. Het moest gaan om een blanke caucasoid, met een leeftijd - af te leiden uit de beenderresten - van 20 tot 24 jaar. Dat was bijna alles wat met zekerheid van het slachtoffer te zeggen was, als men enkel en alleen op de vondsten af zou gaan.
De stoffelijke resten van Albert Albino werden door de Gravendienst van de Koninklijke Landmacht overgedragen aan de USA Mortuary, op de Kolonel Palmkazerne te Bussum. De weinige geborgen stoffelijke resten werden overgebracht naar de familie, onder begeleiding van eerste luitenant Samuel E.Tanner. Op het vliegveld van Portland werden de stoffelijke resten overgedragen aan dhr. Springer, een begrafenisondernemer. De volgende dag zocht Tanner de familie van Albert Albino op. Zijn broer, pater Gerace, besprak met hem de plannen rond de begrafenis. De familie had besloten om er een besloten begrafenis van te maken, zonder militaire eer. Vooraf werd er een dienst gehouden, in de kerk van de parochie St.Cecilia te Beaverton. De begrafenis had plaats op 26 oktober 1978 om 11.00 uur plaatselijke tijd, op de burgerlijke begraafplaats van Beaverton, Oregon, genaamd de Mount Calvary Cemetery and Mausoleum. Albert Albino’s resten werden bijgezet in graf 6, lot 653, sectie W. Luitenant Tanner droeg daarbij een Amerikaanse vlag over aan de familie. De familie was bijzonder blij en dankbaar dat na 35 jaar hun broer was thuisgebracht door het Amerikaanse leger. Albert Albino’s moeder was op dat moment nog in leven. Ze was oud en dementerende. Drie broers en vijf zusters van Albert Albino waren aanwezig bij zijn begrafenis.
Albert Albino was herbegraven in de Verenigde Staten. Zei men. Wij weten nu beter. De stoffelijke resten waren nog niet genoeg om een schoenendoos mee te vullen. Er zijn enkele resten overgebracht, dat is het enige. Aarde tot aarde, stof tot stof. Het stof van Albert Albino ligt nog grotendeels verspreid over de omgeving van het station, of is weggevoerd toen de aarde die vrijkwam voor de voetgangerstunnel werd afgevoerd. Pastoraal en therapeutisch is er helemaal niets mis met de begrafenis van Albert Albino in de Verenigde Staten. Voor de familie is dat goed geweest. De mythe heeft echter tot resultaat gehad dat er nadien niet meer omgekeken werd naar stoffelijke resten tijdens werkzaamheden op het station. Toen de voetgangerstunnel vergroot werd, werd de aarde niet onderzocht. Net zo goed als we piëteitsvol moesten omgaan met de weinige resten die wel waren gevonden, hadden we piëteitsvol moeten omgaan met de resten die er omheen nog gevonden zouden kunnen worden. Dat hebben we niet gedaan. De kans is groot dat er ook resten zijn afgevoerd met de van het station verwijderde grond, naar een grondbank, een opslagplaats van vervuilde grond, of een vuilverbrander. En dat heeft hij niet verdiend. We hadden er ook voor kunnen kiezen om de familie hun gang te laten gaan, want wat zouden we zelf doen in zo’n situatie?, en tegelijkertijd onze ogen en oren openhouden voor de feiten.
IN NIEUWLANDE ZATEN 400 JODEN ONDERGEDOKEN
Hoe verder de oorlog weg ligt, hoe meer onderduikers er in Nieuwlande zaten. Zo lijkt het tenminste wel. In het boek “Hoogeveen monumentaal” lezen we van 400 onderduikers. Zeer bont maakt het ook de officiële Israëlische site van het herdenkingscentrum Yad Vashem. We lezen daar:
A unique instance of collective rescue activity took place in the Dutch village of Nieuwlande. In 1942 and 1943 the village inhabitants resolved that every household would hide one Jewish family or at least one Jew. Given the collective nature of the activity, the danger to the village was small, there was no fear of denunciation since all the village dwellers were partners to the "crime". All 117 inhabitants of that village were recognized as "Righteous Among the Nations". Arnold Douwes, the son of a pastor, was recruited for the underground by Johannes Post, a farmer and town counselor in the village of Nieuwlande.
Zo begint de tekst. Het staat er ècht, u kunt het allemaal nalezen op een officiële herdenkingssite, op http://yad-vashem.org.il/visiting/sites/nieuwlande.html. En het is aan de andere kant onvoorstelbaar dat het er staat. Is er nu niemand op Nieuwlande die de moed heeft om de mythe door te prikken? Is de werkelijkheid niet al mooi genoeg geweest, moeten we nu echt de wereld onzin voorhouden, doen we daarmee geen afbreuk aan wat er echt voor moois is gebeurd? Hebben echt alle gezinnen in Nieuwlande Joden onder dak gehad? Zijn echt alle 117 inwoners erkend als rechtvaardigen onder de volkeren, ook de NSB’er onder hen? Waren er echt niet meer inwoners toentertijd? Waren er geen mensen in het dorp die zich neutraal opstelden? Was er echt geen onderscheid in inzet tussen verschillende bevolkingsgroepen in het dorp? Los daarvan: Arnold Douwens is niet gerecruteerd door Johannes Post, Arnold was al lang bezig met verzetswerk, en werd daarom voorgesteld aan Johannes Post door de Hervormde predikant van Hollandscheveld, ds.Volger, die er zelf ook tot zijn nek in zat.
117 rechtvaardigen onder de volkeren, 117 inwoners van Nieuwlande, zegt de site. De Hoogeveensche Courant van 5 mei 2006 kopte: “Israël eert 243 rechtvaardigen in en rond Nieuwlande. Dat zijn er nog veel meer. Onderaan de bladzijde zien we hun namen. Er woonden slechts 2 personen in Alteveer, 4 in Elim, 18 in Hollandscheveld, 21 in Hoogeveen en 2 in Noordscheschut. De krant zegt het heel duidelijk: “Alleen al 197 uit Nieuwlande”.
Feiten geven aan dat dit beeld van geen kant klopt. Laten we eerst eens beginnen bij de 197 mensen uit Nieuwlande, die toch echt in de krant worden genoemd. Daaronder zijn heel wat gezinnen uit Hoogeveen, Elim en Hollandscheveld! Diverse malen werden uit één gezin meerdere personen tot rechtvaardigen uitgeroepen, soms ook alle kinderen. Achterin het boek “Nieuwlande 1940-1945. Een dorp dat zweeg”, van Schonewille, Van der Sleen en Engels, vinden we de huishoudens vermeld waar de onderduikers woonden. Niet iedereen blijkt een Yad Vashem onderscheiding te hebben gehad. In totaal 30 huishoudens woonden dicht bij het huidige Nieuwlande en kregen een Yad Vashem onderscheiding. Verdeel onder hen eens de 400 Joodse onderduikers? Precies, dan zou men er gemiddeld 13 in huis hebben gehad! Waar moesten die blijven, in een arbeiderswoning? En als 13 Joden normaal was, waarom doen we dan zo moeilijk over Flokstra uit De Weide, die er ook 13 had, en waarvan nu iedereen zegt dat dit toch zo bijzonder was? Natuurlijk waren er verhoudingsgewijs veel Joodse onderduikers in Nieuwlande. Maar laten we het wel bij feiten houden. Volgens ds.Hoogkamp, toentertijd een van de leiders van het verzet in Nieuwlande, ging het in totaal om ongeveer 80 Joodse onderduikers, die ook nog eens meerdere adressen hebben gehad. Los daarvan zaten er ook zat Joodse onderduikers in Elim, Hollandscheveld, Noordscheschut, Nieuw-Moscou en Hoogeveen. En nog op veel meer plaatsen. En dat is prachtig, zo zijn er mensen door de oorlog gehaald die dit anders niet hadden overleefd. Maar laten we er alsjeblieft geen karikatuur van maken. Straks gelooft niemand meer dat er in Nieuwlande écht wat gebeurd is, als de ontwrichting van de cijfers nog langer zo doorgaat.
DE VRIJGEMAAKT GEREFORMEERDE KERK VAN HOOGEVEEN KREEG VOOR EEN SYMBOLISCH BEDRAG VAN F 1,- DE VOORMALIGE SYNAGOGE, UIT DANK VOOR WAT FLOKSTRA IN DE OORLOG VOOR DE JODEN HAD GEDAAN
Cornelis Flokstra had in de oorlog volop onderduikers, en hielp ze te overleven. Hij gaf ze onderdak, eten en drinken, werd daarbij gesteund door het verzet met spullen en bonkaarten, probeerde ze dagelijks met bijbellezen uit het Nieuwe Testament vergeefs te bekeren, tot irritatie van de joden die het gelaten over zich moesten laten komen, en ze werkten waar mogelijk mee op de boerderij. Zonder vergoeding, maar toentertijd was het nog ‘voor wat hoort wat’, je hielp elkaar zonder volop geld te verwachten. Ook in Nieuwlande hielpen onderduikers wel mee, maar daar werd geen misbruik gemaakt van hun afhankelijke positie, nee, daar werd hun geloof volledig gerespecteerd. Sterker nog, in Nieuwlande was het een Gereformeerde predikant die catechisatie hield, speciaal voor de Joodse onderduikers, om hen te onderwijzen in hun Joodse geloofsleven! Het werk van ds.Hoogkamp was uniek!
In die Tweede Wereldoorlog was er een scheuring in de Gereformeerde Kerken in Nederland. Vanaf 1944 bestond ook de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk. Ook in Hoogeveen ontstond een gemeenschap en men wilde na de oorlog een eigen kerk. Flokstra ging mee. Op 15 mei 1946 benoemde de Vrijgemaakte Kerk van Hoogeveen een commissie die zou komen tot het bouwen van een eigen kerk, maar er werd ook nagedacht over het overnemen van een bestaande kerk. Een van de opties was de aankoop van de voormalige synagoge. Cornelis Flokstra trad in onderhandeling met de leiders van de na-oorlogse Joodse gemeenschap van Hoogeveen en omstreken. Er waren te weinig mannen over om een gemeente te vormen. Het gebouw zag er slecht uit, ze hadden er geen doel mee, ze wilden het mogelijk wel verkopen.
Flokstra handelde in overleg met en mede namens de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk van Hoogeveen, want we vinden in de notulen van die kerk vermeld dat hij daar mededelingen deed over de onderhandelingen over het verkrijgen van de voormalige synagoge. De zaak was in een nieuwe fase gekomen, zodat een afwachtende houding moest worden aangenomen. De kansen werden gunstiger, vertelde Flokstra de kerkeraad op 5 januari 1948. De kerk besloot 9 januari 1948 voor grond, gebouw en bomen een bod te doen van maximaal f 7500,-. De 4e februari besprak de kerkeraad dat de prijs op wel f 11.000,- zou komen te liggen. Dat was een teleurstelling voor de broeders. Maar nieuwbouw van een geheel nieuwe kerk kostte nog veel meer, zodat de bouwcommissie zich met de prijs kon verenigen. De kerkeraad besloot in beginsel het aanbod van koop van de voormalige synagoge te aanvaarden. Op de gemeentevergadering van 10 februari 1948 kwamen er nog wel bezwaren, maar de gemeente ging uiteindelijk accoord met de aankoop. De kerkeraad besloot na afloop dat de koop gesloten zou moeten worden.
Flokstra kwam 25 februari 1948 met een nieuw bedrag. De synagoge, de grond waarop hij stond en de bomen waren samen getaxeerd op f 7000,-. De Joodse verkopers zouden samen nog eens in gesprek over dit bedrag. Ze hadden wat anders in hun hoofd. Tussentijds maakte de bouwcommissie ook nog plannen voor de bouw van een nieuwe kerk. Je kon nooit weten wat het zou worden. De 17e maart 1948 hoorde de kerkeraad dat er besprekingen waren geweest met de Joodse broeders Braaf, Cohen en Van Zuiden. De koopprijs was vastgesteld op f 7000,-, met enkele aanvullende bepalingen over de betaling. De kerkeraad besloot met bijna algemene stemmen dat tot aankoop moest worden overgegaan, maar er waren nog organisatorische redenen om dit even uit te stellen. Dit in verband met ander te verwachten bericht van Deputaat Van Dijk. Het uitstel zou maximaal 14 dagen zijn, tenzij de verkopers eerder mochten aandringen op afwikkeling.
En wat gebeurde daarop? Wetend dat de kerkeraad het perceel zou kopen, kocht Flokstra, onderhandelaar van de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk, zelf het perceel met synagoge, grond en bomen! Hij doorkruiste daarmee niet alleen het werk van zijn kerk, hij ging daarmee tevens op een wonderlijke manier zijn boekje te buiten als onderhandelaar. Hij gaf 31 maart 1948 door aan de kerkeraad dat hij zelf de voormalige synagoge had gekocht. Er werd aan toegevoegd: “Als de kerkeraad dit wenst kan het nader op onze kerk worden overgeschreven en stelt broeder Flokstra dit gebouw ter beschikking”. Van onderhandelaar namens zijn kerk, werd hij tegenpartij, verkoper. Op 23 april 1948 werd de koop van de synagoge aan Flokstra beschreven door notaris E. Visser. Flokstra bleek de synagoge met alles erbij gekocht te hebben voor de getaxeerde prijs van 7000,-. Volgens de Hoogeveensche Courant was de synagoge verkocht op afbraak. Zo slecht was het gebouw er dus aan toe. De kerkeraad van de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk bleef nog even dubben tussen aankoop van de synagoge, nieuwbouw of andere opties. De 12e mei 1948 besloot men over te gaan tot aankoop van de synagoge. Flokstra stemde in met overdracht van het gebouw aan zijn kerk tegen de prijs van 7000,-. Maar….. er werden nog aanvullende regelingen getroffen, anders kon de koop niet doorgaan, zo stelde Flokstra. Alle gemaakte reiskosten die gemaakt werden ter verkrijging van genoemd perceel werden vergoed. De kosten van de overschrijving bedroegen f 574,-. Flokstra kreeg ze eveneens vergoed. Los daarvan kreeg hij nog een bedrag van f 1000,-. Deze extra vergoeding hield verband met de schade die hij gehad heeft, werd er genoteerd door de kerkeraad. En dan komt een bijzondere zin: “Oorspronkelijk was door de Joden aan broeder Flokstra de kerk toegezegd tegen een zeer lage prijs, uit dankbaarheid voor alles wat hij voor hen heeft gedaan in de bange jaren 1940-1945. Nu onze kerkeraad er tussen is gekomen, derft broeder Flokstra de winst.”
Wat was de schade die Flokstra had geleden? Hij had jarenlang Joodse onderduikers gehad, en ook nog wel een flinke groep, en had daarvoor kosten moeten maken. Het verzet had hem ook aan bonnen geholpen, dus hij had het niet allemaal zwart hoeven kopen, maar hoe dan ook, er waren kosten gemaakt. Flokstra stond daarin niet alleen. Anderen maakten ook onkosten voor hun onderduikers. Hendrik Kikkert aan het Oostopgaande had in totaal 41 onderduikers. De eindjes waren slechts met steun van derden aan elkaar te knopen, maar hij deed na de oorlog geen beroep op zijn onderduikers om hem alles te betalen. Komt nog bij dat je dan ook de door hen verrichte arbeid in geld uit zou moeten drukken, en hoe kwam je dan uit? Hoe dan ook, Flokstra wilde wel een financiële regeling. De Joodse gemeenschap wilde daarom de synagoge aan hem verkopen voor een laag bedrag, zodat hij met de winst de onkosten uit de oorlog terug zou halen. Omdat de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk zich ook geïnteresseerd had getoond, was dit niet doorgegaan, zo stelde Flokstra. Flokstra had de kerk toen onder de neus van de kerkeraad weg gekocht, tegen de getaxeerde prijs. Nu de kerkeraad alsnog tot koop over zou gaan, zou deze een totaal bedrag van f 1700,- over de getaxeerde prijs moeten betalen, om Flokstra’s winstderving te vergoeding. Daarmee was men er nog niet. Flokstra mistte ook nog f 700,- die hij door de Joden vergoed wilde zien. Zo zag zijn berekening er blijkbaar uit. Nog f 700,- moest door de Joden betaald worden, los van de winst die hij bij zijn eigen kerk op de voormalige synagoge wilde maken. Als de Joden de extra f 700,- niet zouden gaan betalen, zou de kerkeraad ook dit bedrag naar hem over moeten maken. De kerkeraad van de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk ging 12 mei 1948 accoord.
Er is nog veel meer te vertellen over de voormalige synagoge en de aankoop en restauratie door de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk. Het ging hier om de vraag of het waar was dat de kerk de synagoge voor een symbolisch bedrag heeft gekregen. Het antwoord is: Nee. Dat aanbod is ook nooit gedaan. Als we de winstderving van Flokstra bezien, en we trekken die af van de getaxeerde f 7000,- voor het gebouw, de grond en de bomen, dan had men onderling een bedrag in gedachten van pakweg f 5500,- tot f 6000,-. We moeten ons echter afvragen of dat wel klopt, dat de Joodse gemeenschap aan Flokstra de kerk voordelig wilde verkopen. Als dat zo was, had men het toch alsnog kunnen doen? Dan had men ook die extra f 700,- op deze wijze kunnen verrekenen. Men heeft dat niet gedaan, en niets wijst erop dat men dat serieus heeft willen doen. Flokstra betaalde de taxatieprijs, dat is zeker, dat is feitelijk gebeurd. Geen symbolisch bedrag, gewoon de taxatieprijs. De Vrijgemaakt Gereformeerde kerk kreeg de synagoge uiteindelijk voor een veel te hoog bedrag, als we zien wat de taxatiewaarde was. Daarmee betaalde de kerk de kosten van het onderbrengen van de onderduikers. De laatste f 700,- die Flokstra van de Joodse gemeenschap verwachtte, heeft deze gemeenschap niet betaald. Flokstra beriep zich uiteindelijk op de toezegging van de kerkeraad, dat die de f 700,- zou betalen. Op den duur is dit geld verrekend met andere zaken en toezeggingen, zodat Flokstra kreeg waar hij om vroeg.
Het was bijzonder dat Flokstra en zijn gezin 13 Joodse onderduikers in huis hadden. Het was ook bijzonder dat iemand deze onderduikers in huis had, en ze tegelijkertijd niet respecteerde. Het is nog veel opmerkelijker dat hij na de oorlog daarvoor zoveel geld kreeg. In totaal f 2400,- aan pure vergoeding, betaling voor het onderdak verlenen aan bedreigde Joden, en een gedeelte daarvan onkostenvergoeding voor gemaakte kosten van de extra aankoop- en beschrijvingskosten van het gebouw, wat eigenlijk volledig overbodig was geweest als Flokstra zich als onderhandelaar namens zijn kerk ook zo was blijven gedragen. Het is nog veel opmerkelijker dat iemand al dit geld in rekening bracht bij zijn eigen kerkelijke gemeenschap, en dat die dat ook nog betaalde. Niet uit vrije wil, maar omdat een nieuw kerkgebouw nog veel duurder was dan Flokstra zijn zin geven. Alles bij elkaar maakt het dat Flokstra misschien door dit hele gebeuren van een groot voetstuk afvalt, waar hij inmiddels door de publieke opinie op geplaatst werd. Maar dat is niet erg. Daarmee wordt hij weer een gewoon mens als u en ik, met goede en andere kanten. Dit alles is geen wild verhaal, al lijkt het even fantastisch als dat ene verhaal dat de Joodse gemeenschap voor f 1,- hun synagoge overdroeg. Dit alles is afkomstig uit de boekhouding en de notulen van de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk.
HET BOEK ‘HET HUUS OP DE WIEKE’ GEEFT EEN GOED BEELD
VAN DE OORLOG IN HOLLANDSCHEVELD
Ja, dat wordt nogal eens gezegd. Rieks Vlietstra zette zijn herinneringen op papier en liet deze bewerken door een derde. Het is heel waardevol dat iemand zijn eigen herinneringen op papier heeft gezet, maar dat maakt nog geen geschiedschrijving. Het boek is een waardevol egodocument, een tekst waarin iemand weergeeft hoe hij een tijd heeft beleefd. Maar om aan te geven hoe onvolledig en omstreden de tekst is, hoeven we alleen maar dicht bij huis te blijven. In het boek staat de overval centraal, die gedaan werd op de woning van de Vlietstra’s. Rieks Vlietstra had de tekst niet laten lezen door zijn broers en zussen. Omdat die broers en zussen zich niet herkenden in het boek, heeft een broer een nieuw boekje geschreven, met zijn eigen versie van de gebeurtenissen! De onderduikers waar het om ging waren ook niet gehoord. Die hebben zelf ook een boekje geschreven, met hun verhaal erin! Kortom, laten we het boekje gewoon waarderen om wat het is: een egodocument. Een eigen visie van één persoon op een moeilijke tijd. Maar als het boekje al niet eens een goed historisch beeld kan geven van wat er daar ‘op de wieke’ gebeurde, praten we al helemaal niet meer over het beeld van de rest van Hollandscheveld in de oorlog. Er zijn andere boekjes die daar meer over zeggen. Het boek ‘Het huus op de wieke’ is in zekere zin ook een gemiste kans. Was het geen idee geweest om de familie en de onderduikers te interviewen, en hun gezamenlijke beeld van de gebeurtenissen in het boekje op te nemen? Dat had het boekje meer kunnen maken dan een egodocument……….
BIJ DE BEVRIJDING VAN KAMP TEN ARLO VERMOORDEN DE DUITSERS DRIE MENSEN UIT ZUIDWOLDE
De verhalen van die moorden worden verschillend verteld. Het ging in ieder geval om Hylle de Vries, Jan Schrotenboer en Klaas van der Haar. De Duitsers fusilleerden hen of bliezen hen op met handgranaten, zegt men. Zo kregen we drie gesneuvelden erbij, met een fleem van heldenmoed en verzet er omheen. Nu wil het geval dat er nog een vierde was, die alles overleefde. Nu wil het geval ook nog een keer dat die vierde, de overlevende, wat heel anders vertelt. Maar niemand lijkt zijn verhaal te willen horen. Keer op keer komt een oud onjuist verhaal in kranten en boeken. Als de vierde man dan belt, praat, wordt zijn verhaal aangehoord, maar niet verwerkt. Tot grote ergernis van die ene overlevende, die het gevoel heeft dat geen mens meer geïnteresseerd lijkt in de waarheid, alleen in romantiek.
Bij de bevrijding van het Luftwaffe-kamp Ten Arlo waren er vier gevangenen. De Duitsers lieten hen vrij. Ze konden gaan. De laatste Duitsers bliezen het kamp op, staken alles in de brand, opdat er geen bruikbare spullen in handen van de bevrijders zouden vallen. Uit angst om te komen, vluchtte het viertal in een bunker. De springploeg wilde de bunker opblazen, en gooide handgranaten in een luchtkoker. Alle vier overleefden ze dit. De granaatscherven smoorden in schotten, waartussen landbouwproducten opgestapeld hadden gelegen. Drie van de vier gingen naar buiten. Een vierde bleef achter, bang dat er wat zou gebeuren als hij naar buiten zou komen. Deze persoon is gestikt in de kruitdamp en de rook van de brand in het kamp. Slechts één persoon wist de weg in het kamp, ook al was er door de dikke rook niets te zien. Hij ging op zijn gevoel af en wist naar buiten te komen. Hij vroeg de andere twee met hem mee te komen. Ze raakten elkaar kwijt in de rook en de andere twee kwamen om toen ze in het vuur liepen, of bedwelmd raakten door de rook, omdat ze te lang dwaalden tussen de brandende barakken. Drie doden. Niet één gedood door de Duitsers. Wel indirect natuurlijk, door de brand, maar dat is wat heel anders dan fusilleren. En het was zeker geen moord.
DE GEMEENTE HOOGEVEEN IS BEVRIJD DOOR DE CANADEZEN
Ja, en dat moet wel zo zijn, want de Canadeze vlag wapperde op bevrijdingsdagen op het gemeentehuis, en God zelf werd er als getuige bij gehaald, want in tal van dankdiensten rondom bevrijdingsdag werd Hem dank toegezegd voor het zenden van de Canadeze soldaten. Wie we er ook bijhalen, een beetje teveel eer is het wel. De oude gemeente Hoogeveen is namelijk voor het overgrote deel bevrijd door de Belgen. Door de wie? DOOR DE BELGEN! En dat is geen mop, en ze kwamen niet op 1 april, maar op 10 en 11 april. 1945 wel te verstaan. Het waren Belgische para’s die in Engeland waren opgeleid voor de SAS, de Special Air Service. Goed getrainde specialisten. Verkenners, kwartiermakers, mensen die met gevaar voor eigen leven voor de hoofdtroepen uitreden en de vijand opzochten in zijn eigen hol.
Vanuit hun post in het bevrijdde Coevorden kwamen deze Belgische troepen op 10 april Elim, Nieuwlande, Nieuweroord, Hollandscheveld, Nieuw Moscou, en een stuk van het oude Krakeel bevrijden. Omdat het al avond werd, en men niet wist wat men verwachten kon, werd Hoogeveen die dag nog niet benaderd en uitgekamd, zo vertelde een van die para’s. Dat gaf de laatste Duitsers nog net mooi de kans om te maken dat ze weg kwamen, en kostte achteraf bezien de Belgen minder doden. Toen ze de 11e april namelijk terugkwamen, was Hoogeveen een open plaats, met slechts hier en daar wat schermutselingen in de omgeving. De Belgen bevrijdden de Wolfsbos, de rest van het Krakeel, Noordscheschut en Hoogeveen tot aan de oostkant van de Hoofdstraat. De westkant van de Hoofdstraat is wel door de Canadezen bevrijd. Dat waren ook verkenners, de Manitoba Dragoons. Die bevrijdden ook alles wat ten westen daarvan lag, en het gebied ten noorden van de plaats. Dat de Canadezen alleen de eer kregen, dat komt omdat de verkenners al weer snel weg waren. Vanuit het zuiden stroomde Hoogeveen vol met Canadezen. En die bleven hangen in de herinneringen, niet de bevrijders zelf, niet de Belgische SAS-eenheid, net zo min als de Mantiba Dragons.
KINHOLT BETEKENT:
GENEGENHEID VOOR ONZE BEJAARDE VERWANTEN
In de Kerkentrommel van vrijdag 13 oktober 2006 stond een interview met Alie Plas, directeur van het Hoogeveense verzorgingshuis Olden Kinholt. De auteur had de indruk dat de naam afgeleid zou zijn van ‘kinne’, riviertje, en ‘holt’, bos. Alie Plas legde uit dat Olden Kinholt in het Drents staat voor iets heel anders: genegenheid voor onze bejaarde verwanten. ‘Kin’ of ‘kinne’ is Drents voor ‘verwant’ of ‘familie’. ‘Holt’ of ‘hold’ is de stam van het werkwoord ‘holden’, oftewel behouden, bewaken, maar ook wel: toegenegen, welwillend houden van. De Drentse taalkundige dr. Jan Naardig en de Hoogeveense historicus dr. Jaap Wattel werden als getuigen aangehaald. Historisch gezien een mooie naam voor een verzorgingshuis.
En meteen was een mythe geboren, die nog wel lang verteld zal worden. Als het bosje bij Hoogeveen de naam ‘het Kinholt’ of ‘Kinholtsbos’ gekregen heeft, doemen daarbij de meest wilde fantasiën op. Dat was dus vroeger een bos voor toegenegen verwanten. Wie werden daar het bos ingestuurd? Of anders gezegd: hoe kwam dat bosje dan aan zo’n vreemde naam, wat voor wonderlijke werkelijkheid lag daaraan ten grondslag? Werden daar de familieleden heen gestuurd die thuis iet meer te handhaven waren? Nu is de werkelijkheid inderdaad nogal eens wonderlijker dan we kunnen fantaseren, maar doorgaans wordt bij een naamsverklaring het meest voor de hand liggende als uitgangspunt genomen, en gekeken of dat ook aansluiting vindt bij de natuurlijke of historische omgeving. Wel is bekend dat in het Kinholt of Kinholtsbos varkens en runderen werden gejaagd, om zich lekker vol en vet te vreten. Van verwanten is in geen enkele bron ook maar één teken gevonden.
Alie Plas werd nog eens om uitleg gevraagd, ter bevestiging of ter ontmytologisering. Dat laatste bleek het geval te zijn. Voor informatie over de naamsgeving kan terug worden gegrepen op de Gereformeerde Kerkbode van 12 november 1960, waarin het hele verhaal wordt uitgewerkt. De commissie die het verzorgingshuis voorbereidde, was niet enthousiast over de voorgestelde namen. Het mocht niet zo algemeen worden als ‘Avondrust’ of ‘Avondlicht’, maar wel kort en gemakkelijk uit te spreken. Ze informeerden her en der en vroegen ook de mening van dr. Jacob Wattel. Deze nam contact op met dr. J.Naarding. Naarding kwam met het advies “Olden Kinholt”. Daarbij had hij twee uitleggingen. Kinholt was afgeleid van twee woorden. “Kinne” is riviertje of diepje. Wie het nog precieser wil weten: van een kinne wordt gesproken als er sprake is van een geul tussen twee verhogingen, waar dus dat riviertje of diepje doorheen loopt. ‘Holt’ is een oude vorm waarmee een bos wordt aangeduid. Men bedoelde dus bij de naam Kinholt: “Het bos bij het verlaagde stroompje”. Wat dat betreft hielden zowel Naarding als Wattel zich aan de juiste uitleg, daar is geen twijfel over mogelijk.
Tegelijkertijd kwam Naarding met een andere uitleg. Hij wist wel dat dit niet de feitelijke betekenis was, maar wilde spelen met klanken en betekenissen. Als je nu de naam eens anders uit ging leggen, en niet keek naar ‘kinne’ maar naar het woord ‘kin’, van ‘verwanten’? ‘Holt’ is ook een vorm van houden van, al betekent het in dit geval natuurlijk niet echt ‘houden van’, en zet er eens ‘olden’ voor? Dan heb je spelenderwijs een mooie naam, met de betekenis van : ‘Genegenheid voor onze bejaarde verwanten’. Niet dat Kinholt dit betekent, maar dit is wel de naam zoals men deze wilde lezen bij het opstarten van het verzorgingshuis. Naarding schreef erbij: “De naam Kinholt is klankzuiver Drents, in toon daaraan iets parend van de waardigheid ener havezate. Historisch is de naam voor Hoogeveen voor 100% verantwoord.”
De interviewer van de Kerkentrommel had deze uitleg ook onder ogen gehad, maar maakte er samenvattend zo’n onduidelijk geheel van dat de indruk ontstond dat de naam Kinholt wat anders betekende dan iedereen altijd dacht. Er is niets veranderd aan de betekenis van de naam Kinholt. Het enige wat ander is, wat al vanaf 1961 anders is, is de betekenis van de naam van het verzorgingshuis. Olden Kinholt betekent iets heel anders dan de naam van het bos Kinholt. Tenminste, zoals het wordt uitgelegd. Kinholt is en blijft een bos met een stroompje door een geul. Blijven er nog wel wat vragen over: Als de naam van het verzorgingshuis dan zoiets anders betekent als die van het bos, hoe kun je dan nog spreken van 100% historisch verantwoord? En moest de naam niet kort zijn, en gemakkelijk uit te spreken? Is de naam nu niet zo moeilijk dat niemand het snapt? Het schept in ieder geval verwarring. Als de verzorging maar goed is, niet waar?
DE CASCADE HERINNERT AAN HET KANAAL DAT HIER OOIT STROOMDE
Toen na de Tweede Wereldoorlog de huidige Hoofdstraat er netjes gedempt bij lag, was iedereen blij dat dit moddergat eindelijk was veranderd in een moderne straat en Hoogeveen een normale plaats was geworden. Later kwam bij velen het besef dat Hoogeveen hiermee iets aan eigenheid had verloren. Bij een van de vele reconstructies van de Hoofdstraat werd dan ook besloten om een groot kunstwerk aan te brengen. De cascade. De cascade herinnert aan het water, dat ooit door de Hoofdstraat vloeide. Hoogeveen als veenkolonie, met een kanaal in het midden. Nu is het natuurlijk zo dat water water is, en water blijft. Er is inderdaad water in de cascade. Maar aan de andere kant moet je je natuurlijk wel afvragen of daarmee ook herinnerd wordt aan het oude kanaal, aan de oude veenkolonie. Doopwater heeft een heel andere betekenis als een glaasje bronwater bij een etentje, of de inhoud van een groot waterpistool, dat wordt gericht op een jonge bruid in haar mooie bruidsjapon. Oftewel: verwijst de cascade wel naar de oude veenkolonie? Zijn we misschien niet misleid door mooie woorden en totaal andere symboliek?
Cultuur is een wonderlijke zaak. Wat de één afdoet als kunst met een grote K, is voor de ander niet te pruimen. Misschien omdat er zo veelzijdig naar gekeken kan worden, en iedere opmerking over cultuur eigenlijk meer zegt van degene die de woorden uitspreekt, dan van het onderwerp. Neem nou bijvoorbeeld de grote boodschappentas, die bij de ingang van de nieuwe Tamboerpassage is neergezet. Hebben we hier een kunstwerk, met een grote K? De regionale pers citeerde nogal wat enthousiaste mensen, die al winkelend de tas hadden bekeken. De gemeente Hoogeveen zal ook onder de indruk zijn, want f 95.000 gulden voor een boodschappentas is niet niks. We kunnen echter ook heel anders interpreteren. Een damestasje in een winkelstraat, geplaatst in 1999 bij de opening van een nieuwe, overdekte, en daardoor tegen de elementen 'beveiligde' winkelstraat, is dat niet een extreme bevestiging van een vrouw-beeld, dat we op het eind van de 20ste eeuw achter ons hadden willen houden? Waar blijven de winkelende mannen? En wie hebben er gekozen voor dit rolbevestigende damestasje? Bestaan ook niet de beleidsmakers in de gemeente Hoogeveen uit mannen? Hoe vaak doen die beleidsmakers zelf de boodschappen? En wat voor boodschap wordt er onbewust uitgedragen door onze kunstwerken?
De tas staat niet op zich. De reconstructie van de Hoofdstraat is voor een belangrijk deel gepaard gegaan met niet echt vrouwvriendelijke manlijke symbolen, waarbij we misschien nooit gerealiseerd hebben wat ze eigenlijk in het diepst van onze geest betekenen. Als dit uit mijn eigen fantasie afkomstig was, zou dit meer van mijzelf zeggen dan van de Hoofdstraat, want zei ik al niet dat iedere opmerking over cultuur eigenlijk meer zegt van degene die de woorden uitspreekt, dan van het onderwerp. Mijn inschattingen zijn dan ook getoetst door een psychiater en psycho-analyticus. Niet dat ik die persoonlijk direct nodig mocht hebben, noch dat ik van mening ben dat de Hoogeveense beleidsmakers die nodig hebben, maar die heb je nu eenmaal gemakkelijk bij de hand, als medewerker van een psychiatrisch instituut, wat ik zo doordeweeks probeer voor te stellen.
Wij in Hoogeveen blijken in het bezit te zijn van het grootste waterkunstwerk van Nederland, zo heb ik horen zeggen. Sommigen zeggen zelfs: van Europa. Het is in ieder geval ook geïnterpreteerd als het grootste vruchtbaarheidssymbool dat de mens in Nederland en verre omstreken ooit heeft gemaakt. Ik heb het nu weer over de cascade. Het gaat mij er nu niet om of die mooi of lelijk, oogstrelend of gewoon lastig is voor gehandicapten. Laten we het er ook niet over hebben wat we allemaal nog meer met dat geld hadden kunnen doen, en dat het Museum de 5000 Morgen er een gouden toekomst mee had kunnen krijgen. Het gaat me ook niet over wat van het kunstwerk op zich door beleidsmakers en publiek gezegd en gedacht wordt. Het gaat nu even puur over wat we zien, en volgens de psycho-analyse in het diepst van onze geest erbij beleven.
Laten we beginnen met de bijenkorf, bij de Gereformeerde Kerk aan de Hoofdstraat. Daar spuit water uit. Ooit een bijenkorf gezien, waar water uitspuit? We kennen wel het verhaal van de bloemetjes en de bijtjes, en laat daar die korf nu alles mee te maken hebben? De zogenaamde bijenkorf is een prachtig fallussymbool, dat niet alleen rechtstandig zich laat bekijken, maar zijn water, symbool van leven en levenskracht, als levenbrengend zaad in het rond verspreid. De zaadstroom wordt aan het eind opgevangen in een - hoe kan het ook anders - gigantisch vaginasymbool, dat de zaadstroom opslokt, hergebruikt, en een 'eeuwigdurende' ejaculatie in stand houdt. Rondom het vruchtbaarheidssymbool dat cascade heet, staan de vele prachtig bloeiende bomen, met een weelderige bloesem, die hun vruchtbaarheidsfunctie ieder voorjaar in geuren en kleuren over de Hoofdstraat verspreiden. Gaan we nu weer terug naar de boodschappentas, de opvolger van de mand, de korf en kruik uit het verre verleden, dan hebben we een prachtig baarmoedersymbool voor handen, waaruit als een hoorn des overvloeds de weldaad en overvloed van vandaag geboren wordt, als we na het winkelen de aankopen uitstallen.
Zelfs de verhuizing van het beeld van de schipper bleek in het plaatje te passen. De schipper stond ooit op de Hoofdstraat, bij het kerkplein. Toen de cascade in de Hoofdstraat kwam, was dit na een discussie over het verleden van de Hoofdstraat en het wel of niet terugbrengen van het water in dit voormalige kanaal. Velen hebben zich afgevraagd waarom de grote bronzen schipper niet zou passen bij het terug gebrachte water. De kunstenaar had de schipper gemaakt voor zijn plaats op het plein, en deze leek dan ook niet verplaatst te kunnen worden. Schipper en water, schipper en kanaal, hoorden toch bij elkaar? Mooi laten staan toch? De schipper verdween omdat hij artistiek niet zou passen in het nieuwe straatbeeld, dat de cascade met zich meebracht. Onbegrijpelijk, als je ervan uitgaat dat de cascade het water van het kanaal van de oude veenkolonie zou moeten symboliseren.
De psycho-analyticus had een andere verklaring. De cascade als vruchtbaarheidssymbool, als eeuwigdurende en zichzelf herhalende 'daad' roept het taboe in de mens op. Dat hoor je niet te bekijken, te begluren. De schipper zou met zijn blik voortdurend naar de fallus gluren, met zijn rug naar de kerk toe, ook al vol met taboes op het gebied van sexualiteit. Diep in onze geest vonden we dat niet kloppen. We hebben de 'gluurder' verzet. De schipper staat nu met zijn rug naar de Hoofdstraat, met de rug naar de 'eeuwigdurende daad'. Met zijn loerende blik en zijn haakvormige katanker over de schouder, is hij van een gluurder in een bewaker veranderd. Stoor het proces niet, anders krijg je een hengst! Sorry, weer zo'n freudiaans begrip. Het maakt in ieder geval duidelijk dat niet alleen de cascade, maar de hele hoofdstraat, van het Kruis - hoe kom je erbij, in dit geval! - tot de Tamboer één symbolisch geheel is geworden. Een vruchtbaarheidssymbool zonder weerga. Niet het grootste waterkunstwerk, dat zeggen ze namelijk ook van de Deltawerken, maar wel het grootste vruchtbaarheidssymbool. En dat in het confessionele Hoogeveen! Of juist daarom? Hebben we het misschien nodig gevonden om het gebrek aan andere fallussymbolen, in de vorm van grote kerktorens, op deze wijze te moeten compenseren?
Overigens is de maakster van de cascade altijd volkomen eerlijk geweest in haar bedoelingen. Waar wij te horen kregen dat het water terugkwam in de Hoofdstraat, met verwijzingen naar het oude veenkoloniale Hoogeveen, vertelde de bedenkster van de cascade over de oosterse tuinen. En laat nu juist daar niet alle mogelijke fallus- en vruchtbaarheidssymboliek volop hoogtij vieren? Dat is algemeen bekend en algemeen beschreven. Alleen al vanuit die wetenschap zouden we het moeten snappen. Je brengt geen herinnering aan de oude veenkoloniale Hoofdstraat, met haar bomen en haar kanaal, terug in de huidige Hoofdstraat, als je er een oosterse tuin in verwerkt. Alles wat er staat herinnert aan wat anders. Doopwater is wat anders als een glaasje mineraalwater bij het eten. En over die bruid begin ik niet weer, anders denken jullie daar ook weer wat anders bij. En nou niet beginnen over vieze praatjes van een ouwe schrijver. Ik heb die cascade toch niet bedacht?
Als we toch vrijblijvend mogen interpreteren bij de cascade, zonder rekening te houden met de feitelijke symboliek, mag ik daar dan nog wat aan toevoegen? Die kronkelende vorm, die herken ik. Mag ik hierbij mijn grote dank uitspreken voor deze prachtige Yemenitische sjofar? Een enorme sjofar van een kudu-hoorn, een bijbelse bazuin, met levend water, wat willen we nog meer. En dat in Hoogeveen. Pas prachtig bij onze godsdienstige achtergrond. Onze cascade als groot, vanuit enorme hoogte zichtbaar teken van de bazuin van de Opstanding. Wat willen we nog meer…..
MEEWERKEN IN EEN HOSPICE IS EEN MODERNE VORM VAN NAOBERHULP
“Vroeger” – als dat woord valt weet eigenlijk niemand wanneer dat was – hielpen de buren mee als iemand stervende was. De zorg lag natuurlijk in de eerste plaats bij de familieleden, maar bij ziekte vielen de buren in als de zorg niet alleen geboden kon worden, of gewoon om te helpen op de akker, met het melken of het voeren van het vee, omdat de naaste familie het druk had met een zieke. Als iemand overleden was, waren het ook weer de buren die een grote rol speelden. Het aantal buren dat betrokken was bij de rouwgebruiken, verschilde nogal. Bij het overlijden van een volwassene werden 12 buren ingeschakeld, bij een jongen of een meisje 6 en bij een baby of peuter 2. In het laatste geval waren dit steeds alleen de beide naaste buren. De getallen hebben betrekking op personen, en niet op huishoudens. De helft van de personen kwam van de linker, de andere helft van de rechterzijde van de woning van de overledene. De beide naaste buren hadden veelal de leiding over alles wat er tussen het moment van overlijden en de terugkomst van de begraafplaats moest gebeuren.
Het staat hier wel zo zwart-wit, maar eigenlijk hebben we het hier nu ook al over een mythe. De buren hielpen elkaar alleen als er sprake was van vergelijkbare stand. Lang niet overal was ‘naoberhulp’, min of meer verplichte steun van de buren. Verplicht, inderdaad, maar het was tegelijkertijd een vorm van verzekering. Wie eraan meedeed, kreeg zelf ook hulp als het nodig was. Wie echter gegoed was, en het minder geachte werk door personeel liet doen, ging echt niet bij de buurman of buurvrouw aan het werk als er iets was. Misschien stuurden ze wederzijds personeel, ter ondersteuning. De ‘naoberhulp’ kon ook helemaal afwezig zijn. Kortom, ‘naoberhulp’ was wel regel, maar niet algemeen. Maar daar waar het was, en meestal was het er, was er hulp rondom ziekte en overlijden.
Het initiatief van het in werking zetten van de burenhulp lag bij de directe nabestaanden. Als de huisgenoten hadden gemeld dat iemand bij hen was overleden, kwamen de buren die daartoe op dat moment in de gelegenheid waren (veel mensen waren overdag naar het veld) naar het sterfhuis om het lichaam af te leggen, te wassen en te kleden. Vaak zal dat al geen verrassing zijn geweest, want bij ziekte stond men elkaar dus ook al bij. Eigenlijk was afleggen vrouwenwerk, werd wel gezegd, maar de omstandigheden lieten vaak niet toe dat dit alleen door vrouwen werd uitgevoerd. De vrouwen moesten namelijk ook meewerken in de turfvelden, zodat er op het moment van overlijden maar een beperkt aantal mensen beschikbaar was. Er waren dan ook geen vaste regels voor wie ging afleggen. Jong en oud, mannen en vrouwen, iedereen kon dit doen, en het was niet van belang of de overledene en de afleggers/sters wel of niet van dezelfde sekse waren. Op dat moment vielen andere omgangsregels weg. Het was enkel en alleen van belang dat men zijn burenplichten kende en de overledene er netjes bij kwam te liggen.
Twee mannen van de naaste buren gingen op de dag van overlijden, als iemand vroeg op de ochtend overleden was, of de dag erna, als iemand in de loop van de dag was gestorven, naar het gemeentehuis. Behalve als dat op een zondag viel, dat werd dit nog een dag uitgesteld. Hun namen vinden we terug in de vele duizenden overlijdensakten, welke in de loop der 19de eeuw werden opgesteld, op het gemeentehuis van Hoogeveen. Op het gemeentehuis werden de buren tevens gewezen op de verordeningen welke golden met betrekking tot het begraven, en werd overlegd of men gebruik wilde maken van een algemeen graf of een eigen graf zou kopen of (her)gebruiken. De berichtgeving aan de familie, het ‘aanzeggen’, was ook weer een taak van de buren. De beide naaste buren gingen de streek door en zochten de familieleden en kennissen van de overledene op, ook degenen die verder weg woonden, om zijn of haar overlijden ‘aan te zeggen’, om hen ervan op de hoogte te brengen. Voor zover bekend was deze aanzegger niet als zodanig herkenbaar, want hij droeg geen speciale kleding. Wel was het zo dat hij als buurman van de overledene rouw droeg, maar dat deden er meer natuurlijk. Of bij het aanzeggen een speciale formulering werd gebruikt, is niet bekend. Wel is bekend hoe er in de buurt over gepraat werd. Men zei niet zozeer dat iemand was overleden, al kwam dat ook wel voor. Men zei meestal dat iemand ‘weg’ was.
De buren namen in feite tot de begrafenis de hele huishouding in het sterfhuis over en regelden alles wat er te regelen viel, zowel in het voor- als in het achterhuis, huiselijke zaken en boerenwerk. Sterfgeval of geen sterfgeval, het vee moest gevoerd en gemolken worden, en als ziekte of overlijden samenvielen met oogsten of hooien, dan ging dit onder leiding van de buren ook gewoon door. Vanaf de dag tot het overlijden tot de dag van de begrafenis bleven twee personen van de buren iedere nacht waken in het sterfhuis. Men mocht elkaar daarbij afwisselen, zodat alle buren hun steentje bij konden dragen aan deze dodenwake en de belasting gedeeld werd. Per slot van rekening moesten de buren overdag gewoon aan het werk. Maar het licht in het sterfhuis ging nooit uit, en er waren altijd twee personen wakker. Het waren nachten waarin de buren spraken over de overledene, over de dood en over wat men zich daarbij voorstelde. Alle mogelijke verhalen van ‘vroeger’ gingen over tafel. Ook die waarin de confrontaties met het bovennatuurlijke naar voren kwamen, geesten, doden, witte wieven..... We zouden het nu bijgeloof noemen. De verlichting ging weer uit als het dag was geworden. Ooit was men gewoon om overdag kaarsen te branden bij een dode, maar dit werd later verboden, en gold in de protestantse 19de eeuw als Rooms Katholieke bijgelovigheid.
Op de dag van de begrafenis sleepten de buurmannen en buurjongens uit de panden van de omwonenden zoveel mogelijk stoelen naar het sterfhuis, opdat de rouwenden ontvangen konden worden. Hun vrouwen en dochters/zusters zorgden voor voldoende koffieketels en serviesgoed, ook afkomstig uit de huizen van de omwonenden. De vrouwen uit de buurt ontvingen de familie en kennissen van de overledene. Men kwam zoveel mogelijk bij elkaar in de woonkeuken, die dan echt helemaal vol zat. In het sterfhuis werd een bijeenkomst gehouden onder leiding van een door de nabestaanden gewenste spreker. Na afloop zorgden de buren voor het afruimen, opruimen, terugbrengen van geleende stoelen, noem maar op. Na de begrafenis trokken de buren zich terug en was de huishouding weer helemaal in handen van de nabestaanden.
Bij de opening van de hospice in Hoogeveen, verklaarde voorzitter Koob Schelhaas dat het vrijwilligerswerk in de Hospes een vorm van moderne naoberhulp is. In het voorgaande hebben we een blik geworpen op de naoberhulp rondom ziekte en overlijden, zoals dat gebruikelijk was in Hoogeveen en omstreken. Centraal daarbij stond dat naoberhulp een taak was van de buren, waarbij men elkaar over en weer hielp. Als het werk in de Hospes iets te maken zou hebben met naoberhulp, dan zou het zo moeten zijn dat de bewoners van de gevangenis de Grittenborg hulp zouden verlenen aan de bewoners van de Hospes, en omgekeerd. Dat werd tijdens de rondleiding dan ook genoemd tegen bestuursleden. Nou nee, dat was niet de bedoeling. Hoe goed het ook is, dat de Hospes er is, en hoe goed het ook is dat vrijwilligers zich daar inzetten voor een goed levenseinde van de bewoners ervan, het heeft dus helemaal niets te maken met naoberhulp. De Hospes is juist nodig omdat onze naoberhulp verdwenen is of niet toereikend meer is.
AMATEUR-HISTORICUS ALBERT METSELAAR IS EEN INVALIDE OUDE MAN
De Hoogeveensche historicus, voorganger en dichter Albert Metselaar werd ooit eens op een jaarmarkt te Hollandscheveld op een onprettige manier bejegend, toen hij zich netjes aan iemand voorstelde. De man in kwestie werd geweldig boos. Hoe durfde hij, zo’n gezonde jonge man, zich Albert Metselaar te noemen? Iedereen wist toch dat Albert Metselaar oud was, in een rolstoel zat, en een gepensioneerde onderwijzer was? De meneer in kwestie werd nog kwaaier toen Albert probeerde uit te leggen dat hij waarschijnlijk enige informatie over Albert Steenbergen en Albert Metselaar door elkaar haalde. Dat gebeurde wel meer. Maar nee, de meneer wist het heel goed: Albert was een oude, invalide man. Een variant op deze mythe is dat Albert een overspannen onderwijzer zou zijn, die zich nu met geschiedenis bezig houdt. De mythe kreeg nieuwe invulling met de verkiezing van de Grootste Hoogevener Aller Tijden. Albert stond zelfs een tijdje op 5, maar eindigde nadat allerlei campagnes voor derden werden gevoerd op 11. Een dubbele 1 dus. Hoe dan ook, stel je eens voor, van alle tienduizenden mensen die ooit in Hoogeveen hebben gewoond of er geboren zijn, moet je wel heel geweldig zijn om slechts 10 mensen in grootheid boven je te hebben, is het niet? Albert Metselaar is geboren in 1959, maar wordt al vanaf zijn 18e, toen hij begon te publiceren, als een oude man gezien. Tenminste, die verhalen gingen er toen al rond. Dat klopte ook niet. Hoe geweldig hij is? Oordeelt u zelf…. Zou er niet iets mis kunnen zijn met die verkiezing?
De verwarring met Albert Steenbergen is zo groot, dat Albert Metselaar regelmatig met die naam werd en wordt aangesproken. Toen hij lid werd van de Drentse Schrievers Kring, werd hij zelfs voorgesteld aan de leden als nieuw lid Albert Steenbergen. Over de staat van zijn opleidingsniveau is het Drentse publiek maar slecht ingelicht. Niet dat opleiding alles zegt, maar een 1e graads opleiding afronden in de kerkgeschiedenis, mag toch wel voldoende zijn om geen amateur-historicus meer te zijn. Dat neemt niet weg dat de journalistiek in Drenthe hem nog wel doorlopend zo blijft noemen. Op zich is dat niet zo gek, want zo is hij wel begonnen, maar als je dan tussendoor 6 jaar hard leert voor wat voor diploma’s dan ook, en je geeft de voorspoedige afronding door aan de diverse vertegenwoordigers van de regionale pers die je tegenkomt, dan verwacht je toch dat dit wordt opgepikt. Maar blijkbaar zitten er nog teveel amateur-journalisten tussen, die niet in staat zijn om nieuwe informatie te integreren in oudere beeldvorming. Over oud gesproken:
HENNY VAN ANDEL WAS DE OUDSTE VROUW TER WERELD
We hebben de neiging om kort van geheugen te zijn. We riepen in Hoogeveen allemaal hard mee dat Henny de oudste vrouw ter wereld was, met haar 115 jaren, maar we vergaten natuurlijk dat daarvoor een Francaise overleden was op de leeftijd van 122 jaar en 164 dagen. We hadden dus eigenlijk moeten zeggen: Henny was op dat moment de oudste levende vrouw ter wereld. Maar dat was zo’n lange zin. Jeanne-Louise Calment (Arles 21 februari 1875 – 4 augustus 1997) is voor zover bekend en erkend zelfs de oudste mens aller tijden geweest. In haar jonge jaren heeft ze Vincent van Gogh nog een keer ontmoet, want die kwam schildersdoek kopen in de stoffenwinkel van haar oom. Ze vond hem vies, slecht gekleed en koppig. Op 114-jarige leeftijd speelde ze nog mee in een film over haar eigen leven, waarmee ze ook de oudste actrice aller tijden is. En op 121-jarige leeftijd bracht ze zowaar zelfs nog een rap-plaat uit, waardoor ze tevens de oudste zangeres aller tijden is. Om het nog mooier te maken: op de officiële lijst van oudsten ter wereld is Henny van Andel ‘slechts’ nummer 11. Er staan nog 9 vrouwen en een man boven haar.
Hendrikje (Henny) van Andel-Schipper (29 juni 1890 – 30 augustus 2005) was tussen 29 mei 2004 en 30 augustus 2005 de oudste levende persoon, dachten we. Ze werd op haar oude dag nog eens uitgeroepen tot Hoogevener Van Het Jaar, door gewoon te doen wat ze gewoon was te doen: blijven ademhalen. Ze stierf uiteindelijk op de leeftijd van 115 jaar en 62 dagen. Helaas hebben we geen graf of urn van haar in Hoogeveen. Op haar eigen wens is haar lichaam ter beschikking gesteld van de wetenschap. De oudste levende vrouw ter wereld. Dachten we. En toen kwam de domper. Henny was zelfs niet de oudste nog levende vrouw ter wereld geweest. Op 9 december 2005 werd die erkenning ingetrokken. Toen werd namelijk bekend dat Maria Esther Capovilla uit Ecuador, geboren op 14 september 1889 in het plaatsje Guayaquill, al die tijd al de oudste nog levende vrouw ter wereld was. Toen zij overleed op 27 augustus 2006 was zij 116 jaar en 347 dagen oud. Jammer voor Henny, maar ze heeft ervan genoten, al klopte het verhaal achteraf dan ook niet helemaal. Of helemaal niet. Ze was in ieder geval de oudste levende Europeaan van dat moment. En in Hoogeveen zeggen we natuurlijk dat die papieren van die Ecuadoriaanse vast niet kloppen. Jammer dat alles is gecontroleerd door Guinness World Records. Er was zelfs nog een geldig geboortebewijs. Zeker is dat ze Henny van Andel dus ook nog eens van nummer 11 zal stoten van de lijst van oudste mensen die ooit hebben geleefd, want waar ze ook uit mag komen, Henny is ze altijd al voorbij geweest……
TOT SLOT
Als je dit allemaal zo leest, vraag je je af of je nog wel wat kunt geloven van al die zogenaamde geschiedschrijving van Hoogeveen en omstreken. Dat is een goede vraag. Je mag auteurs dan ook gerust vragen naar hun bronnen. Je mag vertellers eveneens gerust vragen naar hun bronnen. Als ze navertellen wat anderen op papier hebben gezet, moet je al voorzichtig zijn, want hebben we dan niet te maken met een sterk verouderde publicatie? Het blijkt dat er maar weinig echt historisch onderzoek in Hoogeveen is gedaan, als je kritisch kijkt naar hoe een en ander tot stand is gekomen. Cornelis van Schaick, Albert Steenbergen en Jan van der Veen hadden het in de 19e eeuw vooral van doen met overleveringen en schaars beschikbare stukken en notulen. Eigenlijk baseerden ze zich vooral op een gemanipuleerd onderzoek van Roelof van Echten II, de kleinzoon van de man die ooit doorging voor de stichter van Hoogeveen, en nu niet veel meer gesticht blijkt te hebben dan de eerste grote kroeg ter plaatse. De Compagnie van de 5000 Morgen en de familie Van Holthe tot Echten hielden veel informatie in beheer, maar stelden maar weinig beschikbaar. Ten Heuvel en Fernhout – allemaal namen van historici - hadden in het begin van de 20e eeuw bij hun geschiedschrijving net zo weinig bronnen, en maakten daar naar mogelijkheden gebruik van, maar het bleef uitmelken van schaarste. Tussendoor schreef een Van Holthe tot Echten een en ander over Hoogeveen. Hij zat bovenop de originele stukken, meters archief, maar deed er weinig mee. Wattel, Huizing, Metselaar, ze deden wel onderzoek, maar schreven ook over van hun voorgangers. Ja, ook de laatste, tot 2001. Gelukkig was het archief van het kerspel en de gemeente Hoogeveen wel inmiddels openbaar. Pas vanaf 1975 was al het materiaal beschikbaar, ook van de compagnieën en de Van Echtens. Voor iedereen. De publicaties na 1975 zijn dan ook veel vaker op echt onderzoek gebaseerd dan die daarvoor. Soms heb je echt het gevoel dat je opnieuw moet beginnen. Maar dat schijnt er bij te horen, bij geschiedenis. Nieuwe bronnen, nieuwe beelden, nieuwe visies. Wie weet wat voor moois er nog verborgen is……
Albert Metselaar
Januari 2007
[i]. Roelof van Echten schreef wel meer, en is niet altijd betrouwbaar. Om hemzelf nu als bron te kunnen gebruiken, moeten we bevestiging van derden. De uitleg van de brief van Roelof van Echten over de grootte van de Zuidwolder Venen, wordt bevestigd door andere bronnen en berekeningen. De Meppense Venen lagen, binnen het gebied van de Compagnie van de 5000 Morgen bezien, ten oosten van Riegshoogte. We vinden op kaarten, bijvoorbeeld Archief Huize Echten no. 937 en Topografische Atlas no. 166, regelmatig de afmetingen vermeld van de verschillende blokken veen ten oosten van de lijn van Riegshoogte. Zo is een eenvoudige optelsom te maken van alle blokken veen, en hoeveel morgens er vervolgens ten oosten van Riegshoogte lagen. Dit was ongeveer 3975 morgen. Trekken we een lijn vanuit de noordoost-hoek van de kaart naar het noordelijkste punt waarop we het Riegmeer vinden afgebeeld, en we realiseren ons dat de Meppense Venen ten oosten van die lijn lagen (Van de Wolfskuilen tot aan het stelsel van de Reest) dan zien we dat de Meppense Venen 3/4e van het hele blok besloegen. Afhankelijk van hoe we precies de lijn trekken, kan het wat meer of wat minder zijn. Uiteindelijk komen we zo voor de Meppense Venen op een massa veen en ondergrond van ongeveer 3000 morgen groot, die werd opgenomen in het gebied van de 5000 morgen. De rest van de venen, overgenomen van Steenbergen en Ten Arlo in 1625 en 1631, kunnen dus hooguit 2000 morgen hebben gemeten. Daarin zitten ook nog stukken ongedeeld gebied, die we hier gemakshalve onder Zuidwolde rekenen, maar deels ook door de eigenaren van de Meppense Venen konden worden opgeëist. We kunnen niet exact worden, omdat de exacte grens nooit is vastgesteld. Het blijft de vraag of we de grenslijn nu iets meer naar links of naar rechts moeten leggen, vandaar dat we er goed aan doen om te spreken van afmetingen bij benadering, maar dat doet aan de verhoudingen niet veel af. De grootste massa venen van de Compagnie van de 5000 Morgen kwam uit de Meppense Venen, pakweg 3/5e van het gebied, 2/5e kwam van Zuidwolde: hooguit 2000 morgen.
[ii]. Archief Huize Echten no. 891, blz. xiiij e.v.
[iii]. “Stukken en documenten rakende de rechten en privilegien van den Huyse Echten”, o.a. aanwezig in het archief van de gemeente Hoogeveen.
[iv]. Archief familie Carsten no.3.
[v]. Hoogeveensche Courant, 2 juli 1924.
[vi]. Zie “Hoogeveen, Van Echtens Morgenland”, blz. 41.
[vii]. Zie Lammert Huizings boek “Zeven eeuwen Zuidwolde”, een uitgave van de Gemeente Zuidwolde uit 1975, blz. 41.