Krantenknipsels

 


Er zijn – gelukkig! – nog steeds tal van wielrijders, die hun fiets blijven gebrui­ken, om aldus trouw hun vorm van toe­risme te dienen.

Eenvoudig, als was ’t de gewoonste zaak ter wereld, deelt de heer J. A. van Lies­hout, te Helmond – natuurlijk trouw A. N. W. B.-er! – ons mede, dat hij na vroeger verschillende groote tochten in ons land en naar Frankrijk, Engeland, Duitschland, Zwitserland gemaakt te hebben, een tocht heeft volbracht naar Rome en terug, een afstand van 3398 K.M., welke in 23 dagen werd afgelegd.

Wij geven hierbij een afbeelding van de­zen waarachtigen wielrijdenden groot-toerist, die zijn tocht als volgt indeelde:

15 Juli    Helmond – Aywaille…160 K.M.

16       Aywaille – Thionville…167 

17       Thionville – Epinal…157 

18       Epinal – Eiken…174 

19       Eiken – Altdorf…135 

20       Altdorf – Airolo…  61 

21       Airolo – Milaan…168 

22       Milaan – Genua…155 

23       Genua – Sarzana…129 

24       Sarzana – Guincarico…197 

25      Guincarico–Civitavecchia…135 

26       Civitavecchia – Rome…  72 

                                      1710 K.M.

27 en 28 Juli verblijf te Rome.

29 Juli    Rome – Grosetto…183 K.M.

30       Grosetto – Pisa…157 

31       Pisa – Lavagna…134 

 1 Aug   Lavagna – Voghera…142 

 2        Voghera – Lugano…140 

 3        Lugano – Hospenthal…118 

 4        Hospenthal – Bazel…186 

 5        Bazel – Remiremont…130 

 6        Remiremont – Thionville…185 

 7        Thionville – Aywaille…167 

 8        Aywaille – Helmond…146 

                                    1688 K.M.

Het is een prestatie, die bewondering verdient en voor alle hedendaagse toe­risten als voorbeeld moge dienen!

(foto J.A. van Lieshout)


Sport

Jantje van Lieshout uit Helmond, die 15 Juli per fiets den tocht naar Rome aan­vaardde en aldaar den 26en Juli arri­veerde. Den 29en Juli reed hij weer terug en legde in die dagen totaal 3398 K.M. af. In de laatste 11 dagen “draaide” van Lieshout 1688 K.M., een waarlijk bewon­derenswaardige prestatie

(foto J.A. van Lieshout)


Helmond-Rome-Helmond.

Naar wij vernemen is de heer J. A. van Lieshout op Zaterdag 8 Augustus weer in goede orde te Helmond teruggekomen van zijn fietstocht aar Rome en terug.

Helaas belet plaatsgebrek ons er meer van te vertellen, doch in ons volgende nummer hopen wij op dezen interessan­ten rit terug te komen.


EEN FIETSTOCHT VAN 3400 K.M.

Helmond-Rome-Helmond.

Zooals wij reeds in ons vorige nummer berichten is de welbekende groottoerist, de heer J. A. van Lieshout voornemens weer een grooten toertocht te maken en wel van Helmond naar Rome en terug, dat is een totaal afstand van niet minder dan 3400 K.M.

Dit is niet de eerste keer dat de heer van Lieshout een grooten toer onderneemt. Hij peddelde reeds zesmaal naar Parijs, tweemaal naar Berlijn, eenmaal naar Londen, Bazel, Bordeaux, Genève enz. en keerde ook telkens weer op de fiets naar Helmond terug.

Onlangs reed hij nog, bij wijze van trai­ning even van Helmond via Utrecht en Arnhem terug naar de plaats van vertrek, een totaal afstand van 230 K.M.

Denkelijk vertrekt de heer v. Lieshout op 15 Juli a.s. naar Rome. Hij fietst dan van Helmond via Luik, Arlon, Luxemburg, Metz, Pont à Mousson, Nancy, Epinal, Remiremont, Thann, Mülhausen, Bazel, Zürich, Goschenen, St. Gothard, Bellin­zona, Lugano, Chiasso, Milaan, Pisa, Li­vorno, Cesina, Grosetto, Rome. Heeft de heer v. Lieshout over niet al te veel te­genspoeden te klagen, dan denkt hij langs een omweg terug te komen.

Men heeft ons weleens gezegd, dat de heer v. Lieshout de grootste toerist van ons land is. Wij gelooven inderdaad dat dit juist is en dat wij den Helmondenaar na zijn tocht naar Rome en terug gerust als de kampioen van onze groottoeristen kunnen beschouwen.

In elk geval wenschen wij hem mooi weer en een voorspoedige tocht toe.


Helmond-Rome-Helmond.

Naar wij vernemen gaat onze groot-toe­rist, de heer J. A. van Lieshout te Hel­mond weer een enorme tocht maken en wel van Helmond naar Rome en terug. Hij denkt op 15 Juli te vertrekken.

Wij hopen in ons volgende nummer op dezen phenomenalen rit terug te komen.


Helmond-Rome v.v.

De heer J. A. v. Lieshout te Helmond, die zooals wij onlangs berichtten, van Hel­mond naar Rome en weer terug zou fiet­sen is, ondanks het regenachtige weer van den laatsten tijd, zijn programma aan het afwerken.

Op Woensdag 15 Juli vertrok hij uit Hel­mond en bereikte dien dag het Belgische plaatsje Aywaille ten Zuiden van Luik in zijn prachtomgeving. Dat was een afstand van 160 K.M. Op Donderdag 16 Juli reed hij van Aywaille naar Thionville (167 K.M.), op Vrijdag 17 Juli naar Epinal (157 K.M.) en op Zaterdag 18 Juli naar Eiken (174 K.M.) welk plaatsje 32 K.M. voorbij Bazel ligt.

Het laatste bericht dat wij van hem ont­vingen is dat hij goed te Pisa is aangeko­men.


Helmond-Rome-Helmond.

Wij hebben onze lezers reeds verteld van den Hollandschen groottoerist J. A. van Lieshout, die onlangs een tocht vanaf zijn woonplaats Helmond naar Rome en weer terug ondernam.

De heer van Lieshout is op Zondag 26 Juli in goede orde te Rome aangekomen. Hij had voor de 1710 K.M. 11½ dag noodig gehad. Het was een zware reis geweest en vooral de hitte was in Italië haast on­verdraaglijk.

Woensdagmorgen 29 Juli peddelde de heer v. Lieshout weer uit Rome weg en bereikte dienzelfden dag Grosseto waar­mede hij 183 K.M. had afgelegd. Donder­dag 30 Juli ging het van Grosseto naar Pisa, 157 K.M.: Vrijdag 31 Juli van Pisa naar Livorno, 134 K.M. en Zaterdag 1 Augustus van Livorno naar Voghera 142 K.M., waar de moedige peddelaar de Apenijnen achter den rug had.

Verder ging het via Hospenthal (Sint Got­hard) over Luzern naar Bazel waar de heer v. Lieshout op Dinsdag 4 Augustus arriveerde. Hiermede had hij in een week tijds ongeveer 1100 K.M. afgelegd.


HELMOND-ROME-HELMOND.

Zooals wij reeds in ons vorige nummer in ’t kort berichtten, is onze groottoerist, de heer J. A. van Lieshout op 8 Augustus in prima conditie weer te Helmond gearri­veerd.

Wie de joviale en amicale Helmondenaars kent, zal begrijpen, dat den heer van Lieshout een grootsche huldiging is ten deel gevallen. Verscheidene dagen was hij te Helmond het middenpunt der be­langstelling. Als hij een wereldkampioen­schap had gewonnen had men hem geen mooier ontvangst kunnen bereiden. Maar verdiend had hij het, want wanneer men even nagaat wat hij zooal heeft afgeped­deld dan neemt men den hoed af voor dezen kranigen Helmondenaar. Men zie slechts:

Op 15 Juli fietste hij van Helmond naar Aywaille in België, een afstand van 160 K.M.; op 16 Juli ging het van Aywaille naar Thionville 167 K.M.; verder reed hij op 17 Juli Thionville-Epinal 157 K.M.; op 18 Juli Epinal-Eiken 174 K.M.; op 19 Juli Eiken-Altdorf 135 K.M.; op 20 Juli Altdorf-Airolo 61 K.M. (slecht weer en bestijging St. Gothard) op 21 Juli Airolo-Milaan 168 K.M.; op 22 Juli Milaan-Genua 155 K.M.; 23 Juli Genua-Sarzana 129 K.M. (Apenij­nenrit); 24 Juli Sarzana-Guincarico 197 K.M.; 25 Juli Guincarico-Civitavecchia 135 K.M.; 26 Juli Civitavecchia-Rome 72 K.M.; 27 en 28 Juli verblijf te Rome; 29 Juli Rome-Grosseto 183 K.M.; 30 Juli Gros­seto-Pisa 157 K.M.; 31 Juli Pisa-Lavagna 134 K.M.; 1 Aug. Lavagna-Voghera 142 K.M.; 2 Aug. Voghera-Lugano 140 K.M.; 3 Aug. Lugano-Hospenthal; 118 K.M. (St. Gothard); 4 Aug. Hospenthal-Bazel 186 K.M.; 5 Aug. Bazel-Remiremont 130 K.M.; 6 Aug. Remiremont-Thionville 185 K.M.; 7 Aug. Thionville-Aywaille 167 K.M.; 8 Aug. Aywaille-Helmond 146 K.M.

De heenreis werd dus in 11½ dag vol­bracht en was in totaal 1710 K.M. De te­rugreis werd in 11 dagen volbracht en ging over 1688 K.M. zoodat de heer van Lieshout in 22½ dag 3398 K.M. heeft afgelegd.

Het verschil in afstand tusschen heen- en terugreis ligt hierin dat hij bij zijn terug­reis 3 maal een anderen weg heeft ge­nomen. Op de heenreis reed hij Bazel-Zürich-Brunnen en bij de terugreis Brun­nen-Luzern-Bazel. Verder reed hij bij de heenreis Remiremont- Col Bussang-Mul­hausen-Bazel; bij de terugreis Bazel-Bel­fort-Ballon d’Alsace-Remiremont en ten­slotte reed hij op de heenreis Luik-Com­blain au Pont-Aywaille en bij de terugreis Aywaille-Beaufais-Luik.

Wij zouden zoo zeggen dat wij den heer van Lieshout gerust kunnen uitroepen tot groottoerist kampioen van Nederland. Of zijn er anderen die hem dien titel durven te betwisten?


De bekende sportman uit Helmond J. van Lieshout die elk jaar een verren fietstocht maakt. Ditmaal maakte hij een traject Helmond-Basel en terug. Afstand plm. 1400 K.M.

 


(1925)

Twee Helmonders per rijwiel naar Londen.

Dagboek van een Toerist door J. A. v. Lieshout, v. Brusselstraat 14, Helmond.

I.

Evenals vorige jaren had ik ook nu weer het plan gemaakt om met mijne Vacantie een lange fietstocht te maken en had ik voor dezen keer Londen als mijn doel gekozen. Thans zou ik vergezeld worden door mijn pupil den Heer P. Gruijters, welke jonge renner veel belooft voor de toekomst; in hem had ik dan ook het vol­ste vertrouwen, dat hij dezen rit tot een goed einde zou brengen, hoewel de groote harde keien van België en Noord-Frankrijk hem ongetwijfeld nog lang zul­len heugen.

ZATERDAG, 1 Augustus.

Omstreeks 8¼ uur smorgens vertrokken wij te Helmond met een twijfelachtige lucht en een vrij sterken wind van voren, hetgeen reeds een zware dag belooft te worden, in de richting Eindhoven; al spoedig peddelen wij lustig door, doch reeds voor dat we Mierlo bereikt hebben komt het pechduiveltje ons al bezoeken en springt de achterband van het rijwiel van mijn makker en daar er een reuzen­gat in was dat niet te repareeren viel be­sloten we om hem maar achter te laten; toevallig was hier juist een heer uit Hel­mond met een auto die zoo vriendelijk was om den band mee naar Helmond te nemen. Na een anderen band gelegd te hebben ging het weer verder doch pl.m. 1 K.M. voor Geldrop kreeg mijn collega zijn 2en lekken band.

Bij velen zou reeds nu den moed in de schoenen gezonken zijn, doch wij dachten slechts aan een nieuwen band leggen en vooruit ging het weer over Eindhoven-Gestel, waar we een nieuwen reserve­band aanschaften en vervolgens over de Acht zaligheden naar de Belgische Grens, welke wij bereikten bij Reusel.

Na bij de Belgische Douane gecontroleerd te zijn reden wij verder over Arendonck, voor welke plaats men over den Nieuwe brug kwam van het kanaal van Turnhout. Toen Arendonck was gepasseerd werd de weg slechter en zoo ging het in de rich­ting Turnhou over Oud-Turnhout. In Turnhout is het een heele drukte, het is hier zoo druk dat we bijna niet kunnen passeeren. Nadat we door de grootste drukte heen zijn moeten we even wach­ten voor den spoorwegovergang en hierna reden wij den Antwerpschen steenweg op. Tot Vasselaer gaat alles goed, maar hier wordt de weg zoo er­barmelijk slecht dat ik er zelden zulk een gezien heb, en ik wenschte de Holland­sche renners die op Zondag 9 Aug. deel­namen aan den wegwedstrijd om den van Laanes beker, die dezen weg moeten passeeren, bij voorbaat proficiat.

Na pl.m. 8 K.M. op dezen weg gehobbeld te hebben komen wij aan den prachtigen tegelweg, loopt langs Vlimmeren tot Oostmalle, waarop jaarlijks de snelheids­wedstrijden voor auto’s gehouden worden en is het alsof men van de Hel in den Hemel komt.

Oostmalle was gepasseerd – en nu ko­men we op een juweeltje van een fiets­pad dat loopt langs Westmalle, St. An­toine, Schilde, Wijneghem tot Deurne.

Bij St. Antoine passeeren we rechts van den weg ’t nieuwe prachtige Krankzinni­gengesticht en bij Schilde op een paar honderd meters links van den weg wijs ik mijn metgezel een in den oorlog in elkaar geschoten fort dat nog in denzelfden toe­stand is gebleven. Daarna passeeren we Wijneghem en na deze plaats komen we aan den grooten fortengordel van Ant­werpen bij fort No 1. dat eene reusach­tige sterkte is. Hierna rollen we Deurne binnen, een voorstad van Antwerpen; vervolgens door de vestingwerken bij de Turnhoutsche poort en trekken nu over Borgerhout Antwerpen binnen. We reden allereerst naar het Sporthuis Felix in de Huibrechtstraat om een paar nieuwe re­servebanden en ieder een sportpet te koopen. Op onzen doortocht door deze stad wilde ik mijn makker het mooiste gedeelte van de stad laten zien en we rijden in langzaam tempo door de Chaus­see de Turnhout, Carnotstraat, Stations­plein langs de Gare Centrale (Centraal­station), Avenue de Keijzer, Place Teniers, Rue Leijs, Place de Meir, Eiermarkt, Melkmarkt, Groenplaats langs de Kathe­draal Notre Dame, naar de Grand Place bij het Stadhuis, waar we naar Hotel “Oud Antwerpen” gaan om wat te eten want we hebben het wel verdiend nu we 105 K.M. achter den rug hebben.

Nadat we hier den inwendigen mensch wat versterkt hadden gingen we eerst naar de bank om geld te wisselen en ver­volgens werd nog het een en ander ge­kocht, o.a. een paar sigaretten enz. Onze rijwielen werden nu weer opgezocht en we rijden naar de Schelde om met de stoompont over te varen naar St. Anna. Hierna gaat het weer met nieuwen moed langs ’t Fort Tète de Flandre naar Zwijndrecht, Melselo, bij welke laatste plaats de pechduivel ons weer parten kwam spelen en mijn reisgenoot zijn achterband den geest gaf. Bij onderzoek bleek er eene speld in te zitten.

Een andere band werd gelegd en we stapten weer op en vooruit ging het weer verder over Beveren, Waas, naar St. Ni­colaas, waar het gehobbel over de groote keien begon. Na door deze stad gehob­beld te zijn reden we over Belcele Roozen naar Lookeren, in welke laatste plaats we in een Café moesten schuilen voor een malsche donderbui. Wij drinken hier een glaasje bier, koopen een paar appelen enz. en als de bui over is gaan we weer verder.

Nauwelijks zijn we 1 K.M. buiten de stad of mijn vriend krijgt zijn 4e lekke band. Arme jongen! Hij wordt wel danig op de proef gesteld; ik zorg onderwijl wel dat er de moed in blijft en laat hem mijne splinternieuwe banden opleggen, welke ik zooeven in Antwerpen gekocht heb. Daarna stappen we weer op en passeeren Zeeveneeken, Loocristij, Mont St. Amand; vervolgens arriveeren we in Gent, waar we op de Place St. Bavon een glas koffie gebruiken op het terras van een restau­rant. Na wat gezeten te hebben rijden we weer op en rijden over de Place St. Mi­chiel den Brugschen steenweg op en ko­men we over Luchteren Vinderhaute en Waerschoot. Onderwijl is het avond ge­worden en rijden we door tot Eecloo. We besluiten om hier te overnachten, en ko­men terecht in het eerste het beste Hotel “d’Anvers” Place de la Station 30. Na onze rijwielen gestald te hebben bestelden we wat te eten; onderwijl gingen wij een Ansichtkaart koopen om naar huis te zen­den. Spoedig werden deze kaarten ge­schreven en gepost waarop we naar ons hotel gingen om eens goed te eten. On­der het drinken van een glaasje bier en het rooken van een sigaret werd nog een tijdje gezeten waarna we onze slaapka­mer opzochten om na een dag van 180 K.M. met veel pech en tegenwind de noodige rust te vinden: We zijn onderwijl erg benieuwd hoever wij het morgen zul­len brengen.

(Wordt vervolgd.)


TWEE HELMONDERS PER RIJWIEL NAAR….. LONDEN.

De heer J. A. van Lieshout, de vermaarde Helmondsche wielrenner, die vooral be­kend is door zijn verre tochten per rijwiel naar het buitenland, en verleden jaar nog de reis van Helmond naar Parijs heen en terug op zijn karretje heeft gemaakt, heeft thans tegen de kermis weer andere plannen. Der traditie getrouw maakt hij ook dit jaar weer een enorme vacantierit, en wel als volgt: Helmond, Antwerpen, Gent, Brugge, Ostende, Duinkerken, Ca­lais (zeereis) Dover, Canterburry, Londen en terug.

Naar wij vernemen zal het kranige “Jan­tje” bij dezen rit vergezeld worden door zijn leerling den nieuweling P. Gruijters, een jonge renner die op het gebied der rijwielsport een ster der toekomst belooft te worden; dit is gebleken doordat hij bij zijne deelname aan den grooten wedstrijd om het wegkampioenschap, onder con­currentie van 91  nieuwelingen, zich 12e wist te plaatsen. Jantje vertrouwt er dan ook vast op, dat deze jonge kracht het reisje naar Londen v.v. met hem tot een goed einde zal brengen.

Met genoegen kunnen wij mededeelen dat de heer v. Lieshout evenals verleden jaar weer bereid gevonden is om een verslag te maken van dezen gansch bij­zonderen rijwieltocht, dat na de kermis in ons blad zal worden opgenomen.


Wij ontvingen heden een briefkaart van onze stadgenooten de heeren J. A. van Lieshout en P. Gruijters, meldende dat zij goed in Londen zijn aangekomen. Men weet, dat deze renners de reis naar Lon­den over Calais per fiets gemaakt hebben.


Twee Helmonders per rijwiel naar Londen.

Dagboek van een Toerist door J. A. v. Lieshout, v. Brusselstraat 14, Helmond.

II.

Zondag 2 Aug.

Om 7 uur uit de veeren, alles in orde ge­bracht en flink gegeten. Onze Zondags­plichten vervuld in de mooie kerk van Eecloo, en dan vertrekken we omstreeks 9½ uur nadat we nog even voor een mal­sche regenbui hebben moeten wachten. Als we de hobbelige keien van Eecloo achter ons hebben rijden we over een fraai fietspad door Adegem naar Mal­deghem waar het kermis is. Men was juist bezig een Ballon “Veenstra” te vullen, welke des namiddags om 2 uur zou  op­stijgen.

Wij trekken verder over Sijsselen en Ze­vecoten naar Brugge, maar moeten op dezen langen weg meestal over de groote keien rijden, daar het rijwielpad geheel onder water staat. Mijn collega klaagt over pijn in de polsen hetgeen komt van het bolderen over deze groote keien. Na­bij Brugge wordt de weg iets beter en na een poosje rijden wij deze merkwaardige Vlaamsche stad binnen door de Porte St. Croix: wij passeeren de Rue Longue en Rue Haute en komen op de Grand Place, waar een aantal heerlijke gebouwen staan, o.a. de Hal met zijn prachtigen toren, dateerende uit de 17e eeuw, het Gouvernementsgebouw het Stadhuis enz., allen ware sieraden van oudheid, waar­voor deze stad dan ook overal bekend is.

Na deze fraaie stad te zijn doorgetrokken rijden we verder over St. Bavo, Meet­kerke, Houttave, Vijfweghe, Zandvoorde naar Ostende, van welken weg het eerste gedeelte tot bij Houttave zeer slecht is; iets verder heeft men een tamelijk goed rijwielpad tot Ostende, waar we dan ook spoedig belanden. Eerst wordt hier een restaurant opgezocht om te bunkeren want wij hebben er zin in.

Na goed gegeten te hebben en onder het rooken van een sigaret eenigszins uitge­rust besluiten we om te voet een eind­weegs over den Strand-boulevard te wandelen en spoedig ademen wij de fris­sche zeelucht in. Het is werkelijk een ge­not hier te wandelen langs dit heerlijke strand met zijn prachtige Hotels o.a. Lit­toral Palace, Roijal Belge, Du Globe, Wel­lington, Helvetia, Continental. De l’Ocean, La Place, Splendid en Palace; dit zijn wel de allerfijnste Hotels op den Stand-boule­vard; vooral Continental, de l’Ocean, La Place en Splendid zijn ware paleizen. Als wij van al dit schoone voldoende genoten hebben, verlaten we den Strand-boule­vard, waar men niet mag fietsen en stap­pen in de Rue Roijale weer op onze kar­retjes. Door de rue Courbe komen we op de Avenue des Courses waar rechts op het Plein van de Batterie Gneisenau ker­mis is; links van den weg is de Hippo­drome “Wellington” gelegen waar van­daag juist wedstrijden plaats hebben, bij den hoofdingang is enorm veel volk ver­zameld. Verder rijden wij door de Avenue Leopold II en gaan nu rechts af door de Rue du Limbourg weer naar den Strand-boulevard.

Wij hebben nu de stad achter ons en rij­den heerlijk over de fraaie gele tegels in de richting van Mariakerke, Middelkerke, Westende; op dezen weg ziet men nog de sporen van den oorlog, n.l. de kustver­sterkingen, puinhoopen van Villa’s en geweldige fundeeringen van beton voor zwaar geschut. Vooral Westende ziet er nog erg gehavend uit en ook de Strand-boulevard lijkt zeer toegetakeld te zijn. Wij rijden evenwel toch maar door, doch moeten bij Westende door het mulle duinzand loopen naar den grooten weg een schoon gedenkteeken van ge- op een paar honderd meter afstand met den Strand-boulevard parallel loopt en dan komen wij weldra in het dorpje Lombart­zijde hetwelk zoo goed bekend is uit den grooten oorlog; vervolgens passeeren wij Georges en even voorbij dit dorp zien wij langs den weg passeeren een ge­denkteeken van gekleurd graniet, waarop in 3 talen staat te lezen: “Hier werd de overweldiger tot staan gebracht”.

Waarlijk indrukwekkend als men zooiets ontmoet. Een goede 250 meter verder treffen wij den befaamden Yser met de groote versterkingen van Nieuwpoort, welke nog geheel in denzelfden toestand verkeeren als tijdens den grooten slag aan deze rivier. Deze worden in eere ge­houden voor de vreemde bezoekers aan de Yserstreek en zijn toegankelijk voor 1 Frank per persoon.

Daar ik deze streken voor twee jaren al bezocht heb en eveneens deze verster­king, liet ik aan mijn reisgenoot over of we hier een kijkje zouden nemen, waarop wij besloten dit uit te stellen tot bij onzen terugtocht uit Londen, daar we vandaag nog heel wat verder moeten.

We rijden (onleesbaar) Nieuwpoort, op het punt waar het kanaal van Brugge, Veurne en Yperen in eerstgenoemd ka­naal uitloopt, welke kanaalwerken er nu keurig uitzien; verder dwars door Nieuw­poort, dat eene geheel nieuwe stad ge­worden is, en vervolgens langs het kanaal van Veurne langs Ramscapelle en Wulpen naar Veurne.

Ongeveer 1 K.M. voor Wulpen zien we langs den weg een kolossaal groot ge­denkteeken: het is de begraafplaats van de gesneuvelden der 4e Legerafdeeling, waarbij 44 wit marmeren lijsten met de namen der gesneuvelden geplaatst zijn. Het is een indrukwekkend geheel.

Na dit gezien te hebben stappen wij weer op en gaat het weer verder naar Veurne; wij rijden over de brug de stad binnen en vervolgens langs het kanaal van Duinker­ken over Adinkerken, dat het laatste Bel­gische dorp is voor de Fransche grens. Voor het overstappen wordt eerst nog eens aan een café afgestapt om wat te drinken en wat drank in te slaan. De weg is hier bijzonder slecht en nat; spoedig passeeren wij de Belgisch-Fransche grens.

Bij de Fransche Douane wordt afgestapt en gecontroleerd: een heele boel auto’s enz. stonden er gereed om gecontroleerd te worden. Wij werden echter spoedig geholpen en rijden nu verder Frankrijk in langs de Bray de Dunes en Zuidcoote, waar wij een mooien geasphalteerden weg krijgen. Dra naderen wij de eerste Fransche stad Duinkerken, welke wij zon­der afstappen doorrijden; aan den spoor­weg gaan wij onder het viaduct door, daar de spoorweg afgesloten is, wij zet­ten er een spurtje in om weer boven te komen en passeeren daarop Petite Synthe en Grande Synthe, bij welke laatste plaats mijn metgezel zijn ketting van de fiets loopt; spoedig is dit hersteld en vervol­gens komen we in Loox Plage, waar we een glaasje wijn drinken. In het vesting­stadje Gravelines dat we verder passee­ren liggen enorm groote keien en we zien hier op de muren enz. nog de plakkaten van de Tour de France, waarvan de deel­nemers hier gepasseerd zijn. Dit gaf ons bepaald nieuwe krachten want we be­gonnen er nu een vaartje in te zetten dat het een lieve lust was. Plotseling worden we in onze reuzenvaart gestuit doordat we eenige personen per rijwiel tegen kwamen die te oordeelen naar hune zon­derlinge wijze van rijwiel sturen blijkbaar tamelijk diep in de wijnflesch gekeken hadden; het scheelde niet veel of wij kwamen met hen in botsing, maar het liep nog al goed af.

Hierop kwamen we in Oije waar eveneens reuzenkeien lagen en toen we hier over­heen bolderden werden mijn collega zijn polsen noch eens op de proef gesteld. Vervolgens ging het weer verder en kwamen we in Marck waar het weer het­zelfde deuntje was met de keien.

Nu zijn we nog 7 K.M. van ons doel Calais verwijderd en moeten we nog even schuilen in een café voor een regenbui, we drinken een paar glazen wijn en na een cigaret opgestoken te hebben gaan we onzen tocht van vandaag voleinden. Wij rijden langs het Sportterrein der Ra­cing Club Calais en de Hippodrome en arriveerden omstreeks 5 uur in Calais. Over de Boulevard de l’Égalité, Place de la Nation, Boulevard Lafayette, Boulevard Jaquard, Place de l’Hotel de Ville, Place de Richelieu, Rue Royale komen wij op de Place d’Armes, waar we een Hotel opzoe­ken en terecht komen in Hotel “Du Palais de Justice”, Rue de la Paix 1.

Na ons gewasschen, verkleed enz. te hebben gaan we de stad eens bezichtigen en gaan tevens flink eten in Café Res­taurant Du Moniteur op de Place d’Armes. Wij wandelen vervolgens naar de haven en naar het strand. In de Avenue de la Plage zien we een mooi  monument der gevallen zeesoldaten, voorstellende een zinkende onderzeeboot, waarboven een engel, omgeven door een prachtige elec­trische iluminatie, hetgeen van verre een gewichtig gezicht geeft.

Na de Gare Maritime gevonden te heb­ben, van waar we morgen met de boot naar Dover zullen vertrekken werden eenige kaarten naar huis enz. gestuurd en trekken we met spoed naar ons Hotel, want we hebben zin om te gaan slapen na een dag van 140 K.M.

Wordt vervolgd.


Twee Helmonders per rijwiel naar Londen.

Dagboek van een Toerist door J. A. v. Lieshout, v. Brusselstraat 14, Helmond.

III.

Maandag 3 Augustus.

Om 8 uur weer present. Ons gewasschen, goed gegeten en we laten onze rijwielen in het hotel achter om eerst aan de Gare Maritime te gaan informeeren naar het uur van vertrek van den boot naar Dover, de prijs van den overtocht enz. We ver­nemen hier dat de boot vertrekt om 2 uur Holl. tijd: dit is hier om 1 uur 40 min., dus we hebben nog den tijd om wat rond te wandelen. We gaan dus nog een kijkje nemen in Calais en eer we vertrekken zullen we nog eens flink eten, want men zegt ons hier, dat het in Engeland zeer duur is.

Na goed gebikt te hebben gaan we onze rijwielen halen en nemen daarop de rich­ting naar de haven, waar een prachtige boot klaar ligt om naar Engeland te ver­trekken; het is de “Invicta”, die ons naar den overkant van het Kanaal zal voeren en reeds druk bezig was met het insche­pen van bagage, auto’s enz. Aan het bu­reau namen we een retour-ticket naar Dover, benevens een enkel reisbiljet voor onze rijwielen; het reisje bleek nog al duur te zijn. Wij moesten n.l. voor twee 2e kl. retour biljetten zonder Hotel in En­geland 280 Francs betalen en 88 Fr. voor twee enkele reisbiljetten voor de rijwie­len. Het is een Engelsche Maatschappij m. n. de South Eastern en Chatham Railway. Toen wij van reisbiljetten enz. voorzien waren gingen we bij de boot eens kijken naar het inschepen van auto’s enz. en zagen we zoo nu en dan een auto hoog in de lucht geheschen door een stijgerkraan; na dit een poosje gadegeslagen te heb­ben, lieten wij onze passen controleeren enz. en gingen aan boord van dezen prachtigen tweepijper; op het bovendek werd een goede plaats uitgezocht op eene bank waar we een prachtig gezicht over de haven hadden.

Intusschen werd het steeds drukker en bleek dat de boot tamelijk veel passagiers te vervoeren zou krijgen. Na eenigen tijd gaf de boot  het eerste sein om te ver­trekken en een poosje later nog een, waarna de bruggen en trossen losge­maakt werden, en toen eenige minuten later het derde sein weerklonk, zette de boot zich onmiddellijk in beweging. Op­vallend was het dat de boot direct zulk een groote vaart had. In een minimum van tijd waren wij aan den ingang der haven, dit is tusschen de twee uiteinden der havenpieren en gingen daarop de volle zee in. Nu begon de boot te deinen, hetgeen in ’t eerst vreemd aandoet, maar spoedig waren wij er aan gewend.

Wij krijgen nu een verrukkelijk schouw­spel over zee, met hier en daar in de verte een schip en achter ons hebben we een prachtig gezicht op Calais. Wij gaan tegen de afrastering staan en slaan het gewoel van het water gade, wat voor den boeg zoo hoog wordt opgeworpen dat het somtijds in ons aangezicht spat. Het weer is helder en de frissche wind doet ons goed; in de verte zien we een grooten zeestoomer op ons aankomen en na een poos kruist hij plm. 2 K.M. achter ons onzen weg; welke vlag hij voert kunnen we niet precies zien, maar naar ik meen moet het toch de Hollandsche zijn.

Na een tijdje komen wij het zusterschip van onze boot tegen die van Dover naar Calais vaart; wij zien dat er nog al enkele menschen zeeziek zijn geworden, tenmin­ste velen hangen in zeer vreemde hou­ding over de verschansing en sommigen hebben een grauw-vale aangezichtskleur gekregen.

Aan den horizon doemt de Engelsche kust op en na eenigen tijd komen ons de zee­meeuwen al tegen, die ons achter de boot volgen, ’t verwondert ons met welk een gemak deze vogels ons bijhouden; er is er een bij die den heelen tijd onafge­broken 12 à 13 meter boven het achter­schip meevloog, terwijl men hem geen enkelen vleugelslag zag doen, en onze boot  liep toch met een vaart van 70 K.M. per uur. Men zag niets dan het bewegen van zijn kop om op en neer te kijken het was precies of hij aan een touwtje hing.

Intusschen was men de Engelsche kust meer en meer genaderd; van verre kon men reeds de witte krijtrotsen waarne­men en allengs zag men ook de stad Do­ver opdoemen en de witte rook van een trein tegen de rotsen afspiegelen, welke in de richting van Folkestone reed.

Wij passeeren eenige visschersschepen en na eenigen tijd loopen we de haven van Dover binnen. In de verte op het strand wemelt het van menschen en we zien overal de Engelsche en andere vlag­gen. Een paar minuten later ligt de boot stil aan den steiger en na ons lan­dingsticket afgegeven te hebben betreden we den Engelschen bodem.

(Wordt vervolgd.)


Twee Helmonders per rijwiel naar Londen.

Dagboek van een Toerist door J. A. v. Lieshout, v. Brusselstraat 14, Helmond.

IV.

Het is hier weer een heele bedrijvigheid, wij moeten allen door de controle en daar er een groote massa menschen zijn gaan we een tijdje op een bank zitten wachten tot de grootste drukte wat voorbij is.

Hier zitten wel 10 à 12 beambten, die belast zijn met de controle, welke nog al streng is vooral wat betreft of men vol­doende geld bij zich heeft om in Engeland te verblijven, wat het doel van onze reis naar Engeland is enz. Hierna wordt ons paspoort en onze controlekaart afge­stempeld en men kan nu weer verder; bij den uitgang der controlezaal geeft men zijn kaart af en is men vrij.

Nu onze rijwielen gehaald, de koffers enz. er op gesjord en na het een en ander over eene luchtbrug gedragen te hebben komen we aan den uitgang van het Sta­tion en stappen direct op onze karretjes om de stad Dover in te rijden. Het links rijden wat hier de regel is, is voor ons in ’t eerst iets vreemds, maar weldra hebben we het te pakken, wij peddelen door de stad en zien hier dat we nog 71 Mijlen van Londen verwijderd zijn, dit is onge­veer 113 K.M. Het is nu ongeveer half 5 Holl. tijd; we zullen zien hoever we van­daag kunnen komen, want daar hier het landschap nog al bergachtig is lijkt het ons toe dat we nog al eens flink zullen moeten werken. Na een kleinen berg te zijn opgereden loopen we met een vaartje naar beneden, mijn collega is een weinig voor mij; in de verte komt met groote vaart een motor aan; mijn makker wijkt rechts; ik roep nog al, maar hij hoort het niet, en ik houd mijn hart vast; de motor­rijder wijkt natuurlijk links; een angstig moment. Goddank! de motorrijder wijkt nog juist op tijd naar rechts en ik geef mijn makker eene ernstige waarschuwing dat hij bij zijn positieven moet blijven in zulke gevallen daar het anders wel eens verkeerd met hem zou kunnen afloopen.

Na plm. 5 K.M. rijden komen we aan een grooten berg en nu is het aanpakken; wij krijgen het toch klaar om hem te nemen. Bij deze klimpartij bewonder ik de capa­citeiten van mijn makker; werkelijk het is een lust om te zien met welke behendig­heid hij omhoog gaat en ik constateerde bij deze nogmaals dat in hem een reu­zenkracht schuilt naar de toekomst.

Na deze klimpartij gaan we bij een arbei­der langs den weg, waar men een water­leiding aan het leggen was, wat drinkwa­ter vragen, want onze drink-voorraad was op en we weten niet hoever wij nog van een stad of dorp zijn. Na hier wat ge­dronken te hebben en onze kruikjes ge­vuld stappen we weer op en rijden verder langs Rivea, Lijdden, Kingston, langs wel­ken weg bij het van een berg afloopen mijn vriend zijn ketting breekt.

Wij leggen eene nieuwe reserve ketting op en gaan nu langs een weg zitten in de buurt van Barham, waar de Helmonsche boterhammen welke wij hadden meege­nomen en tot dusver bewaard, uitmun­tend smaken. Een poosje werd hier ge­rust, een sigaret opgestoken en het pas­seeren van Autos gade geslagen, welke hier enorm veel loopen, waaronder reu­zen touristenwagens, z.g. Pullmancars. Dan rijden we weer verder over de prachtigste wegen, welke hier allen ge­asphalteerd zijn; deze blinken als een spiegel en ze zijn geheel stofvrij. Wij gaan nu in de richting van Bridge naar Canter­bury, welke stad in feest prijkte; wat er te doen was weet ik niet, want we verstaan de menschen geen woord; er is enorm veel volk op de been, wij rijden maar met den stroom van Auto’s mee door deze drukte, moeten even wachten voor een overweg en gaan weer verder. Even bui­ten de stad schijnt het feestterrein te zijn in een soort park, want wel 95 procent Auto’s rijden hier binnen; nadat we door dit gewirwar van menschen en voertuigen heen waren reden we weer verder langs Boughton, Faversham, Haldstone en nog enkele andere dorpen, waarvan ik de na­men bijster ben geworden, naar Chat­ham; dit is een fraaie stad evenals Ro­chester; beide steden zijn resp. aan den Zuid Oostelijken en Noordwestelijken oe­ver van een groote rivier gelegen, welke rivier vermoedelijk de Clyde is en de twee steden zijn verbonden door een groote brug van beton.

Intusschen was het avond geworden; na nog een eindweegs doorgepeddeld te hebben en een paar kleine dorpjes te zijn gepasseerd besluiten wij om te over­nachten in de buurt van Dartford en zul­len morgen weer heel vroeg opstappen om spoedig in Londen te zijn, waar we nu nog ongeveer 25 Mijl van verwijderd zijn. We hebben vandaag weer veel genoten en zijn we nu ongeveer 73 K.M. van Do­ver.

(Wordt vervolgd.)


Twee Helmonders per rijwiel naar Londen.

Dagboek van een Toerist door J. A. v. Lieshout, v. Brusselstraat 14, Helmond.

V.

Dinsdag 4 Aug.

Wij doen vandaag eens echt Engelsch en zijn reeds vroeg op stap en gaan nu wel­gemoed op ons doel af. In de frissche morgenlucht rijden wij in de richting van Dartford over de mooie wegen: in Dart­ford slaan we weer wat drinken in en nu gaat het langs Benley, Head, Eltham, Woolwich, Black-Head, Greenwich, waar we na een grooten berg beklommen te hebben, naast een groot Militair Hospitaal komen; een heele troep militairen rijden te paard den grooten weg op; even daarna zijn we aan een enorm sportter­rein bij het Greenwichpark.

Nu komen we in de zoogenaamde voor­steden van Londen en rijden vervolgens door de Dover Road, Black-Head-Road New-Cross-Road, waar het verkeer zoo enorm is toegenomen, dat men er met moeite doorheen kan komen. Vervolgens passeerden we New-Gate en zitten mid­den in Londens verkeer.

Wij gaan echter verder en rijden door de Old-Kent-Road, Doverstreet, Borough­street, Bridgestreet naar de London Bridge, alwaar we in het hartje van Lon­den zijn. Het verkeer is hier enorm; ’t is nu op het drukste uur van den dag, kwart voor negen en duizenden gaan nu naar hunne kantoren en ateliers in de City over de brug.

Rechts staat een enorm nieuw gebouw, waarachter op een plein The Monument; dit is een zuil, opgericht in 1671-’77, ter herinnering aan den grooten brand in 1666, welke 460 straten met 13.200 hui­zen en 89 kerken verwoestte; het monu­ment is 61 Meter hoog.

Verder rijdende komen wij door een aantal straten en pleinen, waar het zoo ontzettend druk is dat wij er moede van worden en besluiten eerst maar eens wat te gaan eten.

Na eerst aan een Bank geld gewisseld te hebben zoeken we een restaurant op waar we den inwendigen mensch eens goed versterken. Vervolgens schrijven we een paar kaarten naar huis en eenige kennissen, en na hier wat uitgerust te hebben, besluiten we om vandaag maar weer de terugreis te aanvaarden; het is ons hier in deze drukte te eng; wij zijn liever in de ruimte; ons doel hebben we toch met goed succes bereikt en we zijn over onzen rit goed tevreden.

En zoo rijden we, na nog een paar straten doorloopen te hebben, weer naar ons punt van uitgang, n.m. de St. Georges Church bij de Boroughstreet; vervolgens weer door de Doverstreet, Old-Kent-Road en New-Cross-road.

Nu rijden we links af naar Greenwich door de Greenwich-road naar het wereldbe­roemde Observatorium, vanwaar de juiste tijd over de geheele wereld verzonden wordt. Een paar Ansichten van deze in­richting worden gekocht en na nog wat gegeten en gedronken te hebben, stap­pen we weer op en rijden verder door de Southstreet naar onzen ouden weg van de heenreis de Doverroad bij het Green­wichpark aan het groote sportterrein. Hier wordt wat drinken meegenomen en dan gaat het welgemoed den terugweg op en komen we weldra bij het Militaire Hospi­taal; full speed gaat het naar beneden en nadat we een heelen tijd flink hebben doorgereden, waarbij mijn gezel zich uit­stekend houdt, krijgen we een groote vrachtauto van eene bierbrouwerij uit Dover te pakken, beladen met ledige biertonnen, waarop achter met groote letters staat Lelij.

Wij blijven nu achter deze auto rijden, die op de mooie wegen goed opschiet en wij passeeren achtereenvolgens: Bexleij, Dartfort, Head en Rochester, waar be­doelde vrachtauto stopt; wij rijden echter door en komen weer over de voornoemde groote rivier de Clyde en na deze gepas­seerd te zijn belanden we in Chatham, welke stad zoo goed bij ons bekend is uit de vaderlandsche geschidenis, waar Mi­chiel de Ruiter de Theems opvoer, door de ketting brak en heel Londen op de vlucht sloeg.

Bij het uitgaan uit deze stad gaan we een fruitwinkel en daarna een suikergoed-winkel binnen en koopen wat appels en cocosijs, hetgeen ons goed smaakt; wij stappen vervolgens weer op en even daarna komt voornoemde vrachtauto ons weer gezelschap houden; wij maken er een dankbaar gebruik van en berekenen als wij hiermede blijven oprijden, wij van­daag nog in Dover kunnen komen. Ons besluit is dus om maar mede te rijden, hoewel de lucht achter zulk een wagen niet al te frisch is, en zoo blijven wij eene heele serie mijlen lang achter dezen auto zitten.

Allengs komen we in Canterbury, de ba­kermat der Engelsche Kerk. Bij het door­trekken dezer stad, welke nog in feesttooi was, blijven wij maar rustig achter onzen gangmaker zitten en vervolgen altoos onzen weg naar Dover. In de nabijheid van Kingston gekomen stopt onze gang­maker weer, maar wij zetten onzen tocht voort en zijn nu nog 13 mijl van Dover, d.i. ongeveer 20 K.M. en kunnen het van­daag dus nog op ons gemak halen, want het is nu ongeveer 8 uur Holl. Tijd. Na een poosje rijden komen we aan den grooten berg, welke op onze heenreis de eerste was en wij nemen hem weer schitterend. Nu rijden we over een ge­deelte van een weg, welke pas ge­asphalteerd was en de kleine steentjes blijven aan onze banden kleven en door­dat ze tegen onze spatborden vliegen geeft dit een lawaai van je welste. Overal hechten deze kleine steentjes zich aan vast, mijn broekspijpen, mijn kousen, zelfs mijn schoenen zitten vol; als we deze attractie achter den rug hebben ontdoen we onze banden met een stuk papier van deze hindernis, evenals onze broek, kousen en schoenen; tevens pluk ik een bloem langs den weg met wortel en al uit, n.l. eene roode korenbloem, een reuzensoort welke hier in massa’s langs den weg staan en ik neem deze als sou­venir aan Engeland mee naar Holland en zal zien of ze in leven blijft.

Wij stappen hierna weer op en gaan nu de laatste paar mijlen verwerken; na nog een paar kleine klimpartijen arriveeren we weer goed en wel in Dover en gaan direct een slaapplaats zoeken. Wij komen in een hotel waar alles is bezet; er is echter een particulier aanwezig, die ons onderdak zal brengen en we gaan met hem mee; onze rijwielen werden geborgen, en na ons eens flink gewasschen te hebben, want we zagen er danig uit van achter dien auto rijden, gingen we met een heerlijke sigaret een welverdiende wandeling ma­ken door de stad, en kochten hier en daar wat waar we zin in hadden.

Vervolgens brachten we een bezoek aan het strand, waar bal werd gehouden in de open lucht, en alles schitterend geillumi­neerd was met gekleurde electrische lam­pen, hetgeen een sprookjesachtig gezicht opleverde. Na dit schouwspel een poosje te hebben gadegeslagen gingen we weer de stad in en zochten allengs onze slaap­plaats op, want we hebben vandaag een reuzenweg gehad en ongeveer 155 K.M. afgelegd.


Twee Helmonders per rijwiel naar Londen.

Dagboek van een Toerist door J. A. v. Lieshout, v. Brusselstraat 14, Helmond.

VI.

Woensdag 5 Aug.

Om klokke 8 zijn we weer present. Na ons gewasschen en gekleed te hebben gaan we naar beneden, waar het ontbijt al ge­reed stond en we werden hier bediend door een lieve Miss. Jammer dat we tel­kens onze tong verstuikten als we En­gelsch wilden spreken en van onze Hol­landsche taal verstond het dametje geen jota. Maar enfin, we hadden het hier goed, er was eten in overvloed en van alles wat. Toen we goed gegeten hadden stapten we op om naar het station te gaan informeeren hoe laat de boot ver­trok naar Calais. Alhier aangekomen ver­nam ik dat de boot afvoer om 1.10 uur Holl. Tijd. We hadden dus den tijd en gingen weer de stad in om eenige winkels te bezichtigen; ik kocht een paar vlagge­tjes voor de fiets en na wat rondgewan­deld te hebben gingen we onze rijwielen halen. Aan den bediende uit ons kosthuis gaven wij een fooitje en toen vertrokken we in de richting van het station.

Juist toen we het gebouw binnen gingen kruiste boven ons een reuzen-vliegma­chine, welke vermoedelijk van Parijs kwam en in de richting van Londen ver­dween.

Na aankomst in ’t station ging ik twee enkele reisbiljetten nemen voor onze rij­wielen, waarmede ik echter nog al moeite had, daar ik den man aan het loket geen woord kon verstaan; gelukkig kwam er juist een beambte die ietwat Vlaamsch sprak; ’t was niet veel, maar ik was er toch mee geholpen en gaf den man een fooitje.

Nu naar de Passen-controle; eerst weer een kaart invullen en meteen afgeven en ’t was klaar. Naar onze rijwielen behoef­den we niet meer om te zien, dit kwam wel in orde.

Vervolgens kwamen wij aan den steiger waar reeds de groote boot klaar lag en men weer bezig was met auto’s enz. te laden. Wij gingen aan boord en zagen dat deze boot nog mooier was dan de “In­victa”; ze was genaamd de “Isle of Tha­net”. Wij zochten een mooie zitplaats op het achter-tusschen-dek en keken alles eens goed af. Ook hier werd het weer druk met het inschepen van passagiers en na een poosje werd het zoo vol, dat er gebrek was aan zitplaatsen en wij ston­den de onze af aan twee oude vrouwtjes, die ons hiervoor dankbaar waren en wij gingen bij de verschansing staan.

Op de boot werd nu het eerste sein van vertrek gegeven en even daarna een tweede, waarop de bruggen en trossen verwijderd werden en het anker gelicht; direct daarop klonk het derde sein en meteen stak de boot van wal en konden wij Engeland weer het vaarwel toeroepen.

Spoedig gingen we nu de volle zee in, gevolgd door een aantal meeuwen. De lucht is nevelig en ons oog reikt niet zoo ver als met de heenreis; de zee is niet zoo woelig als Maandag en we blijven een heele poos over de eindelooze water­vlakte staren. Hier en daar zien we in de verte een schip dat van de richting Osten­de komt. Een groote boot gaat eenige kilometers voor ons door.

’t Duurt niet zoo heel lang of we zien aan den verren horizon de Fransche kust weer; het is het vooruitstekende deel tusschen Calais en Boulogne sur Mer, en allengs doemen in de verte ook de torens van Calais op. De meeuwen vliegen ons weer tegemoet en na eenigen tijd komen we voor de haven van Calais. We worden weer gecontroleerd en ontvangen een landings-ticket. Voor de monding van de haven draait onze boot om en hij vaart achteruit de haven binnen. ’t Is precies 2.30 uur Holl. Tijd als de boot gemeerd aan de kade ligt.

Het duurt een heelen tijd eer we allen over de brug zijn; hierna moeten we naar de passen-controle en daarop naar de bagage-controle onze papieren voor de rijwielen laten zien. Onze koffers werden nu weer op de rijwielen gedaan en na een kruier, die hiermede behulpzaam was geweest, eenige francs te hebben gege­ven, gingen we weer de stad in recht op een restaurant af om wat te eten.

We waren blij dat we weer in Frankrijk waren en dronken er een flesch wijn extra op. Het eten smaakte hier uitmuntend en na den inwendigen mensch goed voorzien te hebben reden we naar ons hotel om onze rijwielen te bergen. Hierop gingen we eenige kaarten koopen om naar huis te zenden enz., naar een bank om geld te wisselen en vervolgens de nieuwe stad eens bekijken, waar een aantal prachtige gebouwen staan, o.a. het Stadhuis, het Theatre in de Rue Gambetta, het Station, het Museum enz. Als we hier wat rond­gewandeld hebben gaan we weer terug om nog eens een kijkje te nemen aan het strand bij het Casino, en daar het nu ebbe is kunnen we een heel eind het strand op, waar eenige menschen bezig zijn groote wormen uit het zand te spit­ten, waarmede zij gaan visschen.

Het wemelt hier van kleine krabben en een eindje verder ligt een oud wrak van een schip in het zand, hetgeen men vol­geladen heeft met groote brokken beton. Na een en ander bezichtigd te hebben gaan we weer de stad in, want het is in­tusschen avond geworden. In een café dronken we een paar glaasjes Grenadine en kochten in een winkel chocolade enz., waarop we naar ons hotel trokken.

Na hier nog wat gezeten te hebben gaan we slapen en zullen we morgen weer ver­der gaan over denzelfden weg als we gekomen zijn.

Wordt vervolgd.


Twee Helmonders per rijwiel naar Londen.

Dagboek van een Toerist door J. A. v. Lieshout, v. Brusselstraat 14, Helmond.

VII.

Donderdag 6 Augustus.

Om 8 uur staan wij op en maken ons reisvaardig. Eerst wordt een bezoek ge­bracht aan den barbier, want onze baar­den waren sinds ons vertrek uit Helmond heel wat gegroeid. Nog eens goed gege­ten en omstreeks 10 uur verlaten wij Ca­lais. Door het hevig bolderen over de groote keien springt even voorbij de l’Egalité mijn voorband. Wij leggen spoe­dig een andere en het gaat weer verder.

Na 11 K.M. wordt mijn pas gelegde band weer slap; ik pomp hem op en we gaan op route; 10 K.M. verder loopt hij ander­maal leeg; weer een nieuwe band gelegd en we stappen weer op. ’t Wordt warm en we ontdoen ons van de boven­kleeding, welke op het koffer wordt vast­gesjord. Wij passeeren weer Gravelines, Loin Plage al waar we wat drinkwater inslaan en tevens een glaasje drinken. Over Grande en Petite Sijnthe komen wij in Duinkerken, waar ik moet bijpompen. Nauwelijks zijn we deze stad 1 K.M. ge­passeerd of ik krijg mijn derde lekke band en nu zijn we genoodzaakt om langs den weg onze lekke bandjes te repareeren, wat een heelen tijd in beslag neemt.

Nadat we er eenige klaar hebben stappen we weer op en nog geen K.M. verder springt mijn achterband weer; ik leg er een andere op pomp hem op en hij loopt ook weer leeg; neem weer een andere en nu gaat het beter. Ik heb vandaag wel een reuzen pech.

Over Zuidcoote, Braij-Dunes gaan we nu naar de Belgische grens, na eerst in laatstgenoemde plaats nog eens goed te hebben gegeten. Bij de Belgische Douane aangekomen moeten we onze papieren voor de fiets laten zien en kunnen hierna weer verder. We rijden nu over Adinkerke naar Veurne, het eerste Belgische stadje, vervolgens langs het kanaal van Veurne Nieuwpoort over Wulpen en daarna pas­seeren we weer het prachtige ge­denkteeken der gesneuvelde soldaten der 4e Legerafdeeling, waar weer veel volk is om het te bezichtigen; wij rijden echter door, ontblooten eerbiedig het hoofd en brengen een stillen groet aan deze ge­vallenen.

Een eind verder ongeveer 1 K.M. van den weg aan den rechterkant staan nog de stukken schoorsteen en muren van de in den oorlog zoo bekende suikerfabriek van Ramscapelle, waarom zoo hardnekkig gestreden werd en even daarna arrivee­ren we in Nieuwpoort.

Op een groot plein bij eene kerk staat een monument voor de gevallenen dat heden of morgen onthuld zal worden, want het is nog met doek bedekt. Er staan een heele troep menschen bij, waaronder er zijn die weenen, hetgeen wel familieleden zullen zijn van de gesneuvelden, waar­voor dit monument is opgericht.

Wij rijden verder en buiten de stad geko­men over de brug van het kanaal van Nieuwpoort arriveeren we al spoedig bij de versterking van Nieuwpoort, waar we nu eens een kijkje gaan nemen.

Direct bij den ingang voorbij het portiers­huisje daalt men af in de versterkte loop­graven, met een vloer van beton en af­rastering met vlechtwerk van hout en zandzakken, alles in hoekvormige richting in verbinding staande met hier en daar aangebrachte ondergrondsche schuil­plaatsen, waarin nog machinegeweeren staan. In een van deze loopgraven zit nog een groote granaat in de zandzakken en men ziet er nog een gepantserden obser­vatiepost en een telescoop.

Verder komt men in de open loopgraven, waar het nog een heele warboel is met de honderden afgeknakte boomen en resten van ijzer en betonwerken; dan komt men aan de eigenlijke rivier de Yser. Als men hier zijn blik over laat gaan, dan wordt het duidelijk dat het er niet pluis geweest is. Het lijkt meer op een modderpoel dan op een rivier. Hier en daar nog een strook of plas water met een roestachtige kleur; verder alles modder, hout, ijzer, fles­schen, blikjes enz. Nu staat er weer meer water in de rivier, maar voor twee jaar terug was hier de modder zoo hard ge­worden dat ik toen dwars door de rivier over de modder kon loopen. Wat verder is een bruggetje en vervolgens een heu­veltje met wat kreupelhout en boom­stronken, waarop den vorigen keer een groote mast stond met de vlaggen der verbondenen: België, Frankrijk en Enge­land.

Hierna gaat men weer naar de onderwe­reld en komt men door een heele reeks van onderaardsche gangen, allen van beton en waar het zoo donker is dat men nauwelijks iets kan onderscheiden, hier en daar is een roostertje, waar wat dag­licht doordringt en verder weer een heele serie schuilplaatsen waarin het stikdonker is welke dienst hebben gedaan als Hos­pitaal, tenminste op den muur bij de deur staat het Rode Kruis.

Wij hebben nu genoeg gezien van deze sporen van den oorlog en gaan nu recht op den uitgang af, hoewel er nog veel meer belangrijks waar te nemen is.

Wij stappen weer op en rijden over den grooten weg tot Middelkerke, waar ik een defect aan mijn voorste spatbord krijg; ik breek er een stuk onder af en maak het overige met touwtjes vast. Hierna komen we weer aan den strandboulevard en weldra rijden we over de gele tegels langs Mariakerke naar Ostende, waar we om­streeks 8 uur aankomen.

Direct gingen we naar het hotel, waar ik al meer gelogeerd heb; alles is hier echter bezet, doch deze menschen zijn zoo vriendelijk een meisje mee te zenden naar een ander hotel, waar we kunnen overnachten; het is in “Hotel des Touris­tes”, Rue Christine 48. Ik geef dit meisje een fooitje en nu gaan we ons wat was­schen enz. en daarna wat opstappen, want het is hier in Ostende een genoegen om door de stad te loopen. Wij koopen een paar ijswafeltjes, wat sigaretten enz. en na een tijdje rondgewandeld te heb­ben gaan we wat eten in een restaurant bij de Haven. Hier dronken we ook nog een glaasje bier onderwijl wij luisterden naar het concert op de kiosk op de Place d’Armes.

Vervolgens gaan we weer naar ons Hotel, waar we nog een tijdje zitten en een paar glaasjes bier drinken. Hierna is het tijd om te gaan slapen en weldra liggen we onder de wol.

We hebben vandaag een echte pechdag gehad, maar, enfin, ons doel voor heden is toch weer bereikt, en we sliepen dien nacht lekker.

(Wordt vervolgd.)


Twee Helmonders per rijwiel naar Londen.

Dagboek van een Toerist door J. A. v. Lieshout, v. Brusselstraat 14, Helmond.

VIII.

Vrijdag 7 Aug.

Het is reeds laat geworden eer we ontwa­ken. Ongeveer half 9 komen wij beneden en maken wij ons reisvaardig. Een flink ontbijt brengt ons op kracht en we bestij­gen onze stalen rossen weer na eerst te voet door de Rue de la Chapelle gegaan te zijn, waar men niet mag fietsen; als we over de brug zijn van de Handelshaven en het Station op de Place van der Sweep, stappen we in de Avenue Senet de Naeyer weer op en rijden verder over de Chaussée de Slykens, Rue Cockeril en Ecluse Slykens den grooten weg op naar Brugge.

Bij Zandvoorde aan de blauwe sluis stap­pen we af, want het is vandaag warm. Wij trekken onze jassen uit, laten onze kruikjes vullen en gaan dan weer verder. Na 15 K.M. gereden te hebben, krijg ik weer een lekke band; terwijl we aan ’t herstellen zijn komt een Roode Kruis Auto voorbij, die naar Ostende reed. Na weer opgestapt te zijn bleek na 2 K.M. rijden dat hier een auto-ongeluk had plaats ge­had. Een vrachtauto stond op zijn kop in eene gracht.

Wij rijden door, doch nauwelijks een kwartier verder krijgt mijn makker ook een lekke band en zijn we genoodzaakt om weer langs den weg te gaan zitten repareeren. Hiermede was weer een heele tijd verstreken, waarop we verder trekken in de richting van Brugge. Bij het naderen der stad kreeg mijn reisgenoot weer mankement aan zijn achterband die langzaam leeg bleek te loopen; even buiten de stad was hij al plat; wij leggen weer een andere band en nu gaat het beter en rijden we door tot Eecloo. Hier gaan we in het Hotel waar we op onze heenreis geweest zijn eens flink eten, want wij hebben er trek in. Wij geven hem hier dan ook een flinken zet en na nog een glaasje bier gedronken, wat cho­colade gekocht en een cigaret opgestoken te hebben, rijden we weer verder. Zoo bereiken we de fraaie oude Stad Gent, waar we zonder afstappen doorheen rij­den, en komen allengs in Lookeren, waar het juist kermis is. Even afgestapt en we drinken op de markt een glaasje limo­nade. Onzen weg vervolgende komen we allengs in St. Nicolaas met zijn groote keien, waar we nu heel wat gemakkelijker overrijden dan met de heenreis. – Alles leert.

Het is intusschen vrij laat geworden en we kunnen Antwerpen nog juist voor ‘t donker bereiken. Na flink doorrijden ko­men we omstreeks half 10 te St. Anna en staan voor de Schelde, waar de stoom­pont juist voor onze neus afvaart. Het duurt echter niet lang of we zijn aan den overkant der Schelde en gaan nu recht op het Hotel af, waar ik aldaar altijd ga logee­ren, n.m. “Oud Antwerpen” op de Markt bij het stadhuis. Hier kunnen we overnachten en na onze rijwielen ge­plaatst en een bokske gedronken te heb­ben, gaan we de stad in, want we hebben nog een paar boodschappen te doen, welke wij te voet afmaken. In het Sport­huis Felix, wilde mijn collega een wollen sportjumper koopen. Weldra had hij zijne keuze gedaan en na nog wat gezellig met het gezin Felix gepraat te hebben bij een biertje (bedoelde Familie Felix kent mij zeer goed, omdat ik er al mijne sportarti­kelen koop) trekken we weer terug naar ons Hotel want het is al heel laat gewor­den. Na aankomst wordt nog wat gezeten op het terras voor het café. Onder het rooken van een cigaret en het drinken van een glaasje bier was het spoedig laat en voor we er erg in hadden is het reeds 2 uur geworden. ’t Werd nu hoog tijd om naar bed te gaan, want we hebben mor­gen tot slot van onze reis nog een fermen rit te maken. Den laatsten nacht in België hebben we niet lang maar toch goed ge­slapen.

(Slot volgt).


Twee Helmonders per rijwiel naar Londen.

Dagboek van een Toerist door J. A. v. Lieshout, v. Brusselstraat 14, Helmond.

IX.

(Slot).

Zaterdag 8 Aug.

Om 8 uur is ’t weer appèl en gaan we ons nu voor onzen laatsten rit van 105 K.M. gereed maken. Na een paar kleine in­koopen gedaan te hebben nemen we in ons Hotel afscheid en vertrekken huis­waarts. Eer we Antwerpen verlaten gaan we nog even naar Felix waar ik een paar nieuwe banden koop want we hebben met ons tweeën maar een reserveband meer, wat voor zulk een rit wel wat ge­waagd is. Verder neem ik hier nog eene nieuwe tricot mee en mijn makker een paar raceschoenen, een flesch masseer­olie en nog een paar andere sportartike­len. Na alles goed verpakt te hebben stappen we op en weldra hebben we Antwerpen achter ons. Wij hebben den wind in den rug; het gaat nu gesmeerd en wij snorren met een vaartje over het mooie fietspad tot Oostmalle.

Hier krijgen we weer den prachtigen te­gelweg en vervolgens komen we aan den enorm slechten weg van 8 K.M.; ieder oogenblik denk ik aan mijn banden of ze het zullen uithouden. Toen we dezen weg bijna achter den rug hadden op een goede 50 Meter na en ik al blij was dat we het er zoo goed afgebracht hebben, pang!!! daar gaat mijn achterband om zeep; een reuzengat is er in; wij loopen een klein eindje en bij een café in den schaduw ga ik de 2 nieuwe banden, welke ik pas gekocht heb, opleggen en wij drinken onderwijl een glas limonade. Ik smeer mijne ketting wat, want die was droog geworden en vooruit gaat het weer, op Turnhout aan. Op de markt al­daar in het tramstation waar ik altijd mijn plaats van afstappen heb, drinken wij een kop bouillon en gaan vervolgens op Oud-Turnhout aan. Ongeveer 4 K.M. achter deze plaats krijgt mijn vriend een lekke band; wij leggen weer een andere en nog geen K.M. verder…. klap!! daar gaat hij weer; nu moeten we onzen laatsten re­serveband aanspreken, en daar deze niet al te best is leggen we deze op het voor­wiel en de andere, welke nog een nieuwe is, op het achterwiel. We staan nu nog ruim 50 K.M. van huis, zonder reserve­banden, dus wij hangen aan een zijden draadje; als we nu nog een lekke band krijgen, komen we vandaag niet meer thuis. Enfin, wij zullen het er maar op wagen en nu gaat het weer verder over Arendonck op de Hollandsche grens af. Bij het Belgische douane-kantoor aan een café gaan we ons Belgisch klein geld op maken; hier wordt nog eens goed gege­ten en we drinken een bokske, hetgeen het laatste is, steken een sigaret aan en rijden vervolgens naar het kantoor der Hollandsche douanen alwaar wij invoer­recht moeten betalen voor onze souvenirs enz.

Hierna stappen we weer op en hebben den vaderlandschen bodem weer onder ons. Met een mooi tempo gaat het nu over de Acht Zaligheden n.l. Reusel, Bla­del, Hapert, Duizel, Eersel, Steensel, Veldhoven en Meerveldhoven en vervol­gens over Gestel naar Eindhoven waar we omstreeks half 7 arriveeren. Verder gaat het over Geldrop waar ik nog even een boodschap heb te doen, daarna over Mierlo naar onze vaderstad Helmond, alwaar we even frisch en gezond arri­veeren als toen we voor een week terug vertrokken.

Bij het door de stad rijden had ik nog een beetje moeite met mijn bundel reserve-banden; ’t riempje had het op ’t laatste moment opgegeven. Ik nam ze toen maar onder mijn arm en kwam omstreeks half 8 thuis aan met onder den arm een bun­del banden.

Hiermede was onze rit geëindigd, welke we niettegenstaande we nog al met pech te kampen hebben gehad (n.m. 15 lekke banden en een gebroken ketting) schit­terend volbracht hebben.

Ook mijn collega heeft zich op dezen toer reusachtig gehouden, waarvoor ik hem bij dezen een extra woord van lof toezwaai, en ik twijfel er aan of eventueele liefheb­bers voor een volgende reis het er wel zoo glansrijk zullen afbrengen als deze 19-jarige knaap.

En hiermede is mijne vacantietoer, welke een prettig verloop heeft gehad, wijl onze verstandhouding steeds broederlijk was, geeindigd en heb ik nu weer tijd over om nieuwe plannen te maken voor het vol­gende jaar.

J. A. VAN LIESHOUT.

v. Brusselstr. 14.

Helmond, 16 Augustus 1925.


Het Dagboek

van 4 leden der Vroolijke Sportbroeders, gedurende hun tiendaagschen fietstocht naar Parijs en terug.

Het besluit was genomen met ons vieren naar Parijs te trappen gedurende onze vacantie. Wie die vier waren? Th. Ver­schuren, A. van Lieshout, H. van Gerwen en de schrijver van het dagboek J. van Lieshout. ’t Was een heele trap vonden de meesten, maar we zijn toch niet voor niets werkende leden van de Vroolijke Sportbroeders meenden wij. Vooruit dus!

Zaterdag 5 Augustus. Vertrek uit Helmond 8,25, doel Brussel, afstand 138 K.M. Wind mee gaat het van een leïen dakje over Eindhoven, Valkenswaard naar de Belgi­sche grens, Neerpelt stop. Kennismaking met de Belgische douanen die onze pa­pieren nazien onze fietsen plombeeren en hun vrees uitdrukken “dat wij het erbij zullen laten steken”. Zij zijn zoo vriende­lijk ons den raad te geven over Lommel in plaats van Hechtel te rijden, daar we dan inplaats van slechte keiën, een fraaien macadamweg kunnen volgen tot onge­veer Bourg Leopold. Over Heppen ging het nu langs de Wielerbaan van Bourg Leopold, door Beverloo met het militaire­kamp en langs de nieuwe kolenmijn naar Beeringen, waar we 11.45 arriveerden. Daar een familiebezoek afgelegd door een der onzen, den inwendigen mensch ver­sterkt en 12.30 verder over Pael, Schaf­fen, Diest, Bequevoort, Winge, St. George, Linden, Kessel Loo naar Leuven. Deze plaats werd aardig geteisterd door den oorlog, doch is nu flink aan ’t verrij­zen. Doch ons doel ligt verder en zoo trappen we door over Berthem, Leefdael, Vassem, Tervueren, Auderghem, Etter­beek naar Brussel, waar we 4.30 arri­veerden. We vinden slaapgelegenheid in Hotel de Florijn in de Kolenbranderstraat 14 bij het Gare du Nord (Noordstalle) en na ons wat opgefrischt en verkleed te hebben, trekken we de prachtige hoofd­stad van België binnen. “Manneken Pis” opgezocht natuurlijk en naar het Alberti Theater, een prachtige bioscoop met piekfijn strijkorkest van 15 man. Na een flink maal en wat inkoopen vroeg naar ’t hotel terug en 10 uur naar kooi, want ’t is een “long way” den volgenden dag.

Zondag 6 Augustus. Vertrek 8.30. Tocht Brussel-Maubeuge 85 K.M. Wij zijn allen vol goeden moed en in de beste stem­ming gaat het recht op ons doel af. De groote keien van Anderlecht, een voor­stad van Brussel, mogen ons in ’t begin te veel hun hardheid doen gevoelen, weldra gaat het beter en snorren wij langs Ruys­broek, Loth, Hal, Lembeq, Tubize, Braine le Comte, Soignies naar Bergen of Mons, waar we een hotel opzoeken, omdat onze maag begint te spreken.

Hier goed gebunkerd, ofschoon wat duur, maar enfin daar ben je voor op stap en nu op de Fransche grens af, die we te Bellignies passeeren. Daar moeten drie mijner reisgenooten 3 K.M. terug naar het Belgische douanekantoor om een pas-avant voor hun rijwiel te halen, kosten 2 fr. de persoon. De N. W. B. had daarvoor voor mij gezorgd. Intusschen was het gaan regenen, zoodat we besluiten in een café aan de grens wat te schuilen. We hebben wel een pret maar ’t kost ons 2 uur oponthoud. De laatste 8 K.M. flink afgetrapt en zoo zijn we 5.30 te Mau­beuge, waar we een hotel vinden op Place Mabuse.

Maubeuge, een kleine vestingstad, gele­gen aan de samenvloeiing van de Maas en Sambre biedt door sterke stadspoorten toegang tot haar stille straten, waarvan de huizen door den oorlog zeer verwoest zijn. Na ons verkleed te hebben, gaan we de stad eens bezichtigen, een glaasje bier drinken bij een gezellig strijkje en te 10 uur ter kooi.

Maandag 7 Aug. Vertrek 8 uur. Tocht Maubeuge-Saissons 126 K.M. Zeven uur opgestaan, alles in orde gebracht, duchtig gegeten en te 8 uur afgetrapt.

Wind tegen en hooge bergen beloven een zwaren dag. De eerste 20 K.M. leggen we dan ook in 1½ uur af. In Avesnes naar een apotheek voor een smeermiddeltje, want een onzer voelt een minder aange­name gewaarwording, op de plaats waar de rug van naam verandert. De apotheker noch medebewoners kunnen ons verstaan maar enfin met een gebarenspel kan je het ver brengen. Wij krijgen het ge­wenschte middel en weer verder de ber­gen in over La Capelle, Elreaupont, Ver­vins. Daar krijgen we een kanjer van een berg, waar ik mijn hart eens aan ophaal. Door zigzagswijze er tegen op te trappen bereik ik den top en zoo zit ik al heel ge­lukkig in den hemel me te verkwikken aan aardsch vocht, terwijl mijn reisgenooten nog in de hel zitten. Daar komen ze aan­gestapt en nu gaat het verder over Marie naar Laon, passeerend drie verwoeste dorpen n.l. Troidmont, Verneuil en Cham­bry. Laon is verrukkelijk gelegen op een zeer hoogen berg, zoodat men deze stad uren ver ziet, terwijl de kathedraal op den top den geheelen omtrek schijnt te be­heerschen. Hier wat rond geloopen en ’t schoon bezichtigd, in een gezellig cafétje wat gerust en met een reuzenvaartje naar beneden, waar het oorlogsveld met al zijn verwoestingen in treurige verlatenheid voor ons ligt met het front van Soissons. We passeeren Chivy les Etouvelles, Etou­velles, Urcel, Chavignon, Veurains, Laf­faux, Nanteuil la Fosse, Veuveny, Margi­val, Vuillery, Braye, sous Perrière en Crouy van welke de meeste totaal van ’t aardrijk zijn verdwenen. Het is een en al woestenij, een groote ruïne. Langs den weg zijn kerkhoven van gesneuvelde sol­daten, waaronder een van het 172e Fran­sche regiment infanterie en een prachtig graf van marmer met een afsluiting van 4 groote granaten door kettingen met el­kaar verbonden. Achter Chavignon een vernielde auto, langs den weg ontwor­telde boomen, granaattrechters van ont­zaglijke diepte en een zuivere waterbron ontspringende op de rotsen, waar we wat gaan zitten om te eten en te drinken, om vervolgens naar Soissons te peddelen, en te 8 uur aankomen. Ofschoon een ieder zien kan dat deze stad een prachtstad geweest is, ligt ze nu grootendeels in puin. Na veel zoeken een uithangbord gevonden, waarop Hotel Meukles waar we konden blijven. Ons verkleed, gewas­schen, gegeten en op stap. Winkels zon­der klanten, ledige straten, prachtige, kolossale kerken tot puin geschoten een troosteloos schouwspel! Hier en daar sporen van opbouw. We keeren naar ons hotel terug en slapen om 10.30 als mar­motten.

Dinsdag 8 Aug. Vertrek 8 uur. Tocht Soisons-Livry 80 K.M. Alweer wind voor en bergen beklimmen en daarbij nog groote keien. In ’t begin gaat het rijden goed maar weldra afgestapt en getippeld. ’t Wordt beter en we stappen weer op. Hier vind ik de eerste ongeschonden pa­tronen en verder zien wij een nog gela­den groot granaat. We willen het als sou­venirtje in ons vestzakje steken, maar we zijn bevreesd, dat dit zou uitscheuren als we 50 pond er inladen. Na een poosje motregen, die overgaat in een flinke bui. Afgestapt, de regenjassen te voorschijn gehaald en beschutting gezocht onder de boomen. Toevallig zit bij mijn boom een granaat. Ik probeer die er uit te halen, maar er is geen beweging in te krijgen. Intusschen wordt de bui minder, we stappen op zoekend naar een huis. Te vergeefs. We komen in het bosch Forêt de Villers-Cotterets. Intusschen een stortregen, maar er blijft ons in deze een­zaamheid niets anders over dan over ont­zaglijk groote keien ons door elkaar te laten schudden gedurende 21 lange kilo­meters.

Te 9.45 te Villers-Cotterets naar de Bank om geld te wisselen en naar een restau­rant om te schransen. Warm eten met een flesch witte wijn per hoofd knapt ons op. Den coiffeur een bezoek brengen, een kaartje naar huis sturen en vooruit nu de regen is opgehouden. Zoo rijden we over La Ferté Milon, Mareuil, Neufchelles, May en Multien, Chambry naar Meaux. De regen komt weer aandrijven en mijn makkers spreken om te overnachten. Na wat praten beweeg ik ze en flesch wijn te drinken en ons te versterken met choco­lade, eieren enz., waarop we verder over Chauçonin, Claye, Villéparisis, Vaujours te Livry, 17 K.M. van Parijs belanden, waar we besluiten wegens het vallen van den avond te overnachten. Na wat zoeken hebben wij een hotel gevonden, gegeten en gaan te bed. Een zwaren dag ligt achter ons, maar het beloofde land op 17 K.M. afstand. Morgen zullen we ons doel bereiken.

Woensdag 9 Aug. Vertrek 8 uur. Tocht Livry-Parijs 17 K.M. Om 7 uur uit de vee­ren, kleeren geborsteld, schoenen ge­poetst, goed gegeten en om 8 uur naar het eindpunt van ons doel, Parijs. Het wordt op den weg drukker en drukker, men ziet het dat we een groote stad na­deren.We rijden over het trottoir, want de Fransche keien zijn onhebbelijk en het mooie paadje is lekker. In de verte 3 agenten per fiets. Zij komen recht op ons af en beginnen te kloppen en bewegingen te maken, en ons iets te vertellen, maar we verstaan er geen sikkepit van, al snappen we wel dat het over het trottoir­rijden gaat. Ik zeg hun: “Parler Hollan­dais”, en toen was alles goed. Wij rijden ongestoord verder. De Hollanders schij­nen goed gezien in Frankrijk. ’t Is 10 uur daar bereiken wij Parijs. Eerst een hotel opzoeken. Het Hotel de Londres et An­vers, Boulevard de Morgenta 133 zal ons herbergen. Nu onze rijwielen gestald in het Gare du Nord, waar we wat moeite hebben den beambte bij te brengen, dat ze niet verzonden, doch alleen bewaard moeten worden. Naar het hotel terug om onze koffers weg te brengen en de stad in. Eerst kaarten gekocht, een telegram van goede aankomst naar huis gezonden en in het Hotel des Invalides op de Place de l’Opéra wat gebruikt. We gaan over de Champ d’Elisées, Arc de Triomphe naar het graf van den onbekenden soldaat. Arc de Triomphe met zijn 265 treden opge­klauterd een kijkje over geheel Parijs ge­nomen, daar kaarten gekocht en naar den Eifeltoren. Entrée 5 fr., hoogte 300 M.

Met de lift de hoogte in. Bij 100 M. durft een onzer niet verder. Wij vervolgen on­zen weg en bereiken het hoogste punt. Een indrukwekkend gezicht, geheel Parijs met zijn voorsteden, ligt aan onze voeten en de Seine lijkt een zilver lint, dat er tusschen door slingert. De menschen zijn zoo klein, we kunnen ze nauwelijks on­derscheiden. In de lift onze moedertaal gehoord van een Friesche dame, die in Parijs woont. Zij vertelt van een pas on­dernomen reis naar Bretagne aan een andere dame die haar vergezelt. Dan naar de Pont d’Alexandre III, per autobus weer terug naar ons punt van uitgang en wat gaan eten, buiten achter tochtschermen in Hotel Restaurant Belge, Rue St. Quen­tin. Ons uitstekend vermaakt. Nu naar Montmartre, waar veel te zien. Per tram terug tegen etenstijd. In ons oud restau­rant een Chineesche jongen, die kunst­voorwerpen verkoopt en opeens Hol­lansch spreken. Daar staan 42 man, abonnées van Het Volk, die een vacan­tiereis over Duitschland en Luxemburg naar Parijs maken en via Brussel weer naar Holland terugkeeren.

Wij vertellen van onze reis en we slijten eenige genoeglijke uren met onzen land­genooten.

Wordt vervolgd.


Het Dagboek

van vier leden der Vroolijke Sportbroe­ders, gedurende hun tiendaagschen fietstocht naar Parijs en terug.

Vervolg.

Donderdag 10 Augustus. Vertrek 9½ uur. Tocht Parijs-Amiens 130 K. M. Te 7 uur opgestaan, ons reisvaardig gemaakt, eenige souvenirs gekocht en naar Rue de St. Quentin om ons geducht te verster­ken. De rijwielen gehaald met moeite den weg gevonden en te 9½ uur op weg. Een prachtweg met z.g. kinderhoofdjes voert over Pantin, Babigny, La Courneuve, naar St. Denis. Nu wordt de weg iets beter en we passeeren Pierrefitte St. Brice, Moi­selles, Presles, Beaumont altijd dalend, soms met een sneltreinvaart. Verder over Neuilly, Cires, Balagny, Mauy, Angy naar Clermont, waar de wegen prachtig zijn. Dan gaat onze weg langs Etouy, Bulles, Essuilles, St. Just-en-Chaussée, Wavig­nies, Beauvoir, Breteuil, Paillart, La Fa­loise, Chaussoy, Epagny, Berny, Ailly-sur-Nove, Guyencourt, Cottenchy, Boves, Cagny, naar Amiens.

Deze toer beantwoordt aan de hoogste eischen, die een fietser slechts kan stellen en hier en daar bemoeilijkt een berg on­zen tocht.

Twee vliegtuigen, waarschijnlijk van de verbindingslijn Parijs-Brussel, strijken over ons heen. In Clermont een café opge­zocht en witte brood met vleesch laten aanrukken met een flesch witte wijn. De wijn bijzonder goed, ik wordt er wat aar­dig van. Goed gegeten, een sigaret opge­stoken en vooruit. Maar een lek bandje van een van ons stelletje doet ons stop­pen. We hebben door prikkeldraad gere­den. Twee jongens zeggen ons in ’t Hol­landsch, dat er op den weg prikkeldraad ligt. Verbaasd Hollandsch te hooren, ver­tellen ze uit Vlissingen te komen, op weg naar Parijs, gelokt door een werfagent. In plaats de goede verdiensten, die hun voorgespiegeld zijn moesten ze 80 fr. missen voor een reis, die slechts 40 fr. kost en na 14 dagen werken hebben ze met tweeën 25 fr. verdiend. De Holland­sche consul had hun gezegd in Holland te blijven, en zoo keerden ze naar huis te­rug. We geven ze eenige francs, waar ze heel blij mee zijn en na elkaar een goede reis toegewenscht te hebben gaat het weer verder tot een kettingdefect, dat spoedig hersteld wordt, weer oponthoud vraagt. Te 7 uur komen we in Amiens. Gauw een hotel gezocht. Jongen, jongen zoo iets fijns! Twee kamers, een geheel rose, de ander licht-blauw vinden we in de Rue du Bloc 2 in Degustation du Bloc. Verkleeden en opfrisschen en de stad in. Een fraaie stad met bewonderenswaar­dige kathedraal en monumentalen klok aan de Rue de Vergeaux. In een café iets te eten verzocht, deden wij ons maal met cognac en sardines. ’t Is een smakelijk kostje. ’t Wordt zoetjesaan bedtijd en dus wel te rusten.

Vrijdag 11 Augustus. Vertrek 8 uur Amiens-Rijssel 117 K.M. Klokke 7 uur uit de veeren en om 8 uur zonder ontbijt op marsch. We hadden te vergeefs naar iets te bikken uitgekeken en zijn van plan in het eerste dorp de beste ons ontbijt te koopen. Doch ook hier niets. Eindelijk te Talmas daar kunnen we terecht. We laten zien, dat we heel wat kunnen verwerken als we zoo fietsend de wereld rondtrek­ken en doen het brood met leverpastij, de koffie met cognac alle eer aan. De rijwie­len wat gesmeerd en voort gaat het den bekenden berg van Doullens af. Het zooeven verorberde doet nu nut we halen de hoogte schitterend. In Doullens een Fransche vlag gekocht, voor op den fiets bevestigd en den 2en berg beklommen. Maar hier moeten we het onderspit del­ven en we kuieren dan ook het laatste stuk naast onze wielen naar boven. Nu komt Pommera, Daimville waar we een Engelsch kerkhof zien, en Arras, vervol­gens rijden we over St. Cathérine naar Lens.

Hier passeeren we wederom het front. We stappen af om in de loopgraven een kijkje te nemen. Trechters van 25 tot 30 M. diepte, loopgraven en mijngangen van niet te bepalen diepte, prikkeldraadver­sperringen, kerkhoven, ononplofte patro­nen en granaten, allerlei soort geweren, laarzen, gasmaskers, handgranaten, bommenwerpers, beenderen, vorken , flesschen, groenten, en sardineblikjes kortom alles wat ten tijde van den oorlog gebruikt is, ligt hier nog dooreen. In een mijntrechter van plm. 25 M. diepte vind ik 2 compleete geweren, een bajonet, En­gelsch model, een groote granaat, 2 handgranaten, 3 handbommen, 1 gas­masker behalve eenige kleinigheden en granaatscherven. De bajonet, benevens patroonhouder, 5 ongebruikte patronen en een zilveren vork, enkele andere pa­tronen en een stuk been neem ik als sou­venier mee naar Holland. We vinden ver­derop een onontplofte granaat van 30 c.M.


Het Dagboek

van 4 leden der Vroolijke Sportbroeders, gedurende hun tiendaagschen fietstocht naar Parijs en terug.

(Vervolg van het eerste blad).

doorsnee, en een gewicht van 60 à 70 K., bij 80 c.M. hoogte. We hebben weldra genoeg van deze sporen van den gruwe­lijken oorlog en rijden op Lens af. Deze stad, die tot den grond is gelijk gemaakt is men wederom aan ’t opbouwen. Er is echter te veel vernield dan dat men hoop heeft de stad spoedig te zien herrijzen. Noodgebouwen en meestal van hout op­getrokken woningen bieden de inwoners een onderdak. Over Annay, Carvin voor­uit, doch hier begint het lieve leven weer met de keien als kinderhoofdjes, die je zoo doen schudden en schokken, dat je meent je ingewanden in je kuiten terug te zullen vinden. Zoo gaat het over Champhin, Seclin, Wattrynies. Bij Loisson een lekje gemaakt en ook ik krijg mijn eerste lekke band. Eerst waren we van plan naar Kortrijk te trappen doch nu we in Rijssel zijn besluiten we er te over­nachten. Op zoek naar een hotel vinden we er een met veel moeite in de Rue de Inkerman, waar het hotel Maubert ons wil opnemen. Onze rijwielen gestald, ons verfrischt en verkleed gaan we een glaasje wijn drinken en de stad bezichti­gen. Te 11 u. liggen we onder de wol.

Zaterdag 12 Aug. Vertrek 8 u. Tocht Rijs­sel-Antwerpen 130 K.M. Te 7 uur reveille, alles in orde brengen, flink eten en op stap. De eerste 30 K.M. door Rijssel, Mors, Barceul, Wasquehal, Croix, Rou­baix, Aalbeke, Kortrijk is het weer een bolderen over de keien van je welste, vooral in Croix en Rouldix is het geweldig. Een lekke band in Roubaix gaf opont­houd. In Kortrijk een paar sigaretten koopen en dan de prachtige Gentsche baan op waar langs een juweeltje van een fietspad, wind in den rug, zoodat we momenten van 28 K.M. en meer loopen. Te Gent laten we ons scheeren, de baard hoor bij een coiffeur, een echt Gentenaar, joviaal mensch, gezellig prater. Hij vindt het “schoon zulle” dat we zulk een rit durven maken, hij laat ons eens opsteken en met een hartelijken handdruk nemen we afscheid. De stad in om iets te eten en geld te wisselen en dan de Antwerpsche baan op met een tip-top fietspad en wind mee. Alleen mijn slap wordende band te Lokeren, onderbreekt onze 25 K.M.-vaart. Afstappen, oppompen, een potteke bier en vooruit op Antwerpen af. In minimum van tijd hebben we dan ook St. Nicolaas achter ons. De keien zelfs waren voor ons geen struikelblokken meer. Alles leert. Nog een half uur en we staan aan de Schelde met Antwerpen aan de overzij. Kaartjes nemen en met de stoompoort overvaren was een oogenblikje. Half ze­ven zetten wij voet aan de wal van Ant­werpen. Regelrecht naar het hotel, waar ik al meer heb gelogeerd. En waarlijk we kunnen terecht. Wasschen, borstelen, poetsen en ons stelletje gaat lustig op pad. We boffen, ’t is juist kermis! Het stadhuis prachtig geïllumineerd, soldaten maken parade op de markt en overal mu­ziek. ’s Avonds of beter ’s nachts wat dol van ’t Bokjes drinken naar bed, maar en­fin ’t besluit was toch genomen, om nog een dagje daar te blijven.

Zondag 13 Augustus. Weer monter bij ’t opstaan en spoedig weer de stad in. Overal optochten en betoogingen en mu­ziek. Zooveel te zien dat we moe van het rondloopen besluiten ’s avonds naar de Schouwburg te gaan. We nemen een kaartje voor de opvoering van de Revue “Anvers for Ever”, in het palladium Rue Appelmans. ’s Avonds in de Schouwburg weten we niet wat meer te bewonderen de decoratie, het orchest of de eerste klas artisten die hier optreden, terwijl de revue ook schitterend is. Na afloop ons hotel opgezocht en ’s nachts om 2 uur naar bed. Besloten zijn we morgen onzen laat­sten toer te maken.

Maandag 14 Augustus. Vertrek 10 uur Tocht Antwerpen-Helmond, 105 K.M. Te 9 uur present, de bullen in orde gebracht en precies 10 uur vertrekken we van de Gare du Midi de Turnhoutsche baan te­gemoet. Een hobbelpartij over de keien tot Deurne maar dan een prachtige fiets­pad. Tot Oostmalle gaat het gesmeerd, maar dan moet mijn band gevoed wor­den. Een nieuwen weg van fraaie tegel­tjes voert naar Turnhout. Hier afstappen, ’t een en ander koopen en ons Belgisch kleingeld opmaken aan een biertje enz., oppompen en vooruit naar Arendonck, waar we te 2 uur aan de grens komen. Wachten een half uur voor de terugbeta­ling van de gestorte gelden voor onze rijwielen door de Belgische douanen. Nu komen de Hollandsche douanen. Visitatie, invoerrechten voor onze souvenirs uit Parijs en dan in een mooi vaartje door de Achtzaligheden over Eindhoven, Geldrop, Mierlo naar onze vaderstad. Hier arrivee­ren we te 6½ uur door dat we een lekke band bij Zesgehuchten moesten repa­reeren. Zoo zijn we in Helmond terug even frisch en gezond als toen we voor 10 dagen vertrokken en hebben we onze vacantiereis geëindigd zonder ongeluk­ken.


Weer een mooi fietstoertje van Jan­tje van Lieshout.

De bekende Helmondsche taaie wielrijder de heer J. A. van Lieshout heeft met de Paaschdagen nog eens laten zien, dat hij als wielrijder op het gebied van groote afstanden maken, wel haast de eerste van Nederland zal zijn. In 2½ dag werd n.l. door hem met een kameraad per rij­wiel een afstand van niet minder dan 465 K.M. afgelegd.

Op gebruikelijke wijze geeft Jantje zelf eene beschrijving van zijn tocht, welke wij hier laten volgen:

Als naar gewoonte heb ik ook nu met de Paaschdagen weer een Paaschtoertje gemaakt met mijn collega van ’t vorig jaar, den heer Jac. Verberne.

Wij hadden nu de volgende route uitge­kozen Helmond, Bergen op Zoom, Vlissin­gen, Gent, Audenaerde, Ninove, Brussel, Leuven, Diest, Leopoldsburg, Helmond, in totaal 465 K.M.

Wij vertrokken Zaterdag voormiddag om half elf en nadat wij in Bergen op Zoom (105 K.M.) een half uurtje gerust en wat gebruikt hadden stapten wij weer op om nu in één rit door te rijden tot Middelburg waar wij pl.m. kwart voor zeven arriveer­den. Wij maakten hier een klein rondritje door de stad, gingen het prachtige stad­huis even bezichtigen en stapten toen weer op om de laatste 6½ K.M., welke ons nog van Vlissingen scheidden af te gaan draaien. Precies om half 8 kwamen we hier aan en hadden toen 185 K.M. achter den rug.

Nadat wij Zondagmorgen om 7 uur in Vlissingen ter kerke waren geweest gin­gen wij eene wandeling maken over de Kade en den Strandboulevard en daarna weer naar ons Hotel “De Beurs”, Beurs­plein 7, om ons ontbijt te gebruiken. Te­gen 10 uur gingen wij naar de boot welke ons over de Schelde naar Breskens zou brengen en om 10 uur voer den boot naar de overzijde der rivier, hetgeen precies een half uur duurde en hadden wij de stad van Michiel de Ruijter weer verlaten.

Nu reden wij in ’n vlot tempo dwars door Zeeuws Vlaanderen in de richting van IJzendijke en kwamen bij het dorpje Wa­tervliet aan de Belgische grens, waar wij zonder af te stappen konden passeeren; vervolgens stevenden wij op de fraaie hoofdstad van Oost-Vlaanderen, Gent af.

Toen wij deze stad waren gepasseerd reden wij in Zuidelijke richting den weg naar de eveneens zeer oude mooie plaats Oudenaerde. In deze stad gingen wij wat gebruiken en nadat wij hier een vol uur vertoefd hadden vertrokken wij weer in de richting van Ninove, welke plaats wij via Nederbrakel bereikten. Wij waren nu nog 25 K.M. van ons doel voor vandaag, Brussel. Omstreeks half 8, dus weer mooi op tijd kwamen wij hier aan. Wij reden terstond naar ons Hotel “Oud-Antwerpen Rue de Cucheret 21, en toen wij ons hier eens flink verfrischt hadden gingen wij eene rondwandeling maken door België’s fraaie hoofdstad. Het was al vrij laat toen wij naar bed gingen om wat rust te ne­men na een rit van 135 K.M.

Maandagmorgen omstreeks 9 uur waren wij weer present en nadat wij een ferm ontbijt hadden genomen en daarna nog wat hadden blijven zitten praten stapten wij allengs op om onzen laatsten rit te maken. Toen we even buiten de stad waren gekomen deden we onze boven­kleederen uit want het was warm gewor­den en daarna ging het verder in de rich­ting van Leuven, verder langs Diest en Beeringen naar Leopoldsburg, waar we nog eens goed gingen eten alvoren wij de laatste 60 K.M. gingen verwerken. Prie­cies 5 min. voor half 5 vertrokken wij hier weer en na flink door gepeddeld te heb­ben arriveerden wij omstreeks kwart voor 7 weer in Helmond, zoodat wij onze Paaschtoer met succes hadden volbracht.

J. A. v. Lieshout.


De Pinkster-toer van Jantje van Lieshout.

Onze stadgenoot-groottoerist schrijft ons: In gezelschap van den heer Jac. Verberne vertrok ik op Zondagmorgen om pl.m. 7 uur uit Helmond en maakten wij den vol­genden dagrit:

Helmond, Weert, Maeseijk, Sittard, Heer­len, Aken, Rotgen, Monschau, Butgen­bach, Malmedy, Stavelot, Trois-Ponts, Sprimont, Remchamps, Aijwaille – waar­mede wij er ondanks hooge bergen o.a. bij Elsenborn (631 M.) en brandende zon 220 K.M. op hadden zitten.

Des Maandags 2e Pinksterdag vertrokken wij om half elf weer uit Aijwaille en ging het toen weer over Comblain du Pont, Esneux, Tilff, Luik, Visé, Gronsveld, Maastricht, Lanklaer, Maeseijk en Weert naar Helmond, waar wij omstreeks half acht arriveerden na 160 K.M. afgelegd te hebben, dus in totaal in 2 dagen 380 K.M.

Het is weer eene interessante rit geweest door de mooie Eifelstreek en het mooiste gedeelte der Belgische Ardennen. Vooral de rivier de Amblève evenals de Ourthe bieden den toerist het schoonste uit de Ardennen, vandaar is Aijwaille dan ook een door mij zoo graag bezochte plaats en ik kan eventueele adspirant-toeristen deze door ons gemaakte reis met warmte voor hun e.v. vacantietoer aanbevelen. Ik zal eenieder met het verstrekken van in­lichtingen van dienst zijn, ook voor toch­ten naar andere gewesten. Trouwens de aanvragen om inlichtingen voor rijwiel­tochten komen bij mij talrijk binnen, waaronder zelfs van groote afstanden en ik mocht reeds talrijke dankbetuigingen van met succes volbrachte tochten van rijwiel-toeristen ontvangen.

Mijn adres is: van Brusselstraat 14.


De bekende Helmondsche wielrenner J. A. van Lieshout heeft met zijn kameraad Jac. Verberne tijdens de Paaschdagen weer een buitenlandsche fietstocht ge­maakt, namelijk van Helmond naar het zuiden van België tot aan de Fransche grens bij Givet, verder door de prachtig­ste streken der Ardennen, langs Spa en Eupen naar Aken, en vervolgens door Zuid-Limburg langs Heerlen, om ten slotte over Weert den terugtocht naar huis te maken. In totaal werden niet minder dan 450 K.M. afgepeddeld.

In een onzer volgende nummers geven wij eene beschrijving van dezen tocht.


HELMOND, 20 April ’33.

We ontvingen gisteren een tweetal prent­briefkaarten, een uit Beauraing en een uit Banneux, de Belgische plaatsjes, welke den laatsten tijd zoo in het centrum der belangstelling staan door de wonderbare verschijningen van de H. Moeder Gods, welke er zouden hebben plaats gehad. Onze stadgenoot-toerist blijkt zijn Paasch-tocht naar genoemde plaatsen onderno­men te hebben en stuurde ons vandaar ’n vriendelijken groet en bericht van welsla­gen van het “tochtje”.


21/4 27

Een 4-landenrit van twee Helmond­sche wielrijders.

Zooals wij reeds in ’t kort gemeld hebben, werd met de Paaschdagen door de be­kende Helmondsche wielrenners J. A. van Lieshout en Jac. Verberne weer een enorme rijwieltocht gemaakt, waarbij zij niet minder dan vier landen bezocht heb­ben.

Uit Givet (Frankrijk) ontvingen wij van de kloeke rijders een prentbriefkaart, waarin zij meldden, welke reis zij tot dusver ge­maakt hadden en nog maken wilden, zijnde in ’t geheel een afstand van 450 K.M. in 2½ dag. Volgens hunne mede­deeling waren zij zich door dezen rit aan het prepareeren voor een nieuwen grooten rijwieltocht, welke zij met Hel­mondsche kermis willen maken van Hel­mond naar Basel (Zwitserland) langs den Rijn. Met het oog op de prestaties door v. Lieshout en zijne kameraden bij vroegere buitenlandsche rijwieltochten en thans weer getoond, mag men verwachten dat de a.s. kermisreis ook wel weer zal geluk­ken.

Zooals gebruikelijk heeft Jantje van Lies­hout weer een beschrijving gemaakt van dezen laatsten Paaschtocht, welke wij hieronder laten volgen.

Zaterdag om 11½  uur zijn wij uit Hel­mond vertrokken en legden toen nog een afstand af van 145 K.M. n.m. Helmond-Hasselt-St.Truiden-Hannut-Namen, in welke laatstgenoemde stad wij bleven overnachten.

Den volgenden dag reden wij langs de Maas naar Dinant, Hees, Agimont, aan de Fransche grens, waar juist de eerste deelnemers van de prestatie Eindhoven-Parijs-Eindhoven arriveerden. Met enkelen van hen maakten wij een praatje. Deze keken echter vreemd op toen zij verna­men dat wij per fiets van Helmond kwa­men. Het was toen ongeveer kwart na twaalf, dus deze mannen hadden ook niet stil gezeten; sommigen waren zoo zwart van het stof dat ze bijna onherkenbaar waren. Na hen een goede reis te hebben toegewenscht, reden wij toen verder naar Givet, door welke plaats wij een ritje maakten om een en ander op te nemen en eenige kaartjes te verzenden. Onder­wijl passeerden er nog meerdere deelne­mers van voornoemden prestatierit en konden wij hun bij de Maasbrug nog goede diensten bewijzen, daar velen niet wisten of zij hier over de brug moesten of niet.

Wij vervolgden toen onzen tocht door de Ardennen lang Beauraing, Rochefort, Marche Hotton, Bomal naar Aijwaille, welke weg leidt langs verrukkelijk prach­tige landschappen. In laatstgenoemde plaats besloten we te overnachten en namen wij onzen intrek in Hotel “Des Ar­dennes”.

Den derden dag, dus Maandag 2e Paaschdag, vertrokken we reeds vroeg uit Aijwaille, want het was onze laatste dag en we hadden nog een lange weg te ma­ken. We reden toen langs Remouchamps naar Spa, waar we weer even vertoefden, want het is hier verrukkelijk mooi en enorm druk. We gingen bij de bron een Origineele Spa drinken voor 25 centimen en na nog eens links en rechts rondgeke­ken te hebben stapten we weer op en nu ging het geducht omhoog. We reden langs Sart naar Verviers, hierna langs Limbourg en Eupen naar Aken. We waren dus eensklaps in “Das grosse Vaterland”; echter niet lang want we verlieten het weer langs Richterich en stevenden toen op Heerlen af; vervolgens langs Sittard en Susteren naar Maeseijk, waar we weer in België kwamen. Vervolgens reden we voor den 7en en laatsten keer over eene landsgrens te Stramproij bij Weert en toen ging het op Helmond af, waar we omstreeks kwart na 7 arriveerden.

Hiermede hebben wij onzen Paaschtoer, genaamd de vierlandentoer, met succes beëindigd, en is dit een mooie oefenrit geweest voor onzen a.s. Kermistocht naar Zwitserland.

De totale afstand van den thans vol­brachten tocht is 450 K.M.

J. A. v. LIESHOUT

v. Brusselstraat 14.



Hierbij aan U voorgesteld J. v. Lies­hout Amateur-Toerist Helmond.

Een sportman uit één stuk, iemand al munt hij niet uit door snelheid, een ener­gie bezit al menige. De wedstrijd die hij begint eindigt hij absoluut, (indien niet altezeer door pech achtervolg, zoodat het onmogelijk zoude zijn)

Het volgende afgeluisterd gesprek tus­schen twee oude Helmondenaren, echte sportmenschen, zegt genoeg. Het ge­sprek speelde zich n.l. af bij een Compe­titie wedstrijd der V.S.B. Een toeschouwer wilde reeds opstappen terwijl een ander hem vasthoudt en zegt ze zijn er nog niet allemaal: (de menneke, wittewel van van Lieshout kumt nog dè moete mar is kieke) dus wel een bewijs, dat iedereen ver­trouwen stelt in zijn volhouden. Thans ter zake.

Door de wielerclub “De Vroolijke Sport­broeders” werd besloten op de vergade­ring hun bovengenoemd lid af te vaardi­gen naar den 24 uur rit van de Germaan Amsterdam, en welke rit door hem dan ook schitterend werd uitgereden zonder strafpunten. Wij vernamen aangaande dien rit het volgende:

Zaterdag 18 Augustus met den trein 8.08 uur begaf hij zich naar Amsterdam; aan­komst 10.51 uur W. P. station.

Na in de rijwielbewaarplaats zijn nieuw karretje gehaald te hebben, hetwelk daags te voren verzonden was, en nog eens goed nagekeken te hebben, begaf hij zich op weg naar het clubhuis der W.C. “De Germaan” Café “Métropole” op het Rembrandsplein, waar de kennisma­king met den waard den Heer Doon, een alom bekend wielersportman, en den oud Amateur Mast uit Nijmegen plaats had. Onder een bakje koffie even gezellig ge­praat, toen even met den heer Mast de stad in om een en ander in te slaan voor den grooten tocht, waarna wij ons bege­ven naar de plaats van afrijden, waar zich al een flink aantal deelnemers verza­melde, de contrôlekaarten werden afge­stempeld, en er bleken 143 deelnemers te zijn. Intusschen was het gaan regenen hetgeen nu precies voor vele niet opbeu­rend werkte, maar voor een sportman als ons “Jantje” beteekende zulks niet veel, ofschoon zijn splinter nieuw karretje het toch zal moeten ontgelden, was hij alleen met zijn gedachte daar, om zijn naam en die van de V.S.B. hoog te houden. Een groote menschenmassa had zich op het Rembrandsplein verzameld, welke danig het opstellen van den stoet hinderde, maar door flink optreden der organisators en politie gelukte het toch, en zette de stoet geëscorteerd door controle auto’s zich in beweging, het was toen 4 uur. Door de Utrechtschestraat, Frederiksplein, Oosteinde, Hoogesluis, langs het Amstel-Hotel en Weesperzijde, toen een klein oponthoud voor de geopende Diemer-brug waar zij op een malsche regenbui werden getracteerd; “Jantje” achtte het raadzaam zijn regenjas aan te trekken. Daarna ging het met een flink vaartje na Muiden waar hij ag dat de bruggeman weder aanstalten maakte de brug open te draaien, een flink spurtje en hij met en­kele anderen kon nog passeeren, een heel stelletje moest echter wachten, welke even daarna toch weder wisten in te loopen.

Het ging nu over Muiderberg, Naarden, het Bosch van Bredius, waar het terrein bergachtig is, om even daarna een flinke helling te krijgen, waar “Jantje” het eerst met de pech kennis maakte, zijn ketting er af liep en bekneld raakte, waardoor hij een flinke salto mortale demonstreerde, na enkele vergeefsche pogingen om haar wederom er op te leggen, hetwelk echter niet lukte, zag hij zich genoodzaakt zijn  karretje aan de hand te nemen, en te voet na Laren te loopen, circa een afstand van 2½ K.M. Onderweg trof hij nog een collega met gebroken ketting, welke den strijd opgaf. Zoo iets kwam echter bij hem niet in gedachte, men had hem af­gevaardigd en dat vertrouwen zou hij niet beschamen.

Kost wat kost. Welke mooie liedjes hij onderweg gezongen heeft vertelde hij niet, dat zullen degenen, die ook meer­malen met pech te kampen hadden, wel begrijpen.

In Laren naar een rijwielreparateur, deze had geen tijd, maar stuurde hem naar een anderen, en daar bleek dat een nieuwe ketting gelegd moest worden. Dit geschied zijnde weder met nieuwen moed er op (de achterstand was nu ¾ uur) en getracht voor de controle of minstens voor den donkere het peleton weder te bereiken. Hij zou thans laten zien wat men kan bereiken als men een wil heeft, met bijna bovenmenschelijke krachten ving hij den strijd aan, tranen rolden over zijn wangen als hij dacht wat hem de pech thans zou kunnen ontnemen.

De gedachte aan zijn Club, wier naam hij moest verdedigen, gaf hem dan ook de kracht. Hij passeerde achtereenvolgens Eemnes-binnen, Eemnes-buiten, Soest­dijk, Soest, Amersfoort, onderweg zijn tijdtabel en plaatsenlijst met de klok con­troleerend, zag hij te Hoevelaken dat hij reeds een kwartier ingehaald had, daar hij nu nog 38½ K.M. van Apeldoorn was, gaf hem dit meer moed en met nog meer snelheid begon hij de achtervolging, het ging met een reuzenvaartje langs Voort­huizen, Oud- en Nieuw Milligen, Aardhuis en Hoog Soeren tot hij bij Echoput zijn pogingen beloond zag en het peleton inhaalde juist voor de controle, zoodat hij geen strafpunt te boeten kreeg. Na een boterham verorberd te hebben (wel ver­diend) kruikjes gevuld en licht ontstoken te hebben, zette de stoet zich wederom in beweging.

Het ging nu in den donker op Deventer af circa 15 K.M. verwijderd, welke plaats om 10.30 uur werd bereikt over Teuge, Twello, waar een uur rust werd gehou­den, afgelegd was 1.04.9 K.M. de con­trole was in café “Spijker” spoedig was het een bedrijvigheid van belang; een wasschen, drinken en eten van jewelste, ieder maakte zich gereed voor de nachte­lijke étappe, na even gezellig onder el­kander gepraat te hebben, ging plotseling het fluitje van den heer Theunissen, het appèl signaal voor allen. De groep werd opgesteld en klokslag 11½ uur de brug over met de politie en auto’s voorop, be­nevens nog twee auto’s achter den stoet, door Deventer zoo de donkere wegen op naar Calmschoten, Bathmen, ’s-Sterren­berg, Dijkenhoek, Halten, Rijssen. Hier had men een onverwacht oponthoud. Een der deelneemsters maakte een buiteling en kwam in een drooge sloot terecht; ons Jantje kon nog intijds zijn remmen pak­ken, en ontkwam zoodoende een zelfde lot. De oorzaak was volgens hem ont­staan door het te dicht naast elkander rijden. (Zooiets kan je in gemengd gezel­schap overkomen). Nadat men haar we­der op de fiets geholpen had, ging het verder over Nieuwstad, Wierden, Almelo, Zenderen, Borne, Hengelo, waar het heele stel den verkeerden weg insloeg, spoedig werd zulks echter bemerkt en maakte men rechts om keer, hetwelk nog al wat in had. Met behulp van politie had­den zij spoedig weder den goeden weg. Thans met den wind op den kop ging het in de richting Delden, Goor, Diepenheim, Lochem naar Barneveld waar de voor­band van den auto bezweek. Van deze gelegenheid werd door de toeristen ge­bruik gemaakt en deden zij een aanval op een huis: doel “drinkwater” (de bewoners meenden niet anders of een bende roovers kwam hen overvallen) intusschen had men een nieuwe band gelegd en voort ging het nu weer op Zutphen aan, waar men tot de ontdekking kwam, dat er een heele groep en twee auto’s ontbra­ken.

De groep zette echter de tocht weder voort over Zutphen, Brummen, Dieren, Ellekom, De Steeg waar zij door de be­roemde prachtige Middagterlaan reed naar Velp, Roosendaal en Valkenhuizen naar he clublokaal van R.E.T.O. aan den Schelmscheweg bij het Openluchtmu­seum; dan werd wederom een uur rust gehouden. Hier stonden een groot aantal waschbakken gereed, waarvan een gretig gebruik gemaakt werd, de magen werden flink voorzien, en daar komt plots de an­dere groep deelnemers(sters) aanzetten, deze hadden in Hengelo toch nog een verkeerden weg genomen en hadden den geheelen nacht zoodoende afzonderlijk gereden. Wederom werd het sein tot vertrekken gegeven, ieder nam zijn con­trole-kaart in ontvangst en zocht zijn karretje wederom op, en verder ging het naar Arnhem over Oosterbeek, Heelsum, Renkum, waar de wegen nog al up and down liepen. Een heele toer voor velen na zulk een zwaren tocht. Daar krijgen zij den bekenden Wageningschen berg, waar het peleton dan ook danig uit elkander getrokken werd, bij het nemen der helling komt het pechduiveltje ons “Jantje” nog eens opzoeken, zijn nieuwe ketting n.m. was gerekt, en liep wederom vast in zijn wiel. Aan het repareeren zijnde werd hij door vele achterblijvers gepasseerd, vlug werd de ketting gespannen en nu ge­tracht het peleton wederom te bereiken; “Jantje” zat op het climax van den 40 Meter hoogen Herijzerberg, terwijl velen afgestapt waren, daar het boven hun kracht was daartegen op te rijden. Ons “Jantje” als toerist is daar een meester in (hij heeft zulks bewezen in Frankrijk en België. Ziet zijn reis naar Parijs en terug met nog drie andere “Vroolijke Sport­broeders”.) Zowaar hij was nog het eerste boven, maar daar moest gewacht worden op de anderen.

Zoodra allen wederom bij elkander waren, ging de tocht over Rhenen, Elst, Ameron­gen, Doorn, (de verblijfplaats van de ex-keizer), Driebergen, Rijzenburg, Zeist De Bilt naar Utrecht, waarmede de derde en de mooiste etappe geëindigd was. Bij den…


Jantje in de bloemen.

Helmond huldigt zijn groot-toerist.

HELMOND-ROME-HELMOND.

3400 K.M. in 23 dagen.

Nederland heeft veel rijwieltoeristen.

Kan het anders in een land, dat wemelt van de fietsen, als geen ander, zoodat alle buitenlanders er verbaasd over staan; heel Nederland fietst.

Maar Nederland heeft slechts één toerist der toeristen, één kampioen-toerist.

En die grootste der grooten woont in Helmond, v. Brusselstraat 14 en wordt Jantje v. Lieshout genoemd.

Ieder jaar gaat Jantje op toer, ieder jaar peddelt hij zooveel honderden kilometer af. Dit jaar waren het er vier en dertig maal honderd: Helmond-Rome v.v. in 23 dagen. Een prestatie van durf, van moed, van uithoudingsvermogen en van energie. En dit op 39-jarigen leeftijd!

(foto J.A. van Lieshout)

Tijdens zijn tocht werden in Helmond de “koppen bij elkaar gestoken. Men zou den grooten toerist – en toch is Jantje niet “groot” – hartelijk in zijn vaderland ont­vangen. Maar de leeperd verrastte Jan en Alleman door verscheidene dagen vroeger terug te komen dan men verwachtte. Men was nog rustig bezig met de ontvangst te regelen toen Jantje alle plannen met ferme pedaalstooten omver fietste.

Moest men het daarbij nu laten zitten? De “verrassing van Helmond” gewoonweg als een fait occomplit beschouwen en daar­mee uit? Wis en waarachtig niet. Zóó zou er Jantje niet langs komen. Nieuwe plan­nen werden ontworpen, nog meer “kop­pen” werden bij elkaar gestoken, er werd gewerkt en doorgezet totdat men ten­slotte tot den huldigingsavond kwam in de Odeonzaal van den heer G. Jansen.

En die huldiging heeft Zaterdagavond plaats gehad – en is volkomen geslaagd.

Er heerschte een opgewekte stemming, er werd gloedvol en hartelijk gespeecht, er werden bloemen en nog eens bloemen en cadeaux aangeboden, het orkest smeet de zaal vol met jolige muziek en vreugdeklanken.

Jantje is op indrukwekkende wijze gehul­digd. Er was groote belangstelling. Spon­taan handgeklap en vele hoera’s. Maar er is ook nog iemand anders gehuldigd, ie­mand die niet in de zaal aanwezig was of althans iemand, die – voorzover wij we­ten – die geen reden heeft om gehuldigd te worden. En dat was “Mijnheer” v. Lies­hout. Is die soms in 23 dagen van Hel­mond naar Rome en terug gefietst? Geen kwestie van. Voorzoover onze kennis reikt is er zelfs nooit een “Mijnheer” v. Lieshout naar Rome gereisd, laat staan gefietst. Het is alleen Jantje – JJantje van Lieshout die deze prestatie heeft geleverd. Wie het anders zegt heeft het mis, - dat zal heel Helmond erkennen. Maar Jantje was Za­terdag erg plooibaar: wanneer het ge­wenscht werd speelde hij maar tevens voor “Mijnheer” van Lieshout, zoodat op slot van rekening de woorden van hulde en bewondering toch het goede adres bereikten.

Maar laten wij hierover niet verder uit­weiden. We zullen hier onder een relaos der huldiging geven.

In een tweetal rijtuigen, waarin Jantje met zijn “thuis” en het comit van actie waren gezeten, vergezeld van de fanfare van het St. Janpatronaat, die er lustig op los blies, begaf zich de “stoet” van de v. Brusselstraat naar den Steenweg, waar talrijken de aankomst afwachtten.

Hartelijk werd Jantje met zijn moederke in den arm – onze groot-toerist durft veel aan, behalve een “boot”tochtje – in de Odeon-zaal verwelkomd door de zich daar reeds verzamelde belangstellenden. Mu­ziek en geklap daverde voor de zaal. Op het met groen en in steeds toenemde mate binnen zeilende bloemstukken ver­sierde podium prijkten Jantjes kaarten, over welke lijnen hij in figuurlijken zin gesneld en gekropen was om den langen weg van Helmond naar Rome en terug af te leggen.

Nadat er eenige rust in de zaal was ge­komen nam de heer v. Riet het woord, om den avond te openen. In ’t kort zette hij uiteen wat de reden was om v. Lies­hout te huldigen.

Namens het comité van actie voerde de heer Bubbers het woord. Deze sprak gaarne het huldigingswoord, daar hij in v. Lieshout een vriend had, niet alleen als sportmakker maar ook als particulier. Hij roemde ten volle de prestatie van Jan om tenslotte een “Lang zal hij leven” uit te brengen, waarop de aanwezigen spon­taan reageerden.

Namens de directie van Sportpark Hel­mond sprak mej. de Greef den toerist toe: zij dankte hem voor de vriendschap en hartelijke samenwerking, welke de direc­tie steeds van v. Lieshout had mogen ondervinden.

De speaker van Sportpark Helmond, de heer Saelmans liet zich vertegenwoordi­gen door een fllinken boy, die een tuil rozen aanbood.

De R. K. V. V. Mulo was ook nu present. Haar kersversche voorzitter, de heer Ron­del, zeide reeds verschillende jaren met veel belangstelling de verslagen over de tochten van v. Lieshout te hebben gele­zen. Het deed hem des te meer genoegen hier v. Lieshout te mogen huldigen nu in een tijd, waarin het zuivere amateurisme in het gedrang komt, deze zich een vol­bloed, een veertien karaats amateur heeft getoond.

Vervolgens gaf de heer v. Lieshout een korte aangename causerie over de heen­reis naar Rome, aan de hand van de kaart.

Maar de huldiging werd weer voortgezet en een Eindhovensche wieler-enthousiast, de heer Chr. Schilders, verscheen op het podium. Het verwonderde hem hier in de zaal niet meer Eindhovensche wieler-en­thousiasten te zien, er waren volgens spr. vele Eindhovenaren met zoo’n mond (groot gebaar) en zoo’n hartje (klein ge­baar). Met een “hoek” besloot hij zijn “herzliche” toespraak.

De heer Rooyakkers, de voorzitter der dames- en heerenturnvereeniging Utile Dulci zeide moeilijk te kunnen oordeelen over de capaciteiten van een toerist. Doch dit durfde hij wel te verzekeren en hard uit te roepen, dat in Nederland wel niemand zal zijn, die zoo’n tocht durft en kan ondernemen als v. Lieshout heeft gedaan. Vooral koesterde hij bewondering voor de prestatie van den groot-toerist, omdat deze de reis in zeven dagen tijd minder had gemaakt dan oorspronkelijk in de bedoeling had gelegen.

De familie van Jantje uit Beek en Donk was naar Helmond gekomen om hem hier in hartelijke bewoordingen te huldigen, wat geschiedde bij monde van den heer Constant.

De gezellige Kolpingpraeses, Jacq. Rakels wees er op reeds eerder v. Lieshout ge­huldigd te hebben, maar toch wilde hij ook hier niet achterwege blijven. Hij weidde eenigszins uit over de prestatie van v. Lieshout en voorzag dat deze nog wel eens naar het H. Land zou trappen. Want Jantje staat voor niets. Spr. hoopte, dat v. Lieshout, waarin hij tevens een trouwe bezoeker van het Kolpingterrein erkende, nog vele jaren met pleizier aan zijn tocht zou mogen denken.

De Wielerclub “De Vroolijke Sportbroe­ders” huldigden hun oud-lid. De heer Ba­kens wees er op, dat in vroegere jaren, toen Jantje nog deelnam aan wedstrijden steeds tot degenen behoorde, die de fi­nish bereikten, al had hij dan ook nog zooveel tegenspoed. Daardoor liet hij zich nooit ontmoedigen. Spr. hoopte hem nog eens terug te zien in de gelederen der Vroolijke Sportbroeders.

Tenslotte kwam een deputatie van Hel­mond’s Muziekcorps zich nog melden, waarvoor voorzitter du Pré de hulde en waardeering voor het werk van v. Lies­hout overbracht.

De heer P. v. Riet sprak het slotwoord, althans dat dacht hij. Even later bleek hij zich vergist te hebben. Namens Jantje dankte hij allen, die aan het welslagen van den avond hadden meegewerkt en die van hun belangstelling en sympathie hadden blijk gegeven.

De heer Bubbers moest het laatste woord hebben. Hij meende niet te mogen nala­ten een hartelijk dankwoord te brengen aan de twee harde werkers van het co­mité van actie, de twee motoren, nl. aan de heeren Bloks en v. Riet, respectievelijk secretaris en penningmeester van het comité, die tijd noch moeite gespaard hadden tijdens de voorbereidingen om de huldiging tot een werkelijk succes te ma­ken. Verder maakte hij den heer G. Jan­sen een compliment voor de keurige in­richting der zaal, der Odeon-zaal, die al zoo dikwijls getuige is geweest van be­langrijke gebeurtenissen op wielersport­gebied….

En hiermede was de eigenlijke huldiging geëindigd, waarna de paartjes begonnen te zweven….

Zooals boven reeds terloops gememo­reerd was een weelde aan bloemen inge­komen. We zullen hier nog even vermel­den de namen der schenkers: het comité van actie, directie Sportpark Helmond, Utile Dulci, R. K. V. V. Kolping, Kegelclub Wilhelmina, R. K. V. V. Mulo, Postduiven­vereen. De Telegraaf, fam. Bruchmans-Wich, Chr. Schilders, fam. Jans, P. Ver­hoeven- v. Veldhoven, Saelmans en Ver­stappen.

Talrijke cadeauen mocht v. Lieshout ver­der in ontvangst nemen. Wij vermelden allereerst: een couvert met inhoud van het comité verder een kistje sigaren van H. V. V. Helmond en van den heer Zeeu­wen, een fraaie plaquette van den heer Beekhuizen, een mooi diploma van de Vroolijke Sportbroeders, het kasteel-raad­huis in koper van Helmond’s Muziekcorps. Zeer zeker verdient ook nog vermelding fraai houtzaagwerk van een familielid, w.o. een keurig herinneringsbord en de wapens van België, Luxemburg, Zwitser­land, Italië, Frankrijk, Helmond, Rome en Vaticaanstad.

Schriftelijke gelukwenschen waren er bij de vleet. Wij kunnen ze niet allen vermel­den, we doen slechts een greep: v. d. Hout, Eindhoven, A. v. d. Bogaerd, Hel­mond; P. Frederix, pl. v. consul N. W. U. te Maastricht, Fra Fermo da Boekel te Rome (de broeder die v. Lieshout te Rome heeft rondgeleid).

Een zeer bijzonder schrijven was ingeko­men van den oud-renner J. Thijssen te Utrecht. Deze herinnerde aan den tijd dat Jantje nog wedstrijd meereed. Dat is al verscheidene jaartjes geleden. Maar we zullen den heer Thijssen het woord ge­ven.

….“En toen ik las, dat je terug was, dacht ik: die van Lieshout is nog even taai als in 1921 te Blerick. Ik heb later dikwijls aan clubgenooten verteld over den wedstrijd, dien wij daar samen reden. Je kunt je dien wedstrijd nog wel herinneren, hé? Het was in Juni 1921. Ik had contract om een koppelwedstrijd te rijden in Blerick. Voor een koppelgenoot zou de directie zorgen. Ik kwam in Blerick en hoorde, dat ik met van Lieshout zou rijden. Ik maakte kennis en we gingen wat trainen. En tot mijn schrik zag ik, dat hij met ijzeren wegwielen op de baan reed. Ik zei het tegen Antoon v.d. Bogaerd, die op het middenterrein stond te kijken. En die zei: van dat manneke zul je raar opkijken, want die kan fietsen. Nu, ik keek raar op, want die wedstrijd ging hard en wij ein­digden als goede derde tusschen renners als Mazairac, Kloppenburg, Vleghaar en anderen. En na afloop zei v. Lieshout: het is jammer dat het maar 50 K.M. was, want ik begon er nu net zin in te krijgen. Ik kon niet eens lachen, want de tong hing me zoo wat op het stuur. Maar aan v. Lieshout was niets te zien. Het was een van die wedstrijden die je altijd bijblijven en die je nooit vergeet.”

We zeiden reeds, dat de huldiging werd besloten met een bal. Om klokslag 12 uur kwam er evenwel stagnatie, het dansen werd even onderbroken toen bekend werd, dat van Lieshout…. verjaarde en zijn 41 jaar inging. Jantje werd bestormd met gelukwenschen.

Tot besluit meenen wij hier wel te mogen zeggen, dat Helmond zijn groot-toerist op waardige en grootsche wijze gehuldigd heeft. Aan zijn prettige en schoone herin­neringen aan zijn Rome-reis is een nieuwe toegevoegd: de herinnering aan een hartelijke en spontane huldiging door heel Helmond, door zijn vaderstad wier naam hij door zijn tocht ongetwijfeld weer meerdere bekendheid en vermaard­heid heeft gegeven. Moge het hem gege­ven zijn in lengte van jaren deze herinne­ring te kunnen bewaren.


Per rijwiel van Helmond naar Parijs en terug

De oudste Helmondsche Amateur-toerist, ons populair Jantje van Lieshout is zich de laatste weken weer geducht aan ’t pre­pareeren voor zijn a.s. tweeden rit naar Parijs en terug; te dien einde heeft hij Zondag j.l. nog eens een trainingrit ge­maakt over het traject Helmond-Weert-Roermond-Venlo-Nijmegen-Grave-Uden-Veghel-Helmond. Afstand pl.m. 200 K.M. Daar hij deze rit geheel alleen en met zwaar materiaal (Draadbanden) heeft gemaakt en hierbij eene gemiddelde snelheid van ruim 25 K.M. per uur be­reikte, behoeft niet nader betoogd te worden over welk een energie en uithou­dingsvermogen deze stoere rijder be­schikt. Wij zijn er dan ook vast van over­tuigd dat hij in zijne groote onderneming zal slagen hoewel het hem wel zwaar zal vallen geheel alleen de reis te moeten maken, daar hij geen collega’s heeft kun­nen vinden, die er mee aandurven. Zijn vertrek is bepaald op a.s. Zaterdagmor­gen pl.m. 7 uur. Eventueele liefhebbers kunnen met hem den tocht nog meema­ken. Wij wenschen hem van harte een goede reis toe.


3e HELMONDSCHE Rijwielbedevaart naar Smakt op Zondag 20 Maart a.s. Deelne­merskaarten à 10 ct. met gratis rijwiel­stalling te Smakt. Geen weggeldkaart noodig. Reis en Toeristenbureau “Hel­mond” v. Brusselstraat 14.


Reis- en Toeristenburau “Helmond”.

v. Brusselstr. 14. Met Carnaval elken dag naar den Antwerpschen Zesdaagsche f 1.25. Zie verder reclameplaten.


Van Lieshout peddelt weer.

De Helmondsche groot toerist J. A. van Lieshout vertrok Vrijdagmorgen om 8 uur uit Helmond. Hij peddelde dien dag naar Maubeuge aan de Fransche grens (220 K.M.), reed Zaterdag tot Meaux (295 K.M.), Zondag naar Orleans (162 K.M.) en Maandag naar Chatellerault (285 K.M.).

Dat is dus niet minder dan 762 K.M. in 4 dagen.


Huldiging J. v. Lieshout.

Het comité in deze verzoekt beleefd, de besturen of afgevaardigden der Helmond­sche sportvereenigingen a.s. Woensdag om 8½ uur ’s avonds tegenwoordig te zijn in Café Drouen, Steenweg, alwaar de definitieve besprekingen zullen plaats hebben en de vaststelling van het pro­gramma der huldiging.

Het Comité hoopt dat allen aan dezen oproep gehoor zullen geven.

Het Comité.


9/5 34

REIS- EN TOERISTENBUREAU “HEL­MOND” v. Brusselstraat 14.

Met Pinksteren naar de Belgische Arden­nen.

Schitterende 2-daagsche Pinksterreis per Touringcar door de Ardennen met bezoek aan Visé, Luik, Ourthe Vallei, Grot van Remouchamp, Amblève Vallei, Fonds de Quarreux, Watervallen van Coo, Autoren­baan van Francorchamps, Malmedy, Mont Rigi (hoogste berg van België), Verviers, Barrage de la Gilleppe, het machtige Stuwmeer, Spa, De Vesdre Vallei enz. enz. Een toer om nooit te vergeten. Jan­tje van Lieshout zal zelf deze reis expli­ceeren.

Geef U spoedig op eer het te laat is!! Prima Hotel en Restaurant

Prijs alles inbegrepen f 13,75 per per­soon.

(Met kermis van 3-11 Augustus naar Lourdes per treinreis f 65,- p. persoon, prima 2e klas Hotels, alles inbegrepen).


Met hartelijken dank en beste sportgroe­ten retour.

(onleesbaar)

Redactie SPORT-ECHO

ONZE SPORTRUBRIEK.

NA VOLBRACHTEN TOCHT.

J. v. Lieshout in audiëntie bij Z. H. den Paus.

DE ZWARE RIT OVER DE ALPEN.

We schreven dezer dagen, dat we een onderhoud hadden gehad met den heer J. v. Lieshout, den “Rome-toerist” en be­loofden onzen lezers een en ander mede te deelen van hetgeen hij ons vertelde. Alles over vertellen willen wij echter toch niet doen, daar dit op sommige punten van te intiemen aard was om het aan de groote klok te hangen. Welke moeilijkhe­den Jantje te overwinnen had in den kring van zijn meest nabestaande fami­lieleden zullen we hier niet releveeren. Overigens zal men zich den gemoedstoe­stand van de bejaarde moeder van v. Lieshout kunnen indenken, toen haar zoon afscheid van haar nam om den eer­sten stoot op de pedalen te geven van de duizenden, die noodig zouden zijn om het 3400 K.M. lange traject af te malen.

Reeds jaren had Jantje van een tocht naar Rome gedroomd, totdat de gedachte eraan voor hem haast een obsessie werd. Met onverzettelijke wilskracht en koppig­heid bleef hij die gedachte koesteren, totdat het er dan eindelijk van gekomen is.

Het doel van den zwaren fietstocht was Rome, wat voor den katholiek beteekent: de Witte Man van het Vaticaan. Nu gaat het zoo maar niet om op audiëntie bij Z.H. den Paus te gaan. Dat begreep v. Lieshout ook en hij stapte er op uit om, alvorens de reis te aanvaarden, hierom­trent zekerheid te hebben. Hij belde aan – op advies van pastoor v. Leeuwen – bij de paters Capucijnen. En ja, het lukte: er werd naar Rome geschreven, eenige da­gen later kwam het antwoord. v. Lieshout zou in Rome een eerw. broeder vinden, die gedurende zijn verblijf in de Eeuwige Stad den Helmonder ter beschikking zou staan.

Nadat v. Lieshout alle maatregelen had genomen (vooral die betreffende de grens-formaliteiten dienen nauwkeurig in orde te zijn) aanvaardde hij moedig den grooten tocht – zooals men zich zal her­inneren in gezelschap van den heer Bom­beeck, die hem uitgeleide deed.

De tocht verliep voorspoedig, al vergde hij soms veel, zeer veel van de krachten van den groot-toerist. In Rome had hij weldra het adres gevonden, dat hem was opgegeven. De twee dagen, welke v. Lieshout daar heeft doorgebracht, zullen onvergetelijk voor hem blijven. Het hoogtepunt vormde de audiëntie bij Z. H. den Paus. De broeder, die hem in Rome begeleidde en daar overal goed thuis bleek te zijn, zorgde voor alles. Met een groote groep andere audiëntie-gangers werd de komst van Z. H. in de groote zaal afgewacht. Plotseling ging de deur open en daar verscheen de gestalte van den stedehouder Christi.

Vol ontroering en ontzag vertelde v. Lies­hout ons over dit oogenblik. Er ging iets wonderlijks, iets ontroerend-heiligs uit van de gestalte van Christus’ plaatsbe­kleeder op aarde, dat iedereen vol eer­bied den knie deed buigen. Het waren voor onzen eenvoudigen toerist momen­ten om nooit te vergeten.

Dank zij zijn gids heeft v. Lieshout veel schoons van Rome kunnen bezichtigen. Hij verstond zich zeer goed met zijn be­geleider, - die een Brabander bleek te zijn; hij was geboortig uit Boekel en ver­toefde een twintig jaren in Rome. Onge­twijfeld zijn het ook voor den kloosterling aangename uren geweest, welke hij in gezelschap van v. Lieshout heeft doorge­bracht, waardoor hij weer in nauwer contact met het moederland kwam. De meest bekende Romeinsche kerken en gewijde plaatsen, de vermaarde oudhe­den, waar in vroeger tijden de eerste Christenen door de wilde dieren in de arena’s verscheurd werden en de gladia­toren elkander op leven en dood be­kampten tot vermaak van een wellustig volk. – dat alles heeft v. Lieshout gezien.

Verder had hij in Rome nog een zeer merkwaardige ontmoeting. Hij kwam in contact met eenige eerwaardige heeren, die hun Priesterwijding in Rome ontvin­gen. Onder hen bevond zich ook een Hollander, wiens ouders in Breda wonen. v. Lieshout had het voorrecht den eersten priesterlijken zegen van den Bredaschen Neomist te mogen ontvangen.

Zooals men reeds eerder heeft kunnen lezen legde Jantje den terugtocht in zeer snel tempo af.

Men begrijpt, dat hij op zijn tocht een overweldigenden rijkdom aan natuur­schoon en prachtige monumenten en andere bouwwerken heeft kunnen be­wonderen. v. Lieshout liet ons een stapel prentbriefkaarten zien, die het bekijken alleszins waard waren. Daarbij waren zeer duidelijke foto’s van de wegen in de Al­pen, welke de toerist heeft gevolgd en die duidelijk illustreerden met wat een moei­lijkheden hij hier te kampen had om de bergen te bestijgen. Zigzagsgewijs slin­geren de wegen zich hier omhoog en na geruimen tijd geploeterd te hebben over een afstand van ettelijke honderden me­ters blijkt dat men practisch enkele tien­tallen meters verder is, d.w.z. hooger. Wanneer men bedenkt, dat v. Lieshout hier uren heeft gezwoegd – speciaal bij de bestijging van den St. Gothard – om in rechte lijn een afstand van minuten af te leggen, dan beseft men tevens wat een ijzeren wilskracht hiervoor noodig was en dan verkrijgt men nog meer respect voor de prestatie van den Helmondschen groot-toerist.

Het is bekend, dat landgenooten in den vreemde zich tot elkaar aangetrokken voelen. Op zijn tocht zag v. Lieshout plot­seling voor een hotel een Nederlandsche auto. Hij sprong van zijn karretje en be­groette zijn landgenooten. Wat die men­schen opkeken!

Als aandenken aan zijn bezoek aan het Vaticaan heeft v. Lieshout een fraai uitge­voerd, van de beeltenis van Z. H. den Paus voorzien diploma ontvangen. Men zal begrijpen, dat Jantje hier maar wat trotsch op is. En dat mag hij ook! Wie weet of het over vele jaren, wanneer hij het zelf niet meer bewaren kan – wij ho­pen natuurlijk dat hij dit nog heel, heel lang zal mogen – niet een plaatsje in het Stedelijk Museum krijgt!

Intusschen is v. Lieshout voor zijn Rome-rit reeds hier en daar gehuldigd, - de offi­cieele huldiging is druk in voorbereiding. Zoo bijv. Zaterdag l.l. nog op het Kol­pingterrein. Van zijn medearbeiders ont­ving hij een fraai zilveren horloge met inscriptie.

Nu hij zijn ideaal, den tocht naar Rome heeft bereikt, hoopt v. Lieshout het in de toekomst wat kalmer aan te leggen. Al­leen is hij van plan het volgende jaar nog een tocht naar Lourdes te maken (ook geen kleinigheid), maar dan is ’t Schlusz! Wel wil hij daarna nog wel eens een toer naar Parijs e.d. maken, doch dat zijn maar kleine tochtjes…… althans zoo be­schouwt Jantje het. Maar wij gelooven, dat hij in deze zienswijze alleen zal staan.

De officieele huldiging.

In een der zalen van café Chr. Drouen op den Steenweg alhier had gisteravond een vergadering plaats, welke was uitge­schreven door het voorloopig comité, dat een officieele huldiging van Jantje v. Lieshout in voorbereiding had en waarop de diverse sportvereenigingen onzer stad, alsmede de Helmondsche muziekcorpsen en de Houtsche fanfare waren uitge­noodigd.

Na ruime en aangename besprekingen werd een definitief huldigingscomité ge­vormd, waarin zitting namen de heeren: J. de Greef, P. Bloks, J. Bubbers, P. v Riet, F. v. Oorschot namens H.V.V., Jos v. Laarhoven namens Mulo en J. Bakens namens De Vroolijke Sportbroeders.

Dit comité zal eerstdaags in vergadering bijeenkomen, op welke bijeenkomst een programma voor de huldiging van v. Lies­hout zal worden samengesteld, welk pro­gramma zoo spoedig mogelijk ter bespre­king (zoo wenschelijk aanvulling of wijzi­ging) zal worden voorgelegd aan een algemeene vergadering van de afgevaar­digden van bovenbedoelde vereenigingen.


8/5 34

Met Pinksteren naar de Belgische Ardennen.

Zooals de vorige week gemeld heeft Jan­tje van Lieshout een Reis- en Toeristen-bureau geopend. En dat Jantje de zaak energiek aanpakt mag uit de achter­staande advertentie blijken. Reisbureau Helmond heeft n.l. voor Pinksteren al een tweedaagsche reis geprojecteerd per luxe-touringcar door de Belgische Arden­nen. Bezocht worden o.m.: Visé, Luik, Ourthe-vallei, grot van Remouchamps, Amblève-vallei, watervallen van Coo, au­torenbaan van Francorchamps, Malmédy, Mont Rigi (hoogste berg van België), Ver­viers, het Stuwmeer, Spa enz. enz.

Jantje van Lieshout, die de streek door en door kent zal bij deze reis zelf als gids optreden, om alles te expliceeren.

De prijs zal geen beletsel zijn.

Verder heeft het Reisbureau een Lourdes-reis in petto voor Augustus a.s.


Van Lieshout weer terug.

De welbekende groottoerist J. A. van Lieshout uit Helmond, die blijkens ons vorige nummer in 4 dagen van Helmond naar Chatellerault fietste, een afstand van 762 K.M., zette vanuit Chatellerault zijn tocht voort en reed van daar naar Barbe­rieux (180 K.M.), vervolgens naar Castelo (210 K.M.) over St. Sebastiaan naar Bay­onne (175 K.M.), Lourdes (150 K.M.).

Te Lourdes nam de heer van Lieshout een dag rust om dan weer verder te peddelen

naar Bazas (184 K.M.) en vandaar naar Mansle (208 K.M.) waar hij op 8 Aug. aankwam. Verder ging het over Tours (187 K.M.) naar Lisieux (229 K.M.) waar de heer v. L. op 10 Aug. arriveerde. Den totaalafstand van Lourdes naar Lisieux (808 K.M.) had hij gereden in 4 dagen.

De heer van Lieshout trof buitengewoon warm weer en moest menigmaal klim­men.

Van Lisieux ging het weer Helmond-waarts naar Aumale (160 K.M.), Valen­ciennes (153 K.M.), Turnhout (180 K.M.), Helmond (61 K.M.).

Zondag j.l. ongeveer half zes n.m. kwam de heer van Lieshout weer te Helmond terug van zijn rit naar Spanje en was van­zelfsprekend wederom het middelpunt der belangstelling.

Evenals het vorig jaar bij zijn rit naar Rome had de kranige wereldpeddelaar gedurende alle gereden 2839 K.M. hoe­genaamd geen pech, zelfs geen lekken band.


…dat “Jantje” ’t volgend jaar, de Ooie­vaar, de Raaf, de Reiger, de Sperwer enz. natrapt en in onze Oost terecht komt.


DE NEDERLANDER J. v. LIESHOUT LEGT PER FIETS EEN AFSTAND VAN 2839 K.M. IN 16 DAGEN AF.

(foto J.A. van Lieshout)

Iedereen weet wat de Tour de France is en allen bewonderen de geweldige pres­taties der renners, die in een maand tijds duizenden kilometers op de racefiets af­leggen; hoog zien wij op tegen de man­nen, die in tien dagen tijd de Ronde van België volbrengen of den afstand Bor­deaux-Parijs in één stuk afpeddelen.

Dat wij zulke mannetjesputters ook onder onze eigen landgenooten tellen zullen echter slechts weinigen weten.

De Helmondenaar Jan v. Lieshout – wiens foto wij hierboven reproduceeren – is zoo een van het slag, dat er niet tegen op ziet in nauwelijks 2 weken tijd bijna 3000 K.M. per fiets af te leggen. Met dit groote on­derscheid nog wel, dat ons Helmondsch afstandfenomeen daarbij geen geldelijk gewin op het oog heeft, doch zoo iets louter doet om het sportieve genot over de capaciteiten te beschikken om een dergelijke prestatie te kunnen leveren.

De tourist van Lieshout dan startte op 29 Juli j.l. des morgens in de vroegte uit Helmond en arriveerde dienzelfden dag te Maubeuge, een afstand van 220 K.M. Den volgenden dag reed hij het traject Mau­beuge-Meaux (195 K.M.): op 31 Juli Meaux-Orleans (162 K.M.); 1 Augustus Orleans-Chatellerault (185 K.M.); 2 Au­gustus Chatellerault-Barbezieux (180 K.M.); 3 Augustus Barbezieux-Castets (210 K.M.); 4 Augustus Castets-St. Se­bastian-Bayonne (175 K.M.); 5 Augustus Bayonne-Lourdes (150 K.M.).

In Lourdes gunde hij zich na in 8 dagen 1477 K.M. te hebben afgelegd een dag rust om op 7 Augustus den tocht Lour­des-Bazas (184 K.M.) te volbrengen. Hierna volgden op 8 Augustus Bazas-Mansle (205 K.M.); op 9 Augustus Mansle-Tours (187 K.M.); op 10 Augustus Tours-Lisieux (229 K.M.); op 11 Augustus Lisieux-Aumale (160 K.M.); 12 Augustus Aumale-Valenciennes (153 K.M.); 13 Au­gustus Valenciennes-Turnhout (180 K.M.) en tenslotte op Zondag 14 Augustus het laatste rukje Turnhout-Helmond (61 K.M.).

2839 K.M. in 17 dagen waaronder één (zegge en schrijve één) rustdag. Gemid­deld reed de heer van Lieshout 2839 K.M. : 16 = 178 K.M. per dag.

Inderdaad een grootsche prestatie, die heel wat wielrenners van professie niet zouden kunnen volbrengen.


De toer van J. v. Lieshout.

Zooals men zal weten heeft onze stadge­noot Jantje van Lieshout weer een grooten fietstocht ondernomen. Thans is hij op weg naar het land van Sinterklaas. Misschien brengt hij wel suikergoed en marsepein mee terug…. of de roe!

Vrijdag is v. Lieshout vertrokken. Zijn eerste etappe ging tot Maubeuge in Frankrijk, een afstand van 220 K.M. Za­terdag trapte hij door tot Meaux, wat weer 195 K.M. beteekende. Zondag be­reikte onze stadgenoot Orleans, daar­mede weer 162 K.M. afbollend.

v. Lieshout trof het totzoover niet met het weer, voortdurend sterke tegenwind. In­tusschen maakt hij het best, aldus schrijft hij.

Nader schrijft Jantje ons, dat hij Maandag door is gefietst naar Chatellerault, een afstand van 185 K.M. Dinsdag is hij des avonds om 7 uur te Barbezieux aangeko­men, daarmede weer 180 K.M. “aan zijn laars lappend”; veel geklommen en nog steeds tegenwind.

Woensdag is onze groot-toerist te Bor­deaux aangekomen om 2 uur in den na­middag. Vermoedelijk heeft hij zijn tocht dien dag verder doorgezet.


Reis- en Tourtistenbureau “Hel­mond”

Hiermede maak ik het geachte publiek van Helmond en Omstreken bekend, dat ik heb geopend het

REIS- EN TOURISTENBURAU “HELMOND” speciaal voor het verstrekken van Reis- en Touristische inlichtingen van allerlei aard. Het opmaken van Reisplannen op elk gebied. Het organiseeren van uitstap­jes en gezelschapsreizen zoowel per Spoor, Autocar of anderszins.

Mij in de gunst van eenieder beleefd aan­bevelend.

J.A. v. LIESHOUT, v. Brusselstr. 14

4./5. 34.


Jantje van Lieshout heeft grootsche plannen!

We hoeven voor onze lezers Jantje van Lieshout wel niet meer te introduceeren! We kennen den populairen groottoerist allemaal van zijn fietstochten naar Rome en Lourdes en Bazel en Berlijn en Londen en waar-al-niet-heen.

Nu heeft men ’t gisteren in onze adver­tentierubriek al kunnen lezen: Jantje van Lieshout heeft ’n Reis- en toeristenbureau opgezet.

Voor insiders is dat bericht heusch zoo’n verrassing niet. Degenen die zelf nogal ‘ns een toer gaan maken wisten allang, dat Jantje een vraagbaak is waar je nooit voor niets aanklopt. Van Lieshout was feitelijk allang de man waar je tenslotte bij terecht kwam als je inlichtingen moest hebben over de een of andere tournee van beteekenis. Nu heeft Jantje van zijn adres een officieel reisbureau gemaakt.

Directeuren van Reisbureaux zijn veelal hooge deftige heeren die hun inlichtingen uit boekjes en brochures opsnuffelen. Jantje van Lieshout is een man van de praktijk! Je kunt weinig plaatsen opnoe­men waar hij niet zelf geweest is. Hij heeft op z’n toerfiets vrijwel heel Europa doorkruist, als eenvoudige Helmondsche jongen, vrijwel zonder hulpmiddelen – hij weet dus weet dus van wanten! Jantje heeft bovendien een kolossaal plaatselijk geheugen: als hij ergens één keer ge­weest is weet hij er alles van.

Van Lieshout is in ’n Reisbureau zeer ze­ker the right man in the right place!

We zijn dezer dagen eens bij Van Lies­hout binnengeloopen en we kunnen ge­rust zeggen, dat hij de zaak grondig aan­pakt. Trouwens Jantje is überhaupt het type van den doorzetter en den afwerker. In zijn bureau in de Van Brusselstraat heeft hij brochures en alle mogelijke ge­gevens uit alle landen van Europa verza­meld. En als hij een boekje ter hand neemt – één uit de honderden – dan slaat hij aan ’t vertellen over zijn persoonlijke ervaringen, over kleine plaatselijke bij­zonderheden die den self made toerist typeeren.

Langs de wanden hangen de wapens van de landen die hij op z’n Rome-reis door­kruiste en middenin prijkt nog de krans van zijn huldiging. De groot-toerist is er trotsch op – en met reden!

-En wat zijn je plannen?, hebben we hem gevraagd.

-Bevordering van ’t toerisme in ’t alge­meen, omdat ik van mezelf weet, wat reizen in ’t leven van ’n gewonen jongen beteekent. Van reizen wordt je mensch! M’n bedoeling is niet om er geld uit te slaan – als ik er uitspring is ’t dik in orde! En als ’t wat mee wil vallen zal ik ze ver­dorie reizen onder den neus draaien! Kleine en groote; een- of tweedaagsche bustochten maar ook Rome- en Lourdes­reizen.

De Helmondsche all-round-toerist is de geknipte man voor ’n reisbureau. Rome- en Lourdes-reizigers die op zijn schema’s liepen of fietsen zullen het getuigen. Toe­risten per trein en auto en fiets of per pedes apostolorum kunnen bij hem te­recht, want Van Lieshout staat in contact met alle officieele toeristen-instanties in Europa.

Jantje, good luck ermee!


…Kolping-Helmond…

De aftrap werd verricht door den toerist v. Lieshout, waarna Helmond enkele aan­vallen ondernam, die echter strandden op de achterhoede der tegenpartij…


Helmondse Courant – Juli 1955 – Elfde Jaargang – No. _

UIT EEN OUD DAGBOEK VAN VIER “VROLIJKE SPORTBROEDERS”

Een tiendaagse fietstocht naar Parijs en terug in 1922

Drie en dertig jaar geleden.

Het wielertoerisme stond in de kinder­schoenen. In onze stad waren al rijwielen genoeg en er werd danig gebruik van gemaakt. Op de fiets naar de Neerkant, Rips, of Sterksel waren al hele tochten. En soms, maar dan moest het heel mooi weer zijn en de animo groot fietsten we naar Roermond of Den Bosch. Maar op zekere dag namen vier sterke Helmondse kerels, sportieve lui een voor onze ogen gedurfd en wonderlijk besluit. Zij gingen met vacantie naar Parijs en dat op de fiets. In de plaatselijke pers van die da­gen verscheen een geweldig artikel over de grote onderneming. De schrijver was Jantje van Lieshout, pionier van ’t grote rijwieltoerisme in onze stad. We laten Jantje, nog steeds een bekend figuur in Helmond, nog eens over de fietsreis naar Parijs aan het woord.

“De Vrolijke Sportbroeders” hadden café Toon Kusters in “De Hei” als clubhuis. Vier leden van dit selecte gezelschap meenden dat zij niet voor niets lid waren en zij besloten op de fiets in de vacantie naar Parijs te trekken. Die vier wakkere mannen waren Th. Verschuren, A. v. Lieshout, H. v. Gerwen en de schrijver van het dagboek Jantje van Lieshout, de enige, die reeds in die dagen z’n rijwiel­tochten tot in het buitenland uitstrekte.

(foto V.l.n.r.: Th. Verschuren, A. van Lieshout, J. van Lieshout en H. van Gerwen.)

Zaterdag 5 Augustus.

Vertrek uit Helmond 8.25 ’s morgens. Doel Brussel, afst. 138 km. Wind mee gaat het van een leien dakje over Eindho­ven, Valkenswaard, naar de Belgische grens, Neerpelt stop. Kennismaking met de Belgische douanen, die onze papieren nazien onze fietsen plomberen en hun vrees uitdrukken “dat wij het erbij zullen laten steken”. Zij zijn zo vriendelijk ons de raad te geven over Lommel inplaats van over Hechtel te rijden, daar we dan in­plaats van slechte keien een fraaien ma­cadamweg kunnen volgen tot ongeveer Bourg Leopold. In Brussel arriveerden we 4.30 uur in de namiddag. We trekken de prachtige hoofdstad binnen en hebben “Manneken Pis” opgezocht.

Zondag 6 Augustus.

Vertrek 8.30 uur. Tocht Brussel-Mau­beuge 85 km. We zijn allen vol goeden moed en in de beste stemming gaat het recht op ons doel af. In Mons goed ge­bunkerd ofschoon wat duur.

De Franse grens passeren we te Bellig­nies. Daar moesten drie mijner reisgeno­ten 3 km. terug naar het Belgische doua­nekantoor om een pas-avant voor hun rijwiel op te halen, kosten 2 fr. per per­soon.

Na ons verkleed te hebben in Maubeuge gaan we de stad eens in, drinken een glaasje bier bij een strijkje en te tien uur te kooi.

Maandag 7 Augustus.

Vertrek 8 uur. Tocht Maubeuge-Saissons 126 km. Zeven uur opgestaan alles in orde gebracht, duchtig gegeten en te 8 uur afgetrapt. Wind tegen en hoge berg beloven zware dag. De eerste 20 km leg­gen we af in 1½ uur. In Avesnes naar apotheek voor een smeermiddeltje, want een onzer voelt een minder aangename gewaarwording op de plaats waar de rug van naam verandert. De apotheker noch medebewoners kunnen ons verstaan maar enfin met gebarentaal kun je het ver brengen. Saissons is een prachtstad geweest, dat kan iedereen zien, maar zij ligt grotendeels in puin. Na veel zoeken een uithangbord gevonden, waarop “hotel Meukles” waar we konden blijven. Win­kels zonder klanten, lege straten, prach­tige kolossale kerken tot puin geschoten, een troosteloos schouwspel.

Dinsdag 8 Augustus.

Vertrek 8 uur tocht Soissons-Livre 80 km. Alweer wind voor en bergen beklimmen en daarbij nog grote keien.

Ik vind de eerste ongeschonden patronen en verder een grote geladen granaat. We willen het als souveniertje in ons vest­zakje steken, maar we zijn bevreesd dat dit zou uitscheuren als we er 50 pond inladen. Het begint te regenen, huizen zijn er niet, alleen eenzaamheid en grote keien die ons door elkaar schudden. In Villers-Cotterets knap een fles witte wijn per hoofd ons op. In Meaux komt de re­gen weer aandrijven en mijn makkers willen overnachten. Na wat praten be­weeg ik ze een fles wijn te drinken en ons te versterken met chocolade, eieren enz.

Te Livry op 17 km afstand van Parijs overnachten we. Morgen zullen we ons doel bereiken.

Woensdag 9 Augustus.

Vertrek 8 uur. Tocht Livry-Parijs 17 km. Om 7 uur uit de veren, kleren geborsteld, schoenen gepoetst, goed gegeten.

Het wordt op de weg drukker en drukker, men ziet het dat we een grote stad na­deren. We rijden over het trottoir want de Franse keien zijn onhebbelijk en het mooie paadje is lekker. In de verte drie agenten per fiets. Zij komen recht op ons af en beginnen te kloppen en bewegingen te maken. We verstaan er geen sikkepit van. Ik zeg “Parler Hollandais” en toen was alles goed. ‘  Is tien uur en daar be­reiken we Parijs.

Met lift Eifeltoren in. Entree 5 fr. hoogte 300 m.

Bij 100 m. durft een onzer niet verder. Maar de anderen gaan verder.

Donderdag 10 Augustus.

De weg terug.

Vrijdag 11 Augustus.

In Rijssel zijn we gearriveerd en we over­nachten er ook en drinken er een glaasje wijn. Te 11 uur liggen we onder de wol.

Zaterdag 12 Augustus.

Vertrek 8 uur. Tocht Rijssel-Antwerpen 130 km. Te 7 uur reveille. Alles in orde brengen, flink eten en opstap. Het is weer eens bolderen over de keien als kinder­hoofdjes, die je zo doen schudden en schokken dat je meent je ingewanden in je kuiten terug te zullen vinden. We bof­fen, in Antwerpen is het juist kermis. ’s Avonds of beter ’s nachts wat dol van ’t Bokjes drinken.

Zondag 13 Augustus.

Weer monter bij het opstaan en spoedig weer de stad in. We blijven nog maar een dagje in Antwerpen.

Maandag 14 Augustus.

Vertrek 10 uur. Tocht Antwerpen-Hel­mond 103 km.

In onze vaderstad arriveren we om 6½ uur. Zo zijn we in Helmond terug even frisch en gezond als toen we voor tien dagen vertrokken.


(1932)

DE TOER VAN J. v. LIESHOUT.

Helmond-San Sebastian v.v. 2839 K.M.

De Helmondsche groot-toerist Jantje van Lieshout, die zoals we reeds meldden Zondagmiddag van zijn fietstocht naar Spanje in Helmond is teruggekeerd, deelt ons het volgende mede over zijn tocht:

Ik vertrok op Vrijdag 29 Juli uit Helmond des morgens om 8 uur en bereikte des avonds om kwart voor 9 Maubeuge, 220 K.M. Des Zaterdags ging de tocht via Laon en Soissons naar Meaux, waar ik om half 9 arriveerde. 195 K.M. Nadat ik eerst mijne Zondagsplichten hier had vervuld, vertrok ik om 10 uur weer uit Meaux en nu ging het weer langs Melun, Fontaine­bleau waar ik vlak langs het vermaarde slot van dien naam kwam en verder langs Malesherbes en Pithiviers naar Orleans, de stad van Jeanne d’Arc, waar ik om kwart voor 8 reeds aankwam; ik had er weer 162 K.M. opzitten.

Des maandags kwam ik op de schitte­rende baan van Parijs naar Bordeaux, een juweel van een weg en via Blois Amboise en Tours bereikte ik des avonds om kwart voor 8 Chatellerault, 185 K.M.

Op Dinsdag 2 Aug. maakte ik den rit Chatellerault-Poitiers-Angoulème-Barbe­zieux (180 K.M.) met nog maar steeds tegenwind en daarbij nog de noodige klimpartijtjes; ik was des avonds om 7 uur reeds op mijne bestemming, alhoewel ik des morgens pas om half 9 was ver­trokken. Des Woensdags zou ik nogmaals een fermen zet moeten geven daar ik dan de enorme bosschenstreek van de Landes moest doorkruisen. Ik vertrok welgemoed om 9 uur uit Barbezieux en bereikte toen om 1 uur Bordeaux. Daar bunkerde ik stevig, bracht den kapper een bezoek, sloeg wat eten en drinken in en om half 3 stapte ik weer op om de eindeloos lange bosschenstreek te passeeren. Deze enorme bosschen strekken zich uit vanaf de monding der rivier de Gironde, een kleine 100 Kilometer benoorden Bor­deaux, tot bij Bayonne, welke stad 175 K.M. ten Zuiden van Bordeaux is gelegen; dus over eene lengte van ruim 250 K.M. Het viel mij hier heusch niet mee want ik had Bordeaux nauwelijks achter den rug of ik kwam op een keiweg met een slecht zandpad er langs, hetwelk geleidelijk slechter en mulliger werd, waarin ik her­haaldelijk dreigde te zullen blijven steken. Het begon er raar naar uit te zien en na­dat ik precies 49 K.M. over deze enorme keien had gehobbeld stapte ik af om mijn mondvoorraad aan te spreken, waarna ik mijn bolderpartij weer voortzette. Einde­lijk na plm. 6 à 7 K.M. kwam ik toch op een mooien asfaltweg hetgeen een heele opluchting bracht en ik kon weer ferm van leer trekken. Om 8.40 uur bereikte ik Castets. Ik had er nu weer 210 K.M. op­zitten. Donderdagmorgen vertrok ik om 9 uur weer uit Castets en bereikte ik om 12 uur Bayonne. Via Biarrits en St. Jean de Luz arriveerde ik om half 2 aan de Spaan­sche grens bij Behobia-Irun. Om 3 uur bereikte ik mijn einddoel San Sebastian. Vertrok daar weer om 6 uur, daar ik den volgenden dag Lourdes wilde bereiken, en om half 9 des avonds stapte ik in Bay­onne weer af en had ik weer 175 K.M. afgelegd. Toen ik des morgens in mijn hotel mijn ontbijt gebruikte maakte ik hier kennis met een landgenoot, een geolo­gisch student uit Amsterdam, die hier in deze streek op studiereis was. Nadat ik afscheid had genomen stapte ik om half 9 weer op en nu ging het de Pyreneeën in. Via Peijrehorade, Orthez en Pau bereikte ik reeds om half 5 Lourdes, waar ik spoe­dig een uitstekend hotel gevonden had.

Te Lourdes.

Na een bezoek aan de Grot en de Basiliek ging ik, geestelijk gesterkt, eene aange­name en welverdiende lichamelijke rust nemen. Ik had nu in deze 8 dagen tijds 1477 K.M. afgelegd en nog niet de minste pech gehad. Den volgenden dag was mijn eerste werk een wandeling naar de grot met omgeving en veroverde en passant een plaatsje op de foto van de bedevaart van het Bisdom Gent. In den namiddag maakte ik met een touringcar een uit­stapje naar de Gavarnie hetgeen de moeite wel waard was. Zondagmorgen, toen ik op weg was naar de Grot om de H. Mis bij te wonen, maakte ik plotseling kennis met een paar stadgenooten, waarmede ik toen een tijdje aangenaam heb doorgebracht. Om 11 uur vertrok ik weer uit Lourdes. Via Tarbes, Aire sur l’Adour en Captieux bereikte ik om 9 uur Bazas en was ik weer 184 K.M. dichter bij huis. Op Maandag 8 Augustus ging de tocht via Langon, Cadillac, Bordeaux, Barbezieux en Angoulème naar Mansle, 208 K.M. Den volgenden dag  reed ik van Mansle via Ruffec, Poitiers, Chattellerault, Montbazon naar Tours, een afstand van 187 K.M. door de gloeiend heete zon  zoodat mijn armen weer ferm ontveld zijn.

Op Woensdag 10 Augustus maakte ik de trip Tours, Chateau du Loir, Le Mans, verder langs Alençon, Sées, Gacé Vimou­tiers en Livarot naar Lisieux, wat een zware etappe is geweest; geweldig heet, hooge bergen, slechte wegen en 229 K.M. Ik was des avonds om 9 uur in Lisieux.

Ik had nu in 4 dagen tijds het traject Lourdes-Lisieux gereden, een afstand van 808 K.M.

Den volgenden dag ging ik naar de Basi­liek en het klooster van den Carmel, waarna ik om 12 uur uit Lisieux vertrok en toen nog 160 K.M. reed, n.l. van Li­sieux langs Brionne, Rouen en Neufchatel naar Aumale, waar ik om 9.10 uur arri­veerde.

Op Vrijdag 12 Augustus vertrok ik om kwart voor 10 uit Aumale. Nauwelijks op weg zijnde kwam er een onweer opzetten vanuit het Zuid-Oosten. Ik trachtte al zooveel mogelijk het te ontwijken door ferm door te peddelen maar in Poix vluchtte ik een café binnen. Een geweldig onweer brak los. Toen de bui ongeveer over was, stapte ik weer op. Nadien heeft het nog steeds geregend tot ik in Amiëns was. Later toen ik via Albert, Bapaume en Cambray Valenciennes bereikte, begon de lucht er weer zoo bedenkelijk uit te zien, dat ik het ’t raadzaamste vond om hier maar een hotel op te zoeken. Het was nu kwart over 7 en ik had 153 K.M. afgelegd. Tot laat in den avond heeft het geweldig geonweerd en gestortregend.

Zaterdag 13 Augustus vertrok ik om uur uit Valenciennes en even later be­reikte ik de Belgische grens bij Quievrain. Over de enorme slechte keiwegen bol­derde ik daarna weer verder in de richting Mons, verder langs Soignies, Braine le Comte en Hal naar Brussel. Vervolgens zette ik mijne tocht verder voort langs Mechelen en Antwerpen naar Turnhout waar ik om 9.10 aankwam, waarmee ik weer 180 K.M. had afgelegd.

Zondag 14 Augustus ging ik eerst om 8 uur naar de H. Mis. Daar ik maar 61 K.M. van huis was kon ik het vandaag eens op mijn uiterste gemak doen. Omstreeks 11 uur stapte ik op en werkte ik langzaam op de Hollandsche grens aan. Spoedig had ik nu weer vaderlandschen bodem onder mijne banden. In Bladel ongeveer 3½ uur oponthoud waarna ik omstreeks half 6 in Helmond aankwam. Ik reed in totaal 2839 K.M. in 16 dagen, bleef ook op mijn te­rugreis van alle pech gespaard, zelfs nog geen enkele lekke band, evenals het vorig jaar op mijne Rome-reis. Tot slot laat ik een lijst van de door mij gereden etappen met het aantal Kilometers volgen:

29/7   Helmond-Maubeuge  220 K.M.

30/7   Maubeuge-Meaux     195 K.M.

31/7   Meaux-Orleans         162 K.M.

 1/8    Orleans-Chatellerault  185 K.M.

 2/8    Chatellerault-Barbezieux

                                      180 K.M.

 3/8    Barbezieux-Castets   210 K.M.

 4/8    Castets-St.Sebastian-Baijonne

                                      175 K.M.

 5/8    Baijonne-Lourdes      150 K.M.

                                      1477 K.M.

 6/8    Rustdag te Lourdes

 7/8    Lourdes-Bazas         184 K.M.

 8/8    Bazas-Mansle          208 K.M.

 9/8    Mansle-Tours           187 K.M.

10/8   Tours-Lisieux           229 K.M.

11/8   Lisieux-Aumale         160 K.M.

12/8   Aumale-Valenciennes 153 K.M.

13/8   Valenciennes-Turnhout

                                      180 K.M.

14/8   Turnhout-Helmond    61 K.M.

                                      1362 K.M.

                                      1477 K.M.

                            Totaal 2839 K.M.


(1924)

Per rijwiel van Helmond naar Parijs.

Dagboek van een Toerist.

(door J. A. v. Lieshout, van Brusselstr. 14 Helmond.

Mijn vacantieplan van dit jaar was om weer eens naar Parijs te peddelen en daar ik 9 dagen te mijner beschikking had, stelde ik de volgende route vast: Helmond, Waterloo, Maubeuge, St. Quentin, Noijon, Compiegne, Senlis, Pa­rijs, - Meaux, Chateau Thierrie, Reims, Rethel, Mezières, Charleville, Rocroi, Fu­may, Givet, Dinant, Namen, St. Truiden, Hasselt, Helmond.

Zaterdag 2 Augustus.

Omstreeks 7½ uur ’s morgens vertrek ik met den wind van voren over Eindhoven, Valkenswaard naar de Belgische grens bij Neerpelt. Na aldaar door de Belgische douanen gecontroleerd te zijn, hetgeen een werk was van een paar minuten, om­dat mijne papieren tip-top in orde waren, ging het weer verder over Lommel naar Bourg Leopold, waar de weg prachtig is. Vervolgens passeer ik Heppen, Oostham, Quadmechelen, Tessenderloo langs het militaire vliegveld – waar men druk bezig was met vliegoefeningen en hetwelk een paar kilometers voor Diest gelegen is – en even daarna rij ik door de oude vesting­poort het oude stadje Diest binnen. Bij het verlaten dezer stad stap ik aan een café even af om wat te eten en een glaasje bier te drinken, hetgeen mij bij­zonder goed smaakt, nu ik 85 K.M. gere­den heb. Als ik even gezeten heb komt een malsche regenbui opzetten en ik wacht tot ze voorbij is, waarna het weer verder gaat over Caggevinne, Beegos­voort, Molenbeek, Winghe-St. George, Linden, Blauwput, naar Leuven, welke fraaie stad ik zonder afstappen passeer.

Tot hiertoe is de weg nogal vrij gelijk ge­weest, maar wanneer deze stad achter me ligt, krijg ik een berg te verwerken over groote keien, waar ik tamelijk warm van wordt. Nu gaat de tocht over Winsele, Schoonaarde, en Cortenberg naar Nossechem, alwaar ik even met een boer in gesprek kom en die mij vraagt hoe het in Holland staat met de patatten en andere veldgewassen. Ik zeg hem dat de oogst bizonder goed is en peddel weer lustig door, links afslaand over Sterren­beek, Ophem langs Brussel, welke stad ik voor de groote vertraging eer men deze gepasseerd is, rechts heb laten liggen en bereik dan het fraaie bosch van Soignes, met zijne prachtige wegen. Een afstand van 12 K.M. peddel je hier onder de boomen door en passeert men in het midden de groote Hypodrome van Groe­nendael. Na dit heerlijk ritje, zie ik even later links voor mij uit op 8 K.M. afstand den beroemden Leeuw van Waterloo, in welk dorp ik even afstap, want ik heb al tamelijk moeten klimmen. Ik zit echter spoedig weer op ’t zadel en rij Mont-St. Jean binnen, waar ik rechts af moet en passeer dan voornoemden Leeuw van Waterloo, welke links van de weg gelegen is op een paar honderd meters afstand en aan de menschen die zich boven op den berg op de galerij bevinden, kan men zien, dat het een reusachtig beeld is met den kop naar het Zuiden gekeerd, den ganschen omtrek als ’t ware beheer­schend. Nu moet ik een berg beklimmen bij Lilois-Witterzee. (154 Meter) doch even later snor ik met een reuzenvaart naar beneden.

Het gaat “immer weiter” over Raulers, naar Nivelles, in het groote kolenmijnge­bied.

Bij Arquennes passeer ik de rivier de Somme, welke bij Charleroi zijn water in de Sambre uitstort. Vervolgens gaat het over Seneffe, Manage, Fait-les-Seneffe, Haine-St.Pierre naar Mons of Bergen. Nu rust ik even en neem het besluit om van­daag nog naar Maubeuge te trappen, want ik gevoel me bijzonder fit en voort gaat het weer op de Fransche grens af welke ik bereik over Ciplij, Asquillies, Quevijde-Grand en Bettignies. Hier con­troleeren de Fransche douanen mijn pa­pieren enz. doch het valt me op, dat het douane-kantoor een eind verder is dan voor 2 jaar, toen we op onzen eersten rit naar Parijs hier ook de grens passeerden.

Ik ben thans nog 8 K.M. van Maubeuge verwijderd, welk afstandje ik spoedig heb afgelegd. Nou een hotel opgezocht, dat weldra gevonden is in “Hotel de l’Univers”, op de Place d’Armes. Ik kan best tevreden zijn over dezen eersten dag, na een “ritje” van 230 K.M. met te­genwind en de noodige bergen en ga ik nu mijn noodige en welverdiende rust nemen. In afwachting hoever ik het mor­gen brengen zal.

Wordt vervolgd.


Per rijwiel van Helmond naar Parijs.

Dagboek van een Tourist,

(door J. A. v. Lieshout, van Brusselstr. 14 Helmond.)

II.

Zondag 3 Augustus

’s Morgens om 7½ uur was ik present en vervulde mijne Zondagsplichten te Mau­beuge in de kerk op de Place d’Armes welke door den oorlog ook zeer geleden heeft. De toren is van zijn spits beroofd, rechts achter heeft een granaat een groot gat in het gewelf geslagen; niets is nog hersteld, de schilderijen aan den muur hangen aan flarden en talrijke gaten in de muren bewijzen wel dat het er hier warm aan toe is gegaan. Ook anderen gebou­wen in de stad zijn geweldig toegetakeld.

Na mij reisvaardig gemaakt te hebben, mijn banden een beetje gevoed, ging ik omstreeks 10 uur weer “op stap” over Eclaibes, Dourlers, Semausies, Bas-Lieu naar Avesnes, waar het volop kermis was, dus juist tegelijk met Helmond-kermis, maar nogal op ’n afstandje!

Bij het verlaten der stad bevind ik me weer op een groot kermisplein met spul­len en kramen en ik stap aan een res­taurant af om wat te eten, om vervolgens weer door de bergen langs Etrogungi, Larouillies, la Flamengrie, naar La Capelle te trappen. Hier verlaat ik onzen weg van voor 2 jaar en ga rechts af over Buiron­fosse, Rue-Herpeone, Hillers-les-Guise, naar Guise, welke weg over groote ber­gen leidt, en voor Guise gaat ’t met ’n sneltreinvaart naar beneden, in welke stad ik een kleine verfrissching gebruik en tevens wat drinken insla, want het is hier noodig om te “smeren”. Direct bij het uitgaan der stad heb ik weer een reus­achtige klimpartij van 156 Meter voor den boeg om vervolgens Mont-d’Origny en Origny te bereiken. Hier rij ik over de Oise en het kanaal van Oise en Sambre. De bruggen zien er zeer gehavend uit en zijn nog niet hersteld, doch vervangen door noodbruggen. Ik peddel steeds door en kom over Regny, Marcy, Homblieres, Harly te St. Quentin. Van al deze dorpen is bijna niets heel gebleven door de ont­zettende verwoestingen van den oorlog. De streek is hier overal kaal en doodsch. St. Quentin zelve is een geteisterde stad met druk verkeer en vele puinhoopen. Ik stap aan een restaurant af om wat te “bunkeren”, hetgeen me uitnemend be­valt. Een flink diner met een flesch witte wijn knapt me weer heelemaal op: ik steek een sigaret op en ga het drukke verkeer een poosje zitten gadeslaan. Doch spoedig trek ik weer verder en kom over Dallon, Roupy, Fluquieres, Douchie, Aubigny, St. Sulpace en Ham, alwaar ik de rivier de Somme oversteek. Deze naam zal bij iedereen nog wel versch in het geheugen liggen uit den grooten we­reld-krijg.

Verder weer naar Muille en Golancourt voor welke laatste plaats mijn achterwiel crepeert, doordat ik over een grooten greppel rij. Er was een groote slag in. Ik boog het wiel wat recht, zoodat het toch een beetje ging tot een eind verder een rijwielreparateur m’n trouwe makker weer genas en voort ging het weer over Le Plessis, Berlancourt, Guiscard naar Noyon, welke stad zoo verwoest is en nog zoo weinig op- (onleesbaar) is teruggekeerd. Dan trap ik door Passel, Chiry, Dreslin­court, Ribecourt, Thourotte, Longueil. Hier zie ik links van den weg een enorme fabriek liggen. Wat voor een bedrijf het is, weet ik niet, misschien een hoogoven­bedrijf.

Na een paar kilometers door mooie land­schappen gereden te hebben, arriveer ik in het dorpje Claroix, waar de Aisne en Oise samenvloeien en even daarna belant ik in Compiègne. In deze plaats bleef ik overnachten in Hotel de Flandre, een prachtig groot hotel, gelegen aan de brug over de Oise, bij het station.

Dezen dag heb ik 150 K.M. afgelegd en ben nog slechts 75 K.M. van mijn doel, Parijs, verwijderd. Dit hoop ik morgen te bereiken.

(Wordt vervolgd.)


De toer van J. van Lieshout.

Zondagmiddag om half 6 is onze groot-toerist Jantje van Lieshout van zijn tocht naar Spanje te Helmond teruggekeerd. We komen op een en ander nader terug.


Per rijwiel van Helmond naar Parijs.

Dagboek van een Tourist,

(door J. A. v. Lieshout, van Brusselstr. 14 Helmond.)

III.

Maandag 4 Augustus.

Na mij reisvaardig gemaakt te hebben, vertrek ik omstreeks half 10 uit Com­piègne, om het traject, dat mij nog van Parijs scheidt, af te leggen. Ik heb eerst goed gegeten in een restaurant waar men mij een kaart liet zien van den Holland­schen tuimelaar Takkenberg uit Amster­dam, die al tuimelende een tocht maakt van Amsterdam naar Marseille en hier gepasseerd was. Die zal er wel langer over doen als ik!

Niet lang na het verlaten van deze stad kom ik in het beroemde Bosch van Com­piegne, waarin de plaatsen Merclerc-au-Bois, en Lacroix gelegen zijn. Vervolgens passeer ik Verberie en St. Vaast. Een zeer hooge berg rijst dan voor me op en het wordt een geweldige klimpartij, waarbij heel wat van mijn krachten gevergd wordt. Maar ik krijg het met groote in­spanning toch klaar om den top zonder afstappen te bereiken, waarvan ik veel voldoening heb. En het blijft hier werken, want direct na een kleine daling, gaat het weer “de lucht in” en moet ik er alles op­zetten, daar het nu over groote keien gaat, waarop het klimmen niet meevalt. Nu passeer ik de dorpen Villeneuve-sur-Verberie, Brasseux, Ognon, Chamant en trap Senlis binnen, waar ik door een mal­sche regenbui word overvallen.

Ik stap aan een café af en wacht hier op beter weer, hetgeen noch al een poosje duurt. Onderwijl benut ik de gedwongen rust door een kaart naar huis te sturen. Als de bui over is stap ik weer op om de laatste 45 K.M. die mij nog van Parijs scheiden af te draaien. Allereerst kom ik nu door het bosch van Chantilly waar prachtige wegen doorheen loopen, maar in de dorpen die ik passeer, liggen zulke onbarmhartige keien, welke bijna niet berijdbaar zijn.

De dorpen Pontarme, La Chapelle, Survil­lers en Villeron liggen spoedig achter me. Even voor ik Louvres bereik, koerst een vliegmachine boven me.

Het is een reuzengevaarte met lichtblau­wen romp, waarschijnlijk behoorende aan een van de groote luchtverbindingen der groote steden. Nu gaat het mooi bergaf­waarts, doch waarvan ik niet ten volle kan profiteeren door de groote brokken steenen van den weg. Ik kom evenwel toch met een mooi vaartje midden in Louvres terecht, waarna ik meteen weer reusachtig aan ’t klimmen moet. Boven gekomen, zie ik van verre den Eifeltoren van Parijs liggen ietwat rechts voor me uit, en daarnaast een groote kerk, waar­schijnlijk de kerk van Montmartre, welke op een berg gelegen is. Ik ben hier nog 23 K.M. van Parijs. Ik stap weer op en bereik weldra het Vliegveld der Interna­tionale Luchtvaartmaatschappij; een groote verzameling van prachtige, witte gebouwen, ontelbare hangars, een reu­zenstation voor draadlooze telefonie en telegrafie en Seininrichtingen. Voor het hoofdgebouw staat te lezen Pavillon Paul Bert, en aan de poort aan den ingang de letters S. M. A. Juist komen er twee ma­chines binnen en vertrekken er drie. Ik trap verder en het wordt steeds drukker op den weg tot ik arriveer in de voorste­den Aubervillers en Pantin, waar het ver­keer reeds enorm is geworden. Hier komt me een aangename lucht tegemoet en geen wonder, want aan den rechterkant van den weg verheffen zich de groote parfumerie-fabrieken van L. T. Piver. Ik passeer dan spoedig de controle der stad en een volgend oogenblik ben ik op Parij­schen grond. De heenreis is volbracht! Het was een genoegelijke tocht, met niet te veel pech.

Ik steven recht naar het Gare du Nord (Noordstation) om mijn fiets te bergen, hetgeen spoedig is gebeurd, want on­danks de enorme drukte, loopt hier alles vlot van stapel. Dan naar het Postkantoor om een telegram van goede aankomst naar huis te zenden en wat postzegels te koopen om wat kaarten naar vrienden en kennissen te sturen. Vervolgens begeef ik me naar “Hotel Belge”, Rue St. Quentin, waar ik al meer geweest ben. Het aller­eerste, wat me hier te doen staat, is me eens flink wasschen verkleeden en eten, waarna ik de stad inga met zijn enorme drukte en geweldig verkeer. Per Metropo­litain, ondergrondsche spoorweg, reis ik naar Boulevard Exelmans 4en Hotel Exelmans, alwaar ik het Nederlandsche Wieler-team een bezoek wilde brengen. Maar de eigenaar van ’t Hotel, die ter­stond bij mij kwam toen hij hoorde dat ik een Hollander was, zeide mij, dat de hee­ren juist dezen morgen naar hun vader­land waren vertrokken. Ik verliet toen maar dit hotel en ging per Nord Sud, eveneens een ondergrondsche, welke ik wel de beste verbinding vindt, naar de Rue (onleesbaar) en Montmartre, alwaar men het echte Parijsche leven kan aan­schouwen.

Na hier eens goed rondgekeken te heb­ben, zocht ik mijn Hotel op met het be­sluit om morgen weer te vertrekken, want ik voel me een zucht in me om te trappen en heb reeds genoeg van het rumoerige gedoe van deze wereldstad. Het is intus­schen ook al vrij laat geworden en ten zeerste voldaan over mijn reis en goede aankomst, kruip ik onder de wol.

Wordt vervolgd.


Per rijwiel van Helmond naar Parijs.

Dagboek van een Tourist,

(door J. A. v. Lieshout, van Brusselstr. 14 Helmond.)

IV.

Dinsdag 5 Augustus.

Des morgens om half acht was ik reeds uit de veeren en laat me het ontbijt goed smaken. Nu een paar souvenirs gekocht, de fiets gehaald en de steven wordt weer naar Helmond gewend. Ik sla den weg in naar Pantin, Livry en Claye. In deze plaats is aan de kerk een prachtig gedenkteeken opgericht voor gesneuvelde Fransche soldaten uit deze plaats, omgeven door 10 groote granaten met kettingen aan elkaar verbonden als afrastering. Verder gaat het over Chauconin naar Meaux, waar ik even afstap om een kop koffie te drinken. Ik stap echter weldra op en nu komen spoedig de groote bergen weer een woordje meespreken bij den tocht over Trilport, St.Jean les Jumeaux, Sam­meron naar La-Ferté-et-Jouarre waar de rivier de Marin, in de Marne uitloopt, en verder over Reul, Luzancie, Mery, Nan­teuil sur Marne, Crouttes, Charly Soule­tery, Romenty, Ary-Bonneil en Essonles naar Château-Thierry. De weg voert hier door prachtige landschappen met zeer mooi natuurschoon.

In laatstgenoemde plaats stap ik af om eens goed te bunkeren, want het is hier werken. In Hotel de la Giraffe smaakt het wittebrood met vleesch en spiegeleieren en de witte wijn uitmuntend en ik geef hem hier dan ook een flinken zet.

Dit was wel noodig, want het gaat verder over enorm hooge bergen. Ik kom door Chierry, Blesmes, Fossoy, Crézancy, Courtemont, Reuilly, Courthery, Soilly en bij Dormans bevind ik me in het gebied van de Champagne, terwijl het Marnege­bied hier eindigt. Nabij Verneuil ga ik over de brug der Marne en wend mij van deze rivier af, welks loop ik bijna den geheelen weg vanaf Trilport gevolgd heb. Ik peddel lustig verder in de richting van Reims, welke stad ik bereik over Passy, Oliry, Romigny, Ville-en-Tardenois, Chambrecy, Bligny, Bouilly, Pargny en Jouy.

In de buurt van Ville-en-Tardenois zie ik langs den weg 3 kerkhoven van gesneu­velde soldaten. Op het eerste rusten En­gelsche op ’t tweede Italiaansche en op het derde Fransche oorlogsslachtoffers. Vooral het tweede is een schitterend stuk werk.

Hier liggen een enorme massa menschen begraven en het levert bij den geheelen omtrek, die kaal en doodsch is, een akelig schouwspel op. Hier en daar steekt nog een dorre boomstronk zijn gebroken tak­ken triest de lucht in; de grond is meest bebouwd met koren. Ik stap hier even af om te noteeren, en vervolg dan mijn rit. Ik ben nu nog 14 K.M. van Reims: boven op een berg gekomen, welke hier over het algemeen zeer hoog zijn, zie ik in de verte de beroemde kathedraal van Reims liggen, een beetje naar rechts op een afstand van 11 K.M. Na eene groote da­ling en ’n paar kleine klimpartijtjes kom ik eindelijk in Reims aan. Deze oude, groote stad is meer dan half in puin geschoten, vooral in den omtrek der kathedraal is het bijna één ruïne. De kathedraal zelve is ook ontzettend vernield. Het is anders een geweldig bouwwerk en het zal lang duren, eer ze hersteld is.

Na nog wat rond gereden te hebben door en tusschen de puinhoopen zoek ik een hotel op en kies het “Hotel de la Gare” in de Avenue d’Erlon. De verzorging van den inwendigen mensch geschiedt hier naar behooren. Ik praat nog een poosje met een Neger, die uitmuntend Duitsch sprak, en een knappe vriendelijke vent was, waarna ik een beetje ging rondwandelen door de stad. Ik stuur een paar kaarten naar huis, sla wat sigaretten in en gebruik nog ’n paar glazen koffie. Ik verlang in­tusschen naar mijn bed, want ik heb van­daag zwaar werk gehad door den rit van 160 K.M. Dus wel te rusten !

(Wordt vervolgd.)


Per rijwiel van Helmond naar Parijs.

Dagboek van een Tourist,

(door J. A. v. Lieshout, van Brusselstr. 14 Helmond.)

V.

Woensdag 6 Augustus.

Het was reeds half 9, toen ik hedenmor­gen wakker werd, zoodat ik na ontbeten te hebben eerst omstreeks 10 uur mijn stalen ros besteeg.

Het gaat direct over mooie geasphal­teerde wegen, met hier en daar een berg erin, over Witry, Courel, Lavannes, Isles sur Suippe, le Chatelet en Tagnon naar Rethel. Van al deze plaatsen is in den oorlog bijna niets heel gebleven. In deze streek hebben bommen en granaten op vreeselijke wijze hun werk verricht. Lnks en rechts van den weg heeft men hier de schoonste vergezichten. In Rethel zijn vele huizen weer opgebouwd, maar ook veel is nog niet hersteld en biedt een treurigen aanblik.

Over Novy en Saulces bereik ik Taissault, in welke plaats ik aanleg in een platte­lands Ardennen Restaurantje waar ik goed te bikken krijg: gebraden spek met eieren, salade, witte brood, witte wijn en koffie. Ik stap op en tref twee andere toeristen uit Luxemburg, waarmee ik toen opreed en daar zij Duitsch spraken, ver­stond ik hen goed. Ook zij waren naar Parijs geweest en evenals ik hedenmor­gen uit Reims vertrokken.

Gezellig rijden we samen op Mezières aan over Neuviry, Rallicourt, Montigny, Poix-Terron, Ivernaumont, Boulzicourt, St. Marceau, la Francheville en Mohon. Bij Mezières raak ik bij het binnenloopen der stad van een groote helling mijne reisge­zellen kwijt. Ik wachtte nog al even maar ze kwamen niet opdagen, zoodat ik ver­moed, dat ze even voor de stad den weg naar Sedan hebben genomen. Enfin, ik trap verder de stad door en in Charleville, aan de splitsing van de wegen naar la Croix en Gedinne, waar zij over Gedinne zouden gaan en ik over la Croix, ga ik aan een café buiten onder de (onleesbaar) een  paar glaasjes koffie zitten drinken, maar wie er komen, - geen Luxembur­gers. Ik peddel dan maar weer alleen verder en spoedig komt het eigenlijke klimmen van mijn geheelen toer aan. Het gaat over Etion, Tournes, Cliron, Lonny, Harcy, Rimogne, le Tremblos, naar la Croix. Vooral voor deze laatste plaatsen is het ontzettend en deze dorpen dansen me nog steeds voor de oogen als ik er aan denk, hoe ik hier heb moeten zwoe­gen. Maar een spreekwoord zegt: waar een wil is, is een weg en juist dit heeft mij de noodige kracht gegeven om ook deze ontzaglijke hoogten te kunnen ne­men. Eindelijk kom ik in la Croix, waar er gesmeerd moet worden want het is hier wel noodig. Ik zit echter weer vrij spoedig op en krijg een paar kleine klimpartijtjes, waardoor ik op een plateau van pl.m. 400 meter hoogte kom. Op 8 K.M. voor Fumay krijg ik de eerste daling, welke zoo hel­lend is, dat ik uit alle macht moet tegen­trappen en met beide remmen werken, maar nog gaat het in razende vaart naar beneden. Direct volgde, na een korte vlakheid van den weg, een tweede hel­ling, welke niet zoo steil is. Maar nog steeds gaat het omlaag. De derde schiet zoo pijlrecht naar beneden, dat men er zenuwachtig van zou worden. Dit is de grootste en langste helling, welke ik ooit gehad heb en met een sneltreinvaart stuif ik het prachtige gelegen dorp Fumay bin­nen. Van schitterende natuurtafereelen valt hier te genieten. Het witte kerkje steekt prachtig af tegen den donkergroe­nen achtergrond van de hooge met den­nen begroeide, bergen en welks toren nu aardig weerspiegelt in het totaal stil­staand water der Maas. Links van mij loopt de spoorweg, die hier door talrijke tunnels leidt, welke zijn uitgehouwen uit de granietrotsen. Na hier de wonder­schoone natuur te hebben bewonderd, stap ik weer op. De weg loopt langs Maas en spoorweg en is voortaan vrij gelijk. Dit vrij gelijk is nog heel iets anders dan onze wegen in Holland. Menig Hollander zou bij een ritje hier al heel vlug in ’t zweet ba­den. Een eind verder tegen de helling van granietrotsen zie ik een graniet-maalderij, waar het graniet der wegen wordt ver­vaardigd en tevens de keien, enz. Zoo gaat het steeds vooruit door deze over­schoone streek van het bosch der Arden­nen langs Haybes, Fepin, Montigny-sur-Meuse, Vireux-Molhain, Hierges, naar Givet, dat het laatste dorpje is op Fransch grondgebied. Ik nader de grens, welke ik passeer te Heer-Agimont. Belgische dou­anen keken mijn papieren na en ik ver­volgde mijn weg over Hermeton, Hastiere en Waulsart. Terwijl ik lustig door peddel, klinkt het plotseling krak-krak. Mijn ket­ting breekt, nu ik nog 10 K.M. van mijn doel van vandaag, Dinant, verwijderd ben.

Ik spring van mijn fiets en zie dat de ver­bindingschakel van mijne ketting gebro­ken is. Daar ik geen reserveschakel heb, leg ik mijn reserveketting op en even daarna is het zaakje weer gezond.

Ik arriveer in Waulsart, waar het een drukte is van belang door toeristen, die in dit prachtig oord hun vacantie komen doorbrengen. Er zijn zeer vele Hollanders onder want ik hoor tenminste overal zui­ver Hollandsch spreken.

Allengs doemt in de verte over het water de Maas de schitterend gelegen stad Di­nant op. Na een flink ritje kom ik in deze stad aan. Nu moet ik echt op zoek naar een hotel, want het wemelt hier van de vreemdelingen. Eindelijk slag ik erin on­derdak te krijgen in een goed hotel. Weer een kaartje naar huis gezonden en naar bed, want vandaag is ’t ongetwijfeld de zwaarste dag geweest van den geheelen rit.

175 K.M. heb ik heden afgelegd, waarbij reusachtige klimpartijen ’t uiterste ge­vergd hebben, doch ik ben best tevreden en heb weer van veel moois genoten. Morgenavond hoop ik zonder tegenspoed weer in Helmond te zijn.

Slot volgt.


Per rijwiel van Helmond naar Parijs.

Dagboek van een Tourist,

(door J. A. v. Lieshout, van Brusselstr. 14 Helmond.)

VI. (Slot.)

Zooals gezegd, had ik gisteravond het plan gemaakt om vandaag weer naar Helmond te trappen, waarom ik dan ook vroeg uit Dinant vertrok, want het is een heele rit en er staan nog een partijtje bergen op het programma ook. Ik volg den rechteroever der rivier over Haux tot Ivoir, waar ik over de brug ga, vervolgens rij ik over Annevoie, Riviere, Profondeville en Wepion. In deze plaats vereer ik een bakker met een bezoek, want ik had versch gebak geroken. Dan gaat het op Namen af, een groote stad, eveneens schitterend gelegen tusschen hooge ber­gen. Hier rust ik even, maar laat geen tijd verloren gaan, want onderwijl ontdoet een coiffeur me van mijn baard.

Wanneer ik Namen goed en wel achter den rug heb, nader ik het dorpje Beez alwaar ik den Maasoever verlaat en het klimmen weer begint. Zoo passeer ik al klimmende en dalende Bonine, Gelbresse, Hingeon, Pontillas, Otreppe, Bierwart, Burdinne, Ciplet, Moxhe e.a. Te Hannut, kruis ik den grooten weg van Brussel naar Hoei en rij verder over Bertrée Avernas en Batsduin naar Hautain. In de buurt van deze laatste plaats ga ik op m’n een­tje langs den weg zitten pic-niccen. Het smaakt best, als men zoo gewerkt heeft. Eieren met witte brood en bier was mijn kost en na dit verorberd te hebben, ging het weer verder over Wezeren, Gingelom, Kamerijk, Kerekom, Halmael, St. Truiden, Zopperen, Cortenbosch, Herck naar Has­selt, alwaar ik recht op een bekend hotel afga waar men een flink diner heeft voor 6 francs. Nu den rijwielreparateur opge­zocht om een kettingschakel te koopen waarna ik er de gerepareerde ketting opleg, want die is beter vertrouwd en ik was van plan om hem de laatste 75 K.M. nog eens een handje te geven. Ik voelde mij heel frisch en met een flinke tegen­wind zette ik koers naar Zonhoven, Hout­haelen, Helchteren, Hechtel, Vlasmer, naar de grens bij Neerpelt, waar ik 6 da­gen geleden ook over de grens was ge­gaan. Hier ging ik mijn Belgisch kleingeld opmaken tegenover het douanekantoor aan een biertje en een doosje sigaretten, welke in België goedkooper zijn dan in Holland.

Na een sigaret opgestoken te hebben wilde ik weer opstappen, maar het was onderwijl stiller geworden en het begon te regenen. Ik dacht bij mij zelve: ik moet er nu toch door en wil vandaag nog thuis zijn; ik zal het er maar op wagen en vooruit dus over Borkel en Schaft. On­dertusschen was het harder gaan regenen en vond ik het raadzaam mijn regenjas te voorschijn te halen, welke ik op mijne geheele reis nog niet noodig had gehad. Het ging nu in een malsche regenbui over Valkenswaard, Aalst Eindhoven, naar Geldrop. Even voor deze plaats trof ik een sportmakker aan, die mij feliciteerde met het kranig werk, dat ik geleverd had. Ik reed met hem verder en zoo kwam ik omstreeks 8 uur weer in mijne Vaderstad terug, even gezond en frisch als toen ik ze voor 6 dagen terug verliet. Ik geloof dan ook wel te mogen zeggen, dat ik een zware toer tot een schitterend einde heb gebracht.


TOON VAN DEN BOGAERD GEHUL­DIGD.

De wedstrijden uitgesteld tot vanavond.

Gisteren is de oudste Nederlandsche prof. Toon van den Bogaerd door de directie van “Sportpark Helmond” gehuldigd we­gens zijn 25-jarig rennersjubileum.

Allereerst sprak de heer Bubbers namens de directie der wielerbaan. Spreker wees op het wel en wee, dat van den Bogaerd in zijn sportloopbaan heeft ondervonden; naast zeer veel triomfen óók leed. Hij bood den jubilaris een prachtige bloe­menmand aan.

Vervolgens werd hij met bloemen gehul­digd door den voorzitter van de wielerclub Wilhelmina uit Den Dungen.

De Wilhelminamannen zagen er fleurig uit in hun witte uniformen.

Daarna sprak de heer de Boer, afgevaar­digde van de Leeuwarder Ren- en Toe­ristenclub.

In zijn sympathiek speechje memoreerde spr. hoe zijn club den jubilaris had leeren kennen: op ’n hometraineravond die Toon voor ’n goed doel in Leeuwarden reed. Sindsdien is de vriendschap steeds geble­ven, “want – zoo zei spr. – tot den een voelt men zich nu eenmaal meer aange­trokken dan tot den ander.” Spreker bood Toon twee fraaie oud-Friesche borden aan met toepasselijke opschriften:

Doch dyn plicht en lit de ljue rabje.

Doe je plicht en laat de menschen maar kletsen.

En verder:

Sizzen is neat mar dwaen is in ding.

Praten is niets maar doen dát is iets!

Onder geweldig enthousiasme reed Toon de diverse eererondjes.

Verder waren er nog: een felicitatietele­gram van de N.W.U. en een bericht van verhindering van den consul der Unie den heer de Lange uit Breda; een huldeblijk van de toeristenclub “de Kettinggangers” uit Maastricht en een telegram van Jantje van Lieshout uit Bazel.

Toen de huldiging was afgeloopen begon het te regenen; er dreigde zelfs ’n on­weer. De directie besloot toen den wed­strijd uit te stellen tot vanavond half ze­ven (dus niet om zes uur).

Alle genomen plaatsbewijzen zijn voor dezen wedstrijd geldig. Degenen, die vanavond van hun kaart geen gebruik kunnen maken, genieten voor den eerst­volgenden wedstrijd op vertoon van ge­nomen plaatsbewijzen een reductie van 50 %.


JANTJE VAN LIESHOUT TE ROME.

Op audientie bij Z. H. den Paus.

Onze stadsgenoot-toerist J. van Lieshout schrijft d.d. 28 Juli uit de Eeuwige Stad, dat hij dien dag op audiëntie is geweest bij Z. H. den Paus. Van Lieshout noemt dit een gewichtig oogenblik om nooit te vergeten. Onze kranige stadgenoot schrijft verder: “Ik ga morgen weer mijn terugreis aanvaarden, welke naar ik hoop even voorspoedig moge zijn als mijn heenreis.”


HULDIGING J. VAN LIESHOUT.

Nu het comité in samenwerking met de Wielerc. “De Vroolijke Sportbroeders” een vasten vorm heeft aangenomen is het zeker wel de moeite waard, den “staat van dienst” van den wereldtoerist v. Lies­hout, zij het dan ook beknopt, weer te geven. De heer v. Lieshout maakte o.a. de volgende uitstapjes. In 1916 Augustus de ronde door Nederland geheel alleen, in 1922 Parijs retour, in 1924 dito, in 1927 Bazel, 1928 April met Verberne in 3 da­gen 460 K.M., 1928 Frankrijk, en in April vierlandenrit; verder nog 1929 met Ver­berne Helmond-Genève retour ± 1400 K.M. Zoodat, met deze greep, uit het ont­zaggelijk aantal K.M. men een klein idee krijgt, wat de heer v. Lieshout heeft ge­presteerd. Als men dan daarbij thans volgt, de 3400 K.M.: Rome en terug, dan meenen we gerust te mogen annnemen, dat v. Lieshout, wel den grootsten staat als toerist heeft, welke ooit iemand in Nederland heeft gehad. Neem daarbij het joviale, prettige karakter van Jantje, die voor ieder in de weer is ook een onmis­baar persoon voor sp. park – dan zal wel niemand in Helmond, willen achterblijven, om Jantje, een hulde te brengen, een der populairste Helmonders waardig, welaan steun de commissie zoowel moreel…


VAN LIESHOUT’S ROME-TOCHT.

Jan van Lieshout schrijft d.d. 22 Juli uit Genova, dat hij dien dag weer een flinke rit heeft gemaakt in de snikheete zon. Oef! Oef! Wat schijnt de Italiaansche zon fel op ’n rennersrug! Zelfs bij het schrij­ven van de briefkaar zat onze toerist te transpireeren, al ziet hij daarbij uit over de Middellandsche Zee. Op 22 Juli werd door hem de afstand Milaan-Genua (160 K.M.) afgelegd.

Den dag hieropvolgend heeft v. Lieshout een zwaar bergtraject moeten verwerken n.l. Genua-Sarzana (129 K.M.) Het was hard stampen, doch thans heeft hij het klimmen (op de heenreis tenminste!) achter den rug.


TOERISME.

Onze stadgenoot Jantje van Lieshout te­legrafeert ons, dat hij Zondagmiddag te 3 uur goed te San Sebastian (Spanje) is aangekomen. Hulde !


HELMOND-ROME.

v. Lieshout in Italië.

J. v. Lieshout zal op zijn fietstocht naar Rome Dinsdag wel gedacht hebben wat Bredero eens schreef: Het kan verkeeren. Maandag was hij half bevroren van de koude en Dinsdag overviel hem de zon met al haar schroeiende hitte.

Intusschen is hij in het Fascistenland aangekomen. Dinsdagavond arriveerde hij te Milaan, waar hij het Italiaansche bier proefde…. en lekker vond. Hij is dus goed opgeschoten. Jantje schreef, dat het een zeer warme dag was.

Verder: alles wel !


DE ROME-REIS VAN J. VAN LIES­HOUT.

Jantje van Lieshout schrijft ons uit Rome nog het volgende:

Ik heb de heenreis schitterend volbracht, geen enkele lekke band gehad. Het is overigens ’n zwaren tocht geweest. Ik ben hier Zondagmiddag aangekomen om half 2, dus heb ik de heenreis gemaakt in 11½ dag. De door mij afgelegde afstand Helmond-Rome is 1710 K.M. Ik kom waarschijnlijk over denzelfden weg terug, doch blijf hier tot Woensdagmorgen en zal over de terugreis een paar dagen lan­ger doen.

Op een paar vroeger afgezonden brief­kaarten bericht onze kranige toerist het voorspoedig afleggen van den trajecten Sarzana-Guincarico en Guincarico-Civita­vecchia. Vooral op laatstgenoemd traject plaagde de hitte hem geducht – “het was gruwelijk heet; ik heb mijn gansche bo­venbeenen verbrand in de zon”, schrijft hij.


HELMOND-ROME.

Moeilijke bestijging van den St. Gothard.

Onze stadgenoot J. van Lieshout stond Maandag op zijn fietstocht naar Rome voor een zeer zware karwei: hij moest den hoogen St. Gothard over. Deze etappe is hem niet meegevallen en vergde zeer veel van zijn krachten.

Zooals we gisteren reeds meldden bevond hij zich te Altdorf, aan den voet van den St. Gothard. Door den zwaren regenval kon v. Lieshout eerst om 10 uur vertrek­ken voor den sprong over den berg. Niet minder dan zes keer moest hij schuilen voor den regen, waardoor hij slecht voor­uit kwam. Des avonds om half zeven had hij pas 36 K.M. afgelegd en bevond hij zich in Hospenthal, dat gelegen is op een hoogte van 1484 Meter en nog 2½ uur loopen verwijderd is van het hoogste punt van den St. Gothard. v. Lieshout schrijft, dat het er geweldig koud was.

De grootste moeilijkheden stonden hem evenwel nog te wachten. De weg was soms zoo steil, dat onze toerist niet bij machte was zijn pedalen nog rond te du­wen: vier maal moest hij afstappen en te voet verder gaan. Het ergste overkwam hem evenwel boven op den berg: een heftige sneeuwstorm brak los. Jantje zocht in Hospice troost in een warme kop koffie en begon toen de afdaling. Het was een gevaarlijke tocht over de gladde hel­lingen. Half bevroren van de koude be­reikte hij ten slotte Airolo, waar hij den nacht doorbracht.

Dinsdag heeft v. Lieshout den tocht voortgezet.


HELMOND-ROME.

Jantje van Lieshout vordert flink.

Een vriendelijk stadgenoot heeft ons in staat gesteld den 3400 K.M.-tocht van Jantje van Lieshout per prentbriefkaart te “volgen”.

Zaterdagavond schreef onze groot-toerist vanuit Eiken, 34 K.M. voorbij Bazel. Hij was Vrijdagmorgen om half 9 uit Thion­ville vertrokken en arriveerde des avonds om half 8 te Epinal, waarmede hij 157 K.M. meer achter den rug had. Den vol­genden morgen ging de tocht verder naar Eiken, waar hij den nacht doorbracht. Zondagmorgen startte hij daar om goed 11 uur en bereikte des avonds Altdorf, aan den voet van den St. Gothard. Daar­mede zaten er weer 135 K.M. op. Men moet hierbij bedenken, dat het in deze streken steeds klimmen en dalen is.

Jantje klaagt over het weer. Zaterdag en Zondag was het iets beter, maar de zware wind op kop vergde veel van zijn krach­ten. Hij is echter vol bewondering over de prachtige omgeving.

Een huldiging te Helmond.

Naar wij vernemen heeft zich een comité gevormd, bestaande uit de directie van Sportpark Helmond, den voorzitter-kamprechter P. Bloks en het jurylid O. Dütting, dat voornemens is J. v. Lieshout een warme huldiging te bereiden bij zijn terugkomst te Helmond op 15 Aug. a.s.

Dit is o.i. alleszins een lofwaardige daad.

Om tot een spontane samenwerking te komen noodigt dit comité een ieder uit, die aan deze huldiging wenscht deel te nemen, zich tijdig met het comité in ver­binding te stellen om aldus de huldiging zoo grootsch mogelijk te maken.

Wij vermoeden, dat het initiatief der hee­ren wel in goede aarde zal vallen, want Jantje is populair. Een succesvol ten einde brengen van zijn zwaren tocht zal die populariteit ongetwijfeld nog doen toe­nemen.


SPORTPARK HELMOND.

Interessante wedstrijden voor een goed bezet huis.

We hebben gisteren nog ‘ns ‘n “ouder­wetschen” middag doorgebracht op Sportpark. Er was ’n peleton rijders, die elkaar geen tien Meter toegaven. Er was: spanning, enthousiasme, spektakel: ge­zelligheid, specifieke factoren van onze Brabantsche knipkes.

Voor den wedstrijd reden Jan van Lies­hout en Braspenninx een eereronde: Jan­tje voor z’n Helmond-Rome-Helmond-tocht en den Bras voor z’n prestatie in het wereldcriterium te Brasschaet.

De sprintwedstrijden waren meer span­nend dan mooi…


27/12 28

- Onze stadgenoot de bekende wielrijder-toerist J. van Lieshout, die per rijwiel reeds zoovele buitenlandsche reizen van groote beteekenis heeft gemaakt, heeft thans zijne kerstvacantie benut om eens per andere gelegenheid een uitstapje te maken naar het Zuid-Westen van Frank­rijk. Gisteren ontvingen wij een prent­briefkaart van Jantje uit Bordeaux, waarop hij ons mededeelde, dat het hem speet, zulk eene mooie reis niet per rijwiel te kunnen volbrengen, daar de winter zulks niet toelaat. Wij kunnen echter ver­wachten, dat hij dit mooie gedeelte van Frankrijk, ook nog wel eens per fiets zal bereizen. ’t Is anders een heel eind. Wij wenschen den koenen toerist een aange­name herinnering aan dezen tocht.


(1926)

Een Helmonder per rijwiel naar Li­sieux.

De bekende Helmondsche wielrijder Jan­tje van Lieshout, die geregeld ieder jaar met de kermis een fietstocht maakt naar het buitenland, en verleden jaar zelfs per fiets een gedeelte van Engeland heeft doorkruist, heeft voor dit jaar weer een mooi reisplan. Jan wil nl. met kermis een fietstocht maken naar Lisieux, de bekende stad van de kleine H. Teresia in Frankrijk, en dan over Parijs terugkeeren. Zoo’n fietstocht behoeft men niet gering te schatten; voor de heen- en terugreis is dit een afstand van ongeveer 1170 K.M. Wij twijfelen er echter geen oogenblik aan of de kloeke wielrijder zal dezen tocht wel goed volbrengen, daarvoor blijft zijn ver­leden ons borg. Wel dunkt ons, dat het niet zoo gemakkelijk zal gaan om voor dezen tocht een reisgenoot te vinden, en toch zou Jan gaarne gezelschap hebben. Zouden er onder de vele bekende wielrij­ders in Helmond geen te vinden zijn die dezen tocht willen meemaken? Komaan, prakkezeert er eens over. ’t Is in ieder geval een uitstapje, waarbij veel onder­vinding kan worden opgedaan. En Jan is een gezellige kameraad.


Twee Helmonders per rijwiel naar Lisieux.

Zooals wij reeds gemeld hebben zal de bekende Helmondsche wielrijder Jantje van Lieshout, die geregeld ieder jaar met de kermis een langen fietstocht maakt naar het buitenland, ditmaal per rijwiel eene bedevaart ondernemen naar Lisieux, de bekende stad van de H. Teresia, in Frankrijk en bij zijn terugkeer langs Parijs rijden.

Met genoegen hebben wij vernomen dat Jan voor dezen tocht een reisgenoot heeft gevonden, n.l. de heer Jos. Bombeeck, ook lid van de Helmondsche Wielerclub de Vroolijke Sportbroeders, en evenals Jan een amateur, die zich al meermalen vooral bij lange afstanden heeft onder­scheiden. In dezen kloeken en taaien wielrenner stelt Jan het volste vertrouwen en met hem hoopt hij den verren tocht tot een goed einde te brengen.

De reisroute is bepaald als volgt: Hel­mond, Brussel, Mons, Valenciennes, Cambray, Bapaume, Albert, Amiens, Poix, Aumale, Rouen, Bourg Theroulde, Brion­ne, Thiberville, Lissieux, Thiberville, Evreux, Nantes, Paris, Meaux, Soissons, Laon, Vervins, La Chapelle, Avesnes, Maubeuge, Mons, Brussel, Helmond. Langs dezen weg passeeren de kloeke reizigers blijkens orienteering op de kaart niet minder dan 396 steden, dorpen en gehuchten, terwijl de geheele afstand ongeveer 1200 K.M. bedraagt. Voorwaar geen peulschilletje!

Morgen Zaterdag zullen de beide pelgrims de reis aanvaarden en ’s morgens onge­veer 6 uur uit Helmond vertrekken. Het plan is om dezen dag te rijden tot Brussel of Mons; zoo echter de wind gunstig is en alles uitstekend gaat is de mogelijkheid niet uitgesloten dat ze morgen nog tot Valenciennes wegrollen; dit is een afstand van 235 K.M. en 12 K.M. over de Fran­sche grens.

Zonder veel tegenspoed hopen de kloeke reizigers op Zaterdag 7 Augustus weer in Helmond terug te zijn.

Wij wenschen de ondernemende rijders een goede reis, met mooi weder en zeer weinig pech. Even als verleden jaar zullen wij hoogstwaarschijnlijk wel weer een onderhoudend verhaaltje over het verloop van den tocht ontvangen en later in ons blad opnemen.


Twee Helmonders per rijwiel naar Lisieux.

Dagboek van een Toerist, door J. A. v. Lieshout

I.

Der traditie getrouw had ik evenals vorige jaren het plan gevormd om dit jaar met mijne vacantie eene groote toer te maken en had ik nu hiervoor gekozen de stad der Kleine H. Teresia, Lisieux. Kon ik aan­vankelijk geen reisgenoot vinden welke met mij dezen groote tocht durfde onder­nemen, ten laatste is het mij toch mogen gelukken hierin te slagen en zou mij de bekende en taaie renner de heer J. Bom­beek tot reisgezel, dienen; in dezen fa­meuzen wielrijder stelde ik het volste vertrouwen dat wij den langen en uiterst zwaren tocht tot een goed einde zouden brengen; en hierin werd ik niet be­schaamd.

Zaterdag 31 Juli.

Wij vertrekken des morgens omstreeks 6½ uur in Helmond, en met een min of meer motregenachtige lucht en den wind van voren, hetgeen reeds een heele han­dicap is, gaat het in de richting Eindho­ven. Door den regen is de mooie asphalt­weg naar Mierlo reeds vrij nat geworden en wij nemen het besluit om te Mierlo-Hout bij de Barrier den grooten weg te verlaten en rijden over het rijwielpad langs den tramweg naar het Eindho­vensch kanaal, hetgeen we blijven volgen tot Eindhoven. Intusschen is het weer wat opgeklaard en in een mooi tempo gaat het nu over Aalst en Valkenswaard naar de Belgische grens bij Lommel. Nadat we door de Belgische Douanebeambten ge­controleerd zijn, welke onze papieren enz. in orde bevonden vervolgden wij onzen weg langs Lommel naar Bourg Leopold, waar we een prachtige weg hadden. In Bourg Leopold moeten we even voor een gesloten overweg wachten en daarna gaat het weer welgemoed verder. Wij komen nu voorbij de Wielerbaan van Bourg Leopold en verder langs Heppen en Beverloo. Als we deze dorpen achter den rug hebben komen we op een slechten weg met idem rijwielpad, tenminste als we dit zoo mogen noemen; wij rijden voorbij de kolenmijn van Beeringen en zien hier een groote Autobus uit Schaes­berg Limburg (Holland). Wij veronder­stellen dat deze Belgische mijnwerkers komt halen voor de Hollandsche mijnen in Limburg. Intusschen vervolgen we onzen slechten weg en komen in Beeringen, waarna de weg beter wordt; ook het weer is mooi geworden; wij peddelen hier lus­tig verder en langs Pael en Schaffen, waar we weer voor een gesloten overweg moeten wachten, bereiken we de stad Diest, waar juist bij den overweg de af­sluitboomen geopend worden als wij na­deren. Wij rijden door den tunnel der Vestingwerken dezer stad Diest binnen.

Mijn eerste werk is hier om eene bank op te sporen om geld te wisselen hetgeen ik doe op de “Bank de Dijle”, wat mij een ½ uur oponthoud kost. Als dit is geschied gaat het weer in een vlot tempo langs Bequevoort, Thielt, Winghe, St. George, Linden, Kesselloo en Blauwput, naar Leu­ven. In Blauwput moeten we over zeer groote keien rijden tot we in Leuven zijn, wat lang niet lekker is. Als we deze prachtige stad doortrekken zonder af te stappen nemen we niet den weg welke we eerst van plan waren te nemen, doch rijden nu over Berthem, Leefdael (onlees­baar) naar Tervueren, voor welke plaats wij bij het prachtige Koloniale Museum in een restaurant gaan eten. Het uitmun­tend middagmaal smaakt ons uitstekend na een ritje van 130 K.M.

Als wij weer goed verzadigd zijn trekken wij weer verder en komen we nu in de allerprachtigste omgeving van Brussel n.l. Tervueren en het bosch van Soignes, met zijne prachtig aangelegde wegen. Het is voor ons een waar genot om hier 12 K.M. lang door het heerlijke natuurschoon te rijden. Onderwijl passeeren wij de prach­tige Hypodrome van Groenendaal en even daarna zien wij van verre den bekenden Leeuw van Waterloo. Kort daarop pas­seerden wij ´t dorp Waterloo en enkele K.M. verder Mont St. Jean, waar we rechts af den weg naar Nivelles volgen. Wij komen nu langs den Leeuw van Wa­terloo, welke op een hoogen berg links van den weg geplaatst is.

Nu begint voor ons het klimmen en bij Lilois Witterzee, krijgen wij een berg van 154 Meter; als we deze hebben genomen suizen we even later met een reuzenvaart over den mooien asphaltweg naar bene­den.

De weg blijft nu ongeveer golvend en na het dorpje Baulers bereiken we Nivelles en zijn hier in het kolenmijngebied. In deze plaats maken we nog eens kennis met de groote keien en is het hier een bolderen van belang; als we goed en wel deze hobbelpartij hebben meegemaakt zien we van verre een heel stel toeristen in Padvinders costuum voor ons uitrijden. Als wij hen hebben ingehaald wat spoedig gebeurd is bemerk ik de Hollandsche driekleur en waarachtig het zijn een 6-tal toeristen uit Bussum, die ook een toer gingen maken naar Frankrijk. Zij vertel­den dat zij heden morgen uit Antwerpen waren vertrokken en zij nu vannacht zou­den kampeeren bij Mons; zij hadden dan pl.m. 105 K.M. gereden. Hun plan was om tot Reims te gaan en zij zouden 4 weken op tourné blijven. Zij waren uitgerust met tenten, potten, pannen enz. Toen wij hen vertelden dat wij vanmorgen in Helmond vertrokken waren en wij vandaag mis­schien nog tot Valenciennes zouden ko­men, en wij ons heele reisplan mededeel­den, keken zij verwonderd op. Als wij hun een eindweegs vergezeld hadden wen­schten wij hen goede reis en zij ons het­zelfde. Daarop versnelden wij onze vaart en waren weldra verdwenen. Even daarna komen we in Manage waar we weer voor een gesloten overweg komen en hier ko­men we weer in gezelschap van onze landgenooten. Als de weg weer vrij is gaan we weer met een flink vaartje langs Haine-St. Pierre, waar we over het groote viaduct moeten en verder nadat we eerst nog een steilen berg met groote keien hebben moeten beklimmen, welke voor onze Hollandsche collega’s wel te machtig zal zijn geweest, gaat het langs St. Waast Peronnes aux Binche, naar Waumarez waar we aan een café afstappen om onze versnelling om te zetten, want deze is te groot voor zulke bergen en deze worden steeds hooger. Wij maken van deze gele­genheid gebruik en eten bij een paar gla­zen melk onze van huis medegenomen boterhammen op, welke uitstekend sma­ken.

Hierna stappen we weer op en gaat het nu langs Villers, St. Ghislain, St. Sijmpho­rien naar Mons waar we bij het inrijden der stad een enorm groot aantal gevelde iepenboomen zien liggen op een mooi plein, hetwelk hierdoor danig ontsierd wordt; de oorzaak is ook hier de zoo ge­vreesde iepenziekte. Wij rijden verder deze mooie Belgische Grensstad binnen en komen op de Markt, gaan eene fijne doos sigaretten en een paar pittige dure sigaren koopen, want wij hebben dit wel verdiend, nu we reeds over de 200 K.M. achter den rug hebben en in Frankrijk is het rookmateriaal slecht en duur. Het is nog vroeg en wij besluiten om vandaag nog tot Valenciennes te rijden. Wij stap­pen dus weer op en vooruit gaat het al weer “immer-weiter”, wij nemen een ver­keerden weg en gaan nu over Guesmes Frameries, la Bouverie, Paturages naar Quaregnon, waar we weer op den goeden weg komen; wij gaan in een café een glaasje limonade drinken en stappen weer op en nu gaat het langs Wasniuel, Hornu, Boussu, Hainin, Thulin naar Quevrain, waar we bij de Fransche grens komen en een volgend oogenblik zijn we op Fran­schen bodem.

Wij laten onze papieren nazien en ont­vangen een “Permis de Circulation” voor onnze rijwielen, kosten 2½  Franc, voor zegel, omreden wij een pas Avant hebben van den Wielerbond; anders is dit veel duurder en klaar zijn we. Wij zijn nu nog 12 K.M. van ons doel verwijderd, hetgeen we bereiken langs Blanc-Misseron, Qua­rouble, Onnaing en St. Saulve, en even later zitten we in de stad Valenciennes; we moeten eerst nog wat over de keien hobbelen en klokslag 9 uur arriveeren we op de Place d’Armes, en gaan eerst op zoek naar een Hotel, hetgeen nog niet wil vlotten; eindelijk kunnen we terecht in Hotel “Cassel”, Rue de Lille en Place d’Armes 1-3.

Als we onze rijwielen geborgen en ons wat opgeknapt hebben, gebruiken we een kop koffie; daarop willen we even de stad bezichtigen en een en ander koopen. Wij gaan in een spijzenhuis eens flink eten, wat ons goed bekomt en na een paar kaarten gekocht te hebben en er een naar huis geschreven te hebben gaan we al­lengs op ons Hotel af. Daar we geen postzegels konden krijgen konden wij onze kaarten niet posten maar hiervoor zou de Madame uit ons Hotel wel zorgen.

Wij drinken nog een kop koffie, rooken eene sigaret, waarvan door den Hotel­knecht ook een dankbaar gebruik wordt gemaakt en nadat we met dezen garçon wat gezellig hadden zitten praten (het was een Vlaming dus hij verstond ook Hollandsch) zochten wij allengs onze slaapkamer op en genoten weldra van ene verdiende rust, na een ritje van pl.m. 245 K.M.

(Wordt vervolgd.)


Twee Helmonders per rijwiel naar Lisieux.

Dagboek van een Toerist, door J. A. v. Lieshout

II.

Zondag 1 Augustus.

Wij zijn reeds vroeg uit de veeren en hebben eene goede nachtrust genoten; wij wasschen ons duchtig, kleeden ons, drinken een kop koffie en gaan onze Zon­dagsplichten vervullen in de Eglise Notre Dame du St. Cordon in de Rue du Quesnay. Als dit is geschied gaan we een flink ontbijt nemen in ons Hotel en on­derhouden we weer een allergezelligst gesprek met den vriendelijken en bezorg­den Hotelknecht; (wat hebben we later op onze reis nog dikwijls met hem moe­ten lachen). Als we ontbeten hebben worden onze rijwielen nagezien, welke nog in prima toestand zijn; we maakten ons toen spoedig reisvaardig en na nog de zorgvolle raadgevingen van den Hotel­knecht in ontvangst te hebben genomen nemen we een hartelijk afscheid en ver­trekken uit Valenciennes in de richting van Cambraij; we komen over de prach­tige nieuwe brug over het Scheldekanaal, dat hier door de stad loopt, en gaan ver­der over de Place Dampierre waar we de Avenue de Denaine oprijden en hebben nu de stad achter ons.

Het is vandaag prachtig zomerweer en de zon staat reeds fel aan den hemel, of­schoon het nog slechts 10 uur is, en als wij wat verder zijn stappen we even af om onze bovenkleeren uit te doen en rijden daarop in een luchtige kleeding verder; wij komen hier in het gebied van het gevechtsfront van den grooten oorlog en de wegen zijn hier allen kaal en onbe­schaduwd; dus we zitten in de warme zonnestralen, welke ons op dezen tocht wel een bruin tintje zullen bezorgen.

Rechts van onzen weg zien we in de verte vele fabrieksgebouwen en kolenmijnen; we zijn hier in de industriestreek van Douai en zien verderop Lille, Roubaix, enz. De weg welke wij volgen is een las­tige keiweg en wij rijden tusschen de rails van de Electrische tram welke hier langs den weg loopt, en een goed rijwielpad is. Na eenigen tijd krijgen we een mooie grintweg en met een flink tempo passee­ren we een aantal dorpen, welke allen veel van den oorlog geleden hebben, en bereiken na 32 K.M. gereden te hebben de stad Cambraij (Kamerrijk), welke er nog zeer gehavend uit ziet. Bij het bin­nenrijden dezer stad zien we in de Ave­nue de Valenciennes een prachtig Kerkhof van gesneuvelden uit den oorlog.

Over den spoorweg overgang komen we aan de prachtige Oude Porte Notre Dame. Als we bijna door deze stad zijn gehob­beld over de lastige keien komen we aan de groote Noodbrug over het Schelde kanaal waar we veel volk bij elkaar zien staan; mijn vermoeden was juist, er was n.m. een wegwedstrijd voor wielrenners en deze moesten over deze brug komen en dan rechts af langs het kanaal; er komt er juist een voorbij als wij hier ko­men; over de brug weer twee en ver­derop nog een paar, allemaal flinke groote menschen reuzen-boys. Ook komt er een aangestapt met zijn karretje op den schouder, met een gebroken achter­wiel; wij komen er nog eenige tegen en als wij even buiten de stad zijn moeten wij links af den weg op naar Bapaume. Nu krijgen wij een prachtigen weg ge­deeltelijk geasphalteerd afgewisseld door nu en dan eene kleinen berg.

Het is opvallend dat de wegen hier bijna zonder bergen zijn en wij passeeren hier weer een heele serie dorpen. Mijn reisge­noot houdt zich uitstekend en is nog vol goeden moed. Bij het dorpje Beaumetz zien we links van den weg een mooi En­gelsch kerkhof, waar vele soldaten liggen begraven.

Bij Beugny le Chemin mogen we nog eens een berg beklimmen, wat ons goed van de hand gaat en enkele kilometers verder rijden we het zeer verwoeste stadje Ba­paume binnen. Wij hebben zin in wat te bikken en in de Rue de Arras stappen we af en gaan in “Hotel Moderne” eens fijn dineeren met een flinke flesch wijn, want wij hebben het wel verdiend. We koopen een paar ansichten van den verwoestin­gen dezer stad, sturen er een naar huis en na nog een poosje gerust en een si­garet gerookt te hebben stappen we al­lengs weer op. Als we buiten komen staat de heele stad op stelten er is n.m. eene vliegmachine boven de stad zijn kunsten aan het vertoonen en werpt af en toe biljetten uit. Wij trekken ons van de zaak niet veel aan en rijden verder door deze zeer verwoeste stad langs Faubourg-Avesnes, naar Warlencourt, waar we even buiten dit dorp een kolossaal groot kerk­hof passeeren. Hier liggen een ongeloof­lijk aantal dooden begraven, wij zijn nau­welijks eenige kilometers verder of wij passeeren weer eene groote begraaf­plaats en even daarna een derde. Ik ge­loof dat het hier niet pluis is geweest, hetgeen men trouwens wel aan de dor­pen en de gansche streek kan zien. Langs den weg liggen hier nog zeer vele gevelde boomstronken welke danig toegetakeld blijken te zijn en de enkele hier en daar nog staande boom gelijkt nergens meer op. En zoo zijn we bijna ongemerkt het stadje Albert genaderd en even daarna rijden we door deszelfs straten, waar we maar zonder afstappen doorheen pedde­len. Nu zijn we nog 28 K.M. van Amiens, en als we nog eene serie dorpjes gepas­seerd zijn hebben we het oorlogsgebied achter den rug.

De wegen zijn hier mooi, meestal geasphal­teerd. Bij Pont-Nouvelles plm. 10 K.M. voor Amiens krijgen we een grooten berg, waarna we, in eene lommerrijke streek komen en kan men aan de vele menschen, die hier komen genieten zien, dat men eene groote stad nadert. Weldra zien we dan ook links voor ons uit de groote Kathedraal van Amiens, welke den ganschen omtrek beheerscht. Wij nade­ren al meer en meer deze stad en even later bij het begin der stad moeten wij links af over den prachtigen breeden Boulevard de Beauville en als we hier op den spiegel gladden weg rijden maken wij onze spieren wat los door verschillende armoefeningen.

Wij komen langs een prachtig wandel­park; het is mooi zomerweer en er zijn zeer vele wandelaars. Aan het einde van dezen Boulevard bij de Pont d’Amont, komen we over de rivier de Somme, wel­bekend uit den oorlog. Wij rijden verder over de Boulevard d’Alsace-Lorraine, Boulevard de Belfort, Boulevard du Mail en Boulevard St. Charles, welke allen zeer breed en prachtig zijn. Nu tippelen we over de Esplanade de Bauvais en daarna door de Route de Rouen, in welke straat we een aanval doen op eene waterpomp om wat te drinken en onze kruikjes te vullen. Wij verfrisschen ons tevens wat, want het is vandaag warm. Als wij deze stad een eind achter ons hebben gaan we langs den weg in de schaduw in het lange gras zitten en verorberen onze boter­hammen welke we nog bij ons hebben vanuit Helmond; ze smaken zeer goed; wat liggen we hier heerlijk in de koele schaduw; jammer dat we niet veel tijd over hebben en we weer spoedig op stap moeten, want we hebben vandaag onzen tijd voortaan noodig. Enfin we zullen maar zien hoever we kunnen komen. Weldra zitten we weer op onze zadels en krijgen nu zeer prachtige asphaltwegen waar we bijzonder goed opschieten. Wij zien hier zeer vele beschadigde fruit­boomen, waarschijnlijk veroorzaakt door den storm, die hier voor eenigen tijd ge­woed heeft, volgens de courantenberich­ten in Holland. Het valt ons eenigszins op dat de wegen hier weer erg op- en afloo­pen. Het resultaat hiervan ondervinden we als we voor het stadje Poix komen. Op 2 K.M. van deze plaats is nog geen spoor van stad of dorp te zien, maar plots ko­men we aan een diepen kelder waarin deze plaats ligt; een volgend oogenblik suizen wij met een sneltreinvaart naar beneden en is het voor ons opletten om niet den hals te breken. We belanden veilig en wel in deze plaats en moeten weer direct aan het klimmen om uit de diepte te komen; als we boven zijn krij­gen we weer mooie effen asphaltwegen en zijn wij nu nog 18 K.M. van Aumale verwijderd, hetgeen we na een poosje flink doortrappen bereiken. Ook deze plaats is evenals Poix in een zeer diep dal gelegen en weer komen wij met een reu­zenvaart deze plaats binnen gestuifd; doordat we te veel onze aandacht moes­ten vestigen aan den weg, namen we door te groote snelheid een verkeerde richting en rijden den weg op naar St. Germain sur Bresle, doch gaan bij dit dorp weer links af. Ik bemerkte n.m. aan de zon dat we eene verkeerde richting uit gingen: eerst hadden we de zon rechts voor ons en nu stond zij links voor ons, dus we moesten links af om weer op den goeden weg te komen.

Zooals gezegd gingen we te St. Germain sur Bresle links af, over de rivier de Bresle naar het dorp Vieux Rouen en vervolgens over Aubequimont naar Richemont; hier passeeren wij een zeer donker bosch waarin de weg zeer lang omhoog loopt en het was intusschen avond geworden.

Daar we nu ons eigenlijke doel van van­daag Neufchâtel niet meer kunnen berei­ken, besluiten we maar om in Richemont te overnachten en komen we terecht in “Café des Voyageurs” waar we kunnen slapen en zullen we morgen maar weer zien hoever we het dan brengen. Nadat we goed gegeten hadden en nog een paar kopjes koffie gedronken, hetgeen mij een verbrande tong bezorgde, waar­van ik nog eenige dagen plezier heb ge­had, gingen we slapen. We hebben van­daag weer pl.m. 180 K.M. afgelegd, en zijn nu nog 160 K.M. van ons groote doel Lisieux verwijderd; wij hopen dit morgen te bereiken.

(Wordt vervolgd.)


Twee Helmonders per rijwiel naar Lisieux.

Dagboek van een Toerist, door J. A. v. Lieshout

III.

Maandag 2 Augustus.

Het prachtig zomerweer doet ons reeds vroeg ontwaken; wij wasschen ons duch­tig in de open lucht, hetgeen ons heerlijk bekomt, en maken ons reisvaardig. Na het ontbijt met een kop koffie, koopen wij een pond suiker, welke hier zeer goed­koop is, n.l. fr. 2.40 per pond, d.i. nog geen 15 cent, en doen dit in de zakken van ons tricoot; het zijn n.l. brokjes sui­ker, welke een uitstekend voedingsmiddel zijn op den fietstocht. Wij vullen onze kruikjes met water en omstreeks half acht zijn we reeds op pad. Het is ons vast plan vandaag Lisieux te bereiken, indien het eenigszins mogelijk is.

Wij rijden nu over den grooten weg langs La-Neuville, St. Légetaux-Bois, naar Fau­carmont; langs dezen weg moeten we weer veel klimmen en dalen en voor laatstgenoemde plaats gaat het weer met een reuzenvaart naar de diepte.

Klokslag 8 uur vliegen we met een vaart de kerk van Faucarmont voorbij; nu moeten we eerst links, en daarna rechts af en gaan nu weer de hoogte op in de richting van Aubermesniel; deze berg loopt nog al lang op en we gaan een aar­dig eindje de lucht in; halverwege van dezen berg moeten we stoppen; mijn makker meent een lekke band te hebben, want hij ziet er een groote kopspijker inzitten; hij trekt hem er uit, doch de band loopt niet leeg (wat ’n boffert) en het gaat weer verder langs Calengeville, Bremont, Vatierville; het is hier gedurig een geweldig klimmen en het is reeds zeer warm. Wij gaan verder over Ménon­val en Les-Broches, en nu krijgen we een verrukkelijk panorama op de stad Neuf-Châtel. Wij zien in eene geweldige diepte links voor ons deze stad liggen en daar­boven hangen groote nevelwolken; wij krijgen den indruk of wij ons boven de wolken bevinden.

Het is een onvergetelijk schouwspel; we zijn nu nog 7 K.M. van deze stad verwij­derd en daar gaat het de diepte in. Het spel gaat beginnen. Het is prachtig zo­merweer; de zon zend hare warme stra­len reeds over ons heen en wij vliegen met een vaart van 60 à 70 K.M. per uur naar beneden; nu komen we in de mist-wolken terecht en het wordt zoo donker dat ik mijn makker, die pl.m. 50 meter voor mij heensuist, bijna niet meer kan zien. De weg blijft maar steeds omlaag loopen en wendt zich nu links, dan rechts; het heet hier opletten, want de minste onoplettendheid zou ons hier noodlottig kunnen worden. Even later belanden we veilig in Neuf-Châtel en hier is het weer prachtig zomerweer. Wij zijn echter druipnat van den nevel en bij onze aankomst in de stad stappen we af in de Grande-Rue St. Jacques bij de Place-de-l’Hotel-de-Ville, om in het postkantoor wat postzegels te koopen.

Het is nu precies 9 uur, dus we zijn reus­achtig opgeschoten; we loopen nu naast onze rijwielen om de stad beter te kunnen bezichtigen. Aan de Place de Notre Dame staat eene prachtige oude Kerk de Eglise-Notre-Dame. In de Rue du Pont komen we over de rivier de Béthune; als we deze even gepasseerd zijn stappen we weer op onze rijwielen en nu begint weer dezelfde geschiedenis: steeds klimmende passee­ren we het dorp Esclavelles; even daarna, als we weer omhoog moeten, stappen we even af om onze bovenkleeding uit te doen, want het is weer flink warm, en als dit is geschied gaan we weer de lucht in; nu krijgen we weer de prachtigste pano­rama’s voor oogen.

We rijden langs Hayons, Les-Buhots, Bre­quigny naar St. Martin-Ononville, waar we een fotograaf ontdekken, en we maken van deze gelegenheid gebruik om een photo te laten maken: prijs Fr. 20 per dozijn. De fotograaf zeide ons dat wij ze binnen 4 dagen thuis zouden hebben, dus nog eer we zelf thuis zijn. Als dit is ge­schied en ik hem met Belgische Francs betaald had, welke hij accepteerde, gin­gen wij weer verder en na een paar K.M. moeten we al weer afstappen voor een gesloten overweg: men laat ons echter nog passeeren; we zijn nu nog 25 K.M. van Rouaan en besluiten dat we in deze stad eens flink zullen bunkeren, want we beginnen er zin in te krijgen.

Nadat we weer een aantal dorpen zijn gepasseerd, en we flink door gepeddeld hebben, naderen we Rouaan en komen in de voorstad Bois-Guillaume; even daarna zien we deze enorm prachtige stad voor ons in de diepte liggen. Ik kan den uit­roep niet onderdrukken: Wat is dit toch een prachtig gezicht op deze stad. Wij passeeren het Bureau de contrôle en dan gaat het naar beneden door de Rue d’Ernemont. Aan het begin der Rue de la Republique op den hoek rechts zien wij de prachtige Fontaine St. Marie en als we deze straat door zijn komen we op de Place de l’Hotel de Ville, waar het prach­tige Stadhuis staat en daarnaast de enorm groote Eglise St. Quen. Nu gaan we op zoek naar eene Bank om geld te wisselen. Ik informeer hieromtrent en men deelde mij mede, dat deze eerst geopend werden om 2 uur en het is nu half een, dus dit beteekent voor ons een paar uren oponthoud. Wij zoeken we nog een kop koffie, gaan het verkeer den dit in de Rue des Bons Enfants 27, Café Restaurant “Balear” bij de Rue Jeanne d’Arc, waar we buiten op het terras eens goed gaan zitten bikken; het smaakt ons uitstekend en als we dit hebben naar bin­nen gewerkt, drinken we nog een kop koffie, gaan het verkeer in deze straat een beetje gade zitten slaan, rooken eene sigaret en intusschen is het 2 uur gewor­den; nu ga ik naar eene bank in de Rue Jeanne d’Arc, tegenover het postkantoor mijn geld omzetten, hetgeen spoedig is geschied; ik koop een paar kaarten, wij sturen er een naar huis en na nog wat gezeten te hebben stappen we weer op en posten eerst nog onze kaarten aan het postkantoor.

Aan het einde der Rue Jeanne d’Arc ko­men we in de Quai de la Bourse aan de rivier de Seine en moeten nu over de Pont Boieldieu, daarna over de Place Car­not Rue St. Séver, Rue du Pré, Rue Tous Vents en Route de Caen.

Weldra hebben we deze prachtige groote stad achter de rug en komen nu weer op een prachtigen asphaltweg; hier passee­ren we vele groote fabrieken, waarbij een hoogoven, dit alles is rechts van den weg gelegen langs de Seine-oevers en links van ons ziet men een mooien hoogen met groen begroeiden bergrug, waarlangs de spoorweg loopt welke soms door een tunnel gaat.

(Wordt vervolgd).


Twee Helmonders per rijwiel naar Lisieux.

Dagboek van een Toerist, door J. A. v. Lieshout

IV.

We passeeren verder de dorpen Petit Couronne en Grand Couronne en Mouli­neaux en hier begint het klimmen weer en nu krijgen we een kolossaal hoogen berg te verwerken. Bij het uitrijden van laatstgenoemd dorp zien wij eene volks­verzameling op eene hoogte links van den weg. Wij veronderstellen dat dit eene bedevaartsplaats is of iets dergelijks, want het volk staat in eerbiedige stilte en uit de verte klinkt ons muziek tegen, wij vervolgen echter onze klimpartij en na een poosje gestegen te hebben komen we aan eene plaats waar men den weg aan het herstellen is en de helft van den weg is opgebroken. Mijn reisgenoot is een weinig voor mij en er komen juist 2 auto’s ons tegen als ik bij dit opgebroken deel van den weg ben en ik moet zooveel rechts houden dat ik in het losse zand en grint terecht kom, waarin ik blijf steken; ik laat mij maar met fiets en al omvallen en werk daarna weer den weg op. Mijn collega is intusschen door de kromming van den weg uit het oog verdwenen en als ik boven kom staat hij op mij te wachten en nu gaat het weer verder.

Bij La Bouille, moeten we den prachtigen asphaltweg verlaten en gaan wij links af in de richting van Bourg Theroulde; nu komen we op een zeer slechten grintweg en moeten even later weer eens voor een gesloten overweg stoppen. Wij hebben echter geleerd en gaan ongevraagd door het kleine poortje, het spreekwoord in­dachtig: Een brutaal mensch komt de halve wereld toe. Wij peddelen maar weer verder over den slechten weg; nu moeten wij er ook nog bij klimmen en komen daarop in het groote bosch Foret de la Londé; na eenigen tijd te hebben gesukkeld over dezen slechten weg gaan we weer met een sneltreinvaart naar be­neden en rollen we Bourgtheroulde bin­nen. Nadat we deze plaats zijn doorge­trokken zonder afstappen krijgen we weer een berg waarop het dorp St. Denis-des-Monts gelegen is. Verder komen we door St. Philibert Boissy, Le-Bosrobert, waarna we weer naar beneden gaan en een overweg passeeren welke nu eens open is; als we deze over zijn mogen we nog eens geducht klimmen en even later ko­men we Brionne ingestuifd. Juist na het passeeren der brug over de rivier de Risle krijgt mijn reisgenoot een lekke band. Wij gaan deze aan een Café repareeren en gebruiken onderwijl een glas koffie en als we gereed zijn drinken we een ferme flesch wijn, steken eene sigaret op en berekenen dat we vandaag nog in Lisieux kunnen komen, maar dan mogen we niet veel tijd verspillen.

Ik informeer even naar de gesteldheid van den weg, en men deelde mij mede dat we eerst een hoogen berg kregen en na 6 K.M. op den grooten prachtigen asphalt­weg van Parijs naar Cherbourg kwamen, welke voortaan tot Lisieux on­geveer vlak is.

Hierna stappen we op en bereiken weldra bedoelden berg. Als we deze genomen hebben komen we langs Franqueville en Petit Boisney en even daarna op den bij­zonder mooien en breeden weg; nu zijn we nog 33 K.M. van ons doel. Wij zullen hem dus nog eens een handje geven op deze prachtige baan en met een vaartje van bij de 30 K.M. stevenen we op Lisieux aan. We passeeren in dit tempo, dat we steeds blijven houden, verschillende dor­pen en we naderen al meer en meer ons doel. Ik kijk al eens uit of ik geen kerkto­ren of iets dergelijks zie, maar er is geen spoor van de stad te bespeuren. Wij zijn nog 3 K.M. van Lisieux en er is nog niets te zien. Juist 2 K.M. van de stad gaat het weer naar beneden, doch we zien nog geen stad; met eene enorme vaart stui­ven we verder en daar de weg geregeld blijft draaien en de gansche streek hier is begroeid met hoog geboomte, zien we de stad pas als we er nog maar een paar honderd meter van verwijderd zijn en zoo komen we met een groote snelheid Li­sieux binnengestormd. Ik pak mijne remmen beet en bij de Boulevard-Duchesne-Fournet, aan het begin der Grand Rue staan we stop en stappen af.

Het is nu ongeveer 8 uur en we hebben het doel van onze reis bereikt na eene zwaren tocht van 3 dagen. Mijn reisge­noot heeft zich kranig gehouden, waar­voor hem wel een complimentje toekomt. Wij zijn beide nog fit en vol goeden moed en gaan nu een Hotel opzoeken, hetgeen met deze drukte hier niet zal meevallen.

Maar jawel, het eerste het beste waar ik eene kans waag, is de zaak reeds gezond (je moet maar boffen ook). Nadat we onze rijwielen gestald hadden gingen we naar onze kamer om ons eens flink te wasschen en verkleeden.

Als we weer opgeknapt zijn gaan we de stad in om deze eens te bezichtigen en tevens op verkenning uit voor morgen. Lisieux is eene stad van pl.m. 15.000 in­woners en is, evenals alle plaatsen van beteekenis in Normandië, in een dal gele­gen tusschen hooge bergen.

De stad wordt doorstroomd door de rivier de Tauques, welke bij Trouville in de zee uitmondt; men vindt er verder eenige mooie gebouwen, zooals de Eglise St. Pierre, de Eglise St. Jacques, de Chapel du Carmel, waarin de beeltenis der H. Theresia wordt vereerd.

Als we de stad wat hadden doorloopen gingen we wat eten; hierop kochten we eenige souvenirs en kaarten en zonden er eentje naar huis. Nu zochten we ons Ho­tel op en gingen eene welverdiende rust genieten.

Wordt vervolgd.


Twee Helmonders per rijwiel naar Lisieux.

Dagboek van een Toerist, door J. A. v. Lieshout

V.

Dinsdag 3 Augustus.

Om 7½ uur op; ons gewasschen en ge­kleed en ontbijten; daarna gaan we naar den coiffeur want onze baard is intus­schen flink gegroeid. Als dit is geschied gaan we naar het postkantoor om eenige kaarten te schrijven naar vrienden en bekenden; met een Telegram naar huis berichten we onze goede aankomst te Lisieux; vervolgens maken we een rond­wandeling om overal een bezoek te bren­gen, vooral aan de Kapel van Carmel, waar de H. Theresia op plechtige wijze vereerd wordt.

Het is in de stad zeer druk en als wij eenige kerken hebben bezocht en op weg zijn naar de Kapel en Klooster van Car­mel, worden we op eens aangenaam verrast door een paar bekende gezichten uit Helmond en nauwelijks zijn wij van deze verrassing bekomen of een groep van 56 bekende personen omringen ons; deze ontmoeting doet ons werkelijk goed; na vele wederzijdsche handdrukken en gelukwenschen voor onze kranige presta­tie, sluiten wij ons bij hen aan en gaan we tezamen wat gebruiken. Onze stadge­nooten konden het bijna niet gelooven dat wij per rijwiel naar hier waren geko­men en dat in 3 dagen tijds. Wij brengen hier met hen een tijdje gezellig door; het is eene bedrijvigheid en gezelligheid van je welste; er wordt veel verteld en druk anzichtkaarten geschreven; wij belasten ons met het posten van deze kaarten en nemen er een heele massa in ontvangst.

Allengs wordt het voor onze stadgenooten tijd om te vertrekken; weldra komen een aantal auto’s om hen te vervoeren; wij wenschen elkander eene goede reis toe en hiermede is deze aangename ontmoe­ting weer voorbij. Nu gaan wij naar de Kapel en Klooster van Carmel om een bezoek te brengen aan de H. Theresia. Als wij deze Kapel binnen komen is ’t er zeer druk en wij slagen er na eenige moeite in door te dringen tot vlak voor het hek, hetgeen de Kapel der Heilige Theresia scheidt van het overige deel dezer groote Kapel. Hier blijf ik eenigen tijd verzonken in innig gebed en geestes­vervoering en richt ik op deze stonde mijne bede uit den grond van mijn hart hemelwaarts om door de voorspraak der Kleine H. Theresia al mijne dierbaarste wenschen te mogen vervuld zien.

Als ik dan ontwaak uit mijne overpeinzin­gen gaan wij de kapel nog eens door om deze te bezichtigen en bemerk ik onder de aanwezigen nog een 2-tal stadge­nooten; wij willen hen in hun gebed niet storen en wij verlaten dan deze gewich­tige plaats; nadat we bij de Kapel en het Klooster nog eenige Medailles enz. ge­kocht hadden gingen we naar het Post­kantoor om de kaarten van onze stadge­nooten te posten, waarna we weer naar ons Hotel gingen om onze rijwielen te halen want het wordt zachtjes aan tijd om weer te gaan vertrekken.

Na nog een en ander gekocht te hebben wat we noodig hebben besluiten we, dat we om uit de stad en op den grooten berg te komen, maar naast onze rijwielen zullen loopen tot we boven zijn; als we hier aangekomen zijn, wat loopende ook een heele toer is, want het zweet parelde op mijn voorhoofd, wensch ik de stad Lisieux en de Kleine H. Theresia nog een laatste vaarwel en tot ziens toe (God weet….?).

Als we even op onze rijwielen hebben gezeten, pl.m. 1½ K.M., gaan we in een restaurant eens goed eten eer we onzen tocht voortzetten en zullen wij maar zien waar we vanavond weer belanden. Na een stevig maal stappen we weer op. Het is nu kwart voor 4 en we zullen probeeren of we in Evreux (75 K.M. of Mantes 125 K.M.) kunnen komen. Wij hebben nu voor het eerst op onze reis den wind eens gunstig; over dezen mooie weg gaat het prachtig en wij zullen vandaag zonder ongelukken nog wel een heel eindje weg rollen; het gaat als gesmeerd tot Boisneij, wat we in een minimum van tijd bereikt hebben.

Onze weg van de heenreis laten we hier nu links liggen en we gaan in de richting van Fontaine la Soret; hier is het weer enorm mooi van natuurschoon; wij gaan hier met een reuzenvaart naar beneden. Ik zeg tegen mijn makker, alweer naar beneden, dat kan zoo meteen weer ge­zellig worden (ik doel hier op de klimpartij die ons weer wacht). Eerst komen wij nog eens voor een gesloten overweg en even daarna in het dorpje Thilouville, dat ver­rukkelijk mooi is gelegen aan de rivier de Risle en tusschen zeer hooge bergen. Nauwelijks zijn we in dit dorpje of daar gaat het weer de hoogte in en niet zuinig ook; de weg loopt hier zeer sterk op en voert zigzags gewijze omhoog, hetgeen een prachtig gezicht oplevert, maar het is werkendag om er op te komen; wij krij­gen het echter klaar en nu komen we weer op een mooien effen weg. Nadat we zoo een poosje gereden hebben kunnen wij de verleiding niet weerstaan en pluk­ken een paar appels af, welke hier overal langs den weg staan. Als wij van deze verboden vrucht hebben gegeten, krijg ik mijne straf onmiddellijk; ik breek n.l. mijn toeclips (Teenhaak) van mijn pedaal en nu moet ik mij behelpen met het riempje alleen; ik hang mijn afgebroken toeclips aan de schors van een boom en we trek­ken weer verder. Wij zitten nauwelijks op onze rijwielen of er komt achter ons een auto aan, waarvan de motor heet is ge­loopen; hij rookt en blakert van belang en stopt juist bij ons. Wij blijven eenige mi­nuten kijken maar we krijgen in de ge­dachten dat we vandaag nog verder moeten en weldra beginnen we weer ge­ducht te fietsen.

Het is prachtig weer en wij vermaken ons met het dolle jagen der auto’s op dezen weg; het is gewoonweg enorm, zulk een snelheid, geen enkele uitgezonderd. De auto’s welke hier loopen zijn wel voor 90% Renault-wagens dus hardloopers.

Wij naderen allengs de stad Evreux en er komt een jonge renner ons gezelschap houden; wij spraken met hem zoo goed en zoo kwaad als het ging, maar hij spreekt geen zuiver Fransch en wij ver­staan bijna geen jota van al wat hij ons voorliegt.

Juist voor deze stad, als wij weer met een vaartje naar beneden gaan, staat hier een motorrijder met beide handen zijn hoofd vast te houden en zijn motor ligt in het zand langs den weg; er staan eenige menschen bij, ik vermoedt dat hij gedui­keld is. Wij vliegen echter verder en ko­men in Evreux, dat eene flinke stad is en als we deze verlaten is het weer het zelfde liedje: klimmen. Boven gekomen zien wij dat de lucht in N. W. richting er gevaarlijk uit begint te zien. Dat kon nog wel eens gezellig worden, zeg ik tegen mijn makker; enfin we zullen maar af­wachten. De weg wordt hier nog prachti­ger en doet denken aan de wegen welke wij verleden jaar op onze reis naar Lon­den in Engeland aantroffen.

Wij komen voorbij de Hyppodrome van Evreux en het vliegveld met zijne hangar; een eind verder op den weg zien wij een paar enorm groote bloedplekken; hier is wellicht een ernstig ongeluk gebeurd en ongetwijfeld zullen hierbij wel een paar dooden zijn geweest; dit is in de buurt van Misery.

Intusschen vervolgen wij onzen weg en allengs komen we in Pacy, waar we nog eens afstappen om wat te eten. Hier koopen wij Cakes en Druivenvla en een pond suiker, gaan hiermede naar een café en drinken hierbij ieder een flesch wijn, wat ons goed doet. De wijn is hier bijzonder goedkoop: de witte wijn kost hier fr. 2, d.i. ongeveer 12 cent per flesch, de roode wijn is nog goedkooper n.l. fr. 1.75, d.i. pl.m. 10½ cent. Hiervoor heeft men in Helmond nog geen water met suiker. We vullen onze kruikjes met water en wijn doen er goed wat suiker in en dan gaat het weer verder; eerst zooals gewoonlijk flink wat klimmen en vervol­gens weer een mooien weg, zoo gaat het nu op Bonnineres af.

De streek is hier ook zeer prachtig en we komen weer aan de Seine. Nadat we deze plaats gepasseerd zijn blijven we gerui­men tijd langs deze mooie rivier rijden. Het is intusschen reeds avond geworden en we zijn nu nog pl.m. 9 K.M. van ons doel n.l. Mantes. Als we een poosje heb­ben gereden waarbij we luidkeels zingen, hetgeen we vandaag op onze rit meestal hebben gedaan, en dat een bewijs is dat we nog vol goeden moed zijn, ontmoet­ten wij echter 2 Gendarmen, die ons aan­houden wegens rijden zonder licht. Nadat wij onze papieren hebben laten zien en wij hun ingelicht hadden omtrent onze reis enz. waren zij nog zoo goed ons een Hotel te wijzen en maakten zij een ge­noegelijk praatje met ons in de Duitsche taal, wat beter ging dan in het Fransch. Zij vertelden ons dat zij op surveillance waren naar een berucht individu welke zich hier op dezen weg moest bevinden. Wij kwamen terecht in Hotel du Rouen op de Place de la Gare, Mantes, Gassicourt, en eer wij het wisten, hadden zij voor ons al eene slaapplaats gevraagd en konden wij hier logeeren. Wij dronken een kop koffie en gingen eene wandeling maken door de stad. Als we weer terug komen koopen we een ansicht en sturen deze naar huis. Ik ga deze even posten aan het station op pl.m. 50 Meter afstand, dus dit is vlug geschied en na nog een glaasje bier gedronken te hebben, gaan we sla­pen, met het plan morgen heel vroeg te vertrekken, want we hebben dan een heele rit voor de boeg.

(Wordt vervolgd).


Twee Helmonders per rijwiel naar Lisieux.

Dagboek van een Toerist, door J. A. v. Lieshout

Woensdag 4 Augustus.

Wij zijn weer vroeg uit de veeren; het weer is ruw en buiig en ik denk dat we het vandaag niet ver zullen brengen, als het niet beter wordt. Wij wasschen en kleeden ons en nemen ons ontbijt, het­geen goed smaakt; hierna maken wij ons reisvaardig.

Het geluk is op deze reis voor ons weg­gelegd, want zoowaar, het klaart op en als we even daarna uit Mantes vertrekken is het mooi weer geworden. Het is nu kwart voor 8 en we rijden over den Bou­levard Carnot, verder over het viaduct van den spoorweg om vervolgens door de Rue de Chantereine deze stad te verlaten. Thans gaan wij in de richting van Méziè­res sur Seine waar we deze rivier weer verlaten verder langs Epone, Aubergen­ville en Flins, bij welke plaats wij langs den weg het overschot van een totaal verbrande auto zien liggen; vervolgens komen we langs Ecqueville, Tressance, La-Bidonvillers, La-Maladrence, Cham­bourcy en bereiken daarop de eerste voorstad van Parijs, n.m. St. Germain-en-Laye.

In deze stad rijden we langzaam verder om alles eens op ons gemak te kunnen zien. We komen in de Rue de Paris waar­bij een groote kazerne, bij de Place-Royale en verder gaan we over Port-Marly en Bougival, waar we over de trottoirs rijden. Hier zien we een reusachtigen watermolen in de Seine; deze is vermoe­delijk bestemd om den geheelen omtrek van licht te voorzien. In Reuil moeten we over de keien rijden en wordt het verkeer al drukker; men is hier den grooten weg aan het herstellen en het voorname ver­keer wordt langs eene andere straat ge­leid; wij kunnen echter over de trottoirs rijden hetgeen met vele hindernissen ge­paard gaat.

Allengs komen we in Puteaux en even later rijden we over de groote Seine-brug en zijn we in de laatste voorstad Neuilly. Het verkeer is hier reeds enorm geworden en wij vervolgen onzen weg door de Ave­nue de Neuilly en komen we aan de Porte Maillot, daarna aan de Porte-de-Neuilly door de controle en een volgend oogen­blik zijn  we binnen de veste van Parijs.

We rijden door de Avenue-de-Grande Armée en zien van verre boven de boomen uit reeds de Arc-de-Triomphe en als we op de Place-de-Etoile arriveeren, waar op het midden de Arc-de-Triomphe staat, stappen we af en gaan we een be­zoek brengen bij het graf van den onbe­kenden soldaat, waar het eeuwige vuur brandt. Met onze rijwielen aan de hand treden wij binnen de afrastering; of dit mocht weet ik niet, maar ik denk weer aan een zeker spreekwoord en men liet ons begaan. Wij plaatsten onze rijwielen bij een lantaarnpaal en gingen eens kij­ken bij het graf. Er lagen vele en prach­tige bloemstukken, waarbij eenige van Amerikaansche officieren. Als wij hier even vertoefd hebben gaan we weer ver­der en zien rechts van ons den Eiffelto­ren.

Wij stappen op onze rijwielen en gaan met den grooten stroom van auto’s enz. over de Champs-Elysées, verder over de Place-de-la-Concorde, welke ongetwijfeld het drukste verkeerspunt van Parijs is wat auto’s betreft. Wij gaan echter met den stroom mede en hier gaan we links af door de Rue-Rivoli, daarna door de Rue-de-Castiglione, de Place-Vendôme, Rue-des-Petites-Champs, Place-des-Victoires, Rue-d’Aboukir, Rue Reaumur, Boulevard-Sebastopol, Boulevard-Strasbourg naar Gare d’Est, vervolgens door de Rue-Fau­bourg-St. Denis naar Gare de Nord en zijn we eindelijk in Hotel “Belge”, Rue St.-Quentin, waar ik al meer geweest ben. Hier kunnen wij onze rijwielen plaatsen; wij drinken eerst een glaasje bier en gaan op stap om wat kaarten enz. te koopen; wij sturen weer een kaart naar huis en na nog wat rond gewandeld te hebben gaan we naar ons Hotel om weer eens goed te eten, hetgeen ons uitmuntend smaakte. Als we daarna nog wat gezeten hebben halen we onze karretjes weer te voor­schijn, want we willen deze stad weer verlaten; even daarna rijden wij met den grooten stroom mee door de Rue-de-la-Fayette, Avenue-Jean-Jaurès; en als we deze ten einde zijn komen we aan de Porte de Pantin, vervolgens door de con­trole en zijn in de voorstad Pantin.

Wij volgen nu den weg welke wij voor vijf jaar gereden hebben op onze eerste reis naar Parijs. Het gaat nu steeds vooruit over de keien door de Rue-de-Paris, en nadat we ook deze voorstad achter den rug hebben komen we in Bobigny over het viaduct waar rechts van den weg de groote vuilnisbelt van Parijs is, waar alle afval der stad wordt verbrand. Dit is eene kolossale inrichting en hier ziet men lange rijen vuilnis-auto’s af en aan rijden.

Verder gaan we over Bondy, waar we weer over de trottoirs rijden, want op den grooten weg is het idem keien, verder langs Pavillon-sous-Bois, Clicy-sous-Bois en Livry waar we op onze eerste reis naar Parijs gelogeerd hebben. Thans hebben we Parijs al reeds 17 K.M. achter ons en nu gaat het langs Vaujours, Ville-Parissis en Claye, waar we aan de rivier de Beu­vronne komen. In dit dorpje staat bij de kerk een mooi oorlogsmonument. Als we dit dorp voorbij zijn is het eindelijk ge­daan met de keien en krijgen we nu een mooien asphaltweg met hier en daar een bergje en na nog enkele dorpjes gepas­seerd te zijn komen we in Meaux, hetwelk een mooi stadje is van plm. 13.000 inwo­ners, met eene prachtige groote Kathe­draal van St. Etienne aan de Place-St. Etienne. In de Rue-du-Faubourg St. Ni­colas koopen we wat eten en even buiten de stad juist bij het viaduct, gaan we dit in het gras langs den weg zitten veror­beren. Het smaakt ons uitstekend en als dit is geschied stappen we weer op en moeten meteen weer aan het klimmen, zoodat het zoo juist genoten voedsel ons van veel nut is. Nu gaat het al klimmend en dalend langs Vareddes, Gue-a-Tres­mes, Beauval, May-en-Multien waar we even bij een pomp afstappen om eens wat te drinken en wat drinken mee te nemen, want het is hier nog al klimmen en er moet op tijd gesmeerd worden. Vervolgens gaat het langs Varinfroy, Beaumets en Neufchelles.

Bij Mareuil sous Ourq komen we over de rivier de Ourq en nu krijgen we een zeer grooten berg te nemen; het is weer aan­pakken doch met taaie volharding komen we toch boven en nu gaat het weer ver­der over Fulaires Bourneville naar Ferte-Milon, waar we over de rivier de Ourq moeten. Als we hier gepasseerd zijn krij­gen we weer een geduchten berg en daarna komen we in het Groote-Bosch genaamd Foret-de-Villers-Cotterets, het­geen eene oppervlakte beslaat van 30 bij 25 K.M., dat zeer bekend is uit den oorlog en waar in het midden de stad van dezen naam ligt.

Als wij dit bosch doortrekken waar nu gedeeltelijk een prachtige asphaltweg is gelegd, afgewisseld door nu en dan een tamelijk goeden keiweg, (voor 5 jaar te­rug lagen hier ontzaglijk groote keien) genieten we hier van het natuurschoon van dit groote bosch, waar verschillende echos vanuit het woud u tegenklinken. Als wij geruimen tijd over den steeds golven­den weg hebben gereden komen we in de stad Villers-Cotterets; na deze stad door­gepeddeld te zijn, gaan we weer het bosch in; dit gedeelte is nog veel langer dan het eerste. We zijn nu nog 22 K.M. verwijderd van ons doel voor vandaag nl. Soissons, de stad van “Wolber”, en reeds nadert de avond, dus we moeten op­schieten. We verdwijnen weer voor een heele poos in dit groote bosch.

Als we zoo geruimen tijd op dezen een­zamen  weg gereden hebben beginnen we de sporen van den oorlog in dit bosch te zien. Kolossale afgeknakte boomen, andere weer dor en zonder takken, staan hier in grooten getale. Een eind verder komen we langs eene Stoomzagerij met enorme stapels gezaagd hout en na een poosje rijden passeeren we een dito, eveneens met een groot kwantum ge­zaagd hout. Deze zagerijen zijn vermoe­delijk hier opgericht om de enorme mas­sas beschadigde boomen te verwerken. Hoe verder we komen hoe meer vernielde boomen en allengs zien wij geheel kale vlakten met hier en daar een beschadig­den of halven boom langs den weg.

Intusschen is het al flink avond geworden en na een tijdje zien wij van verre de eer­ste lichtpunten van Soissons. Als we deze stad binnenrijden storen wij ons nergens aan en rijden maar zonder licht door de stad en men stoort ons evenmin. Heel wat makkelijker als in Holland. Als we midden in de stad zijn stappen we af en gaan op zoek naar een Hotel en jawel het eerste ’t beste neemt ons op. Wij bergen onze rijwielen en laten flink wat eten aanrukken, want wij hebben er weer echt zin in! Als we dit goed en wel genuttigd hebben drinken we nog een kop koffie en na een gezellig praatje (ook al in het Duitsch) zoeken we allengs onze slaap­plaats op, waarvan we dankbaar gebruik maken, want we hebben vandaag weer plm. 185 K.M. afgelegd; dus wel te rus­ten!

(Wordt vervolgd).


Twee Helmonders per rijwiel naar Lisieux.

Dagboek van een Toerist, door J. A. v. Lieshout

Donderdag 5 Augustus.

Als we ontwaken is het nog vroeg en het is mooi weer; wij kleeden en wasschen ons weer terdege en gaan ontbijten, het­geen ons zooals gewoonlijk uitnemend smaakt. Wij moeten wachten tot 9 uur eer we naar de bank kunnen om geld te halen dus we kunnen nog wel een praatje maken met de Mademoiselle en de Ma­dame uit ons Hotel Café du Theatre Rue des Cordelliers; zoo komen wij den tijd welke ons nog rest gezellig door; tegen 9 uur neem ik mijn fiets en ga naar de bank om geld te wisselen, want het is wel 20 minuten loopen van ons Hotel af. Als dit is geschied koop ik in een winkel een paar kaarten, wij sturen er vervolgens een naar huis, doen ze even in de bus, welke vlak bij is, dus dit is gauw geschiedt en maken ons dan gereed voor de reis.

Het belooft vandaag weer warm te wor­den, dus wij doen onze bovenkleeding uit en na afscheid genomen te hebben ver­trekken we weer uit Soissons. Voor van­daag is ons doel Mons (of Bergen), de eerste stad in België.

Als we Soissons verlaten moeten we eerst over de noodbrug over de Aisne, zeer bekend uit den oorlog. Het is nu 5 jaar geleden dat ik in deze stad ben geweest en toen vond ik hier alles zoo ontzettend vernield dat er geen 10 huizen meer be­woonbaar waren. In deze enkele jaren echter is hier ongelooflijk veel opge­bouwd. Ook de prachtige Kathedraal is men aan het restaureeren, evenals de Eglise St. Jean de Vignes; maar deze ker­ken zien er nog geweldig toegetakeld uit, vooral de prachtige torens; hieraan heeft men nog niet veel hersteld.

Zooals reeds gezegd vertrokken wij dan omstreeks half tien en ging het weer vooruit langs St. Medard, waar ook nog vele ruïnen zijn; verder langs Crany en Perrière; hier moeten we weer de hoogte in en nu komen we aan een kaal en doodsch landschap; er staat geen enkele boom meer in den ganschen omtrek en de vlakte is zoover men zien kan her­schapen in graanvelden.

Aan den weg welke wij nu gaan volgen, lagen eertijds de dorpen Margival, Nau­veny, Laffaux, Moulin-de-Laffaux, Alle­mant en Vaurains, doch van de meeste dezer dorpen is totaal niets meer over; ze zijn van de aarde verdwenen en nu is alles in graanvelden herschapen. Bij La­faux vinden we alleen nog een groote begraafplaats en bij Moulin-de-Laffaux, eveneens een, en hier en daar langs den weg staan gedenkteekens en kruisen, te veel om op te noemen.

Bij Vaurains is men den weg aan het her­stellen en is men op de velden aan het ploegen met 4 ossen voor eene ploeg en een paar honderd meter verder eveneens met 4 kolossaal groote paarden. Wij stappen even af om eens te zien of we niets kunnen vinden als oorlogs-souvenir, en vinden in het gras wel 25 à 30 stuks groote granaten, welke nog niet gebruikt zijn. Mijn collega had er wel zin in om er een mede te nemen maar het gewicht viel hem leelijk tegen. Ze wogen wel 30 à 40 pond, dus niets om mee te nemen. We zoeken wat verder en ik vind en houder met nog 5 geladen patronen; wij deelen de buit samen; mijn makker vindt nog een tijdmeter van een schrapnel.

Als wij genoeg gezocht hebben stappen we weer op en rijden verder: nu komen we aan een geweldig groot kruis dat op­gericht is bij een wegsplitsing, waarbij het in den oorlog geweldig gespannen heeft. De weg is n.l. de uit den oorlog zoo ver­maarde Chemin-des-Dames, welke weg loopt van hier naar Craonne aan den grooten weg van Laon naar Reims en die 28 K.M. lang is.

We gaan verder langs Chavignon, voor welke plaats, als we met een vaartje naar beneden gaan ik mijn makker links van den weg een bron wijs, welke ontspringt in deze rotsen en waar wij op onze eerste reis naar Parijs ons gelaafd en verfrischt hadden.

Als we Chavignon zijn gepasseerd komen we over het Oise en Aisne-kanaal, het­geen nu in een moerassloot is herscha­pen; ook de rivier de Ailette, welk hier dicht bij het kanaal den weg kruist, is een en al moeras en de bruggen zijn nog noodbruggen, dus het is hier nog een en al ruïne. De geheele streek in den verren omtrek, welke nog al boschachtig is, is een totale warboel.

We komen door ’t dorpje Urcil, waar ook bijna niets is opgebouwd en een eindje verder stappen we af om de ruïnen van eene kerk en een paar groote gebouwen eens in oogenschouw te nemen. Dit schijnt vroeger een mooi dorp te zijn ge­weest, en nu is er compleet niets meer van over dan ruïnes. Slechts een gezin woont hier in een huis dat nog eenigszins bewoonbaar is.

Als wij dit alles gezien hebben stappen we weer op en gaat het weer over den mooien asphaltweg verder langs Etouvel­les, Chiny-des-Etouvelles, welke dorpen weer wat meer zij opgebouwd en allengs zien we van verre op een hoogen berg de stad Laon liggen.

Nu wordt het weer klimmen en ik zeg nog eens, dat kan gezellig worden. In het dorp Faubourg-Sernily, neemt het stijgen een aanvang. Wij komen al klimmende langs de Nieuwe Kazerne, welke ook al verwoest is geweest, en na een tijdje deze klimpartij onderhouden te hebben belanden we eindelijk in de stad Laon.

Wordt vervolgd.


Twee Helmonders per rijwiel naar Lisieux.

Dagboek van een Toerist, door J. A. van Lieshout

We passeeren te Laon eerst links de Eg­lise St. Martin, rijden vervolgens door de Rue St. Martin, Rue St. Jean, Rue du Bourg en aan de Place Notre Dame bij de prachtige groote Kathedraal gaan we in een Hotel weer eens flink dineeren, het­geen ons hier uitmuntend smaakt; het eten is hier magnifiek en wij drinken er eene fijne flesch Medoc bij, welke flink onder stof zit, wat beteekent dat hij niet slecht is.

Nadat we ons dit middagmaal goed heb­ben laten smaken drinken we nog een glaasje porto en als we wat hebben ge­zeten, waarbij we een sigaret rookten, stappen we weer op en gaan even naar een rijwielhandelaar om eene kleinigheid te koopen, welke we noodig hebben en even daarna zitten we weer op onze sta­len rossen en gaat het met eene duize­lingwekkende vaart naar beneden.

Onderweg passeeren we een kolossaal en prachtig gedenkteeken; door de groote vaart welke we hier op den sterk dalen­den weg hebben kunnen wij dit niet nauwkeurig waarnemen, maar ik zie wel dat het een enorm groote vergulde en­gelenfiguur is en vermoedelijk het oor­logsgedenkteeken der stad Laon. Deze stad is n.m. op een zeer hoogen berg gelegen; de prachtige Kathedraal steekt prachtig boven alles uit en schijnt den heelen omtrek te beheerschen.

Beneden gekomen aan het viaduct van den spoorweg gaan we in de Rue de Crecy rechts af in de richting van Cham­bry; hier is de weg gedeeltelijk opgebro­ken en verhoogd wegens de groote nieuwe spoorwegwerken met Viaducts, maar we weten er ons toch doorheen te werken en ongestoord gaat het verder langs Chambry, eene voorstad van Laon, Puisieux, Maison Blanc, Verneuil-sur-Serre, Cahartille, Froidmont, waar we de rivier de Serre oversteken, verder langs Sucrecie, Vayenne naar Marle.

Al deze dorpen, welke we nu gepasseerd zijn hebben allen veel van den oorlog ge­leden en is er niet veel meer van over gebleven. In Marle gaan we weer over de Serre en vervolgens langs Thiernu, Bagny, Ligny, Les-Baraques, Gercy, Ra­bourie naar Vervins en hiermede hebben we weer een heelen trap gedaan met nu en dan een berg voor afwisseling. Als over de groote keien in Vervins komen aangehobbeld, ga ik even aan eene pomp wat drinken en hier moeten we nog eens voor een overweg wachten. Vervolgens gaat het maar altoos verder over een slechten grintweg langs Fontaine-les-Ver­vins, La-Chausée, Lassille, Mont-Vinage; als we dit dorp goed en wel achter den rug hebben moeten we weer aardig klimmen en even later komen we aan de bekende helling van Etreaupont, waar we weer met eene sneltreinvaart naar bene­den gaan; in dit dorp komen we over de rivier de Oise.

Wij moeten alweer omhoog en geen klein beetje ook en als dit is geschied gaan we langs Froidestrees naar La-Capelle; hier is de weg steeds golvende. Even voor La-Caplle komen we langs de prachtige nieuwe Hypodrome van La-Capelle, waar het – aan de reclames te zien – den ver­loopen Zondag juist concours Hippique is geweest. Wij komen vervolgens door dit dorp met zijne geweldig breede hoofd­straat, en vervolgen verder onzen weg langs La-Flamengrie, Les-Terriers, Rou­baix, Larouillies naar Etrocungt waar we weer naar beneden gaan; even voor deze plaats komen we een zeer zware vracht­auto tegen met 4 zeer groote vierwielige aanhangwagens er achter; het geleek wel op een goederentrein op den weg; even daarna nog zoo’n stel met 3 wagens; als we dit voorbij zijn komen we op de groote keien van Etrocungt, waarover we naar beneden gaan.

Ik ben een heel eind voor mijn reisge­noot; als ik over deze keien gehuppeld ben, stap ik even af om eene boodschap te doen en onderwijl is hij weer bij; wij gaan nu even langs den weg op een zandhoopje zitten; nauwelijks zijn wij gezeten of er komt van dezelfde richting als wij gekomen zijn een Hollandsche auto aangereden. Wij zwaaien en ik roep Vive la Hollande; de inzittenden zwaaien ook terug. Als wij nog even hebben uit­gerust zetten wij onzen tocht voort en komen nu door de dorpen Quatre-Maison, Ornieux, Rateleur in Avesnes langs wel­ken weg wij het klimmen niet afgeleerd hebben. In deze stad staan op een groot plein vele kermis-spullen enz.; het is hier verleden Zondag kermis geweest evenals in Helmond. Ook op de markt staat alles vol kramen en spullen. Wij rijden echter verder, doch alvorens we de stad verla­ten, koopen we eerst nog wat te eten en moeten we uitzien naar een rijwiel-repa­rateur om ’n stuk cannevas te kopen, want mijn makker zijn achterband begint gevaarlijk te zwellen. Na heel veel moeite als we tevergeefs naar een stukje canne­vas gevraagd hebben, krijgen we ’t toch klaar om den band voldoende te repa­reeren en heeft deze karwei een heelen tijd in beslag genomen.

Als we hiermede gereed zijn volgen we onzen zeer slechten grintweg langs Bas-Lieu, Saleil-d’Or, Cence-a-Longe, Semou­sics, Mont-Douriers, waar wij nog eens mogen klimmen, Eclaibes, Beaufort en Louvroil, waar de weg intusschen beter is geworden. Nu komen we bij Maubeuge, de bekende vestingstad uit den oorlog, waar het er zoo warm naar toe is gegaan en welke stad door de rivier de Sambre wordt doorstroomd. Wij rijden Maubeuge binnen door eene vestingtunnel genaamd de Porte-de-France, passeeren de stad zonder afstappen en verlaten haar weer door de Porte-de-Mons, eveneens een tunnel der vestingwerken.

Nu gaat het op de Belgische grens af, welke we bereiken langs Marieux en Bet­tignies, nadat we eerst nog met een flinke vaart een eindweegs over den pas geasphal­teerden weg gereden hebben welke met fijn grint bestrooid was; deze kleine steentjes blijven aan onze banden kleven hetgeen een gerammel en een leven maakt van je welste, doordat zij tegen onze spatschermen vliegen.

Verder passeeren we zonder hindernis de Fransche Douane en gaan met muziek de grens over: wij zingen nl. Adieu mijn dierbaar Frankrijk enz.

Bij Quevy-le-Grand het eerste Belgische dorpje worden we door de Belgische Douane-ambtenaren aangehouden, wij laten onze papieren zien en rijden weer verder en nu gaat het, nadat we nog eenige hindernissen hebben moeten ne­men, wegens reparatie aan den weg over een rijwielpad langs Baugnies, Asquillies Nouvelles, Ciply en Melvin naar Mons (of Bergen).

Op dit rijwielpad hadden we nog eene vermakelijkheid; er was n.m. een Belgisch soldaat, die ons met een reuzenvaart voorbij ging. Ik zeg tegen mijn makker “Da is ne goeie zulle”, maar even verder als de weg wat omhoog gaat zit hij te duwen van belang, maar schiet slecht op en wij gaan hem hier weer voorbij. Als de weg even daarna weer naar beneden gaat komt hij weer opzetten en passeert ons weer; even later als er weer wat ge­klommen moet worden hetzelfde spelle­tje; wij gaan hem weer voorbij. Allengs wordt de weg weer effen en komt hij weer aanzetten; hij scheen al een beetje vermoeid te zijn; wij laten hem op het mooie fietspad rijden en wij rijden over de keien maar doen er nog een schepje bij en nadat hij even met ons op gelijken voet was gebleven moest hij zich toch gewonnen geven en bleef achter.

Wij zijn met deze attractie intusschen Mons genaderd en het is weer avond ge­worden. Als wij aan de eerste huizen van deze stad komen, rijden we langzaam verder en als we aan het begin der stad zijn haalt onze concurrent van straks ons weer in. Wij stappen af om onze kleren aan te doen en wandelen te voet de stad in. Op de markt gekomen gaan we eerst wat sigaretten koopen want daar hebben we wel trek in, wijl in Frankrijk het rook­materiaal zeer slecht is. Nu gaan we op zoek naar een Hotel, hetgeen nog zoo gemakkelijk niet gaat. Na op een paar plaatsen te hebben gevraagd, waar alles bezet was, komen we eindelijk terecht in Hotel “American”, Rue des Capucins 59, waar we kunnen logeeren. Wij bergen onze rijwielen en na een glas bier ge­dronken te hebben gaan we nog even de stad in. Als we weer terug komen gebrui­ken we ons souper en na nog wat geze­ten te hebben gaan we slapen; we heb­ben vandaag weer een flinken rit achter den rug en met het vooruitzicht dat we morgen een gemakkelijk ritje van 70 K.M. hebben te maken slapen we weldra in; dus tot morgen!

Wordt vervolgd.


Twee Helmonders per rijwiel naar Lisieux.

Dagboek van een Toerist, door J. A. v. Lieshout

Vrijdag 6 Augustus.

Als we ontwaken is het weer prachtig weer. We wasschen en kleeden ons en maken ons reisvaardig; na het drinken van een kop koffie ga ik eerst eenige in­koopen doen en als ik weer terug kom beginnen we aan een flink ontbijt, dat ons bijzonder goed smaakt. Als dit is geschied steken we een sigaret op en gaan we uit Mons vertrekken; eerst rijden we naar het station en gaan op eene Bank in die buurt onze Fransche Francs omzetten in Bel­gisch geld. Daarop rijden wij langs een mooien lommerrijken Boulevard in de richting van Nimy en verder langs Cas­teau; we komen hier voorbij een groot vlieg- en exercitie-terrein, waar juist een groot aantal soldaten aan het oefenen zijn; vervolgens profiteeren we van een zeer slechten weg, welke wij houden tot Soignies.

Het wordt ons te warm om met veel klee­ren aan te rijden en aan het begin van dezen plaats doen wij onze bovenkleeren weer uit, hetgeen eene heele opluchting geeft. In een winkel gaan we eerst weer suiker inslaan en laten onze kruikjes vul­len, en hierna stappen we weer op en nu gaat het over een prima betonweg naar Braine-le-Comte, vervolgens langs Hen­nuyeres, Quenast, Tubize en Lembeq naar Hal en hebben hierbij bijna geregeld een tamelijk goed rijwielpad kunnen vol­gen. Toch moeten we dit rijwielpad nu en dan even verlaten, daar er vele slachtof­fers der iepenziekte op lagen, en men was bezig vele van deze prachtige groote boomen te vellen.

Als we in de Stad Hal aankomen, welke ook eene bedevaartplaats is van onze Lieve Vrouw van Hal, zien we in den om­trek der mooie kerk vele winkels met be­devaart-souvenirs enz. van O.L. Vrouw van Hal. Wij gaan bij een bakker rijstvla koopen en wat verder aan een café dit zitten verwerken bij een flinken pot bier. Daarna nog eens ijsco en we zijn weer goed verzadigd en verkwikt. Wij vervol­gen onzen weg en zijn nu nog 20 K.M. van ons doel. Nu gaan we deze enkele kilometers nog even verslinden, en met een mooi tempo gaat het weer langs Bui­singhen, Brucom, Loth, Ruijsbroeck en daarna komen we aan de voorstad An­derlecht, waar we juist voorbij het via­duct, bijgenaamd het rad, een bezoek gaan brengen bij een coiffeur, want we willen (glad) in Brussel komen. Na goed geschoren en gefriseerd te zijn voelen we ons zoo frisch als een hoen en rijden nu België’s hoofdstad binnen. Bij de Gare-du-Midi staat het tjokvol met kermisspellen. Daar gaan we vanavond eens naar toe.

Wij rijden nu over de mooie gladde stra­ten met een vaartje achter een auto dat het een lust is en wij trekken de aandacht van vele voetgangers, want er zit nog flink schot in na een week gepeddeld te hebben. In een minimum van tijd zijn we dan ook aan ons Hotel n.m. Hotel du Nord, Rue du Progres, hoek Rue du Bienfalcance No. 1, waar ik gewoonlijk blijf logeeren en dan ook van eene slaap­plaats verzekerd ben. De Hotelier had ons al eer gezien dan wij hem, en kwam ons al tegemoet; hij wist al van andere stad­genooten, die ook hier geweest waren, dat wij hier zouden komen en wist ook dat wij dezen toer hadden gemaakt. Hij was zoo goed om onze rijwielen te ber­gen. Wij gingen ons eerst wat verkleeden enz., dronken daarna en glaasje bier en trokken toen de stad in.

Als wij een heelen tijd door de straten van Brussel hebben gewandeld en hier en daar wat gezeten en bezichtigd hadden stappen wij op de tram en rijden naar de Foire of Kermis bij de Gare-du-Midi. Wat hebben we daar toen veel gezien en ge­noten. Alleen hetgeen voor ons een nieuwtje was daar maakten we gebruik van; het overige kon ons niet bekoren en als we ’s avonds moe van dit kermis ge­doe weer met de tram terug keeren naar onze buurt dan gaan we aan een groot café buiten op het terres zitten rusten bij een glaasje bier en genieten we van het drukke verkeer op dit punt der stad.

Als we nog een en ander hadden genoten kregen we bezoek van een 4-tal stadge­nooten, die eene rondreis hadden ge­maakt door België per spoor; nadat wij even met hen gesproken hadden over onze reizen enz. gingen wij weer vertrek­ken en wenschten wij elkander eene goede reis toe.

Als we nog een en ander genoten en nog eenige cafés bezocht, werd het langzaam tijd om gaan te slapen en zochten we daarna ons Hotel op. We hebben vandaag weer veel genoten en zullen morgen onze laatste etappe van onzen toer gaan ma­ken. Als alles gunstig gaat hopen we morgen omstreeks 5 uur in Helmond te­rug te zijn.

Slot volgt.


Twee Helmonders per rijwiel naar Lisieux.

Dagboek van een Toerist, door J. A. v. Lieshout

Zaterdag 7 Augustus.

Als we weer wakker worden is het reeds laat. De lucht ziet er onheilspellend uit en het regent een beetje; dat kan vandaag weer gezellig worden. Als we ons gewas­schen en gekleed hebben gaan we ons ontbijt gebruiken; hierop worden de rij­wielen weer te voorschijn gehaald en stappen we, na afscheid genomen te hebben in ons Hotel, weer op, om onze laatste en hoogstwaarschijnlijk onze slechtste etappe af te leggen.

Het heeft intusschen opgehouden met regenen, dus het kan nog meevallen en met goeden moed en hoop op beter weer verlaten we de mooie stad Brussel. We­gens het drukke verkeer loopen we een eindweegs naast onze rijwielen; als we wat uit de grootste drukte zijn stappen we op en rijden over St. Josse-ten-Noode, het Oostelijk deel van Brussel, en komen in Woluwe, eene voorstad van Brussel. Nadat we deze plaats achter den rug hebben krijgen we een mooi rijwielpad en nu gaat het als gesmeerd langs Nos­seghem, Cortenberg, Schoonaerde, Vel­them-Beijssem en Winxele naar Leuven.

Juist voor Winxele is links van den weg een mooi kerkhof van gesneuvelden. Als we even daarna in Leuven belanden komt er eene onweersbui opzetten. We zoeken ’n schuilplaats in een grooten Bazar waar we tevens wat koopen; als de bui over is stappen we weer op en we hebben nau­welijks een paar honderd meter gereden of er komt weer eene geweldige regenbui ons van den weg jagen. Thans schuilen we aan een grooten winkel en het duurt een heelen tijd eer we weer verder kun­nen.

Toen de regen ophield reden we langs het station en onder het viaduct door naar Blauwput over de groote keien, daarna langs Kessel-Loo, Linden, Winghe-St. George naar Thielt. Langs al deze plaatsen was de weg door den regen zeer slecht geworden en moesten wij meestal over de keien rijden. Gedurende dezen laatsten rit regende het af en toe nog een beetje, maar ten slotte begon het toch wel wat hard om er door te rijden; we besluiten dus maar om te Thielt aan een café af te stappen en hier wat te eten in plaats van in Diest, hetwelk ons plan was.

Op onze bestelling brengt men ons ge­bakken eieren met spek en boerenmik met melk, hetgeen we niet afslaan. Het is een pittig kostje en het is dan ook spoe­dig verdwenen in onze magen.

De regen is weer over; we rijden weer aan en gaan thans langs Bequevoort naar Diest, waar we nu maar doorheenpedde­len, want we zijn goed verzadigd. We rijden door den tunnel der vesting en nu gaat het langs schappen, waar we even voor den gesloten overweg moeten wachten; als we weer een heel eind over de groote keien hebben gereden, want het rijwielpad lijkt wel eene modderrivier, moeten we weer vluchten voor den regen en schuilen we bij eene schuur, maar na een poosje hier gestaan te hebben kun­nen wij het niet meer uithouden en vluchten wat verder naar een café.

Als de bui over is willen wij het er maar weer op wagen en stappen we weer op en langs Pael, Beeringen, Beverloo en Heppen, waarbij we weer langs de ko­lenmijn van Beeringen komen, alwaar de weg ook enorm slecht is, belanden we eindelijk in Leopoldsburg, waar we nog eenige kleine zaken hebben te verhande­len. Als we hiermede gereed zijn en er onderwijl nog eenige regenbuien zijn ge­vallen gaan we weer verder en komen op den langen weg naar Lommel, welke 15 K.M. lang is. Als we ongeveer midden in deze vlakte zitten, begint het weer een weinig te regenen; de lucht zag er zoo gevaarlijk uit dat we vreesden ongeveer te zullen verdrinken doch we boffen al weer, want de bui splitst zich en wij rollen netjes tusschen de buien door.

Allengs komen we in Lommel, waar we wat willen eten; in een winkel koopen we een paar eierkoeken, eenige reepen cho­colade en een pond suiker enz.

Daar begint het waarachtig weer te rege­nen en niet zachtjes ook, en het duurt lang eer we kunnen vertrekken. Wij halen onze regenjassen voor den dag, welke wij op onze geheele reis nog niet noodig hebben gehad, en trekken deze aan, want de lucht ziet er malsch uit en we moeten vandaag beslist thuis komen; daarvoor hebben we vandaag te veel het slechte weer getrotseerd.

Dus we zullen doorzetten als het niet an­ders kan. Wij stappen op, maar het rijden met zooveel kleeren aan valt niet mee en na een paar K.M. gepeddeld te hebben klaart de lucht mooi op en wij maken van de gelegenheid gebruik om onze jassen enz. uit te trekken; wij doen dit langs den weg aan een café en drinken hierbij een glaasje limonade.

Als alles weer ingepakt is rijden we weer verder en nu gaat het op de Hollandsche grens af: we passeeren de Belgische Douane welke we ongehinderd voorbijrij­den en gaan nu op het Hollandsche Dou­anekantoor af; hier moeten we nog wat tijd verspillen met het controleeren en aangeven van onze souvenirs enz. en als dit is geschied gaat het met een flinke vaart in de richting van Valkenswaard. Toen we nog eenige K.M. van deze plaats waren, wist ik niet wat ik zag. Bedrieg ik mij niet, neen waarachtig, hier ligt een flinke sneeuwlaag, geen hagel maar sneeuw en tusschen de dennenboomen geeft dit een aardig gezicht. Ik zeg tegen mijn makker, ik geloof dat Holland voortaan bij de Noordpool ligt.

Wij rijden verder en komen in Valkens­waard waar alles klaar stond voor de a.s. kermis. Wij komen op den mooien weg naar Aalst en Eindhoven en hier rijden we zoo gemakkelijk of er niets gebeurd is met een vaartje van bij de 30 K.M. per uur, van vermoeidheid is geen sprake.

Na Aalst gepasseerd te zijn arriveeren we in Eindhoven (Stratum), waar ook al een heele boel kermisspullen staan en wij vervolgen onzen weg langs Geldrop en Mierlo en eindelijk arriveeren we veilig en wel na eene afwezigheid van 8 dagen in onze vaderstad Helmond.

Wij worden op onzen doorrit door de stad van alle kanten toegezwaaid en gefelici­teerd voor het door ons gepresteerde, wat wel een bewijs is dat onze stadge­nooten veel belangstellen in zulk presta­tiën en voor ons de schoonste belooning is voor zulk een stuk werk op wielerge­bied.

Ik kan niet nalaten, alvorens ik met mijne reisbeschrijving sluit, om nogmaals een hartelijk woord van gelukwensch te rich­ten aan mijn reisgezel den Heer J. Bom­beeck. Eenieder weet welk een koene en taaie wielrenner hij is en in hem had ik het volste vertrouwen, dat hij met mij dezen langen en uiterst zwaren tocht, waarbij wij in totaal een afstand van pl.m. 1250 K.M. hebben afgelegd, tot een schitterend einde zou brengen.

J. A. v. LIESHOUT,

v. Brusselstraat 14.

Helmond, Augustus 1926.


29/7 27

- Onze bekende wielrenner J. v. Lieshout, die gedurende de a.s. kermisdagen op z’n rijwiel een tocht naar Bazel (Zwitserland) hoopt te maken, heeft tot heden nog geen enkele liefhebber gevonden om dien tocht mede te maken. Hij zal den tocht nu geheel alleen ondernemen en wij twijfe­len niet of Jantje zal hem wel volbrengen.

Hij is reeds druk in training en en gaat zoo op ’n vrijen dag even naar Antwerpen of Brussel heen en weer.


30/8 1927

Per rijwiel van Helmond naar Bazel (Zwitserland) en terug.

Zooals men weet heeft de bekende Hel­mondsche wielrenner Jantje van Lieshout dit jaar met de Helmondsche kermis weer een enorm grooten fietstocht gemaakt, n.l. naar Bazel (Zwitserland) en terug, welke afstand niet minder dan 1400 kilo­meter bedraagt, voor een groot deel nog door bergachtige streken, wat het fietsen zeer bemoeilijkt.

Evenals vorige jaren heeft de heer J. van Lieshout zijne ondervindingen op deze lange reis weer opgeteekend in een dag­boek, waarvan wij een exemplaar ontvin­gen; het is een hoogst interessant ver­haaltje, dat wij in een aantal vervolgen in ons blad zullen opnemen, en zooals ge­woonlijk wel weer met graagte zal gele­zen worden.


(1927)

Per rijwiel van Helmond naar Bazel en terug.

Dagboek van een toerist.

I.

Als Vacantietoer stond voor dit jaar op mijn programma: een rijwieltocht naar Bazel en ik had hiervoor het volgende parcours gekozen: Helmond, Keulen, Bonn, Coblenz, Mainz, Worms, Speijer, Straatsburg, Colmar, Bazel. En de terug­tocht langs Mülhausen, Epinal, Nancy, Pont-a-Mousson, Metz, Luxemburg, Die­kirch, Malmedy, Spa, Luik, Hasselt, Hel­mond.

Wel was ik mij bewust dat dit een uiterst zware tocht zou worden, niet alleen we­gens den enormen afstand van ruim 1400 K.M., maar bij de terugreis stonden mij geweldige klimpartijen te wachten en zou ik daarbij den vermaarden berg “Col de Bussang” van 720 meter hoogte, bene­vens den eveneens bekenden “Ballon d’Alsace” van 1256 meter moeten op­klouteren; doch ik liet mij door deze ge­weldige hoogten niet afschrikken en met een vasten en onverzettelijken wil zou ik deze moeielijke hindernissen trachten te overwinnen.

Zaterdag 6 Augustus.

Helmond-Coblenz, 245 K.M.

Bij mijn vertrek was het evenals vorige jaren eene druilerige lucht en tegenwind. Dit alles kon echter niet verhinderen dat ik ten ongeveer 7 uur des morgens wel­gemoed mijne groote reis aanvaardde. Na door allen een hartelijk “goede reis” te zijn toegewenscht, peddelde ik weldra lustig langs de Zuid-Willemsvaart in de richting van Asten en had ik weldra Hel­mond achter den rug. Toen ik aan Sluis 10 kwam was de brug opgehaald en ik trapte door naar Sluis 11, maar ook hier was de brug omhoog. Van dit oponthoud maakte ik gebruik, daar de lucht inmid­dels was opgeklaard, om mijne overtollige bovenkleeren uit te doen en even later reed ik in mijn luchtig plunje langs Asten in de richting van Meijel; nu ging het over den voor het meerendeel pas vernieuw­den mooien grintweg verder. Te Meijel constateerde ik, dat ik door mijn omweg langs Sluis 11 en het wachten voor de brug 11 minuten achterstand had, vol­gens mijn tijdtabel, doch hierna begon ik mijn tempo een weinig op te voeren en passeerde ik een mooi vaartje Roggel en Haelen. Even voor Roermond kwam ik over eene nieuwe brug, welke nog niet geheel gereed was en moest ik hier even afstappen, daar de weg te slecht was; weer opgestapt zijnde kwam ik even later aan de Maasbrug en na het verschuldigde tolgeld te hebben betaald peddelde ik Roermond binnen; hier bleek dat ik al mijn achterstand had ingehaald.

Bij mijn doortocht door Roermond zag ik bij de Kapel van O. L. Vrouw in ’t Zand, dat men hier druk bezig was met prach­tige versieringen aan te brengen, waar­schijnlijk reeds voor de kroningsfeesten op 15 Augustus a.s. Vervolgens passeerde ik Melick en Herkenbosch en eenige K.M. verder werd ik aangehouden door twee commiezen; nadat ik eenige vragen door hen gesteld had beantwoord, lieten zij mij zonder visitatie verder gaan; even later kwam ik bij de Duitsche grens en de Duit­sche Douane-ambtenaar, die mij nog her­kende van voor een paar weken, toen ik hier eveneens de grens passeerde bij mijn bezoek aan de wereldkampioenschappen wielrijden te Keulen, liet mij zonder te controleeren verder gaan. Toen ik echter eenige K.M. verder was moet ik weer stoppen voor een Duitsch ambtenaar, deze liet mij eveneens zonder onderzoek doorgaan en zoo belandde ik even daarna langs Birgelen in Wassenberg; hier moest ik links af en meteen aan ’t klimmen; een weinig verder was men den weg aan het asphalteeren en moest ik voor een auto een weinig uitwijken, waardoor ik door de kleverige massa moest rijden; hierbij vlo­gen de kleine steentjes overal op en te­gen, doordat zij aan mijn banden blijven kleven.

Vervolgens ging het over een mooien grintweg langs Mijhl en Gerderath naar Erkelenz en toen ik deze plaats even voorbij was stapte ik af en ging in den mooien lommerrijken tuin van Restaura­tion “Lindenhof” wat zitten om te eten, want ik had nu pl.m. 80 K.M. afgelegd. Toen ik hier een paar boterhammen ver­orberd had bij een paar glazen bier en een sigaret had opgestoken, stapte ik weer op en nu ging het over Kuckhoven, Holzweiler en Immerath naar Jackerath, waar ik besloot om maar liever den grooten weg te nemen dan over Kirch­hegten Niederembt en ik reed dan ook langs Titz en Mersch, om vervolgens het mooie stadje Julich te passeeren. Hier kwam ik op den grooten weg van Aken naar Keulen welke een prachtige breede met asphalt ingegoten keiweg is, welke evengoed berijdbaar is als een goede grintweg, daar de mooie effen keien allen in halve cirkelvorm zijn ingelegd. Zoo reed ik verder langs Stetternich en Stein­strass naar Elsdorf, waar ik een heele poos moest wachten voor een gesloten overweg. Toen de afsluitboomen weer waren opgehaald vervolgde ik mijn weg en snorde nu langs Bergheim, Kenten, Quadrath en Ichendorf, waar ik voorbij de bekende Bruinkoolbrikettenfabriek Beis­selgrube kwam. Een paar K.M. verder, toen ik weer wat had moeten klimmen kwam ik langs de eveneens goed bekende Bruinkoolgroeve, welke links van den weg is gelegen; deze heeft een enorme diepte en daar ze vlak langs den weg is gelegen, is het voor eenieder die hier passeert een interressant schouwspel om deze diepe groeve in oogenschouw te nemen en dit bedrijf in werking te zien. Het is een enorme kuil van naar schatting een vier­kante kilometer, mogelijk wel meer. De diepte echter zou ik niet kunnen bepalen daar zulk een aanzicht sterk bedriegt. De spoortreinen, die de bruikool naar de fa­briek vervoeren gelijken wel kinderspeel­goed.

Ik reed echter zonder af te stappen ver­der daar ik deze groeve al meer gezien had; ik zag haar het eerst voor ongeveer 7 jaren terug en ze is sindsdien weinig veranderd.

Mijn weg vervolgende passeerde ik Ko­ningsdorf en Lovenich en kwam dan in Mungersdorf, een voorstad van Keulen, waar het Keulsche Stadion is gelegen. Aan een Restaurant vlak bij het Stadion stapte ik af om eens goed te bunkeren, want ik had toen 130 K.M. achter den rug.

Ik ging buiten zitten en het Diner smaakte mij uitstekend. Het was hier een drukte van belang en er schenen in het Stadion weer groote sportfeesten op til te zijn, evenals voor een paar weken terug met de wereldkampioenschappen wielrij­den, toen ik ook hier was. Ik bleef hier een heele poos uitrusten bij een potje bier met een sigaret en ik zag hier van allerlei soort sportmenschen en athleten.

Na een poosje ging ik weer vertrekken en ik reed nu langs de Militaire Ringstrasse in de richting van Mariënburg. Links van mij zag ik de stad Keulen met den alles be­heerschenden prachtigen dom. Aan den rechterkant van den weg was men vele puinhoopen aan het omwerken en ik vermoedde dat dit de gesloopte vesting­werken van Keulen waren.

Vervolgens kwam ik op den grooten weg naar Bonn en genoot hiervan een mooi rijwielpad; in een flink tempo ging het toen langs Godorf, Bersdorf, waar ik langs den Rijn reed, verder langs Wesseling, Widdig, Udorf, Hersel, Buschdorf, en Rheindorf naar de fraaie stad Bonn met zijne 93.000 inwoners; toen ik in deze stad gearriveerd was stapte ik even af; ik kocht eenige bananen en ging dan te voet verder om een en ander in deze mooie stad gade te slaan; te dien einde liep ik over de Marktplatz met het mooie Rat­haus, vervolgens door de Franziska­nerstrasse, langs de groote Universiteit met zijne 4000 studenten en ging daarna in de Hofgarten aan eene kiosk eenige versnaperingen koopen en stuurde tevens een Ansicht naar huis. Toen ik mijn kaart gepost had stapte ik in de Coblenzer­strasse weer op en even later bij het ver­laten der stad kreeg ik een prachtig ge­zicht op het Zevengebergte, aan den overkant der rivier, met de prachtige ruïne “Drachenfels”, welke zich 321 meter hoog verheft. De namen dezer bergen zijn “Drachenfels”, “Wolkenburg” “Lohr­berg”, “Grosse-Oelberg”, “Nonnestrom­berg”, “Petersberg” en “Löwenburg”, waarvan de “Grosse Oelberg” de hoogste is, n.m. 461 meter.

Aan den voet dezer bergen zijn zeer prachtig gelegen de plaatsen Konings­winter en Honnef. Ik naderde nu de stad Godesberg, met zijne allerprachtigste wandelplaatsen en zijne mooie ruïne Go­desburg en den zich hoog verheffenden toren. Hier begint de Rijn zich in al zijne pracht en schoonheid te ontplooien. Ik peddelde nu lustig voort door deze prachtige streek en kwam vervolgens langs Mehlem, Rolandsec, Oberwinter Bandorf, Unkelback en Remagen; voor deze laatste plaats hield ik een wedren met een langen personentrein, waarbij de talrijke reizigers mij druk toewuifden.

Bij Remagen zag ik op den Victoriaberg de prachtige Apolinariskerk, benevens eene mooie groote brug over den Rijn. Hier is het groote verkeerspunt naar het beroemde Ahrdal. Ik passeerde vervol­gens het mooie stadje Sinzig, daarna Nieder-Breisig, Rheineck met slot Reineck, Nippes, Brohl met slot Brohleck en ver­volgens Namedie en Andernach. Langs dezen weg zag ik een groot complex houten en steenen gebouwen met een vliegterrein en eene bezetting van Fran­sche soldaten. Hier blijkt n.m. de zône te zijn van het bezette gebied.

Het was intusschen al vrij laat geworden en achter mij begon een onweer op te komen. Ik stapte aan een café in de na­bijheid van Weissenthurm af om wat te drinken; na wat gezeten te hebben en een sigaret gerookt reed ik verder en hoorde van verre zwaar geschut. Toen ik in Weissenthurm aankwam bleek dat hier groote schuttersfeesten werden gehou­den en het was er geweldig druk; met moeite kon ik een weg banen door deze menschenmenigte. Het onweer kwam inmiddels meer opzetten en het duurde niet lang of ik moest schuilen. Het begon weldra een weinig te regenen en steeds harder te donderen, terwijl intusschen de avond inviel. Toen ik nog pl.m. 6 K.M. van mijn doel was moest ik eene schuilplaats zoeken voor den regen, en met Coblenz in zicht moest ik afstappen; na een poosje geschuild te hebben werd het wat beter en ik maakte mij gereed om deze laatste Kilometers nog af te leggen. Het bleef intusschen zacht aan het regenen, doch weldra belandde ik veilig en wel in Coblenz. Rijdende door de Andermach­strasse in Neudorf kwam ik vervolgens over de Moezelbrug terecht in Hotel “Stad Aachen” in de Seestrasse, waar ik kon slapen. Eerst borg ik mijn rijwiel, bracht vervolgens mijn bagage naar mijn kamer en ging toen wat eten, want ik had er zin in, nu ik mijn doel bereikt had na een rit van 245 K.M. met tegenwind. Het eten smaakte mij dan ook uitstekend. Het on­weer was intusschen weer heviger ge­worden en het regende dat het stroomde, derhalve bleef ik maar liever veilig en wel binnen en maakte een gezellig praatje met den zoon van den Hotelier; een poosje later zocht ik mijne slaapkamer op, want den volgenden morgen had ik weer een groote toer te maken, en ik ging ge­nieten van eene welverdiende rust.


3/9 27

Per rijwiel van Helmond naar Bazel en terug.

Dagboek van een toerist.

II.

Zondag 7 Augustus.

Coblenz-Speijer, 195 K.M.

Toen ik omstreeks 7 uur ontwaakte, waschte en kleedde ik mij en ging eerst ter kerke naar de prachtige groote kerk in de Lohrstrasse; daarna maakte ik eene wandeling door deze mooie stad, ging even naar het beroemde Kaiser Wilhelm Denkmal aan den Deutschen Eck, waar de Moezel in den Rijn vloeit, en nadat ik dit geweldig groote standbeeld even had bezichtigd ging ik weer naar mijn Hotel, waar het ontbijt inmiddels gereed stond. Ik schreef ondertusschen een ansicht naar huis en maakte daarna mijn rijwiel gereed voor mijn tweeden rit. Even later stapte ik op en reed ik door de Fischel­strasse, waar eene groote Militaire Ka­zerne ligt, vervolgens door de Lohrstrasse naar den Haupt-Bahnhof, waar ik reus­achtige reclames zag van de groote In­ternationale Tentoonstelling van “Der Rhein zijn Werden und Werken”, op welke tentoonstelling ook eene groote Holland­sche afdeeling moet zijn. Vervolgens pas­seerde ik de Frankenstrasse, Hohenrol­lernstrasse, Loubachstrasse en kwam toen op den weg naar Bingen, waar ik weer kon genieten van de prachtigste vergezichten met de oude burchten op de hooge bergen langs den Rijn.

Bij Capellen kwam ik langs het prachtige grooten slot Stolzenfels en aan de over­zijde der rivier zag ik het heerlijk gelegen plaatsje Oberlahnstein met burcht Lahneck en wat verderop Braubach met burcht Macksburg; daarna kwam ik door de mooie dorpjes Koningsstuhl, Rhens, Niederspaij en Oberspaij. Hier maakt de rivier een enorme bocht en een poosje later zag ik van verre het allerprachtigst gelegen stadje Boppard bijgenaamd “Die Perle vom Rhein”. Toen ik even daarna deze mooie plaats weer achter den rug had zag ik aan den overkant der rivier de ruinen Sterrenberg en Liebenstein, bijge­naamd “Die Feindlichen Brüder”, met het aan den voet van den berg gelegen klooster Barnhofen.

Zoo peddelde ik maar steeds verder door deze heerlijke omgeving en kwam ik achtereenvolgens weer door de volgende plaatsjes: Salzig, Weiter, Hirschnach, Harz­feld en Werlau, waar ik aan den overkant de burcht Maus zag; even later passeerde ik de groote ruïne Rheinfels en naderde het eveneens zeer prachtig gele­gen stadje St. Goar, waartegenover het plaatsje St. Goarshausen met daarboven de helling der groote bergen de Burcht Katz.

Hier maakte de rivier weer een sierlijke bocht en zag ik van verre de beroemde “Loreley”, aan den overkant van den Rijn. Dit is eene 132 M. hooge rots welke als ’t ware uit de rivier oprijst en zich machtig boven den Rijn verheft, met bovenop de Duitsche vlag. Op deze plaats heeft de Rijn zijne grootste diepte, n.l. 23 Meter. Hier is het eveneens een schitterende omgeving en men ziet hier overal in de rivier groote pleizierbooten. Vlak tegen­over de Loreley werd ik aangeklampt door een fotograaf, die mij het verzoek deed een foto te laten maken op dit prachtige punt. Ik was echter naar mijne meening nog te dicht bij huis en ik gevoelde meer voor een mooie foto bij mijn terugtocht in de groote bergen; ik stapte ook weer op en trok verder in de richting van Oberwe­zel; toen ik deze mooie plaats gepasseerd was kwam ik langs de ruïne Schonburg en even later zag ik midden in de rivier “De Pfalz”; dit is een veeltorig bouwwerk uit de 11e eeuw, hetwelk vroeger als tol­wacht diende; aan de overzijde ziet men het plaatsje Caub met de prachtige Burcht Gutenfels.

Na eenige kilometers passeerde ik Bacharach met de ruïne Stahlock en op halverwege dezer hoogte een oude toren; verder de ruïne Fürstenberg, dateerende uit het jaar 1219. Kort daarop stapte ik af in Nieder Heimbach aan Gasthof “Zum Pfalzer Hof” en ging hier op het terras in de schaduw van een prieel wat zitten om te eten want mijn maag begon te jeuken en het was reeds kwart voor twaalf. Men had hier een prachtig vergezicht op al die groote bergen met burchten.

Toen ik hier dan een tijdje gezeten had en ik weer goed verzadigd was stapte ik weer op en reed in de richting van Bin­gen; hierbij passeerde ik de Burchten Heimburg en Sooneck en bij het dorpje Trechtlingshausen het slot Falkenburg; hier nam ik uit eene bron welke uit de rots ontspringt, wat water, hetwelk lekker frisch is, want het was inmiddels snikheet geworden.

Na mij hier flink verfrischt te hebben stapte ik weer op en kwam even later langs de prachtige Burcht Rheinstein en een weinig verder zag ik midden in de rivier de Mauseturm met aan den over­kant de ruïne Ehrenfels en het dorpje Asmansshausen, waar eene tandradbaan voert naar het National Niederwald Denkmal (Germania), hetwelk is opgericht in 1874-1883 tot aandenken aan de we­deroprichting van het Duitsche Rijk.

Daarop arriveerde ik in Bingerbrück en reed hier over de groote brug over de Nahe, welke hier in den Rijn uitmondt en daarna kwam ik in de stad Bingen. Nu ging ik den Rijn verlaten, daar de rivier hier een enorme bocht maakt in Ooste­lijke richting en de weg naar Mainz onge­veer rechtuit loopt. Zoo kwam ik nu langs Kempten, Gaulsheim, Nieder-Ingelheim, Wackernheim; hier moest ik geweldig klimmen en zat ik in korten tijd hoog in de lucht en een poosje na die geweldige klimpartij arriveerde ik via Finthen en Zahlbach in de prachtige groote stad Mainz, met zijn 122.000 inwoners, welke de hoofdstad is der provincie Rheinhes­sen.

De prachtige groote Martinsdom in deze stad maakt een imposanten indruk. Ik reed door de Bingenstrasse en kwam daarna op een zeer groot plein, waar alles was opgesmukt en in feesttooi; er ston­den hier eenige reusachtige tenten opge­slagen en ik kon lezen dat hier de Welt­meisterschaften voor kegelen werden gehouden. (Juist iets voor onze Helmond­sche Kegelclubs.)

Vervolgens reed ik door de Grosse Bleiche en Rheinstrasse en kwam daarna aan den Rijn bij de prachtige groote Strassenkü­che, waar ik afstapte en wat ging eten. Ik stuurde weer een kaart naar huis, kocht een paar bananen voor onderweg en na nog een tijdje het drukke gewemel van al die menschen te hebben gadegeslagen ging ik een eindweegs te voet langs een enorm kermisterrein met alle denkbare vermakelijkheden; het was hier een drukte van belang. Toen ik van al die drukte en gewemel van menschen ge­noeg had, stapte ik weer op en reed door de Uferstrasse, Dagobertstrasse, Neutar­strasse en kwam dan bij den Bahnhof Sud over den spoorweg en nu was ik op den weg naar Worms.

Met nieuwen moed ging het weer verder en kwam ik even later langs eene groote cementfabriek; dan kreeg ik achtereen­volgens de plaatsen Weissnau, Sauben­heim, Bodenheim, Nackenheim en kwam bij Nierstein weer vlak langs den Rijn, om deze kort daarna weer tot Rheindurkheim te verlaten, doordat de rivier zich hier in rare kronkelingen oostwaarts wendt en bereikte laatstgenoemde plaats via Op­penheim en Gunthersblum. Nu was ik hier nog 9 K.M. van Worms, welke stad ik spoedig bereikt had. Bij mijn doortocht zag ik dat dit eene zeer oude en prachtige stad is (naar ik meen te weten is dit de oudste stad van Duitschland) met zeer oude antieke bouwwerken; vooral de Pe­ter en Paulus Dom met zijn vele torens is een prachtstuk van bouwkunst. De stad Worms telt 48.000 inwoners. Nadat ik een paar ijsco’s naar binnen had gewerkt, vervolgde ik weer mijn weg en kwam nu langs Bobenheim en Frankenthal, waar ik een paar Macaroni’s en 2 fleschjes limo­nade kocht en toen ik even later langs Oggersheim kwam zag ik links in de verte Oppau, Ludwichshafen en Mannheim lig­gen, met zijne vele en groote fabrieken, waaronder de wereldberoemde Badische Aniline en Sodafabrieken met zijne 35.000 arbeiders, hetgeen van verre een reus­achtigen aanblik geeft. Daar het lang­zaam laat begon te worden vervolgde ik echter mijn weg en ik was hier nog onge­veer 20 K.M. van mijn doel voor vandaag, de stad Speijer. Nadat ik deze laatste kilometers nog eens flink had gereden arriveerde ik omstreeks kwart voor 9 in deze stad.

Na eenig zoeken naar een Hotel ging ik naar het Commissariaat van Politie om een goed adres voor een Hotel, en nadat men er hier eentje voor mij had opgebeld zond men mij naar Hotel Dürkheimer Weinstube, Wormserstrasse 6, waar ik kon slapen. Toen ik mijn rijwiel in de ga­rage geborgen en mijne bagage naar mijne kamer gebracht had ging ik mij eerst wat verfrisschen. Vervolgens zocht ik beneden op de mooie buitenplaats een goed zitje en bestelde een flinke maaltijd waar ik aardig van opknapte. Hier zaten eveneens een aantal gasten gezellig te kouten bij den wijn; al spoedig kwam ik met deze menschen in gesprek en was ik weldra het middelpunt van ieders belang­stelling. “Ein Holländer mit Fahrrad im Speijer, ist nog nicht da gewesen”, en weldra zat ik midden in dit gezelschap, aan den wijn. – Die Holländer sind guten leuten, zeiden die menschen, zij hebben Duitschland een grooten dienst bewezen gedurende den Krieg door het verstrek­ken van alle levensmiddelen en het op­nemen van ontelbare Duitsche kinderen, aldus mijn rechterbuurman. Het is hier een eigenaardig gebruik bij het z.g. rondjes geven. Men bestelt dan een zeer groot glas wijn en eenieder uit den gan­schen kring drinkt hiervan en het glas gaat dan zoo lang in het rond tot het le­dig is; zoo kwam hier het eene glas na het andere op de gezondheid van den Holländer.

Intusschen was de Commissaris van Poli­tie zich hierbij komen voegen en nadat hij al mijne papieren enz. in orde had bevon­den, deed hij even dapper mee en er heerschte hier eene oprecht gezellige stemming.

Toen het allengs politieuur was geworden (1 uur) was ik zoo onder den indruk???? gekomen dat het voor mij nog een raad­sel is hoe ik mijne slaapkamer gevonden heb.

J. VAN LIESHOUT

Wordt vervolgd.


6/9 27

Per rijwiel van Helmond naar Bazel en terug.

Dagboek van een toerist.

III.

Maandag, 8 Augustus.

Speijer-Straatsburg 125 K.M.

Omstreeks 9 uur ontwaakte ik en ik ge­voelde mij nog niet lekker; nadat ik mij gekleed en gewasschen had, ging ik be­neden weer op de buitenplaats wat zitten en dronk ik hier een paar kopjes koffie, want in eten had ik nog geen trek; van mijn ontbijt maakte ik dan ook geen ge­bruik. Ik maakte mij spoedig reisvaardig, en na een ansicht naar huis gezonden en afscheid genomen te hebben van den waard en den Politie-commissaris, die met nog een paar andere gasten van gister­avond nog eens even kwam zien hoe ik het maakte, vertrok ik uit Speijer met een hartelijk “Auf Wiedersehn.”

Nu peddelde ik weer langs de Altpörtel­platz, Starchenplatz en Gilgenstrasse en kwam daarna aan eene mooie groote kerk; hier ging ik links af door de Landau­erstrasse en even daarna had ik Speijer weer achter den rug. Vervolgens kwam ik langs Borghausen en Heiligenstein, in welk laatste dorp ik mijn ansicht uit Speijer postte, hetgeen ik nog vergeten had. Verder reed ik langs Lingenfeld; even voor Germersheim kwam ik een Hollandsche auto tegen; daarna zag ik een prachtig Fort, hetwelk een groot aantal menschen aan het sloopen waren.

Het was inmiddels weer flink heet gewor­den en deze mannen waren hier allen bijna naakt met slechts een broek; zij hanteerden bij dezen zwaren arbeid zeer groote voorhamers. Toen ik in Hermers­heim arriveerde, ontwaarde ik wel dat dit eene sterke vestingplaats was met groote kazernes en forten; ook zag ik hier eene prachtige groote spoorbrug, benevens een schipbrug over den Rijn, welke brug­gen door Fransche soldaten bezet waren. Bij het verlaten dezer plaats kwam ik door eene groote vestingpoort met daarnaast uitgestrekte vestingwerken. Daarna ging het door eene lommerrijke streek met een prachtigen geasphalteerden breeden weg en toen ik nog een paar maal een teugje gedronken had (want het was bar heet geworden) kwam ik toch een beetje op mijn gemak; nu begon er schot in te ko­men en in korten tijd had ik de dorpen Rülzheim Rheinzabern, Jockgrim achter mij. Toen ik daarna in Wörth aan eene waterpomp mij wat verfrischte en mijn kruikje vulde, kwam er weer een Holland­sche auto voorbij met het wapen van Amsterdam, dus een Amsterdammer, welke in de richting van Holland ging.

Na weer een paar K.M. gereden te heb­ben hoorde ik iets aan mijn rijwiel tikken; ik keek eens of mijne remmen soms schaafden, maar dit was niet het geval; ik vreesde nu het ergste en waarachtig, toen ik de hand op mijn voorband hield werd ik gewaar dat er een groote kop­spijker in zat. Ik stapte af, trok hem er uit en psssssst…. daar ging ie; doch opeens hield hij weer op met blazen en bleef half vol; ik reed zoo verder en hij hield zich goed.

Ik passeerde de dorpjes Hagenback en Berg en kwam daarna aan de Fransche grens bij Lauterbourg, waar ik aan het Fransche Douanekantoor een heele poos moest wachten, daar de ambtenaar nog niet aanwezig was. Toen ik een poosje gewacht had en intusschen een gezellig praatje had gemaakt met de Fransche soldaten, die hier op wacht stonden, kwam eindelijk de ambtenaar opduiken. Het was een echt verwaand dom kerelte, die niets wist of hij moest eerst de offi­cieele boeken raadplegen, hetgeen een heelen tijd in beslag nam. Per slot van rekening bevond hij toch al mijn papieren in orde, nadat ik hem in vele dingen had ingelicht. Nu kon ik weer verder, na eerst mijn voorband wat gevoed te hebben, daar hij inmiddels veel verslapt was.

Nadat ik Lautenbourg, de eerste Fransche plaats, gepasseerd was, kwam ik door de dorpjes Mother, Munchhausen en Seltz; het is hier een echt typisch landschap, vooral het dorpje Mother is een echt idyl­lisch plaatsje, met zijne mooie witte en lichtgekleurde huizen, met donkerder gekleurd paneelwerk in de muren; hier ziet men overal licht bruinvale koeien voor groote vierwielige wagens, voor het meerendeel beladen met Tabak, welke hier in deze streek enorm veel wordt ge­teeld; dit soort gewas schijnt hier het hoofdproduct voor de landbouwende be­volking te zijn. Men ziet hier overal langs de wegen fruitboomen geplant en de we­gen zijn als ’t ware bezaaid met appelen en peren; de gansche lucht ruikt naar tabak, welke bijna het eenigste veldge­was is in deze streek en overal een kwa­lijk flauwen geur verspreidt.

Toen ik een heelen tijd door dit mooie landschap had voortgepeddeld begon mijn voorband weer slap te worden en moest ik hem weer oppompen; vervol­gens trok ik weer verder langs Benheim, Forstfeld, Roppenheim naar Röschwoog, waar ik aan een café afstapte om wat te eten en hier buiten tusschen heerlijk groene boompjes ging zitten; ik dronk hier 2 reuzenkommen melk met een paar versche eieren en at verder 2 flinke bo­terhammen, welke mij uitstekend smaakten. Toen ik daarna gereed was om op te stappen begon het een weinig te regenen en ik hoorde van verre den don­der rommelen. Ik waagde het echter door te rijden en zou maar afwachten wat het zou worden met het onweer. Links in de verte kon men reeds groote bergen zien. Spoedig daarop begon het harder te re­genen en kwam het onweer meer nader­bij. Ik trachtte nog wel het dorpje Run­zenheim te bereiken vóór de onweersbui, maar halverwege werd ik door eene stortbui overvallen en moest ik aan den rijweg naar Sufflenheim onder een reus­achtigen boom, welke hier toevalliger­wijze eene geschikte schuilplaats bood, vluchten. Ik trok hier al mijn kleeren aan evenals mijn regenjas en ging zoo dicht mogelijk tegen den reuzenstam staan. Toen ik een poosje geschuild had voor den ontzettend harden regen, welke ge­paard ging met een aantal hevige don­derlagen, stapte ik weer op en ging een veiliger schuilplaats zoeken in het dorpje Runzenheim. In een café alhier dronk ik een paar glaasjes bier en rookte een si­garet. Hier zou ik voorloopig maar wach­ten op beter weer. In dit café kwam ik weer vrij spoedig met eenige menschen in gesprek en ook deze menschen vonden het een reusachtigen toer om in 2½ dag van Holland naar hier te trappen; ook voor hen moest ik een glaasje drinken en ik bood hun een Hollandsche sigaret aan, welke zij voortreffelijk vonden. (In Frank­rijk is het rookmateriaal enorm slecht.)

Na hier een heelen tijd gezeten te hebben was het weder een beetje opgeklaard en maakte ik mij gereed om te vertrekken, want ik wilde toch gaarne mijn doel voor vandaag bereiken. Ik stapte dan ook weer op; toen ik een poosje gereden had be­gon het van lieverlede weer meer te re­genen en mijne kleeren werden allengs heel wat nat, het weer bleef steeds drui­lerig; de wegen waren zeer nat en slecht berijdbaar geworden en ik moest af en toe mijn voorband wat bijpompen.

Intusschen begon ik toch goed op te schieten en achtereenvolgens kwam ik door de dorpen Sesenheim, Duisenheim, Herlisheim, Gambsheim, Kilstedt en La Wantzenau. Tusschen deze laatste 2 plaatsen zag ik rechts van den weg een luxe auto tegen een boom zitten, en ta­melijk vast ook. De boom stond op de plaats waar de motor moest zitten en de motor zat hoogstwaarschijnlijk in den grond; of er persoonlijke ongelukken bij gebeurd waren weet ik niet, doch dat was wel zoo goed als zeker, want de auto zag er verschrikkelijk uit, en dat hij niet zacht was aangekomen werd wel bewezen doordat de dikke boom sterk overhelde; er stonden eenige menschen bij, bene­vens een andere auto, dus dit ongeluk moest pas gebeurd zijn. Ik vervolgde echter zonder af te stappen mijn weg en was nu nog 12½ K.M. van Straatsburg, mijn doel voor vandaag.

Het was inmiddels al laat geworden; de lucht was, waar de zon achter de bergen verdween, bloedrood en aan den tegen­overgestelden kant zag ik twee prachtige regenbogen. Dit was voor mij een heerlijk natuurschouwspel. Ik kon de zon niet meer zien daar zij achter de hooge ber­gen was verdwenen en toch de regenbo­gen. Even later reed ik door Schilligheim, eene voorstad van Straatsburg en zag, dat het hier volop kermis was; ik kwam langs een groot kermisterrein met allerlei spullen en overal was dansmuziek. Op dit moment dacht ik aan de Kermis te Hel­mond waar ik nu ongeveer 550 K.M. van­daan was, dit is pl.m. 110 uur loopen en even daarna belandde ik veilig en wel in Straatsburg.

Vrij spoedig vond ik een Hotel en kwam terecht in Hotel “Au Vieux Strasbourg,” Rue du Maroquin (près de la Cathedrale), waar ik kon overnachten. Nadat ik alles geborgen had bestelde ik hier een flinken maaltijd; toen ik deze verwerkt had bleef ik nog een poosje zitten praten en zag twee Belgen binnen komen waarvan de een mij bekend voorkwam; ook hij meende mij meer gezien te hebben en toen wij samen wat met elkaar gesproken hadden bleek dat hij dikwijls kwam te Brussel in het Hotel waar ik gewoonlijk ga logeeren als ik in deze stad kom. Nadat wij nog een tijdje gezellig hadden gepraat en ik hem de groeten had meegegeven aan mijn Hotelbaas uit Brussel, zocht ik allengs mijne slaapplaats op.

Ondanks het slechte weer was ik voor vandaag gekomen waar ik zijn moest en eveneens hoop ik morgen mijn doel te bereiken, hetgeen dan tevens het eind­doel is van mijne reis, n.m. Bazel; dus wel te rusten!


IV.

Dinsdag 9 Augustus,

Straatsburg-Bazel 155 K.M.

Dinsdagmorgen om 9 uur was ik weer present. Onder het gereed maken van mijn ontbijt ging ik even door de stad loopen om een ansicht naar huis te sturen en links en rechts in de stad eens een kijkje te nemen. Na eenige straten door­loopen te hebben werd ik wel gewaar dat Straatsburg met zijn 155.000 inwoners eene prachtige uitgestrekte stad is, welke een groot aantal oude en mooie gebou­wen bezit, waaronder vooral uitmunt de imposante groote Kathedraal met zijn enorm hoog opgebouwd voorfront, waarop zich aan den linkerkant een zeer hooge en kunstvol uitgevoerde torenspits verheft.

In deze Kathedraal bevindt zich een zeer beroemd astronomisch mechanisch uur­werk, dat vervaardigd is in 1547-1574, door den Straatsburgschen uurwerkkun­stenaar Schwilgat. Dit is een zeer kost­baar kunststuk. Ik kocht van dit uurwerk eene beweegbare prentbriefkaart als aandenken en ging daarna weer mijn hotel opzoeken.

Toen ik klaar was met mijn ontbijt, het­geen mij bijzonder goed smaakte, maakte ik mij reisvaardig, pompte mijn voorband op, welke geheel plat stond en maakte tevens het plan om hem maar te repa­reeren, wanneer hij niet voldoende lucht hield.

Ik stapte op en vertrok langs de Kathe­draal, daarna over de Place Gutenberg en Rue de Vieux Marche, vervolgens over de prachtige Pont de Corbeau, welke over de rivier de Ill  is gebouwd, welke rivier mid­den door de stad loopt; daarna over de Place du Corbeau Rue des Bouches, Place de l’Hopital, Rue de L’Hopital, Route de l’Hopital en kwam toen op de Route de Colmar in de voorstad Neudorf.

Nadat ik deze plaats gepasseerd was en het dorpje Illkirch achter mij had, begon mijn voorband weer slap te worden, ik nam daarop een kort besluit en ging in een cafétuin in het dorp Grafenstein mijn band repareeren; ik dronk hierbij een fleschje limonade, vulde mijn drinkkruikje en toen ik gereed was met repareeren en mijn rijwiel eens goed had gesmeerd en alles tip top in orde was, stapte ik weer op en nam op advies van den kastelein van dit café een anderen weg als mijne bedoeling was, daar volgens zijn zeggen deze weg veel beter was dan welke ik ge­kozen had. Dankbaar ondervond ik de goede gevolgen van deze raadgeving, want ik genoot toen van een waarlijk schitterenden asphaltweg. Nu ging het als gesmeerd en het was hier tevens eene zeer prachtige streek met links en rechts zeer hooge bergen.

Ik passeerde nu in een vlot tempo de plaatsjes Lipsheim, Limersheim, Schaef­fersheim; toen ik dit laatste dorpje even voorbij was, kwam er een vliegmachine heel laag bij den grond rondom een per­sonentrein vliegen, evenals een hond ronddartelt om een rijtuig, het was een interessant schouwspel.

Toen deze attractie weer voorbij was kwam ik achtereenvolgens langs de plaatsjes Erstein, Osthausen, Matzen­heim, Sand, Benfeld, Sermersheim, Ko­genheim en Ebersheim en arriveerde daarna in het mooie stadje Sehléstadt, waar ik afstapte om wat te eten.

Het was nu juist 12 uur. Toen ik in een Restaurant wat gebruikt had bleef ik hier nog wat verpoozen om eene sigaret te rooken, want ik zat hier heerlijk in den schaduw en het was weer tamelijk warm geworden. Een tijdje later stapte ik weer op en na een paar K.M. over dezen mooien weg gepeddeld te hebben kwam ik een auto tegen, waarin een paar offi­cieren gezeten waren, onmiddellijk ge­volgd door 3 gepantserde en met geschut gewapende auto’s, benevens een militaire motorrijder. Ik vervolgde echter zonder ophouden mijne reis. Met een vrij sterken tegenwind passeerde ik Gemar en Ost­heim en arriveerde daarop in de stad Colmar, welke 38.000 inwoners telt. Zon­der af te stappen passeerde ik deze stad en kwam nu weer langs een aantal dor­pen n.m. St. Croix, Meijenheim, Regis­heim  en Ensisheim; in dit laatste dorp stapte ik nog eens af om wat te gebrui­ken, want ik had nu weer 47 K.M. gere­den met een fermen tegenwind. Ik ging in een tuin in de koele schaduw zitten, een paar eieren met twee glazen melk knapten mij weer flink op; vervolgens nam ik nog een ferme pot bier en eene onmisbare sigaret en toen ik hier 3 kwar­tier gezeten had en het juist 4 uur sloeg, stapte ik weer op om de laatste 45 K.M. welke mij nu nog van mijn einddoel scheidden, af te gaan draaien.

Ik zou nog eens extra mijn best doen om tegen den sterken wind in te tornen en toen ik dan achtereenvolgens de dorpen Battenheim, Baldersheim en Ille-Napoleon gepasseerd was zag ik aan mijne rechter­zijde op slechts 4 K.M. de stad Müllhau­sen liggen, met zijne 94.000 inwoners.

Vervolgens kwam ik door Habsheim, Sie­rentz, Bartenheim en Rosenau, waar ik weer op den weg kwam van mijn oor­spronkelijk reisplan, welke richting ik te Grafenstein verlaten had, en nadat ik St. Louis gepasseerd was kwam ik in Hünin­gen, waar ik op eene Bank geld ging wis­selen. Hier was het ook kermis; er ston­den tenminste vele kermistenten en an­dere vermakelijkheden. Ik reed weer ver­der en kwam allengs aan de Zwitsersche grens.

Nadat ik eerst door de Fransche Douane gecontroleerd was, kwam ik op pl.m. 50 meter verder bij de Zwitsersche Douane om eveneens mijne papieren te laten controleeren, ook hier werd alles in orde bevonden en kon ik vrij passeeren. Een poosje later belandde ik veilig en wel aan het einddoel van mijne reis, de Zwitser­sche stad Bazel.

In 4 dagen tijds had ik met geregelden tegenwind een afstand van ruim 700 K.M. afgelegd, zoodat ik met voldoening op mijne heenreis kon terugzien. Weliswaar was het geene lichte taak geweest, doch het was een tocht vol van natuurschoon en genoegen, en daar ik tot dusverre niet met veel pech had behoeven te kampen, had ik goeden moed en vertrouwen, dat ik de terugreis, welke ongetwijfeld enorm veel zwaarder zou zijn, eveneens met succes ten einde zou brengen. Dit was mijne hoop en de wilskracht en de moed zouden op den zwaren terugtocht wel voor de rest zorgen.

Toen ik dan in Bazel aankwam omstreeks 6 uur, was mijn eerste werk naar het postkantoor te gaan, om een telegram van behouden aankomst naar huis te zenden. Nadat dit was geschied, zocht ik eerst een Coiffeur op om mij te laten scheren, want mijn aangezicht was in een stoppelveld veranderd. Toen deze ge­wichtige bezigheid was geschied ging ik geducht verfrischt op zoek naar een hotel en kwam terecht in Hotel Restaurant “Spalenhof”, Spalenvorstadt 5, waar ik mijn intrek nam. Nadat ik hier eene ka­mer besproken had en een en ander had opgeborgen, was mijn eerste gang naar een rijwiel-reparateur, want mijn bagage­drager was door al dat bolderen over soms zeer groote keien op mijn achter­rem gezakt, zoodat deze niet meer func­tioneerde. Nauwelijks was ik hier aange­komen of de garçon van mijn Hotel kwam al met mijn rijwiel aangereden, hij wou zeker ook eens op een Hollandsch karre­tje rijden en zeide dat mijn rijwiel bijzon­der goed liep. Toen ik bij den rijwiel-re­parateur een en ander had besteld, be­loofde deze dat hij zou zorgen morgen­ochtend om 9 uur met alles gereed te zijn. Daarop ging ik een aantal Ansicht­kaarten koopen om naar vrienden en be­kenden te sturen en wandelde vervolgens naar mijn Hotel om deze kaarten te schrijven. Ik liet den garçon onderweg eens eene Hollandsche sigaret opsteken, hetgeen hem wel beviel; ook hij vond ze uitstekend. Nadat ik bij een glaasje bier mijne kaarten geschreven en wat gegeten had, ging ik de stad in om mijne ansich­ten te posten en de stad te bezichtigen.

Bij mijne rondwandeling door de stad zag ik wel dat Bazel eene prachtige oude stad is en met eigenaardige steile en kronke­lige straten en kleine zijstraatjes. Men vindt er talrijke kunstige fonteinen en andere waterwerken, waaronder zeer artistieke. Ook bezit de stad een groot aantal prachtige breede en ruime hoofd­straten o.a. de Freiestrasse, Elisabethen­strasse, Steinenring, Theaterstrasse, Kohlenberg, Leonhardsgraben en de mooie groote Marktplatz met het fraaie Stadhuis.

Toen ik eene groote wandeling door de stad gemaakt had en weer terecht kwam op de Marktplatz, was het hier eene ge­weldige drukte. Op eene fraaie kiosk was een muziekkorps aan het concerteeren en na ieder nummer was het applaus en handgeklap enorm. Terwijl ik mij door deze menschenzee voortbewoog, kwam er opeens eene zingende en hossende groep Heeren en Dames voorbij, en aan hun spreken hoorde ik dat het Hollanders waren; hoogstwaarschijnlijk was dit een gezelschap van een of ander reisbureau. Nadat ik nog een poosje naar het concert had staan luisteren ging ik weer mijn Hotel opzoeken en kwam bij mij het plan sterk naar voren, om inplaats van morgen hier te blijven, reeds ’s anderendaags mijne terugreis weer te aanvaarden, want er stond nog veel en zwaar werk voor den boeg en ik gevoelde mij nu zoo frisch en kloek als een hoentje. Zoodoende kon ik mijn rustdag nog in reserve houden tot­dat ik hem mogelijk beter kon besteden. Mijn plan was dus om morgen weer te vertrekken.

Nadat ik in mijn Hotel een uitstekend avondmaal had genoten en nog een glaasje bier had gedronken onder het rooken van eene sigaret, welke ik zeer noode zoude missen als ik op toer ben, keek ik mijne reisroute voor morgen nog eens goed na en ging toen naar mijne slaapkamer om eens heerlijk uit te slapen, in afwachting wat de dag van morgen mij brengen zou in de enorm hooge bergen.

Dus tot morgen.


14/9 1927

Per rijwiel van Helmond naar Bazel en terug.

Dagboek van een toerist.

V.

Woensdag 10 Augustus.

Bazel-Epinal 150 K.M.

Toen ik Woensdagmorgen in mijn Hotel te Bazel ontwaakte was het bijna 9 uur; ik had eene goede nachtrust genoten, welke mij weer op volle krachten had gebracht. Ik kleedde mij aan ging daarna mijn ont­bijt gebruiken, hetwelk mij uitstekend smaakte, liet er vervolgens nog een bier­tje overheen loopen en nam toen afscheid in mijn Hotel. Daarna ging ik naar den rijwielreparateur, die mijn rijwiel prima in orde had gemaakt, liet tevens mijne ver­snelling omzetten voor het beklimmen der bergen en toen ik nog een en ander had gekocht ging ik de stad Bazel weer ver­laten.

Het was nu bijna half elf en ik reed door de Spalentor in de richting van St. Louis; even voor deze plaats kwam ik weer over de Zwitsersch-Fransche grens en nadat ik door de Zwitsersche en daarna door de Fransche Douane was gecontroleerd, ging het met frisschen moed verder.

In St. Louis kwam ik weer op den weg van mijne heenreis, welke ik nu volgde tot Habsheim, waar ik links af ging over Riedisheim naar Mülhausen. In deze streek is door den oorlog veel verwoest geweest; men kan het echter alleen nog maar aan de boomen bespeuren, aan de huizen en andere gebouwen is er geen spoor meer van te zien. Alles is hersteld of vernieuwd.

In de mooie stad Mülhausen stapte ik af op de Place de la Réunion en ging buiten aan een zeer groot en prachtig café wat zitten rusten bij een potje bier, en zond een kaart naar huis; even later stapte ik weer op en kwam vervolgens langs de prachtige Place de la Concorde, Boulevard de la Porte Haute, en door de Chaussee de Darnsch; hier was de weg erbarmelijk slecht en ik ging mijn heil zoeken tus­schen de tramrails, waarmede ik echter niet veel won; daarna kwam ik op de Route de Thann, waar de weg weer beter was en toen ik even later over de mooie nieuwe brug over de rivier de Doller was, had ik weldra ook deze stad weer achter den rug.

Van verre zag ik de groote bergen reeds opdoemen, welke ik nu meer en meer naderde. Ik passeerde vervolgens de dor­pen Darnuch en Lutterbach; hier begon de weg al flink omhoog te loopen; wel kon men het hier aan de omgeving nog niet zoo direct zien, maar ik voelde het wel aan mijn trappen.

Toen ik allengs bij de groote bergen het dorpje Vieux Thann voorbij was en even daarna in het prachtig gelegen stadje Thann arriveerde, stapte ik af en kocht eerst een paar ijsco’s, vervolgens eenige bananen en stuurde een ansicht naar huis. Daarna kocht ik een landkaart van deze streek om mij te oriënteeren. In het stadje Willer, hetwelk ik het eerst be­reikte, sloeg ik wat drinken in, hetgeen wel noodig zou zijn, en toen moest ik mij gereed maken voor het bestijgen van de hooge bergen.

Al stijgende kwam ik door de dorpjes Moosch, Malmerspach, St. Amaric; bij het dorpje Ranspach begon het eigenlijke klimmen voor goed; hier kwam ik een karavaan zigeuners tegen die twee groote beren achter aan een wagen meevoer­den.

Ik had mij voorgenomen om eens te pro­beeren, wat ik kon presteeren in het klimmen, kost wat kost. In de verte zag ik reeds den enormen Col de Bussang op­duiken en hiermede zou ik eerst af te rekenen hebben. Het is een geweldige kolossus.

Even daarna ging het spel beginnen. Ik zette de tanden op elkaar en met een ijzeren wil zou ik geven wat ik kon; het was hier een trappen en duwen van be­lang en daarbij was de weg geweldig slecht; op sommige plaatsen zag het geen weg meer gelijk en geleek het meer op eene rotskloof; het liep niet zig-zag maar parallel omhoog en het was hier zoo stil alsof ik geheel alleen op de wereld was; alleen hoorde ik af en toe het gemurmel van het water dat uit de talrijke natuurlijk gevormde bronnen langs den weg uit de rotsspleten vloeit.

Ik stompte en trapte uit alle macht en ik dacht steeds bij elken bocht van den weg: het zal wel beter worden, maar neen, het ging nog steeds hooger en hooger. Het was geweldig en ik voelde dat ik het zou moeten opgeven; volhou­den en nog eens volhouden, dacht ik, maar er kwam geen einde aan en ik wist dat ik nog lang niet op het hoogste punt was; het laatste van mijn krachten werd er aan gewaagd maar steeds kwam er geene verlichting; tenslotte zag ik mij genoodzaakt het tijdelijk op te geven en eenige meters verder bij eene afrastering langs den afgrond stapte ik af. Toch gaf ik mij nog niet gewonnen; ik zou geen stuk loopen, al moest ik er den ganschen dag aan opofferen. Ongeveer een kwar­tiertje bleef ik rusten en genoot met volle teugen van het onbeschrijfelijk mooie landschap. Tegenover mij zag ik in eene geweldige diepte het dorpje Urbès liggen, waarachter weer zeer hooge bergen evenals links en rechts van mij op korten afstand, welke bergen bijna allen met prachtige groene mastboomen zijn be­groeid, met hier en daar op een z.g. pla­teau eene groene weide met vee en eene hut, welke hoogst waarschijnlijk als stal voor dit vee dienst moet doen.

De diepte over de afrastering was om er duizelig van te worden en achter mij ver­hief zich de geweldige berg Col de Bus­sang. Toen ik dan zoo een tijdje deze natuur had bewonderd, hoorde ik opeens een auto, maar door de echo’s tusschen de bergen, wist ik niet waar het geluid vandaan kwam en even daarna was het weer even stil; daarna kwam het geluid van boven en ik zag hem op pl.m. 10 meter boven mij tusschen de boomen door en kort daarop kwam hij mij voorbij. Dus ik wist nu ongeveer wat mij nog te wachten stond.

Ik stapte dan weer op wat hier een heele toer is, en daar ging het weer stap voor stap omhoog; weldra zat ik weer uit alle poriën te transpireeren. Het was een tita­nenwerk; doch ik moest en zou er komen en juist dien wil gaf mij die geweldige kracht, en was de oorzaak dat ik dit tweede gedeelte, dat nog veel langer was dan het eerste, zonder te rusten kon ne­men, wat mij eene groote voldoening schonk.

Thans was ik op het hoogste punt; het was hier zoo geweldig koud dat ik er kip­penvel van kreeg; de rotswanden waren allen druipnat. Rechts van mij zag ik den top van den geweldigen reus: het was een kalen rotskegel en toen ik dezen even gepasseerd was ging het naar beneden.

Even later kwam ik bij een tunnel, waar­door de weg leidde, het was er stikdonker in en ik deed mijne zaklamp aan, doch ik was door het helle daglicht zoo verblind, dat ik niet voor mij uit kon zien of mijn lantaarn brandde. Ik durfde bijna niet te rijden en ging dan ook maar stapvoets verder; toen ik wat aan de duisternis ge­wend was, werd het beter en zag ik in den schijn van mijn lantaarn, dat het water overal langs de wanden sijpelde. Ik zat hier te rillen van de kou en werd daarop weer verblind door het helle dag­licht dat door den uitgang naar binnen scheen.

Toen ik weer in de open lucht was ging het omlaag, maar de weg was te slecht om snel te dalen en ik moest flink rem­men. Toen ik een heel eind naar beneden was gegaan kwam ik allengs in het dorp Bussang aangerold; hier stapte ik af, kocht een ansicht en stuurde hem naar huis. Om mij wat te verkwikken nam ik een doos bonbons en een paar reepen chocolade, wat ik wel verdiend had.

Toen ik daarna nog wat uitgerust had in dit prachtig gelegen dorpje, stapte ik weer op en moest ik meteen met volle kracht aan het klimmen om uit dezen diepen kelder te komen. Ditmaal ging het echter wat beter, maar het was niettemin een reuzentoer en na eenige kilometers zwoegen kwam ik bij den eveneens ge­duchten berg Ballon de Alsace, welke eene hoogte heeft van 1256 Meter. Het ging dus weer geweldig de hoogte in.

De wegen waren hier echter veel beter, hetgeen het klimmen gemakkelijker maakte en toen ik deze zware karwei met meer succes en zonder af te stappen achter den rug had, ging het weer met eene enorme snelheid naar beneden. Ik moest echter zeer voorzichtig rijden, want de weg was hier verraderlijk, en er waren zeer gevaarlijke bochten in.

Allengs kwam ik bij het kleine dorpje Ro­ches-des-Larrone aan de rivier de Moezel; deze zou ik voortaan kunnen volgen en het zware klimmen zou dus voor vandaag wel ongeveer gedaan zijn.

Nu kon ik eens op mijn gemak de prach­tige landschappen dezer Moezelvallei be­zichtigen. Het was hier een allerprachtig­ste streek en de talrijke kleine dorpjes, liggende langs de rivier, welke zich in rare kronkelingen door dit landschap een weg baant, geven aan deze streek een be­koorlijke landelijke pracht.

Toen ik dan zoo een tijdje in deze mooie streek van al dit natuurschoon genoten had en ik weer enkele dorpjes gepasseerd was begon het een weinig te regenen en even later in het dorpje Ferdrupt was ik genoodzaakt voor den regen te gaan schuilen; ik stapte dus af aan een café en dronk een paar glaasjes bier à 40 centi­men per stuk d. i. ongeveer 4 cent, dus niet te duur. Toen het regenen ongeveer ophield stapte ik weer op; het was nu juist 6 uur en op een kleine fabriek, welke men hier in deze streek in bijna elk dorpje ziet, meestal nieuwe weverijen, ging de fabrieksfluit. Ik was nu nog 48 K.M. van mijne plaats van bestemming voor van­daag, en daar de wegen hier bijzonder goed waren en ik bijna niet behoefde te klimmen kon ik vandaag nog zeer gemak­kelijk mijn doel bereiken.

Ik passeerde vervolgens in een mooi tempo een groot aantal kleine dorpjes, te veel om allen op te noemen en kwam allengs in het stadje Remiremont, waar ik weer een ansicht naar huis zond. Ik ped­delde hier over de groote keien door de Rue d’Alsace vervolgens over de Place de Maxonrupt, Grande Rue, Rue de la Xavée, waar ik mijn kaart postte, daarna door den Faubourg d’Epinal, en ook dit stadje was ik weer voorbij.

Nu ging het maar steeds verder door deze zoo prachtige Moezelvallei, waar zich aan beide zijden zeer hooge bergen ver­heffen, en passeerde ik weer een aantal prachtig gelegen dorpjes.

In deze streek schenen ijzerertsmijnen te zijn, want ik zag hier vlak langs den weg eene mijnschacht en op den weg pas­seerde ik eenige mijnwerkers met eene mijnlamp bij zich, die er allen uitzagen alsof zij geheel verroest waren.

Na een poosje zag ik op eenigen afstand voor mij uit een klein beekje, hetwelk in de Moezel vloeide, een lichte walm opstij­gen; ik dacht eerst dat het van een of andere fabriek afkomstig was, doch toen ik op deze plaats kwam was er in den ganschen omtrek geen fabriek of huis te bespeuren en bleek dit warme water uit eene bron te komen uit de hooge bergen langs den weg. Dit was even voorbij het dorpje Arches en ongeveer 9½ K.M. van Epinal.

Ik vervolgde daarna mijn weg en toen ik de dorpjes Dinaze en St. Laurent gepas­seerd was, arriveerde ik omstreeks kwart voor 8 in Epinal en had hiermee mijne taak voor vandaag weer volbracht.

Ik reed door de stad tot de 2e Moezel­brug en nam mijn intrek in het eerste en beste Hotel, genaamd Hotel de la Poste, Rue Leopold-Bourg. Toen ik hier alles had opgeborgen en daarna een kostelijken maaltijd had gebruikt, hetgeen mij werke­lijk goed deed, ging ik eene wandeling maken door de stad, om tevens een kaart naar huis te zenden en wat sigaretten te koopen, want mijne Hollandsche sigaret­ten waren op. Nadat ik een tijdje had rondgewandeld, begon het weer te rege­nen en vluchtte ik naar mijn Hotel, waar ik nog wat bleef zitten bij een glaasje bier. Daarna zocht ik mijne slaapkamer op, want het was inmiddels 11 uur ge­worden en ik verlangde naar wat rust, na zulk een zwaren dag. Ondanks de gewel­dige bergen en mijn laat vertrek uit Bazel had ik toch weer 150 K.M. afgelegd.

J. VAN LIESHOUT.

(Wordt vervolgd).


VI.

Donderdag 11 Augustus.

Epinal-Metz 140 K.M.

Om 7 uur was ik al uit de veeren; het zonnetje scheen heerlijk en scheen mij als het ware uit te noodigen tot een prachti­gen rit door het mooie landschap van den Elzas. Ik voelde mij zoo lekker als kip, en hunkerde reeds naar den heerlijken rit, welke mij vandaag te wachten stond.

Nadat ik mijn ontbijt gebruikt en mij reis­vaardig gemaakt had, ging ik vertrekken; het was ongeveer kwart over 8; ik reed eerst langs eene groote kazerne aan de Moezel, daarna over de Place Leopold en Rue de Nancy en toen zeide ik ook Epinal vaarwel.

Nu ging het weer lustig langs de mooie Moezel, welke hier reeds eene groote rivier was geworden. Toen ik gisteren bij het dorpje St. Maurice bij deze rivier kwam, was het nog niet meer dan een beekje. Vervolgens kwam ik langs de dorpjes Colbey, Chavelot, Thaon-les-Vas­ges, Igney, Nomery; even voorbij dit laat­ste dorpje zag ik links van den weg op een zeer hooge rots eene mooie kapel en langs den weg een naambord waarop stond: “Notre Dame de Bon Secours de l’Eclair”.

In deze streek waren de wegen bijzonder mooi en een weinig golvend. Voor te fiet­sen is dit erg hinderlijk en menig Hollan­der zou het er hier al bij laten steken. Even later, juist voor het dorpje Vincy, kreeg ik wel is waar geen groote maar een venijnig steile berg te nemen en ik moest alle zeilen bijzetten om er op te komen.

Eenige K.M. verder kwam ik in het stadje Charmes. Op de Place de l’Hotel de Ville stapte ik af en ging aan een café van denzelfden naam buiten een poosje zitten rusten onder het gebruiken van een paar glaasjes Grenadine; ik zond een Ansicht naar huis, stak een sigaret op en keek een poosje naar eenige mannen, die mid­den op de mooie Place de l’Hotel de Ville, bij de fraaie fontein bezig waren met houthakken. Dit was een vreemd gezicht zoo midden op de Markt en er lag een zeer groote partij hout bij ter verwerking.

Toen ik hier een tijdje gezeten had, trok ik af en kwam weer door enorm mooie streken, welker pracht ik hier onmogelijk met de pen kan beschrijven. Nu ging het op de stad Nancy af, welke plaats ik be­reikte, nadat ik eerst bij Neuve Flavigny over de Moezelbrug was gereden en hier deze rivier verliet, daar zij hier eene groote bocht in Westelijke richting maakt naar de stad Toul. Bij dezen langen rit had ik niet minder dan 17 dorpen door­gepeddeld. Op 1½ K.M. van deze fraaie stad zag ik Nancy pas liggen in de diepte; wegens de bergachtige streek had ik de rivier de Moezel moeten verlaten.

Met een reuzenvaartje rolde ik naar be­neden en na het doorrijden van een grooten spoorwegtunnel was ik binnen Nancy’s veste. Het was juist 12 uur. Eerst kwam ik door de Rue de Strasbourg, daarna door de fraaie oude Porte St. Ni­colas, Rue St. Dizier; bij de Rue St. Jean zag ik aan den rechterkant de prachtige Kathedraal met zijne 2 hooge koepelto­rens, dateerend uit de 18e eeuw.

Het verkeer was hier enorm druk en bij de Rue Gambetta en Rue Stanislas was ik in het hartje van deze drukke stad met zijne 105.000 inwoners. Ik reed verder door de Rue de la Fayette, kwam daarna langs de mooie Eglise St. Epire op de Place St. Epire, vervolgens door de Rue St. Michel op de prachtige Esplanade-Cours-Leopold, daarna langs de eveneens zeer oude en fraaie Porte-Désiller.

In de Rue de Metz in een Restaurant te­genover de Eglise St. Fiacre ging ik nog eens goed eten, want ik had er goesting in. Het middagmaal smaakte mij hier uit­stekend en toen ik hiermede gereed was bleef ik nog een heele poos buiten zitten bij een paar glaasjes bier en stuurde on­derwijl een kaart naar huis. Blijkens waarneming was ik hier nog 60 K.M. van Metz, mijn doel van vandaag, hetgeen ik nu nog op mijn slofjes kon halen.

Nauwelijks had ik echter deze stad weer achter den rug of het was bij Maxenville alweer klimmen en zoo ging het maar steeds omhoog en omlaag, langs Cham­pigneulles, totdat ik tusschen Frouard en Pompey de Moezel weer bereikte en de groote brug over deze rivier en het Marne-Rijn Kanaal passeerde. Nu bleef ik dit kanaal dat met de Moezel parallel loopt volgen, en kwam vervolgens langs de dorpen Marbache, Belleville, Dieulou­ard, Blenot-les-Pont-a-Mousson, en na Maldieres belandde ik in de uit den oorlog zoo bekende stad Pont-a-Mousson.

Bij het Station kwam ik over den overweg en reed verder door deze voor het mee­rendeel verwoest geweest zijnde stad. Er was evenwel bijna geen spoor meer van verwoesting te bespeuren. Ik reed over de Place Thiers, Rue Victor Hugo en kwam toen op de Place Duroc, dat een zeer prachtig geheel nieuw Marktplein is geworden met zeer groote gebouwen met Winkelgalerijen. Toen ik hier wat rond gekeken had ging ik te voet verder en kwam op de Place St. Antoine, waar het er echter nog raar uitzag. Men was hier druk bezig met het bewalsen van den weg en het opruimen van puin en bouw­afval. Vervolgens kwam ik in de Rue Gambetta voor de oude Moezelbrug en kocht hier eenige bananen, een paar ei­eren en een reuzentablet Chocolade, waarmede ik het weer een tijdje kon stellen.

Daarna reed ik links van de oude geheel verwoeste Moezelbrug over de noodbrug en zag vanaf deze brug dat men aan de oude brug volop bezig was met de werk­zaamheden voor het wederopbouwen van deze zeer groote bijna geheel vernielde steenen brug. Het liet zich aanzien dat het nog lang zal duren eer deze brug weer hersteld zal zijn, want er is bijna niets meer van over dan de groote steenen pijlers.

Over de brug kwam ik bij de mooie oude Eglise St. Martin in het andere gedeelte van de Rue Gambetta. In deze straat zag ik twee oude mannekes, die al zingende langs de straat trokken. Ik gaf de een een franc, terwijl de ander langs de huizen ging, en hij boog voor zoo’n milde gift als een knipmes; er lagen trouwens niet veel geldstukken van beteekenis in zijn offer­bakje. Het was dus voor hem een reu­zenbof dat ik hier passeerde. Toen ik daarna in de Avenue de Metz nog wat drinkwater had ingeslagen stapte ik weer op en voort ging het weer in de richting van mijn doel van vandaag de stad Metz.

Nadat ik een paar K.M. gereden had zag ik langs den weg een gedenksteen, hoogstwaarschijnlijk van den oorlog, want het was een zelfde model als ik al meer gezien had in België en Noord-Westelijk Frankrijk.

Vervolgens passeerde ik de plaatsjes Bel­laire, Poncelle, Champey, Vittonville; tus­schen Lobe en Corney voelde ik er veel voor om eens een frisch bad te nemen in de Moezel, want het was weer flink warm vandaag, en daar de rivier hier niet diep was en dus niet gevaarlijk, stapte ik af en ging dan naar beneden. Toen ik echter aan het water kwam zag ik dat het vuil was, dus er kwam hier niets van. Toen ik aanstalten maakte om te vertrekken zag ik rechts van mij op groote hoogte een vliegmachine, welke in Zuid-Westelijke richting ging en even later als ik weer zat te peddelen ontwaarde ik er weer twee, welke in Zuidelijke richting verdwenen en daarna weer een in Z.-W. richting. Waren dit misschien de Hollandsche vliegers, die op weg waren naar Zurich en dienzelfden morgen in Holland vertrokken waren?

Het was nu ongeveer kwart voor vier. Ik vervolgde mijn weg en zag dat hier in deze streek veel verwoest is geweest, doch bijna alles is weer hersteld. Ik begon allengs mijn doel van vandaag te nade­ren. Toen ik even voorbij het dorpje Jouy-aux-Arches was ongeveer 6 K.M. van Metz, hoorde ik weer vliegmachines en even later zag ik er rechts van den weg vier tegelijk in de lucht op geringe hoogte, welke allen maar rondvlogen. Ik vermoedde dat hier in de buurt eene Ae­rodrome was, want ik zag een vliegma­chine dalen en even daarna op ongeveer dezelfde plaats erweer een opstijgen.

Toen ik de stad Metz wat meer naderde en ik over den spoorweg was gekomen zag ik rechts in de verte een zeer groot gebouw, dat veel geleek op eene hangar voor een luchtschip. Weldra was ik in het bebouwde gedeelte der stad gekomen en nog steeds cirkelden de vliegtuigen door de lucht; de gansche lucht gonsde er van. Vervolgens reed ik door de Rue de Nancy en daarna door de Avenue Ney, waar links en rechts van den weg groote Mili­taire Kazernes stonden, en kwam daarna langs een groot Arsenaal. Op de Place de la République stapte ik wegens het drukke verkeer van de fiets en nadat ik mijn kleeding wat in orde gemaakt had ging ik te voet verder.

Het was nu precies kwart voor 5, dus ik was vandaag vroeg op mijne bestem­ming. Ik ging dan verder door deze groote stad tusschen het drukke gewoel van menschen en voertuigen en toen ik een eindweegs geloopen had en in de Rue des Jardins kwam, stond ik plotseling voor den Brusselaar die ik in Straatsburg in mijn Hotel aangetroffen had. Nadat ik even ’n praatje met hem had gemaakt en wij elkander onze wederzijdsche lotge­vallen van onze reis hadden verteld, na­men wij met een hartelijken handdruk en een goede reis weer afscheid en even later kwam ik in Hotel Restaurant de la Couronne, Rue des Jardins 45 terecht, waar ik mijne tenten zou opslaan voor vannacht.

Na eene flinke verfrissching ging ik eene wandeling door de voornaamste straten der stad maken. Metz is eene prachtige stad en telt ongeveer 53.000 inwoners; men vindt ook hier eene allerprachtigste Kathedraal, benevens een groot aantal schoone gebouwen o.a. het Museum-Porte-des-Allemands, het Stadhuis en een groot aantal kerken en kapellen. Het is eene sterke vesting en garnizoensplaats en de kazernes zijn  ontelbaar. Ook de groote bruggen over de Moezel genaamd Pont de Thionville en Pont des Morts zijn mooie bouwwerken vooral laatst ge­noemde brug is een prachtstuk. Toen ik dan eene heele wandeling gemaakt en een kaart naar huis gezonden had, ging ik weer mijn Hotel opzoeken; ik gebruikte daar een uitstekend avondmaal, en maakte daarna nog een gezellig praatje met den Hotelier en zijne vrouw.

Omstreeks 10 uur ging ik reeds naar bed, want ik wist dat er morgen weer geducht geklommen zou moeten worden.


Vrijdag 12 Augustus.

Metz-Malmedy 205 K.M.

VII.

Toen ik ontwaakte was het nog vroeg; het was bijna 7 uur. Ik sprong uit de veeren en maakte mij weer reisvaardig. Na ontbeten te hebben vertrok ik reeds om kwart voor 8 uit Metz; vandaag zou ik een flinke afstand kunnen afleggen want het weer liet zich gunstig aanzien.

Ik reed eerst door de Rue Pontiffroy; in de Rue de la Caserne bij de Rue le Belle Isle kocht ik aan een kiosk een paar Ma­caronis en kwam daarbij in gesprek met een man, die ook per rijwiel was en naar Hagondange ging. Hij dronk hier een flinke kop koffie, en daar ik hierin ook wel zin had, nam ik er ook eentje, welke mij goed smaakte; ik at er een Macaroni bij en toen wij gereed waren reden wij sa­men verder over de Pont de Thionville en door de Rue de l’Hopital Militaire en kwamen daarna op den grooten weg naar St. Eloy. Voorbij het fort van dien naam kregen we een mooien geasphalteerden weg en den wind in den rug; we schoten hier reusachtig op en in een minimum van tijd was de stad Metz aan ons oog ont­trokken.

De streek was hier mooi vlak en wij zagen reeds van verre de groote hoogovens, welke hier in deze streek enorm veel zijn. Zoo reden wij dan gezellig pratend ver­der. Mijn metgezel vertelde dat hij in Hagondange eene rijwielzaak had en gis­teren voor zaken naar Metz was gereden; daar het te laat was geworden om weer naar huis te rijden had hij den nacht in Metz doorgebracht.

Wij vorderden zoo gezellig koutend goed en reden door de dorpjes St. Remy, Brieux-Chaussée en Maizières; hier pas­seerden wij een grooten hoogoven en even daarna in het plaatsje Talange weer twee, waarvan er een was stopgezet, zoo vertelde mijn gezel. Vervolgens kwamen wij in Hagondange en hier nam ik met een handdruk afscheid van mijn reisgezel, die mij eene goede reis wenschte. Hij stapte af aan eene mooie groote rijwiel­zaak.

Ik trok maar weer steeds verder, langs Mondelange, Richemont, Uckange, Ebange en Beauregard, waar ik vlak langs een grooten hoogoven kwam, welke een reuzeninrichting was. Even daarna arri­veerde ik in het mooie stadje Thionville. Het was nu precies 9 uur en ik had reeds 29 K.M. afgelegd, dus ik was flink opge­schoten. Ik peddelde door de Rue Mar­schal Joffre, Place de la Republique, Rue de Paris en op de Place de Marché stapte ik af; het was hier juist marktdag en ik kocht hier eenige bananen. Het waren reuzenbananen voor 1 franc per stuk en toen ik er een paar van naar binnen had gewerkt ging ik te voet verder. Ik zond weer een kaart naar huis, ging vervolgens op eene Bank de Zwitsersche Francs, welke ik nog over had gehouden, omzet­ten tegen Luxemburgs geld, en toen ik daarna vrijwel al mijn Fransch kleingeld had opgemaakt aan alles en nog wat, ging ik weer vertrekken.

Ongeveer 20 K.M. was ik hier nog verwij­derd van de Luxemburgsche grens; de rivier de Moezel welke ik twee dagen lang gevolgd had, moest ik hier verlaten daar zij zich hier meer oostwaarts wendt in de richting van Trier.

Dit beteekende voor mij, dat ik nu weer geducht zou moeten klimmen; mijne rich­ting liep nu bergopwaarts langs St. Fran­cois, La Grange, Hettange, Soetrich, Roussy en Haute-Rentgen, waar de weg erbarmelijk slecht was; een weinig verder was men hem aan ’t opmaken en het was hoog noodig ook.

Na dezen bergtocht kwam ik bij Evrange aan de Luxemburgsche grens. Nadat ik eerst bij de Fransche Douanen mijne pa­pieren ter inzage had gegeven kwam ik pl.m. 100 meter verder bij de Luxem­burgsche Douanen, die eveneens alles in orde bevonden.

Nu kon ik weer ongestoord verder gaan en kwam ik even later in het eerste Luxemburgsche plaatsje Frisange; hier waren de wegen netjes in orde; op vele plaatsen was de grondslag geheel rood, misschien van het roode graniet of rots­gruis, dat gebruikt was voor het onder­houd. De wegen liepen hier flink op en neer en toen ik dan de plaatsjes Alzingen, Hesperange en Bonnevoie, het voorstadje van de stad Luxemburg gepasseerd was, kwam ik door den grooten spoorwegtun­nel en was in het Zuidelijke gedeelte van deze hoofdstad.

Na het doorrijden van de Avenue de la Gare bevond ik mij bij het prachtige Gare Centrale (Centraal Station) met zijn sier­lijken hoogen toren naast den hoofdin­gang. Ik reed vervolgens door de even­eens zeer prachtige en breede Avenue de la Liberté waar een reuzenaantal auto’s stonden, waaronder ik ook enkele Hol­landsche opmerkte.

Ik stapte daarna af bij de Place de Paris en ging een paar ansichten koopen van deze zeer mooie stad, waarvan ik er een­tje naar huis zond; daarna liep ik te voet door het andere gedeelte der Avenue de la Liberté en kwam bij de zeldzaam mooie Pont Adolphe, welke prachtige steene brug op zeer hooge peilers over eene zeer diep met mooie boomen en ander gewas beplant ravijn is gebouwd, waar­door in het midden het aardige riviertje de Petrusse vloeit, wat een weinig verder in de rivier de Alzette uitmondt en de stad Luxemburg als het ware in tweeën scheidt.

Toen ik over deze fraaie brug reed, zag ik op eenigen afstand aan den rechterkant een eveneens prachtige op hooge peilers gebouwde brug, welke in de lengte een sierlijke bocht naar rechts maakte, het­welk een eigenaardig gezicht opleverde.

Vervolgens kwam ik in de z.g. oude stad en ging weer te voet langs den fraaien Boulevard Royal en daarna rechts af door de Grand Rue, want ik wilde door deze bijzonder mooie en zeer netjes uitziende stad eens eene rondwandeling maken. Toen ik dan eenige straten doorgeloopen had, kwam ik langs het Palais Grand Du­cal. (Het Graaf-Hertogelijk Paleis.) Hier stonden twee schildwachten op post, en van dit paleis woei de Luxemburgsche driekleur, welke dezelfde kleuren heeft als onze Nederlandsche vlag. Mijne rondwan­deling vervolgende kwam ik even daarna langs een zeer grooten Bazar, waar ik binnen even een kijkje ging nemen en het een en ander kocht.

Daarna bezocht ik het groote ruiterstand­beeld van Willem II, Groothertog van Luxemburg en Koning der Nederlanden. Terwijl ik dit beeld stond te bezichtigen, passeerden hier juist 3 groote toeristen-auto-cars vol met toeristen, welke allen uit volle borst het Wilhelmus van Nas­sauwen zongen; mijne vaderlandslie­vende snaar werd hierdoor getroffen en ik zong ook flink mede; toen de laatste to­nen waren weggestorven en ik hier nog even vertoefd had ging ik weer verder. Dit reisgezelschap bestond natuurlijk ge­heel uit Hollanders.

Wat verder aan eene kiosk nam ik wat drinken en kocht tevens een paar bana­nen enz., daarna stapte ik op en ging ook deze stad weer verlaten. Ik reed langs het Theatre en kwam daarna op de Avenue de la Côte d’Eich, welke ik met een reu­zenvaartje naar beneden volgde, en in een ommezien was ik weer in het voor­stadje Eich; nog steeds ging het naar beneden tot in het dorpje Dommeldange. Het was ongeveer 12 uur toen ik hier aankwam en ik had bijna 1½ uur in de stad Luxemburg vertoefd.

Na het passeeren van laatstgenoemd dorpje reed ik langs een zeer groote in­richting, welke wel veel geleek op een Hoogoven, doch wat het eigenlijk was kon ik niet vaststellen. Thans kwam ik weer door eene prachtige streek met eenig mooie landschappen; de weg liep hier langs de rivier de Alzette en den spoorweg. Toen ik het mooie dorpje Helmsange voorbij was peddelde ik over eene brug der voornoemde rivier, welke nu aan den linkerkant van den weg voort­vloeide; nu bleef ik deze rivier volgen tot Ettelbrück, waar zij in de rivier de Sure vloeit.

De wegen waren hier allen bijzonder goed; ik reed in deze heerlijke omgeving met genoegen en het viel mij op dat ik hier niet bijzonder veel behoefde te klim­men.

Nog steeds liep de weg tusschen hooge met mooi groen begroeide bergen en zoo passeerde ik de plaatsjes Walferdange, Heisdorf, Bofferdange Helmdange, La­fentzwelle, Lintgen en Rollingen en kwam daarna in het stadje Mersch.

Zonder af te stappen peddelde ik maar steeds verder door deze streek vol van natuurschoon; zoo passeerde ik Beringen, Moesdorf en Crugten; even voorbij dit laatste dorp, waar de spoorlijn langs den weg liep, kwam mij een personentrein gezelschap houden; hij ging wel wat te snel, maar aan de talrijke kleine stations wachtte hij telkens weer op mij en ik deed mijn best om bij te blijven; even voor Ettelbrück kon ik hem echter niet meer bijhouden en ik gaf den strijd op.

De menschen langs den weg noemden mij Frantz. (De winnaar van de Tour de France welke een Luxemburger is). Ik vond het wel goed en trapte maar steeds verder. Toen ik het stadje Ettelbrück voorbij was en over het viaduct van den spoorweg bij de brug over de rivier de Sure was aangekomen stapte ik aan de splitsing van den weg naar Erpeldange en Diekirch af, om wat kleeren uit te trekken, want het was wel wat te warm om met veel kleeren aan te rijden. Toen dit was geschied stapte ik weer op en arriveerde daarna via Ingeldorf in het mooie stadje Diekirch, hetwelk ik eveneens zonder af­stappen doortrok.

Hier liep de weg links af en moest ik de rivier de Sure verlaten, welke ik vanaf Ettelbrück gevolgd had. Nu zou het lieve leven weer gaan beginnen. Ik was nau­welijks buiten dit stadje of het ging al de hoogte in en niet weinig. Toen ik zoo een heelen tijd had geklommen dacht ik, er zal wel eens een eind aan komen, maar jawel, ik was nu al ruim 400 meter hoog en nog ging het steeds de hoogte in; zoo bleef ik nog een heelen tijd aan ’t klim­men en kwam toen op een plateau; rechts van mij zag ik een geweldig groot dal en daarover heen bespeurde ik in de verte niets dan bergen; het eigenaardige van deze streek was, dat hier bijna alles kaal was en men dus een enorm eind ver weg kon zien; alleen in de diepe dalen stonden nog al boomen en andere ge­wassen, maar boven op de bergen was alles kaal. Een kleine daling bracht wat verlichting maar direct daarop was het weer klimmen dat het een lust was.

Ik was nu pl.m. 15 K.M. voorbij Diekirch en had geen enkel dorp meer gepas­seerd; toen ik dan eindelijk na hard wer­ken in het dorpje Hascheid kwam, stapte ik af en ging aan het Hotel des Ardennes buiten op het terras zitten om eens wat te eten, want het was wel noodig. Ik be­stelde een boterham en ontving werkelijk een reuzen-exemplaar waar ik compleet genoeg aan had; daarbij dronk ik een paar glazen bier, eveneens reuzenpotten.

Toen ik hier ging vertrekken was het al­weer hetzelfde liedje: de hoogte in; ach­tereenvolgens reed ik door de dorpjes Hosingendick en Hosingen, en hier zat ik ongeveer 528 meter in de lucht.

Vervolgens kwam ik al klimmende en da­lende langs Marbourg; even voorbij Mar­nach ging ik aan eene bron langs den weg wat water nemen, want het was hier werken, dus er moest ook op tijd ge­smeerd worden. Toen ik weer opgestapt was ging het geweldig naar beneden en het panorama dat ik nu te aanschouwen kreeg was om nooit te vergeten.

Rechts van den weg in een zeer diep groen dal lag het mooie toeristenoord, het dorpje Clervaux met zijn mooie kerk met 2 torens, zijn prachtig oud kasteel en zijn mooie helder gekleurde huizen en Hotels en aan den overkant van dit dal op een groote hoogte een schoon groot klooster met kapel. Het was een interes­sante aanblik.

Ik reed verder naar beneden en nadat de weg een aantal bochten en zwenkingen had genomen kwam ik in volle vaart dit liefelijk toeristenoord binnengestoven. In dit plaatsje bevonden zich een groot aantal Hotels en er waren vele toeristen. Ik stapte hier af en liep een eindweegs te voet; hier kocht ik een paar kaarten, zond er eentje naar huis; nadat ik nog eenige bananen had gekocht verliet ik weer dit bijzonder mooi gelegen plaatsje en daarop begon weer ’t klimmen.

Ik passeerde vervolgens de dorpjes Julien­kamp, Eselborn, Bonhorn, Asselhorn en toen ik dit plaatsje even voorbij was, ging ik in een café mijn Luxemburgs klein geld opmaken aan een paar glaasjes bier.

Daarna stapte ik weer op en na het pas­seeren van Ulflingen, belandde ik in Trois-Vierges, waar ik oorspronkelijk van plan was om te overnachten; het was echter zoo’n klein negerijtje, dat ik er weinig lust in had om hier te blijven en ik besloot om maar verder te gaan en te trachten of ik vandaag nog in Malmedy kon komen.

Zoo trok ik weer verder al klimmende en dalende langs Wemperhardt en bij het dorpje Malschule passeerde ik de Belgi­sche grens. Zonder af te stappen, want er was geen enkele Douanebeambte te zien, stevende ik maar door langs de dorpjes Bleitz, Durles, Oudles, Gruffingen en Schirm en even daarna kwam ik in het eerste Belgische stadje St. Vith.

Hier was ik nog 22 K.M. van Malmedy en ik wilde deze laatste kilometers nog eens extra mijn best doen om spoedig op mijne bestemming te zijn. In flinke vaart reed ik langs de plaatsjes Emmels en Ba­raque-de-l’Empereur; even voorbij Pont kwam ik over de mooie rivier de l’Amblève, vervolgens langs Ligoenville en Bellevaux. Eenige kilometers verder kreeg ik een zeer slechten weg en toen ik nog een heel eind naar beneden was gereden arriveerde ik om half negen in Malmedy.

Aan het eerste het beste hotel stapte ik af, n.m. Hotel de Venise, Place du Pont Neuf, waar ik kon logeeren. Toen ik mijn rijwiel en mijn bagage geborgen had ging ik wat rondloopen door de stad; ik kocht een paar kaarten en een paar doosjes sigaretten, en was niet weinig blij, dat ik weer eens een goede sigaret kon rooken en ik maakte hiervan dan ook een dank­baar gebruik.

Daarna ging ik in Café Restaurant des “Environs” op de Place de Marche een puik maal gebruiken, hetgeen me goed deed; vervolgens zond ik een kaart naar huis en ging toen mijn Hotel opzoeken, want het was al vrij laat geworden, 11 uur, en ik had vandaag een reuzen af­stand afgelegd, n.l. 205 K.M. met de noodige groote bergen; ik kon dus wel wat rust gebruiken en zou morgen maar zien hoever ik het dan weer brengen kon.


VIII.

Zaterdag 13 Augustus.

Malmedy-Helmond, 190 K.M.

Des morgens ongeveer 7 uur was ik pre­sent en had ik eene goede nachtrust ge­noten. Ik ging mijn ontbijt gebruiken en toen ik daarna mijne spullen gereed had gemaakt, trok ik omstreeks half negen weer op stap. Het weer was prachtig en het beloofde vandaag weer warm te wor­den.

Ik vertrok dan uit Malmedy in de richting van Burnenville, naar welke plaats een mooie gladde keiweg leidt; toen ik dit dorpje een eindweegs gepasseerd was kwam ik langs de tribunes van de groote Autorenbaan van Francorchamps. Nauwe­lijks was ik deze voorbij of het klimmen begon alweer en de weg was bovendien bijzonder slecht; hier passeerde ik een ander toerist, die wegens de hevige ver­moeidheid een oogenblik stond uit te bla­zen; ik peddelde hem voorbij en keek daarna eens om of hij misschien mede op zou rijden, maar hij scheen er niet veel trek in te hebben en ik vervolgde in mijn zelfde tempo al klimmende mijn weg en even later kwam ik door het mooie plaatsje Francorchamps.

Toen ik hier even voorbij was stapte ik af aan eene Auto-garage om mijn rijwiel wat te smeren, want de ketting begon bij al dat klimmen om hulp te roepen. Nadat dit was geschied ging het meteen weer om­hoog en na eenige kilometers kwam ik op een plateau. Hier stapte ik nogmaals af om wat kleeren uit te trekken, want het was weer flink warm geworden.

Terwijl ik hiermede bezig was kwam er een Noord-Brabantsche auto uit de rich­ting van Spa. Toen hij bijna bij mij was begon ik te zwaaien en de inzittende heer die mij wel bekend voorkwam en den wagen bestuurde, zwaaide ook terug. Naast dezen heer was eene dame geze­ten. Naar ik meen was het nummer van deze auto N 48. Ik weet het echter niet precies meer te zeggen.

Nadat ik weer was opgestapt ging het met een reuzenvaartje over dezen mooien gladden geasphalteerden weg naar bene­den, 7 K.M. lang, totdat ik in het mooie Spa terecht kwam. Met het klimmen was het nu voortaan vrijwel gedaan. Langs de Rue de la Sauvenière kwam ik deze prachtige plaats binnen gerend en door de Rue Rogier reed ik naar de Place Pierre le Grand; hier stapte ik af en ging een ansicht koopen om naar huis te zen­den; daarop reed ik naar het gebouw “Poubon” en dronk hier een paar glaasjes echte “Spa” versch uit de bron.

Toen ik hier een poosje had gezeten wandelde ik te voet verder door deze prachtige toeristenplaats, en zag dat men voor het “Casino” druk bezig was met het aanbrengen van versieringen aan eene hier geplaatste Tribune; hier schenen dus ook al feesten op komst te zijn. Verder liep ik door de Rue Royale en daarna over de Place Royale en toen ik even daarna aan de Avenue de Marteau kwam, stapte ik weer op mijn stalen ros en peddelde toen lustig over dezen met mooie lommer begroeiden breeden weg met aan beide zijden een breed ruiter- en rijwiel- of wandelpad.

Een paar K.M. verder reed ik onder het viaduct van den spoorweg door en even daarna kwam ik door het prachtig gele­gen plaatsje Marteau, waar de weg langs het mooie riviertje de Waijal liep, hetgeen ik nu weer bleef volgen. Ik reed hier door eene mooie vallei met van beide kanten op eenigen afstand van den weg hooge met mooi geboomte begroeide bergen en passeerde daarbij de plaatsen Spinxe, Franchimon, Theux, Marche, Juslenville, en in het stadje Pepinster, waar het ri­viertje de Waijal in de Vesdre vloeit, kwam ik op den grooten weg van Verviers naar Luik. Deze weg liep eveneens door een mooie vallei, genaamd de Vesdre-vallei, met links van den weg deze rivier en een weinig verder den spoorweg, welke hier door talrijke tunnels leidt. Bo­ven een dezer tunnels zag ik hoog op eene rots eene prachtige burcht wat een prachtig gezicht gaf in deze mooie omge­ving.

Achtereenvolgens kwam ik nu weer door Gofontaine, Nessonvaux, Fraipont, Trooz, Prayon, Chaudfontaine en Vaux, met daarbij het fort van denzelfden naam, hetwelk behoort bij den fortengordel van Luik en even later kwam ik in Chenee eene voorstad van Luik. Hier werd het al drukker op den weg en kwam ik langs een groot aantal groote rookende en dampende fabrieken en kolenmijnen. Hoe meer ik de stad naderde, hoe drukker het werd, en toen ik even daarna in Angleur over de groote bruggen kwam van het kanaal en de rivier de Ourthe, was ik weer in Grivegnèc, eveneens eene voor­stad van Luik, en reed nu over de zeer fraaie en ruime Quai-des-Ardennes. Aan het einde hiervan reed ik links af over de brug over de Ourthe, welke zich hier met de Maas vereenigt, en vervolgens over de zeer fraaie Pont-de-Fragnée over de Maas; daarna volgde ik rechts af de Quai-de Rome, Avenue de-Blonden, Avenue Rogier, Boulevard d’Avroy, waar ik op de zeer breede wegen, welke zoo glad waren als een spiegel achter de auto’s reed dat het een lust was, en in een minimum van tijd was ik de prachtige Boulevards door­gesnord. Toen ik dan met eenzelfde vaartje de Boulevard de la Sauvenière was doorgedraaid reed ik over de prach­tige Place de la Republique Française, daarna over de Place Marechal Foch en kwam toen terecht op de Place St. Lam­bert het middelpunt van de stad Luik.

Het was nu ongeveer half een. Hier stapte ik af en ging te voet op zoek naar een bank of wisselkantoor om geld te wisselen. Ik liep in de richting van de Place du Marché en hier zag ik spoedig een paar wisselkantoren.

Opeens hoorde ik achter mij mijn naam roepen, en plotseling stond ik voor een stadgenoot, die voor een paar dagen naar Luik was gekomen en toen juist hier ge­arriveerd was. Het deed mij werkelijk genoegen dat ik weer eens een bekende aantrof, nadat ik 8 dagen lang niets dan vreemde gezichten had gezien. Hij wen­schte mij geluk met mijne prestatie en wij gingen toen samen eens goed bunkeren, want wij hadden beiden wel zin in een hartelijk brokje; even daarna zaten we beiden aan een flinke biefstuk met frites, hetgeen ons goed deed. Nadat we hier­mede gereed waren een een sigaret op­gestoken hadden, gingen we naar een coiffeur om ons te laten scheren, want het was vandaag Zaterdag en ik zou trachten om vandaag nog in Helmond te komen.

Toen we dan beiden een glad gezicht hadden gingen we weer naar de Place St. Lambert en hier nam ik met een hartelij­ken handdruk en een werderzijdschen wensch van goede reis, afscheid van mijn stadgenoot. Ik stapte op en verdween voor hem in de Rue de Bruxelles.

Het was inmiddels half drie geworden en toen ik in de Rue de Campine kwam moest ik nog eens ferm klimmen over de groote keien, om uit den diepen kelder te komen, waarin Luik gelegen is. Toen ik dit werkje achter den rug had, waarbij het in de Rue St. Walburge nog een weinig om­hoog ging, kwam ik op een rijwielpad langs den weg en nu ging het met een mooi tempo langs Juprelle, Wilhoghe en Heur le Thiexhe (waar men de weg aan ’t vernieuwen was en de passage vanwege het mulle zand enz. zeer moeielijk was) naar Tongeren.

In deze stad kocht ik wat bananen en nam wat drinken mee voor onderweg want ik had berekend, dat ik, wanneer ik niet te veel tijd verspilde nog juist voor den avond thuis kon zijn. Toen ging het wederom met een mooi vaartje langs Overrepen, Gors, Guigoven, Cortessem; bij deze laaste plaats had ik weer eene hindernis te nemen; men was hier name­lijk den weg geheel aan ’t vernieuwen en waar hij gereed was had men een heel eind groote boomtakken gelegd over den pas geasphalteerden weg.

Nadat ik zoo goed en slecht als maar kon deze lastige hindernis overwonnen had gaf ik weer vol gas en via Wimmertingen en Rapertingen bereikte ik de stad Has­selt, alwaar ik volgens mijn oorspronkelijk reisplan zou overnachten.

Ik stevende echter, zonder zelfs af te stappen met een tamelijk gangetje het oorspronkelijk aangegeven Centrale Rust-Station voorbij en verliet deze stad weer in de richting Zonhoven en nu begon er flink schot in te komen. Trouwens ik mocht ook geen tijd verliezen, anders kon ik het niet meer halen; dus het ging in volle vaart vooruit over den eindeloos langen weg langs Helchteren, Hechtel naar de Hollandsche grens bij Lommel.

Toen ik over de brug kwam van het Schelde-Maas kanaal bij het Belgishce Douane-Kantoor, passeerde ik ook dit zonder af te stappen, hetgeen eigenlijk ook niet noodig is. Even later passeerde ik voor de 7e maal op mijne reis eene landgrens. Toen ik den vaderlandschen grond weer onder mij had kwam ik bij het Hollandsche Douane-kantoor, en daar er geen beambte te zien was en ik niet veel tijd had en trouwens ook niets te decla­reeren had, trapte ik ook hier maar door.

Eindelijk had ik dan weer mijn vaderland bereikt en het scheen dat dit zijn gunsti­gen invloed op mij deed gelden, want het ging steeds sneller naar het einde van mijn tocht en in korten tijd had ik dan ook Valkenswaard bereikt, waar het en heele drukte was op de Markt met al die ker­misspullen. Nadat ik mij dan door deze drukte had heengewerkt, ging het in ferm tempo langs Aalst naar Eindhoven. Hier nam ik maar den kortsten weg en reed te Stratum langs de Kerk en vervolgens dwars over den Geldropschen weg naar het rijwielpad langs het Eindhovensch Kanaal. In korten tijd was ik aan de brug te Mierlo en zag ik weer in de verte mijne dierbare vaderstad Helmond, welke ik nu spoedig bereikt had.

Het was juist half negen, dus ik was flink opgeschoten en was nog vóór den ver­wachten tijd weer thuis. Bij mijne aan­komst in de stad werd ik van alle zijden toegejuicht en gelukgewenscht met mijne prachtige prestatie, wat wel een bewijs was dat er in Helmond nog vele minnaars zijn van zuiver Amateurisme en Toerisme. Het gaf mij eene groote voldoening zoo­vele vrienden en bewonderaars te bezit­ten.

Toen ik dan weer in den huiselijken kring was teruggekeerd, werd ik op hartelijke wijze ontvangen door huisgenooten en familieleden en de talrijke gelukwenschen en felicitaties welke ik in ontvangst had te nemen waren legio. Het was een echte feestdag voor mij en ik gevoelde mij overgelukkig, toen ik op werkelijk aller­hartelijkste wijze door het dochtertje van mijn oudsten Broer met een reuzen bloe­menruiker werd gehuldigd en mij, door de kleine bij deze gelegenheid een aardig versje van gelukwensch werd aangebo­den, dat voor mij de grootste voldoening en belooning was voor mijne prestatie op dezen langen en zwaren rijwieltocht.

Ik laat hier het aardige versje van geluk­wensch door deze kleine mij aangeboden, volgen:

Mijn Lieve Oome Jan,

Al ben ik klein, lieve Oome Jan,

Toch bied ik u zoo goed ik kan

Dit klein Bouquetje bloemen aan,

Ik bied dit u met vreugd thans aan.

Gij gingt van ons geheel alleen,

Al wist gij ook zoo goed waarheen,

Dit was voor u een zware taak,

Ik dacht aan u dan ook zeer vaak.

De groote tocht die gij weer deed

Niemand is er die dit presteert,

De grootste rit al van dit jaar

Was voor u weer niet zonder gevaar;

Daarom ben ik nu weer verblijd,

Dat gij weer in ons midden zijt.

Neem deze bloemen van mij aan

Die ik u biedt voor ’t eerste aan.

Ik feliciteer u al te gaar

En hoop dat Oom nog menig jaar

Een grooten toer volbrengen mag

Dat is voor u een groote dag.

Verder werd de gansche avond gezellig doorgebracht onder huisgenooten, fami­lieleden en vrienden; veel moest er ver­teld worden en toen het klokje ons ter ruste riep kwam er een einde aan het gezellige huiselijke familiefeest, en be­hoorde deze gedenkwaardige gebeurtenis weer tot het verleden.

Nu ging ik eene welverdiende rust genie­ten na eene tocht van 8 volle dagen, waarbij ik ruim 1400 K.M. had afgelegd en daarbij een aantal reusachtige bergen had moeten opklauteren, hetgeen op zichzelf al eene heele prestatie is. Op de­zen tocht had ik niet minder dan 365 ste­den en dorpen gepasseerd.

Nu ik aan het einde van mijne reisbe­schrijving ben gekomen breng ik bij deze nog een woord van dank aan alle lezers die naar ik hoop met steeds stijgende belangstelling mij op mijn rijwieltocht hebben gevolgd.

Een vol jaar staat mij nu weer ten dienste om een eventueel volgende reisplan te ontwerpen.

J. A. VAN LIESHOUT.

v. Brusselstraat 14.

HELMOND, Augustus 1927.


WIELRENNEN.

Nog van Sportpark Helmond.

Daar wij Zondag eenige minuten na het begin der wedstrijden op de baan kwa­men hebben we de respectieve huldigin­gen die voor den wedstrijd plaatshadden niet gezien. Wel hebben we later gein­formeerd, maar ’t is ons glad door ’t hoofd gegaan. Excuseer!

Allereerst werd de sympathieke Wals ge­huldigd wegens het behalen van het lange afstandskampioenschap voor onaf­hankelijken. De hier zeer populaire Cor werd enthousiast toegejuicht. Daarna besteeg Jantje van Lieshout zijn toerkar­retje, dat den weg Helmond-Rome vice versa heeft gemaakt. Ook voor hem machtig applaus terwijl hij glunderend zat te free-wheelen op de rechte einden.


WIELRENNEN.

SPORTPARK HELMOND.

Het programma van morgen.

Naar wij vernemen hebben zich voor a.s. Zondag eenige dames disponibel gesteld voor de inzameling ten bate van de huldi­ging van v. Lieshout; we kunnen niet an­ders dan deze sportieve daad ten zeerste in de belangstelling der wedstrijdbezoe­kers aanbevelen.

Ook zal de renner Wals door de Directie gehuldigd worden als Kampioen van Ne­derland: Ieder, die dezen populairen Ha­genaar heeft zien rijden, zal er van over­tuigd zijn, dat hij eene ovatie ten volle verdient, want Wals zorgt steeds voor een spannenden wedstrijd en heeft zich daar­door bij onze Helmondenaren als een der graag geziene figuren weten in te wer­ken.

Ten slotte zal de heer van Lieshout een eererondje rijden.

Gezien daarbij de schitterende bezetting der koppels, in de wedstrijden belooft het a.s. Zondag een dag te worden, die elken sportliefhebber naar de baan zal trekken. Dus allen a.s. Zondag op naar Sportpark Helmond, juicht den Kampioen van Ne­derland toe, brengt den groottoerist Jan­tje een warme ovatie en moedigt in den wedstrijd uwe favorieten aan opdat er voor den J. van Lieshout-prijs gestreden wordt als nooit te voren.


TE VOET NAAR LOURDES.

Het doel bereikt!

Men schrijft ons uit Lourdes:

De vier Helmondsche voetreizigers, de jongelui H. J. Vogels, P. Wilde, G. v. Stip­hout en L. Verhorevoort zijn Vrijdagna­middag circa vier uur in Lourdes gearri­veerd. Ze zagen er bij hun aankomst nog erg monter uit, ’t was hun aan te zien, dat de voetreis hen goed gedaan heeft. Ze werden in Lourdes door de Hollanders enthousiast ontvangen. Ook van de zijde van vreemdelingen ondervonden zij veel belangstelling en menige gift werd hun stil in de hand gedrukt. In Lourdes von­den zij een milden gever, die hun logies voor zes dagen betaalde. Zij hopen in Lourdes te blijven tot onze populaire Jan­tje van Lieshout Donderdag 3 Augustus daar is gearriveerd. Op dien dag willen zij de terugreis aanvaarden. De ondervindin­gen op de heenreis opgedaan schrikken hen in ’t geheel niet af, te meer daar zij toen velen op hun weg hebben ontmoet, van wie zij hartelijke belangstelling en hulp mochten ondervinden.


DE VOETGANGERS UIT LOURDES VERTROKKEN.

Nogmaals ontvingen wij een schrijven van de voetpelgrims uit Lourdes, waarin zij hun dagtaak van Donderdag 3 Aug. be­schrijven, welke op ’t volgende neerkomt:

Des morgens beginnen wij den dag met het bijwonen van een H. Mis en ontvan­gen der H. Communie, dan vlug eten, want ook de Fransche pelgrims wachten ons. Wij hebben de laatste dagen het meest dienst gedaan als brancardier. Het is hier weer zoo druk, dat we werkelijk nauwelijks tijd hebben om te eten. Als wij om 2 uur in het hotel zijn aangekomen, wordt ons medegedeeld, dat er een schrijven is gekomen van Filipini uit Hel­mond en zien daarin, dat Jantje v. Lies­hout a.s. Zaterdag om 9.15 aankomt. Dit deed onze stemming nog verhoogen, doch veel tijd hadden wij niet om lang over het een en ander te praten, want wij moesten ons weer haasten om de zieken bij de Grot behulpzaam te zijn en zoo gaat dit de eene dag in de andere uit.

Zaterdag 5 Aug. beëindigen wij den dag te ’s avonds om half 7. Tegen 9 uur naar het station om onzen vriend Jan en z’n moeder te gaan afhalen. Trein na trein rolt binnen, eindelijk de goede. Na hen stevig de hand gedrukt te hebben, stap­pen wij op naar Hotel Saint Denis de Fa­milie, alwaar Jantje meermalen vertoefd heeft bij z’n Lourdesreizen. Na de inwen­dige mensch versterkt te hebben, stappen we op om Lourdes bij nacht eens te be­zichtigen. Het gelijkt wel of we ons in Helmond gevoelen. Jantje leidt ons door geheel Lourdes, overal weet-ie de weg.

’s Zondags gaan we gezamenlijk naar de Grot en den tuin waar de processies rondtrekken. Daarna naar de besneeuwde bergen, alwaar een foto van ons gezel­schap genomen wordt. Tegen 9 uur kee­ren wij in ons Hotel terug en gaan alles in gereedheid brengen voor ons vertrek naar Holland.

Maandag 7 Aug. Te ongeveer 9 uur ne­men wij afscheid van onze hotelgasten, nog even een foto, en dan zetten wij koers naar de Grot, om een laatste groet te brengen aan onze goede Moeder Ma­ria. Ook van Jantjes moeder en oom na­men wij afscheid (kregen van eerstge­noemde nog 2 ringen rookworst en een lekkere eigengebakken mik mee!) en verlaten dan eindelijk om plm. 10 uur onder het gejuich van de aanwezigen Lourdes. Jantje v. Lieshout stelde er prijs op ons eenige K.M. uitgeleide te doen. Na ongeveer 5 K.M. geloopen te hebben, treffen wij twee Hollanders per fiets, die van Monte Carlo afkwamen, n.l. Jozef (onleesbaar) en Johan Smit, beiden uit Venlo, Jantje gaat met de 2 jongens terug om hen den weg te wijzen en voor hen een hotel te zoeken.

Met het bekende liedje van “Houd er de moed maar in”, wordt onder de gloed­heete zon de afmarsch naar ons dierbaar vaderland aangevangen. Langzaam zien wij achter ons Lourdes verdwijnen. Na 9 dagen van onzen ransel bevrijd te zijn geweest, is het nu wel een beestje lastig dezen weer te moeten dragen, doch daar worden wij wel weer aan gewoon.

Na 7 K.M. passeeren wij het plaatsje Ade. De eerste de beste boerderij worden wij binnen geroepen en wordt ons een lekker glas wijn gepresenteerd. Ook deze men­schen hadden van ons verblijf in Lourdes vernomen. Na even gepraat te hebben, zetten wij onzen tocht weer voort naar Mathel, waar wij te ongever half een aan­kwamen en ons weer vervoegden bij den garagehouder. De heer des huizes komt maar niet uitgepraat, doch wij kunnen ons de weelde niet veroorloven hem in ’t Fransch toe te spreken! Na een uur op­onthoud zetten wij koers naar Tarbes, alwaar we te ongeveer 5 uur binnenloo­pen. Hier zetten wij ons neer in een groot plantsoen, alwaar tevens groote paar­denrennen werden gehouden. Tegen 6 uur stappen wij weer op, om laat in den avond Rabastens Bigorre te passeeren. Even buiten deze stad slaan wij voor de eerste maal na Lourdes onze tenten…


…Ik hoop U morgen nog meer te kunnen melden, doch wil nog eerst een welge­meenden dank brengen aan de Helmond­sche pelgrims, welke ons vieren zoo goed hebben laten eten van hun kostelijken rookworst, echte boerenham en niet te vergeten de echte Helmondsche boeren­krentenmik! Wat smaakte die lekker na zoolang er van verstoken te zijn geweest. Ook moeten wij nog de heeren Coolen, Luijten en Raymakers hartelijk bedanken voor hun buitengewoon mooie (onlees­baar), die zij ons ter hand stelden.

Ook kregen wij zooveel rookartikelen, dat wij op onze terugreis gratis kunnen rooken.

Wanneer wij onze terugreis aanvaarden staat nog niet vast. Wij wachten op onze populaire medegeleider Jantje v. Lies­hout, die Zaterdag hier in Lourdes aan­komt. Verder wenschen wij alle Helmon­ders het beste. Tot ziens!


…Op ’t oogenblik zitten we ons laatste stukje brood op te eten op Fransch ge­bied om straks de grens over te trekken naar Dinant. Het wagentje, dat ons uit den nood heeft geholpen, hebben we achtergelaten te Epernay. Met m’n voet gaat het vrij goed, daar ik in laatstge­noemde plaats in het hospitaal een be­handeling van ruim twee uur lang heb ondergaan, geheel gratis. Ze hebben me daarbij zoodanig bewerkt, dat ik een uur lang buiten kennis ben geweest. Van­nacht hebben we doorgeloopen om zoodoende vanmorgen (2 September) om 6 uur Givet binnen te marcheeren. Nog voor het middaguur zijn we op Belgisch grondgebied. Daar we zeker naar Bou­chout moeten, kunnen we niet eerder te Helmond aankomen dan a.s. Zondagna­middag. Onze route vanaf Givet is zooals Jantje van Lieshout ons opgegeven heeft, dus ’t zelfde als op onze heenreis tot Hechtel, waar we afslaan naar Bouchout. Doch we komen te Hechtel weer terug en zitten dan nog 35 Kilometer van Eindho­ven…


DE VIER HELMONDSCHE LOURDES-GANGERS.

Huldiging in voorbereiding bij hun terug­keer op Zondag 3 Sept.

De vier Helmondsche jongemannen P. Wilde jr., H. Vogels, C. Verhorenvoort en C. van Stiphout zijn thans al weer ettelijke dagen op de terugreis van Lourdes en zij worden op Zondag 3 September a.s. na hun 2500 K.M. lange voetreis in hun va­derstad terugverwacht. Naar wij verne­men zijn thans een tweetal comité’s ge­vormd, om de kranige voetpelgrims bij hun terugkeer een passende hulde te bereiden.

In het Eere-comité hebben zitting geno­men: Burgemeester Msr. van Hout, de ZeerEerw. Pater Henricus O.M.Cap., de WelEerw. Heer Kapelaan H. B. J. M. van Dun en de heeren A. L. M. v. d. Lande, Dr. G. P. J. Vingerhoets, L. A. Luyten en W. van Hout.

Het Regelingscomité bestaat uit de hee­ren A. Dirks, W. J. Swinkels, C. F. M. van Nunen, A. Filippini en J. van Lieshout en de dames H. Stevens, A. Berings en C. Banning.

Het Regelingscomité heeft van B. en W. onzer stad verlof bekomen om met een lijst ter verzameling van bijdragen voor de huldiging rond te gaan. Verder kunnen giften (in geld zoowel als in natura) aan onderstaande adressen worden bezorgd of opgegeven:

A. Filippini, Heistraat 138;

Jantje van Lieshout, van Brusselstraat 14

en

W. J. Swinkels, Havenweg 9.

De Lourdesgangers worden Zondag 3 September des middags te circa 3 uur aan de grens te Mierlo-Hout verwacht, alwaar een eerste begroeting zal plaats vinden. Vandaar wordt in optocht naar de H. Hartkerk getrokken, alwaar de ZeerEerw Heer Pastoor Knegtel te 6 uur een Plechtig Lof zal celebreeren. Vervol­gens zal in de zaal der R. K. W. V. de huldigings-bijeenkomst plaats vinden…


J. v. Lieshout te Bladel gehuldigd.

Voor den aanvang der wedstrijden op de wielerbaan te Bladel huldigde de burge­meester onzen groot-Nederlandschen tourist J. A. van Lieshout uit Helmond voor zijn pas beëindigden tocht naar San Sebastian en Lourdes. Hij bood namens de directie een schitterende beker aan.


…Hierna werden de vier Lourdesgangers en naaste familieleden uitgenoodigd zich de aangerichte Brabantsche koffietafel goed te laten smaken. Buiten de zaal werd nog een groepsfoto met de terug­gekeerden in ’t midden gemaakt. We hebben nog even een der jongelui aange­klampt. Veel nieuws van hun tocht viel na de uitvoerige brieven in ons blad ui­teraard niet meer te vertellen. Wel druk­ten zij nog hun bewondering uit voor den zoo keurig en nauwkeurig door onzen stadgenoot-tourist Jantje van Lieshout in elkaar gezetten reis-wijzer. Voor het heele traject Helmond-Lourdes waren de aan­duidingen zoo tot in de puntjes gegeven, dat niet misgeloopen kon worden…


HELMOND-ROME

De tocht van J. van Lieshout.

Wij ontvingen bericht van onzen stadge­noot Jantje van Lieshout, die zooals be­kend, op het oogenblik een fietstocht maakt naar Rome, zijn prentbriefkaart uit Thionville was gedateerd op 16 Juli. Hij meldde, dat den dag daarvoor (dus Woensdag) hij met Jos. Bombeeck, die hem een gedeelte van den tocht heeft vergezeld, een afstand van 160 K.M. had afgelegd. Het was een zware rit: felle wind op kop. Donderdagmorgen om 8 uur nam hij te Aywaille afscheid van Bom­beeck en zette hij alleen den zwaren tocht verder om den nacht door te bren­gen in Thionville, na 167 K.M. afgelegd te hebben. Dat hij goed gereden heeft blijkt wel hieruit, dat hij 34 K.M. verder geko­men is dan hij van plan was. v. Lieshout schrijft dan ook, dan hij goed in conditie is.


DE ROME-REIS VOLBRACHT!

Jantje van Lieshout weer thuis.

Zooals wij Zaterdag meldden werd de Helmondsche groot-toerist Jantje van Lieshout Zondagavond thuis verwacht. Zijn familie kreeg echter Zaterdagvoor­middag bezoek van een reiziger, die de boodschap meebracht dat Jantje zeer waarschijnlijk nog Zaterdag zou arrivee­ren. Direct werden er maatregelen ge­troffen om hem passend te ontvangen. De buren staken de vlaggen uit en het huis werd versierd. Later op den dag kwam ’n telegram, dat Jantje ’s avonds zeker thuis zou zijn.

Tegen negen uur kwam hij binnen, geës­corteerd door enkele sportmakkers. Hij werd met groot gejuich ontvangen. Er waren verschillende bloemstukken binnen gekomen. We komen hierop nog terug.


DE TOCHT VAN J. v. LIESHOUT.

Onze Rome-reiziger-per-fiets heeft vol­gens ontvangen briefkaarten Donderdag het traject Grosseto-Pisa (157 K.M.) voor­spoedig afgelegd. Den dag daarop trapte hij 142 K.M., waarmee hij Milaan gepas­seerd en het Appenijnsche gebergte ach­ter den rug had. Zondag te 7½ uur kwam van Lieshout te Lugano aan en was dus op Zwitsersch grondgebied. Deze stad noemt de Helmondsche toerist een aardsch paradijs. Kort na zijn aankomst brak een geweldig onweer los als hij in ons land nooit had meegemaakt. Maan­dag legde hij het traject Lugano-Ho­genthal (119 K.M.) af bij prachtig weer, doch het was veel en zwaar klimmen over den St. Gothard. Boven op dezen berg heeft hij een foto laten maken, welke hij naar huis heeft gestuurd.


ROME BEREIKT.

Jantje van Lieshout in de Eeuwige Stad aangekomen.

Onze stadgenoot-toerist J. van Lieshout telefoneerde gisteren uit Rome, dat hij aldaar goed en wel was gearriveerd. Hij heeft de heenreis dus op schitterende wijze binnen den door hem op de kaart uitgestippelden tijd volbracht. Dit is reeds een gelukwensch voor de kranige wieler­prestatie waard.

We wenschen den heer v. Lieshout een aangenaam verblijf in Rome en alvast behouden thuisreis.


HULDIGING J. VAN LIESHOUT.

Het huldigings-comité.

Om alle misverstanden te voorkomen of weg te nemen vermelden wij hier nog­maals de namen der personen, waaruit het comité bestaat, dat de leiding op zich genomen heeft om den Helmondschen groottoerist J. v. Lieshout in verband met zijn prachtige Helmond-Rome-reis te hul­digen. Het comité is samengesteld uit de heeren: De Greef, Bubbers, Dütting, Bloks en v. Riet in samenwerking met de Wie­lerclub De Vroolijke Sportbroeders.

Door B. en W. is vergunning verleend tot het houden van een collecte ter bestrij­ding van de onkosten der festiviteiten, met welke collecte reeds is begonnen.

Dezer dagen zullen wij in onze Sportru­briek de gelegenheid openstellen om langs dezen weg zijn bijdrage aan het huldigingscomité te doen toekomen, op­dat een zoo waardig mogelijke huldiging van Helmond’s kranigen renner verkregen worde.


DE ROME-TOCHT VAN VAN LIES­HOUT.

Morgen reeds thuis?

Onze stadgenoot J. van Lieshout schrijft d.d. 4 Aug. uit Bazel, dat hij dien dag een afstand van 187 K.M. over de Zwitsersche wegen heeft afgelegd, n.l. van Hos­penthal naar Bazel. Dit is ongetwijfeld knap werk van onzen toerist. Hij is juist in een week van Rome naar Bazel gereden, plm. 1100 K.M. “Als alles goed blijft gaan, kan ik op a.s. Zondag in Helmond zijn”, besluit Jantje.

Men deelt ons mede:

Daar uit bovenstaande blijkt, dat de heer v. Lieshout een week vroeger denkt thuis te zijn als werd verwacht, zoo zal de hul­diging tot naderen datum worden uitge­steld. Het comité, bestaande uit: de Di­rectie van het Sportpark, de heeren P. Bloks, O. Dütting en J. Bubbers met de Wielerclub De Vroolijke Sportbroeders, voorzitter J. Bakens, blijft doorwerken met het circuleeren der lijsten en voor­bereidende maatregelen. Steunt allen met raad en daad om de huldiging zoo grootsch mogelijk te maken.


WIELRENNEN.

HELMOND-ROME v.v.

Een overzicht van den tocht van v. Lies­hout.

Onze lezers hebben den fietstocht van Jantje v. Lieshout naar Rome en terug in ons blad ongetwijfeld met veel interesse “per briefkaart” gevolgd. Voor een goed overzicht van den geweldigen tocht laten we hier in chronologische volgorde de verschillende étappes volgen, welke door onzen groot-toerist achtereenvolgens zijn afgelegd.

(Overzicht al vermeld)

In totaal heeft v. Lieshout dan 3398 K.M. afgelegd.

Men ziet hieruit, dat vooral de terugtocht in zeer snel tempo is afgelegd. In 11 da­gen “draaide” v. Lieshout 1688 K.M., een prestatie, die bewondering afdwingt.

We hebben dezer dagen een onderhoud gehad met den kranigen Helmondschen toerist. In een der volgende nummers zullen we nader terugkomen op hetgeen hij ons vertelde.


VOOR DE HULDIGING VAN JANTJE VAN LIESHOUT.

Hoogeindschestraat 96 – Voor de huldi­ging van onzen vroegeren buurman

f 0,50.


Jantje van Lieshout op de terugreis.

De Helmondsche wieler-toerist schrijft nog uit Rome, dat hij in gezelschap van den Eerw. Broeder Firmus (Harrie Pen­nings uit Boekel) aan vele bezienswaar­digheden der Eeuwige Stad een bezoek heeft gebracht. Broeder Firmus verge­zelde hem ook op de audiëntie bij Z. H. den Paus.

Donderdag heeft Van Lieshout het traject Grosetto-Pisa (157 K.M.) gereden. Hij schrijft dat het wel “ongeveer 14 of 15 Aug. zal zijn, eer ik weer thuis ben, want ik ga het nu eens op mijn gemak afrij­den”.

Vrijdag ging de tocht van Pisa naar Chia­vari-Lavagna, een traject door en over hooge bergen (137 K.M.)


FIETSTOCHT NAAR ROME.

Door den Helmondschen toerist Jan van Lieshout.

Naar wij vernemen zal onze stadgenoot, de bekende toerist J. van Lieshout dezen zomer een fietstocht maken naar Rome en ook weer op zijn trouwe “kar” terug­keeren. Op 15 Juli a.s. vertrekt hij voor het parcours, dat in totaal 3400 K.M. be­draagt; indien de omstandigheden gun­stig zijn en alles meeloopt denkt de heer van Lieshout over Padua en Assisië terug te keeren, waardoor er nog ’n dikke 150 K.M. bergwegen bijkomen. De duur van den geheelen tocht zal ongeveer vier we­ken zijn. Wij wenschen den langen af­stand-fietser reeds bij voorbaat een voor­spoedige reis naar de Eeuwige Stad.


DEURNE.

- Naar Boedapest. – Gisteren is onze dorpsgenoot de heer L. Biemans gestart voor een fietstocht naar de Hongaarsche hoofdstad Boedapest. Hij wil daar het internationale Eucharistische Congres bijwonen. Binnen ongeveer twee weken hoopt hij den grooten tocht dwars door Duitschland en Duitsch Oostenrijk te vol­brengen, zoodat hij nog tijdig in Boeda­pest zal arriveeren. De bekende Hel­mondsche groot-toerist J. van Lieshout heeft den heer Biemans uitstekende in­lichtingen verstrekt over de reisroute en mede den tocht geregeld. We wenschen onzen dorpsgenoot een goede reis.


Een prachtige prestatie van een Helmondsche dame.

Men zendt ons het volgende ter plaatsing: Aan den met de Pinksterdagen gehouden 24-urenrit door Noord-Brabant, uitge­schreven door de Zuid-Nederlandsche Wielerfederatie, werd o.a. ook deelgeno­men door een drietal onzer stadgenooten namelijk de heeren J. en L. v. Lieshout en Mej. Christina Grijmans, die alleen den rit, welke onder zeer ongunstige weersom­standigheden gehouden werd tot aan succesvol einde gebracht hebben.

Vooral voor Mej. Grijmans is dit eene schitterende prestatie te noemen, te meer nog daar zij met eerstgenoemd tweetal heeren na het beëindigen der 24-urenrit de reis vanaf Tilburg op de T.W.E.M. (waar het einde van den 24-urenrit plaats had) naar Helmond geheel per rijwiel aflegde.

Voorwaar een reuzenprestatie, waarvoor deze jonge dame een woord van lof ten volste toekomt.


WEDEROM EEN ROME-REIS.

Vrijdagmorgen vertrekken wederom 3 onzer stadgenooten per fiets naar Rome. Ditmaal zijn het de gebroeders Peter, Louis en Theo Vrijdag. De heenreis is gekozen via Duitschland, Eifel, Ahrdal, Beieren, Oostenrijk met oversteking der Brennerpas, waarna een bezoek wordt gebracht aan Venetië, Florence en als eindpunt Rome.

Terugtocht over Genua, Milaan, via St. Gothardpas naar het Vierwoudsteden­meer, Schaffhausen, het Zwarte Woud, Frankrijk, Luxemburg en België.

De bekende Helmondsche wereldreiziger, de heer J. v. Lieshout, zorgde voor de mooie en goede reisindeeling, terwijl de heer Peter Vrijdag van den Importeur der Raleigh rijwielen, de fa. W. J. Wesling te Amsterdam, de beschikikng over een prima rijwiel kreeg tegen zeer geredu­ceerden prijs en de heeren Louis en Theo Vrijdag ieder over een Batavus, welwil­lend verstrekt door de Batavus Rijwielfa­brieken, Heerenveen. De jongelui worden eind Augustus wederom in Eindhoven verwacht.


EEN AARDIG UITSTAPJE.

Onze redactie ontving vorige week een ansicht uit Lisieux (Frankrijk) afgezonden door de heeren J. A. Lieshout en J. Bom­beek beiden leden van de Wielerclub “De Vroolijke Sportbroeders” uit Helmond.

Zij maakten per rijwiel een rondrit door Frankrijk, waren in drie dagen tijds naar Lisieux gereden en zouden verder over Parijs weer naar Helmond teruggaan. In totaal zou in 7 dagen tijds 1250 K.M. worden afgelegd.

1