Jack was de jongste in een gezin van drie kinderen. Jack scheelde 15
jaar met de broer boven hem. Zijn ouders waren jong getrouwd en hadden
vroeg kinderen gekregen. Vijftien jaar na de geboorte van wat ze dachten
dat het laatste kind zou zijn, werd nog een kind geboren. Door het grote
leeftijdsverschil groeide Jack eigenlijk op als enig kind. Toen hij naar
school ging waren zijn broers het huis al uit.
Jack vond het leuk als zijn broers langskwamen en hij kon met allebei
goed overweg. Duncan, de oudste, was computerprogrammeur. Duncan gaf Jack
een keer een laptop voor zijn verjaardag, en dat was het begin van Jacks
interesse in computers.
Hij kon uren op Internet zoeken naar dingen die hij wilde weten, en
programma’s maken die zijn broer hem geleerd had. Jack wilde altijd nieuwe
dingen leren. Hij was goed op school en werd ‘stuud’ genoemd omdat hij overal
wel wat van wist. Hij had niet veel vrienden, maar werd ook niet gepest. Je
kon altijd bij Jack terecht als je iets wilde weten.
Jack had op school ook nooit een vriendinnetje gehad. Hij was een beetje
verlegen en nerveus. Doordat hij thuis alleen maar broers had wist hij niet
echt hoe hij zich moest gedragen tegenover meisjes. Hij had nog nooit een
meisje ontmoet dat dat net als hij van computers en elektrotechniek hield.
Meisjes vinden dat gewoon niet leuk. Jack hoopte dat hij ooit een meisje zou
ontmoeten dat daar wel in geïnteresseerd was.
Jacks vader had een apparatenwinkel in de stad. Na school ging Jack naar
de winkel toe en wachtte daar tot zijn vader klaar was met zijn werk. Als hij
daar was speelde Jack vaak in het magazijn met losse onderdelen. Jack vond het
heerlijk zo maar een beetje te zitten knoeien met dingetjes en zijn vader
leerde hem stroomkringen en zo maken. Jack was goed in het uitvinden van kleine
handige dingen.
Toen het virus dood en verderf begon te zaaien in de stad probeerde Jacks
vader hem voor te bereiden op de dag dat hij het alleen zou moeten redden. Jack
zou ook geen hulp van zijn broers kunnen verwachten omdat zij het virus ook zouden
krijgen.
Jacks vader nam hem mee naar de winkel in de Phoenix Mall in het centrum
van de stad. Hij liet hem al de veiligheidshekken en geheime ingangen vanuit
het riool zien. Zijn vader dacht dat als Jack in gevaar zou zijn, de Mall een
goede veilige plek was. De Mall had alles wat Jack nodig zou hebben om te
overleven, er waren lakens, bedden, er was voedsel en als de hekken werkten kon
er niemand ongewild binnenkomen. Jacks vader leerde Jack hoe hij als de stroom
in de stad uitviel de netwerken van de hekken kon aansluiten op accu’s zodat ze
bleven werken.
Jack was bang, maar hij vertrouwde zijn vader en vertrouwde erop dat hij
zichzelf wel zou kunnen redden.
En toen kwam de dag dat Jack inderdaad niemand meer had. Jack bleef nog
twee weken in zijn ouderlijk huis wonen, maar er braken steeds vaker relletjes
uit in de buurt. Jack voelde dat hij niet meer veilig was in de buurt waar hij
was opgegroeid. Hij pakte zoveel belangrijke dingen als hij maar kon dragen
in en vertrok naar de Mall.
Hij kon alles wat zijn vader hem had geleerd gebruiken. De Mall was een
perfecte veilige plek. Alles wat Jack nog kon wensen was wat gezelschap...