1928

 

Per Rijwiel door Noord Frankrijk.

Dagboek van een toerist

door

J.A. v. Lieshout.  v. Brusselstraat 14.  Helmond.

 

Evenals reeds zoovele jaren had ik ook dit jaar voor mijne Vacantie weer eene rijwieltocht ontworpen n.m. eene rit Helmond. – Antwerpen. – Gent. – Brugge. – Ostende. Duinkerken. – Calais. – Boulogne. – Abbeville. – Le Tréport. – Dieppe. – Fécamp. – Le-Havre. – Trouville. – Lisieux. – Evreux. – Mantes. – Meulan. – Parijs. – Meaux. – Montmirail. – Chalons-sur-Marne. – St Menehould. – Verdun. – Stenaij. – Sedan. – Méziëres. – Charleville. – Givet. – Dinant. – Namen. – Andenne. – Hoeij. – Waremme. – Tongeren. – Hasselt. – Helmond.

De totale afstand van deze groote toer zou ruim 1500 K.M. bedragen, en daar ik op dezen tocht vergezeld zou worden door den heer Jac. Verberne, eveneens een uitmuntend wielrijder op groote afstanden, en daar wij den laatsten tijd vele groote ritten hadden gemaakt en dus goed getraind, waren wij hoopvol gestemd dat wij dit groot aantal kilometers in de 9 dagen welke wij tot onze beschikking hadden wel zouden kunnen afdraaien.

Ons vertrek was bepaald op Zaterdag 4 Augustus des morgens om 6 uur en hoopten wij op Zondag 12 Augustus weer in Helmond terug te zijn.


Zaterdag 4 Augustus  Helmond – Ostende  230 K.M.

 

Wij vertrokken omstreeks kwart over 6 uit Helmond en in kalm tempo ging het door de stad in de richting van Mierlo-Hout.

Bij onze doortocht door de stad werden wij van verschillende zijde eene goede reis toegewenscht, en weldra hadden wij gezelschap van eenige stadgenooten welke per rijwiel naar Eindhoven naar hun werk gingen.

Wij volgden het rijwielpad langs het Eindhovensch kanaal, tot even voor Stratum waar wij lings af gingen en ons gezelschap wenschtte ons eveneens eene goede reis toe. Wij reden verder langs de kerk te Stratum en vervolgens door het Elzentpark daarna over het bruggetje over de Dommel bij de Bad en Zweminrichting om vervolgens te Gestel op den grooten weg te komen.

Bij de groote kerk te Gestel hadden wij een weinig moeite om te passeeren daar juist het volk uit de kerk kwam gestroomd.

Als we even voorbij Blaaithem waren werd even gestopt, om wat kleeren uit te doen want het was wel wat te warm om met veel kleeren aan te rijden en als dit was geschied trokken wij weer verder en ging het in een vlot tempo langs de acht zaligheden naar de Belgische grens bij Reusel waar we omstreeks 8 uur arriveerden.

Bij het Belgische Douane kantoor gekomen peddelden wij maar door evenals aan de Douanepost aan het kanaal bij Arendonck, zoodat wij zonder oponthoud de Belgische grens passeerden.

Daarna ging het over den langen keiweg door bovengenoemd dorp en als we deze plaats goed en wel achter ons hadden begon het een weinig te regenen en als we bijna Oud Turnhout bereikt hadden begon het plotseling harder te regenen en zetten wij er toen een spurtje in om onder dak te komen, doch als we in dit dorp afstapten hield het weer op met regenen en, daar we nog maar een paar K.M. van Turnhout waren stapten we meteen weer op en zouden we wanneer het weer slechter werd in Turnhout wachten op beter weer, doch als we deze stad bereikt hadden regende het niet meer en we passeerden ook deze plaats zonder afstappen, en reden we den Antwerpschen Steenweg op.

Als we de stad weer goed en wel verlaten hadden kwam den regen weer opzetten, tot Vosselaer werden we echter wat beschermd door de groote eikenboomen welke langs den weg stonden en even voor dit dorp kwamen we op den prachtigen breeden betonweg welke door den regen glom als een spiegel.

De regen was inmiddels weer minder geworden en we peddelden lustig verder over den sijpelenden betonweg tot dat we een paar K.M. voor Oostmalle weer door een fiksche regenbui werden overvallen.

Wij deden er weer een schepje bij en gingen ons heil zoeken in een Café bij het tramstation te Oostmalle waar we bij een kopje koffie en een sigaret wachtten op beter weer, hetwelk nog geruimen tijd op zich liet wachten.

Als we dan ongezien drie kwartier geschuild hadden, en de lucht weer wat opklaardde gingen wij het er weer op wagen en stapten we weer op.

We moesten echter over den keiweg rijden daar het rijwielpad te slecht was geworden door den regen en op sommige plaatsen totaal onder water stond, maar enfin het ging toch weer verder.

Het zonnetje trachtte de zaak wat op te vroolijken, hetgeen haar echter vooreest nog niet gelukte doch allengs kwam zij ons toch met hare eerste stralen een bezoek brengen, en weldra verbrak zij voor goed het wolkengordijn en werd het mooi zonnig weer.

Zoo naderden wij de stad Antwerpen en als wij deze omstreeks 11 uur bereikt hadden en wij 105 K.M. achter den rug hadden stevenden wij recht naar de Schelde om per Stoompont over te varen naar St. Anna.

Op de pont waren we weldra in gesprek met een der matrozen en ging het natuurlijk over onze reis.

Hij vond het eene schoonen toer zulle. Nadat we den overkant bereikt hadden stapten we meteen weer op om weer verder te trekken.

Als we het dorpje Zwijndrecht even gepasseerd waren kwam eene malsche regenbui weer trachtten om onze stemming te bederven hetgeen haar echter niet zou gelukken.

Wij schuilden even onder een boom en stapten daarna weer op, en vervolgden onzen weg langs Beveren-Waes, naar St. Nicolaas, welke stad we juist doortrokken toen de vele fabriek-sirenen hunne geluiden weer rondgalmden, en de vele arbeiders zich naar huis spoedden om zich op te monteren voor den komenden zondag.

Als we over de groote keien dezer stad gehobbeld waren en we den Gentschen Steenweg opreden passeerden we lings en rechts van den weg ontelbare bloemisterijen speciaal in Azaleas waaronder enorm groote inrichtingen waren voor het kweeken van deze mooie bloemen.

Nadat we Belcele en Roozen doorgetrokken waren kwamen we in het stadje Lokeren waar we op de markt komende zagen dat het hier Zondag evenals bij ons in Helmond kermis zou zijn en stond het hier vol kermistenten en kramen.

Wij vervolgden echter onzen weg, en nadat we de dorpjes Zeeveneeken, Loochristij, en Mont-St-Amand gepasseerd waren belandden we in de fraaie oude stad Gent.

Wij besloten om hier wat uit te rusten en wat te gebruiken want we hadden nu 160 K.M. achter den rug dus wij hadden het wel verdiend.

Op de graanmarkt gekomen stapten wij af en gingen aan een Restaurant op het terras zitten en dronken een paar kopjes koffie waarbij wij een aantal boterhammen naar binnen werkten welke ons bijzonder goed smaakten.

Onderwijl stopte bij dit Café een Autobus uit Aardenburg,(Zeeuwsch Vlaanderen) met een vroolijk stel passagiers.

Als we hier een tijdje gezeten hadden stapten wij weer op en nadat ik nog een boekwinkel was binnengeweest gingen we weer vertrekken.

We reden langs de Noord Kaai en Champs Elijsées daarna langs het kanaal Gent-Brugge.

Het was intusschen flink warm geworden en de z.g. (Donderbeestjes) kwamen ons geweldig plagen.

Wij reden vervolgens langs Luchteren en Vinderhaute bij welke laatst genoemd dorpje wij het kanaal verlieten en leidde onzen weg nu langs Waerschoot Eecloo en Adeghem naar Maldeghem waar we weer dicht bij de Hollandsche grens waren n.m. op een afstand van 4 K.M. en waren we hier 11 K.M. van Aardenburg in Zeeuwsch Vlaanderen.

Vervolgens bereikten wij via Sijsseele en Zevecoten de eveneens zeer fraaie en oiude stad Brugge waar het enorm druk was vooral op de Grand Place.

Hier waren een groot aantal Autos gekampeerd en wat het een af en aanrijden van je welste.

Er was n.m. eene tentoonstelling in de fraaie oude Hal.

Wij voelden ons geneigd om hier eens af te stappen hetgeen we dan ook deden en dronken we hier op het terras van een Cafe een paar glaasjes melk, en gingen hier zitten genieten van het drukke verkeer en de fraaie gebouwen dezer omgeving.

Na een poosje stapten we weer op en reden we door de Rue St. Jacques en Rue d Ostende en kwamen daarna op de Chaussee de Ostende.

We passeerden hier bij het spoorwegviaduct het St Pieter Station en waren nu thans nog 24 K.M. van Ostende ons doel voor vandaag.

Nadat we een poosje ferm hadden doorgepeddeld begon de lucht te betrekken en even later begon er een stofregentje te vallen.

Wij dachten aanvankelijk dat het wel weer zou overgaan, maar jawel het werd steeds erger en de lucht begon er onheilspellend uit te zien.

Hoe meer we ons doel naderden hoe meer het begon te regenen en als we Ostende bereikt hadden waren we al aardig nat geworden.

Als we daarna bij de Quai de Vindictive afstapten om te voet door de drukke van badgasten wemelende straten te loopen was het weer met regenen opgehouden.

Het was nu juist kwart over 6 dus we waren precies 12 uur geleden in Helmond vertrokken.

We gingen rechtstreeks naar den strand boulevard om te zien wat of de lucht voor weer voorspelden en konden wij dan beslissen of we verder dan Ostende zouden gaan of niet.

Op den Boulevard aangekomen zagen wij wel dat er niet veel goeds op komst was, en de zee was zoo onstuimig zoodat we besloten om vannacht maar hier te blijven en trokken we hier onze bovenkleeren weer aan, want het was hier ruim frisch en zouden we daarna een Hotel op gaan zoeken.

De wind was hier zoo brutaal dat hij mijn fiets een salto liet maken.

Hij kon er echter goed tegen en was er ook niets aan te bespeuren.

Mijn trouwe stalen ros heeft trouwens al meer meegemaakt.

Nadat ik een Frank in een Automaat had gestopt welke hier veel staan, voor een pakje Napolitains en nadat we een praatje hadden gemaakt met een politie agent en een sigaret opgestoken waarvan deze politie agent ook een dankbaar gebruik maakte trokken we de stad in om een Hotel op te zoeken.

Plotseling begon het echter weer te regenen en niet zuinig ook, en zochten wij eene schuilplaats bij het Hursaal.

Zoodra de bui een weinig verminderden gingen wij weer verder op zoek naar een Hotel.

Op den Boulevard van Iseghem was het eerst het beste reeds bezet, daarna maar weer verder gezocht en als we een eindje verder waren joeg eene malsche regenbui ons een Auto garage in waar we geruimen tijd moesten wachten eer we deze schuilplaats konden verlaten.

Daar het inmiddels avond begon te worden werden we wel genoodzaakt om door den regen ene slaapgelegenheid op te zoeken.

We stapten dus door den regen weer verder en na nog eenmaal eene mislukking te hebben gehad slaagden we eindelijk in de Avenue Chr. Jansens, No 41 in Hotel de la Ville de Rousselaere waar we konden slapen.

Het wemelde hier in Ostende van de Engelschen vandaar dat we zoo slecht aan eene slaapgelegenheid konden komen.

We waren echter voorloopig weer onder dak en nadat we onze rijwielen gestald en ons flink gewaschen hadden gingen we ons inwendig eens duchtig verzorgen want daar hadden we wel goesting in.

Als dit was geschied waar we aardig van opgeknapt waren en nadat we nog wat gereden en een Ansichtkaart naar huis geschreven hadden gingen we onder de wol want we verlangden wel naar wat rust na een ritje van 230 K.M.

Dus tot morgen.


Zondag 5 Augustus. Ostende – Montreuil 165 K.M.

 

Des morgens bij het ontwaken was ons eerste werk om naar buiten te kijken wat voor weer het was.

Als ik mijne neus naar buiten stak zag ik wel dat het vandaag nog al mee zou vallen en wij hoogstwaarschijnlijk weinig of geen regen zouden krijgen en we hadden den wind voorloopig rechts achter ons.

Wij gingen ons kleeden en wasschen en onderwijl we naar de St-Josephkerk gingen op de Boulevard Rogier werd ons ontbijt gereed gemaakt hetwelk ons uitmuntend smaakte en na ons reisvaardig gemaakt te hebben en onze Ansichtkaarten gepost te hebben gingen we omstreeks half negen weer op stap.

We reden over de Place Leopold, vervolgens door de Rue de Varsonië Rue du Chalet, en Rue Courbet en kwamen we daarna door de Avenue de Courses waar we lings de Hijpodrome Wellington en rechts het enorme groote Roijal Palace Hotel passeerden daarna reden we door de Rue de l.Hotel naar den Strand Boulevard, welke we nu konden blijven volgen tot Westende.

Hier konden we genieten van de prachtigste strand en zeegezichten en waren hier zeer vele badgasten op hunne morgenwandeling, en zagen we hier verschillende leuke strandtooneeltjes o.a. zagen we bij Middelkerke een Zeilauto welke met een reuzenvaartje over het strand reed, hetwelk een leuke aanblik bood.

Wij peddelden echter bijgestaan door den wind over den mooie met gele tegels geplaveide Strand Boulevard verder.

Van verre zagen we ook een paar groote booten op zee.

Als we daarna bij Westende gekomen waren moesten we den strand Boulevard verlaten en reden we toen zoo goed en zoo slecht als het kon over het mulle duinpad naar den grooten weg welke hier een paar honderd meter van het strand verwijderd was.

Als we dan op den grooten weg gekomen waren deden wij er een schepje bij en in een mooi tempo trokken we door Westende en een paar K.M. verder passeerden we Lombartzijde.
Als we dit dorpje even voorbij zijn wijs ik mijn reisgenoot een granieten gedenksteen langs den weg waarop in 3 talen staat te lezen “Hier werd den overweldiger tot staan gebracht.”

Dit is een gedenksteen ter herinnering aan den slag aan den Ijzer welke rivier een paar honderd meter verder is gelegen.

Een weinig verder kwamen we aan een prachtig groot en nieuw gedenkteeken eveneens van den oorlog en hetwelk is gelegen aan de splitsing van den weg naar St.-Georges, juist tegenover de befaamde loopgraven linie aan den Ijzer genaamd “De versterking van Nieuwpoort,” welke loopgraven linie voor het publiek toegankelijk is voor 1. Frank.

Daarna kwamen we over de brug over het kanaal van Nieuwpoort en als we deze over waren zaten we weer in de stad Nieuwpoort welke evenals alle andere plaatsen in deze streek wederom geheel herrezen zijn uit zijne algeheele verwoesting door den oorlog.

We reden echter zonder oponthoud door deze stad.

We namen hier door onoplettendheid een verkeerden weg en hadden we den weg naar Coxijde te pakken.

Ik had het echter spoedig in de gaten en nadat we hier aan een Café een paar glaasjes Limonade hadden gedronken daar het inmiddels weer warm was geworden gingen we den goeden weg weer opzoeken welke we weer spoedig gevonden hadden.

Nadat we over de brug over den Ijzer waren kwamen we op den prachtigen betonweg langs het kanaal naar Veurne en zaten we weldra weer lustig door te peddelen.


Op eenigen afstand lings van den weg zagen we de overblijfselen van de suikerfabriek van Ramscapelle waar in den oorlog zoo hardnekkig om gestreden is.

Als we op een paar K.M. Wulpen genaderd waren kwamen we bij het groote gedenkteeken der gevallene der 4e Legerafdeeling we stapten hier af om een kijkje te nemen en trokken tevens onze bovenkleeren uit want het begon reeds aardig warm te worden waarna we weer opstapten en in eenzelfde vlot tempo passeerden we daarna Wulpen en een 5 tal K.M. verder bereikten we het laatste Belgische Stadje Veurne we gingen hier rechts af over de brug genaamd “Pont de Nieuport” en kwamen we daarna door de Rue de la Station en Rue de l Est welke laatste de hoofdstraat is van dit Stadje.

Daarna kwamen we op de Grand Place en bleek dat het hier ook al kermis was, althans er stonden een aantal kermis tenten enz.

We reden verder door de Rue des Bouchers, Rue du Sud, en vervolgens door de Rue de Dunkerque waarna we op den grooten weg naar de Fransche grens kwamen welke weg leidde langs het kanaal van Duinkerken en het welk we nu konden blijven volgen tot deze plaats.

Als we dan met een mooi vaartje het laatste Belgische dorpje Adinkerke gepasseerd waren en we ful speed op de Fransche grens afstevenden zagen we even vóór de grens een mooie teddijbeer midden op den weg zitten.

Ik kon bij dit leuke gezicht een schaterlach niet onderdrukken doch we hielden ons zelfde tempo en lieten beertjelief aan zijn lot over en eenige minuten later waren we op Fransche bodem.

Als we bij de Fransche Douane kwamen en we een “Permis de Circulation” ontvangen hadden en mijn reisgezel eerst nog geld had moeten wisselen in een Café daar we geen Fransch kleingeld hadden om onze Permis te betalen ging het weer even frisch en vroolijk verder.

Bij het dorpje Zuidcote kwamen we langs een groote metaalfabriek en na een poosje flink doortrappen kwamen we in Rosendael eene voorstad van Duinkerken en even daarna bereikten we ook deze stad langs de Quai de 4 Ecluses en kwamen we vervolgens over de Place Vauban en door de Rue de Paris waar enorm groote keien lagen waar we toen over moesten bolderen.

Vervolgens kwamen we in de Rue de Calsis waar we onder het spoorweg viaduct door moesten daar den spoorweg overgang afgesloten was.

Als we dan onder het viaduct doorgereden waren hadden we ook deze stad weer achter ons.

We gevoelden ons nog fit genoeg en besloten dat we in Calais waar we nu nog 39 K.M. vandaan waren wat zouden eten en wat rusten.

Hier kregen we gezelschap van een enthousiast wielersportliefhebber, hij holde met ons mee over de keien en hij had het zoo druk met praten tegen ons dat hij ter lange leste naar adem zat te gapen enfin hij zeide ons dat we nu eenige KM een mooie geasphalteerde weg kregen.

Nadat we Petite Sijnthe gepasseerd waren kregen we ook werkelijk een mooie weg, en als we daarna Grande Sijnthe gepasseerd waren ging het op Loon-Plage af, in welk plaatsje we aan eene pomp ons gingen verfrisschen want het begon snikheet te worden.

Als we weer wat opgefrischt waren stapten we weer op en peddelde we op het vestingstadje Gravelines af, waar we weer over groote keien moesten bolderen.

Als we dit karweitje weer achter den rug hadden kwamen we bij den weg naar het fort “Philippe”aan de grens van de Departementen “Nord” en “Pas de Calais”.

Hier kregen we een eindweegs erbarmelijk slechten weg, met hier en daar een klein vak ertusschen wat goed was hetgeen wat opluchting bracht.

Even later kwamen we op een pas geasphalteerde weg en was hier zoo kwistig met deze vieze kleefstof omgesprongen dat ik elk oogenblik dacht dat we op den weg zouden blijven vastkleven.

We gingen echter ons heil zoeken langs den weg door het mulle zand of door het gras.

Gelukkig echter dat het niet van langen duur was en werd den weg steeds beter, en bereikten we spoedig het dorpje Oije met zijne onbarmhartig groote keien en werden we hier nog eens op den proef gesteld.

Wij doorstonden deze proef echter subliem en ging het vervolgens langs Marck waar we nog eenmaal met de groote keien kennismaakten waarmee we op Calais afgingen welke stad we nu spoedig bereikt hadden waar we eveneens eene groote en lange hobbelpartij over de groote keien moesten maken en ging het hobbelende en dansende over den Boulevard de l. Egalité over de Place de la Nation en Boulevard Lafaijette tot aan de Boulevard Jaquard waar we aan een Cafe Restaurant afstapten bij het begin van den Boulevard Leon Gambetta, waar we wat gingen eten en een poosje rusten.

We hadden nu 90 K.M. achter den rug dus we hadden wel wat haver verdiend.

Het eten liet zich dan ook bijzonder goed smaken en genoten we hier buiten op het terras uit de zon van eene weldadige rust.

De zon was intusschen brandend heet geworden en nadat we hier ongeveer 1½ uur gerust hadden en we weer heel wat opgekikkerd waren gingen we weer vertrekken en nadat we over Boulevard Leon Gambetta doorgereden waren kwamen we over een zeer groot Spoorweg viaduct en daarna over het Canal des-Pierrettes en hadden we ook deze stad weer achter den rug.

We kwamen vervolgens langs het fort Nieulaij waar juist schietoefeningen plaats hadden en even later kwamen we bij het dorpje Coquelles waar den weg begon te klimmen en zouden wij spoedig onze achterwielen moeten omzetten teneinde eene kleinere versnelling te rijden.

We zouden echter eerst eens afzien of we grootere bergen kregen doch nadat we Peuplingues gepasseerd waren en we bij het dorpje Bonningues waren stapten we af en gingen we van versnelling veranderen want het ging steeds hooger en hooger en van deze hoogte had men een prachtig gezicht op Calais.

Als we gereed waren om te vertrekken kwam een knaap ons gezelschap houden natuurlijk met een racefiets, en hij klom met ons tegen deze bergen op dat het een lust was om te zien, even later kwamen we langs het Vliegveld van St Inglevert, hetwelk rechts van den weg gelegen was en even daarna stuifden we naar beneden langs laatst genoemd dorpje.

Onze Fransche collega bleef in dit dorpje achter hetwelk zijn heimat wel zal zijn geweest.

Vervolgens ging het steeds klimmende en dalende langs Leubringhem en Leulinghem naar Marquise en zagen we hier lings van den weg eene enorme kalkgroeve en rechts van den weg eene cementfabriek.

Hierna kwamen we langs de dorpjes Offrethun Wacquinghem en even voor Wimille kregen we een schitterend gezicht vanaf deze hoogte op de zee waarbij de zon hare goudstralen als een breede sluier over het water spreidde hetwelk een schouwspel was om nooit te vergeten.

In het plaatsje Wimille gekomen gingen we ons aan een fonteintje nog eens wat verfrisschen hetgeen ons werkelijk goed deed.

We naderden nu de Stad Boulogne en even voor deze stad komen we langs een fraai oorlogsmonument en een weinig verder langs een groote gedenkzuil genaamd “La Colonne de la Grande Armée,” en als we deze ook voorbij gereden zijn gaan we met een vaartje naar beneden en belanden we in deze fraaie oude Stad.

De laatste uren van onzen tocht werd ik zeer gekweld door de kiespijn en als we in deze stad afstapten werd de pijn ondragelijk en kon ik mijne volle aandacht niet weiden aan deze prachtige oude stad.

Als we dan waren afgestapt in de Rue de la Porte Neuve, bij de fraaie oude “Porte de Calais” had daar eene groote volksverzameling plaats.

Wij vermoedden dat het eene betooging was van het “Leger des Heils” er was tenminste muziek en zang bij.

Wij gingen verder te voet langs den Boulevard Aug-Mariette waarlangs eene dubbele rij kramen en tenten stonden en bleek het hier ook al kermis te zijn.

Hierna kwamen we bij de Porte-des Dunes,” waar eene groote kraam stond met als opschrift “Gaufres-Hollandaise,” dus men scheen hier ook al te houden van Hollandsche Wafels.

Wij liepen verder te voet door de Grande Rue en werd ik hier steeds meer gekweld door mijn zieke kies.

Ik zocht al rond naar een Tandarts om hem te laten trekken en nadat we in deze straat welke sterk naar beneden liep langs een Museum en even verder bij de Eglise St Nicolas, gekomen waren ontdekte ik hier tegenover eene Tandartse.

Nadat ik echter een paar maal tevergeefsch aangebeld had en niemand kwam open doen, gingen we weer verder en een paar huizen verder kwamen wij langs een Drogisterij waar ik binnenstapte en even daarna kwam ik weer met een receptje te voorschijn.

Ik was nauwelijks even buiten of de pijn werd minder en we gingen weer verder.

Als we daarna eenige Ansichtkaarten van deze stad gekocht hadden stapten we weer op onze rijwielen en kwamen we over de Pont de la Lampe, welke brug over de rivier de Liane is gelegen.

We reden daarna over de Quai de Chanzij en bij den spoorweg overgang moesten we voor de neergelaten afsluitboomen wachten.

Ik maakte van dit oponthoud gebruik om mijn kiespijn receptje aan te wenden hetwelk aanstonds hielp en was de pijn voorloopig weg.

Onderwijl was de overweg weer vrij en was mijn makker al aan den overkant toen de afsluitboomen weer voor mijn neus omlaag gingen.

Ik nam echter mijn rijwiel op mijn schouders en klom met dit zware vrachtje over de voetbrug en was ik spoedig eveneens aan den overkant.

We reden nu door de Rue Damremont, en hadden we weldra deze mooie stad achter ons.

We kwamen nu achtereenvolgens door de dorpen Otreau Manthen, Haffreingue en Aulisque welke allen dicht bij elkaar gelegen waren en bij St Etienne kwamen we op den grooten weg naar Etaples.

We kwamen hier door eene eigenaardige streek en in een van deze dorpjes kwamen we een 3 tal mannen tegen met een rooden Fez op.

Ik zei tegen mijn reisgezel ik geloof dat we hier in Palestina of Turkije zijn en de huizen langs den weg zagen er ook zoo oostersch uit.

We kwamen nu weer langs Condette Les Buissons Neufchâtel, Essonville en Dannes waar we vlak langs een hoogoven kwamen en de groote ketels wierpen hunne warme stralen over ons uit.

Even later zagen we rechts in de verte den zeespiegel weer en nadat we het dorpje Camiers doorgetrokken waren naderden we allengs de Stad Etaples.

We kwamen deze Fabrieks en Visschersstad binnen langs den Boulevard de l Imperatice en bij de Rue d Herambauld zagen we eene prachtige groote brug over de rivier de Canche waarover juist een Electrische tram reed in de richting van Le Touquet en Paris Plage, d.i. Parijsche Strand.

Wij bleven nu boven genoemde rivier volgen en een weinig verder kwamen we bij een eveneens bijzonder fraaie spoorbrug over deze rivier.

Als we deze stad ook weer verlaten hadden gingen we ons tempo weer wat opvoeren en waren we nu nog 13 K.M. van ons doel Montreuil.

Als we daarna in een ferm tempo in het dorpje Beutin aankwamen lieten we ons nog eens verleiden door eene waterpomp om ons nog eens lekker op te frisschen.

Weldra waren we met een paar menschen in gesprek welke raar opkeken toen zij vernamen dat we vandaag van Ostende kwamen en nadat we van een behulpzame Madame een glaasje hadden ontvangen om te drinken stapten we weer op om de laatste 6 K.M. welke ons nog van ons doel scheidde af te trappen en nadat we Attin en Neuville gepasseerd waren kwamen we te Montreuil aan omstreeks 9 uur en bij onze aankomst bleek dat dit een vestingplaats was.

Als we door de Grande Rue op de Place Verte kwamen stapten we af om een Hotel te zoeken maar er was er hier geen te vinden.

We vroegen toen aan eenige menschen waar we een Hotel konden vinden en men verwees ons naar de Grande Place waar we spoedig terecht kwamen en ontdekten we hier een paar Hotels.

We gingen eerst op eene Stadswal oze kleeren aandoen en als we hiermede gereed waren kozen we het grootste Hotel uit waar we meteen slaagden.

We bestelde een flink maal want we hadden er zin in we gingen ons inmiddels wasschen kochten daarna een paar kaarten om naar huis te zenden en gingen we daarna eens flink bikken.

We gaven hem dan ook een flinken zet waar we aardig van opknapten.

Als we goed gegeten hadden gingen we in de gelagkamer nog een paar glaasjes te drinken en gingen daarna slapen.

We hadden vandaag weer een flinke rit achter den rug en van veel moois genoten.


Maandag 6 Augustus. Montreuil – Auberville – la Renault. 190 K.M.

 

Omstreeks 7 uur waren we weer present en na ons gekleed en gewasschen te hebben gingen we ons ontbijt gebruiken en na onze ansichtkaarten gepost te hebben gingen we aan onze 3e Etappe beginnen.

Als we even buiten de stad waren trokken we onze kleeren weer uit daar het vandaag weer warm beloofde te worden.

Nadat dit was geschied bestegen we onze stalen rossen weer en ging het weer verder in de richting van Abbeville.

We kwamen door de dorpen Campigneulles Waillij Le-Puits-Berrault, Lepine en Nampont-St-Firmin, waar we over de rivier de Authie kwamen welke rivier tevens de grens vormt van de Departementen Pas-de-Calais en Somme.

Als we over deze rivier zijn zitten we in Nampont-de-Valloire.

Even voor bovengenoemde rivier zagen we rechts van den weg een groot uitgestrekt moeras en als we laatstgenoemd dorp goed en wel voorbij zijn kregen we een groote berg te nemen en als we daarna weer naar beneden gingen stuifden we het dorpje Vron binnen en bij het verlaten van dit dorp moesten we weer meteen omhoog over een vrij slechten oneffen asphaltweg.

Even verder passeerden we een ploeg arbeiders welke nieuwe telegraaflijnen aan het maken waren welke ons bij deze klimpartij gadesloegen.

Als we dan weer boven waren gekomen was hier den weg weer aanmerkelijk beter en reden we hier door een prachtige met hooge boomen beplantte weg en even later kwamen we bij het groote wegenkruispunt van den weg naar Doullens, en een weinig verder kwamen we over de rivier de Maije bij het dorpje Bernaij en nadat we nog een heele tijd onder mooi geboomte hadden gereden en we nog eens hadden moeten klimmen gingen we weer met een mooi vaartje naar beneden en kwamen we Nouvion binnen gerold.

Hier moest ik op een gegeven moment krachtig remmen daar er een Auto rechts uit een zijweg kwam welke ik eerst liet passeeren.

Hier zagen wij eene doode kat op den weg liggen dit was vermoedelijk ook al een slachtoffer der talrijke Autos welke hier loopen rijden.

Terwijl mijn makker naar het postkantoor ging om postzegels te halen keek ik onderwijl uit naar eene waterpomp om ons wat te verfrisschen want het was vandaag weer snikheet, ik kon er echter geen vinden en nadat ik dit dorpje een eindweegs voorbij was stapte ik aan een Cafe bij den spoorweg overgang af, om op mijn metgezel te wachten.

Ik bestelde voor ons beide een glas Grenadine waarna hij kwam opdagen.

Als we daarna nog een glaasje gedronken hadden gingen we weer vertrekken, en via Le-Titre, Hautvillers – Ouville, Buignij – St Maclon, St-Nicolas-des-Essarts, en Thoisson bereikten we de eveneens fraaie en oude Stad Abbeville welke doorstroomd wordt door de Rivier de Somme.

We kwamen deze stad binnen door de Avenue de Calais, waarna we langs een soort Citadel kwamen en reden we vervolgens door de Rue-Marechal-Petain, en als we halverwege in deze straat waren moesten we weer rechts af door de Rue-Ledien, waar we over de rivier de Somme kwamen en lieten we het centrum van deze stad lings liggen, zoodat we van deze stad betrekkelijk weinig konden zien.

Wij verlieten ook deze stad weer.

We waren gisteren bij Etaples den grooten weg naar Montreuil gevolgd welke tot hiertoe een 20 a 25 K.M. van de kust verwijderd was en de stad Abbeville was eveneens ongeveer 25 K.M. van de zee verwijderd en liep onzen weg nu langs Rouvroij, Le. Touquet, Cambron, Miannai, Frireuilles, St-Marck, Valines, Fressenneville, Woincourt, Ijzangremer en Meneslies naar de Stad Eu, bij Le Tréport, waar we weer op 3 K.M. afstand bij de zee waren gekomen.

Vanaf Abbeville hadden we steeds een prachtige geasphalteerden weg gehad waar we bijzonder goed opgeschoten waren en in korten tijd hadden we de stad Eu dan ook bereikt.

Nadat we in de Faubourg de la Chaussee over de rivier de Bresle gekomen waren moesten we thans over de keien omhoog en kwamen we deze plaats al klimmende binnen.

Nadat mijn reisgenoot op de Chaussee de Picardië aan een fonteintje was afgestapt om zich te verfrisschen was ik maar doorgepeddeld tot op de Place Pres. Carnot, waar ik eveneens een fonteintje veroverde.

Ik hoorde hier volop muziek en kwam hier een optocht voorbij welke hier stilhield.

Onderwijl ik mij hier wat verfrischte was mijn collega eveneens gearriveerd, en gingen we samen eens zien wat dit te beteekenen had.

Wij konden er echter niet achter komen wij vermoedden echter dat het eene betooging was.

Wij vonden het echter wel goed en verdwenen wij weer in de Rue de Miribel.

We gingen echter te voet om een restaurant op te speuren om te eten.

We kwamen vervolgens door de Rue de la Republique en in de Rue de Normandië stapten we een Restaurant binnen.

Het smaakte ons uitmuntend en terwijl we ons hieraan te goed deden kwam bovengenoemde optocht hier weer voorbij.

We gingen nog even kijken en zagen we er zeer koddige groepen bij.

Als we daarna weer verzadigd waren gingen we weer vertrekken en nadat we over de Place Mathomesniel waren kwamen we op de Route de Dieppe en als we het dorpje Mathomesniel voorbij waren kwamen we in eene lommerrijke en bergachtige streek en was het hier steeds klimmen en dalen en ging het weer langs de dorpjes Le Briquets Mesniel-Sterling Etalondes en bij Quesnets kwamen we met eene mooie zwenking in den weg op het wegenpunt Eu. – Le Tréport. – Dieppe, en even daarna ging het over dezen prachtigen breeden weg weer omhoog om daarna bij Criel-sur-Mer, weer naar beneden te tollen.

De omgeving was hier bijzonder mooi en als we laatstgenoemde plaats voorbij stoven zagen we niets van dit dorp dan rechts van den weg vanuit de diepte het spits van den kerktoren boven het geboomte uitsteken.

Als we even daarna over het riviertje de Ijeres gekomen waren ging het weer steeds omhoog en omlaag, en als we op eene hoogte kwamen konden we telkens den zeespeigel weer zien, welke hier slechts een paar K.M. van den weg rechts van ons gelegen was en gaf dit ons een wondermooi gezicht en nadat we in deze mooie streek weer een aantal dorpjes hadden doorkruist n.m. Mesniel-a-Caux, Toqueville-sur-Eu, Biville-sur-Mer, St-Martin-en-Campagne Derchignij en Graincourt, bij welke laatste plaats we weer een schitterend gezicht over eene groote vallei op de stad Dieppe en de zee kregen.

Als we daarna Greges en Neuville gepasseerd waren kwamen we in Le Pollet, eene voorstad van Dieppe en even daarna belandden we in deze groote en mooie stad.

Nadat we door de Rue Cité-de-Limes en de Grande Rue-de-Pollet gereden waren kwamen we bij de Quai du Caienage aan het groote bassin van het Gare-Maritime.

Hier zagen we rechts achter ons op eene hooge witte rots een mooi kerkje hetgeen een schitterend gezicht was met een weinig lings den grooten zeespiegel als achtergrond.

Nadat we hier waren afgestapt om deze prachtige omgeving eens te bewonderen gingen we over de brug over de rivier de Arques, welke hier in de zee uitmondt, daarna door de Rue d. Ecosse Rue de la Barre en nadat we de Rue Toustain doorgetrokken waren moesten we direct aan het klimmen en niet weinig ook.

We vermoedden dat ons nu prachtige gezichten stonden te wachten hetgeen ook werkelijk het geval was.

Als we een paar K.M. buiten de stad waren en we steeds hevig hadden moeten klimmen op een weg welke steeds draaiende en wendende hevig opliep hield deze zware klimpartij toch op en waren we nu op het hoogste punt, waarop de badplaats Gaude Côte gelegen was en kregen we eerst prachtige vergezichten op de zee, en na een paar sierlijke bochten in den weg kregen we een ongelooflijk schitterend panorama te aanschouwen op de badplaats Pourville.

We reden daarna langs een sierlijk afgerasterden weg naar beneden waarbij we weer steeds andere panoramas te aanschouwen kregen welke een onvergetelijken indruk gaven.

Even daarna kwamen we in deze bijzonder prachtig gelegen badplaats waar we vlak bij het strand kwamen op slechts een paar meters van de badkoetsjes welke hier in groote rijen stonden.

Als we deze fraaie plek weer verlieten moesten we weer de hoogte in.

Het bleek dat ook hier overal veel Engelschen vertoefden en deze kwamen wellicht ook van den Frankenkoers profiteeren.

We kwamen thans door een eigenaardig landschap met smalle met dicht geboomte en ander loover begroeide wegen waarlangs ontelbare Hotels Pensions Restaurants met thee en speeltuinen.

Den bodem scheen hier krijt of kalkachtig te zijn althans op sommige plaatsen was den weg geheel wit en het struikgewas langs den weg was met een witachtig grijsstof bedekt.

Zoo passeerden we de plaatsjes Le-Hamelet, Varengeville, Le Poinget en St Marguerite hetwelk weer even bekoorlijk was gelegen als Pourville.

Ook hier hadden we weer de prachtigste panoramas en vergezichten en kwamen we ook hier weer vlak langs de zee.

Nadat we ook hier met een reuzenvaartje naar beneden waren gesnort moesten we bij het weer uitrijden uit deze plaats weer aardig de hoogte in, en kwamen we hierna door de eveneens mooi gelegen plaatsjes Quiberville St-Aubin-sur-Mer, en Sotteville sur Mer, en waren de wegen hier overal bijna wit dus al deze bergen waren krijt of kalkbergen.

Op deze tofweg passeerden ons een groote Toeristenauto welke ons even fraai kwam bepoederen zonder poederdonsje enfin alles was hier wit dus wij konden het dan ook wel zijn.

Als we dan in Sotteville gearriveerd waren stapten we hier af want we hadden weer eene pomp ontdekt en wij gingen wee aan t wasschen en verfrisschen.

Het was hier een tijpisch plaatsje met een zeer groote waterpoel als marktplaats met eene fraaie Ballustrade als afrastering waar op een z.g. Bordes de eveneens fraaie genoemde pomp stond.

Wij kochten hier een Ansichtkaart van dit merkwaardig plaatsje en zonden hem naar huis waarna we weer gingen vertrekken en na een paar K.M. kwamen we bij het dorpje Veulles-les-Roses, weer op den hoofdweg Dieppe – St-Valerij-en-Caux, van welke laatste plaats we nu nog 7 K.M. verwijderd waren, en welke ons oorspronkelijk doel van vandaag was maar aangezien het nog zoo vroeg was besloten we om vandaag nog verder te gaan.

We bereikten deze plaats daarna via Blosseville en Ectot.

Nadat we deze plaats weer waren binnengestuifd kochten we ook hier een Ansicht en nadat we deze gepost hadden gingen we weer meteen vertrekken.

We moesten natuurlijk weer de hoogte in wat in deze streken gewoonlijk is als men eene plaats uitgaat.

Onze weg voerdde ons nu weer verder van de zee af echter niet voor langen tijd, want na Canij – Barville liep hij weer geleidelijk zeewaarts.

We bereikten laatstgenoemde plaats nadat we St. Sijlivian Ingouville, St Riquiriers-les-Plains, Veauville en Auzeville gepasseerd waren.

Hier kwamen we over de rivier de Durdent.

De wegen waren hier uitstekend in orde en dus goed te berijden hetwelk het klimmen zeer vergemakkelijkt.

Als we Canij Barville weer achter ons hadden moesten we nog eens aardig de hoogte in, we speelden het echter uitstekend klaar en hadden we dit voor een groot deel te danken aan het feit dat we goed getraind waren en den laatsten tijd bijzonder veel in groote bergen gereden hadden.

We zouden indien dit het geval niet was geweest hier een harde noot te kraken hebben gehad.

Vervolgens kwamen we weer langs de dorpjes Vinfranville, Clasville Quainville Anneville, Dauboeuf, Ipreville, St. Hélène, Bondeville, en Hableville, en gedurende dezen lange weg was den weg meer omhoog dan omlaag gegaan en zaten we dus weer een aardig eindje in de lucht we kwamen nu op een z.g. Plateau, en als we laatstgenoemd dorpje bereikt hadden en we nu nog pl.m. 6 K.M. van de stad Fécamp waren ging het spel beginnen en met een enorme snelheid gingen we de diepte in en maakte den weg hier een aantal mooie bochten.

We zagen eerst langs den weg in de diepte een mooi dorpje liggen doch door de snelheid waarmede we naar beneden gingen kon ik de naam van het dorpje niet lezen en stoven we steeds verder naar beneden waarna we lings van den weg een schitterend panorama kregen op de Stad Fécamp en nadat we met een sneltrein vaart naar beneden waren gesnort moesten we bij onze aankomst in deze stad op de Quai Guij-de-Maupassant, nog hevig remmen om onze snelheid te temperen waarna we, lings af over de twee bruggen van de haven en de rivier de Valmont, en reden we daarna weer lings af langs de prachtige groote Eglise St. Etienne en daarna op de Place Thiers waar midden op een groot oorlogsmonument stond.

We stapten hier van onze rijwielen om een restaurant te vinden doch er was er geen te ontdekken en nadat we hier bij het begin der Rue Ch-Le-Borgne, aan een fonteintje ons nog eens verfrischt hadden gingen we te voet weer terug naar de Eglise St. Etienne waar we een paar restaurants meenden gezien te hebben en spoedig hadden we er een gevonden.

We gingen hier nog eens goed bunkeren en als we weer goed verzorgd waren gingen we weer verder nadat we nog een Ansicht geschreven hadden, en daar het intusschen avond ging worden besloten we dat we nog tot Goderville  zouden gaan en daar overnachten waar we nog 12 K.M. vandaan waren.

Als we dan weer verder gingen door de Rue Ch-Le-Borgne, moesten we weer direct aan het klimmen over de keien en nadat we weer op hoogte waren gingen we in het dorpje St. Leonard eerst onze Ansichtkaart uit uit Fécamp posten en meteen ging het weer verder en kwamen we langs Marquets Epreville en Maniqueville en als we dit plaatsje even voorbij waren kreeg ik mijn eersten lekke band, en daar het inmiddels reeds donker begon te worden was dit een lastig geval.

We namen echter en kort en kloek besluit om te voet verder te gaan tot het volgende dorp hetwelk nog een paar K.M. verder gelegen was waar we zouden overnachten en zouden we morgen voor ons vertrek mijn band repareeren.

Nadat we het dorpje Auberville-la Renault bereikt hadden gingen we eene slaapgelegenheid zoeken welke we vrij spoedig hadden gevonden in Hotel “Champ de Blé”.

We waren nu nog 4 K.M. van Gaderville in welke plaats we meenden te overnachten.

We hadden vandaag weer een prachtige tocht gemaakt met vele prachtige landschappen en veel natuurschoon met afwisselend mooie gezichten op de zee en hadden we daarbij 190 K.M. afgelegd.

We waren nu nog 32 K.M. van Le-Havre, welke stad we morgen reeds vroeg hoopten te bereiken waarmede we dan ons eerste keerpunt van onze reis bereikt hadden.

Dus tot morgen.

 

 

 

 

 

 

                                                                     


Dinsdag 7. Augustus Auberville – la Renault - Evreux 155 K.M.

 

We waren na eene verkwikkende nachtrust weer vroeg present, en nadat we ons weer voor de reis gereed gemaakt hadden en mijn band weer gerepareerd hetgeen spoedig was geschied gingen we onze 4e rit aanvangen.

We staken eene sigaret op en daar ging het weer verder op Goderville aan.

De zon stond nu reeds aan een hard blauwen hemel hetgeen voor vandaag de noodige hitte weer voorspeldde.

We kregen het dan ook reeds spoedig te warm om met al onze kleeren aan te rijden en als we Goderville bijna gepasseerd waren stapten we aan een fonteintje af om ons nog eens te verfrisschen en onze bovenkleeren uit te trekken.

Onderwijl ging ik hier een winkel binnen om wat te koopen voor den dorst onderweg.

Als we dan weer opgestapt waren kregen we hier een erbarmelijk slechten grintweg van 13 lange kilometers en was dit eene lastige hindernis voor ons maar we wisten ons er toch doorheen te werken, en nadat we St-Sauveur-d-Emalleville Le Coudraij,- Hermenville, en Graij voorbij waren gepeddeld kwamen we bij Epauville voor welke plaats we weer flink naar beneden gingen en zagen we deze plaats in eene diepe vallei liggen en verderop in deze prachtige vallei ontwaardden we het stadje Montvilliers waarboven eene groote donkere rookwolk hing tusschen de hooge bergen.

We vermoedden dat deze rookwolk afkomstig was van de vele fabrieken welke in deze vallei waren gelegen.

Even daarna kwamen we in Epouville aangerold en waren we van den slechten weg verlost.

Als we deze plaats weer verlieten moesten we ons zoo goed en zoo kwaad als het ging door eene verkeersopstopping zien te werken.

Men was hier n.m. den weg aan het opmaken en een paar Autos konden hier elkaar niet al te best passeeren en als we er ons hadden doorheen gewerkt kwamen we op een schitterende asphaltweg met lings een prachtig gezicht op bovengenoemde vallei en even daarna kwamen we in het stadje Montvilliers aan welke een zeer oude plaats scheen te zijn met zeer oude huizen en eigenaardige straten.

In deze plaats stapten we aan een winkel af en gingen we hier eenige versche eieren met suiker naar binnen werken waarna we weer verder trokken en nadat we langs een eigenaardige weg welke langs de helling van een bergrug liep het dorpje Demie-Liette gepasseerd waren kwamen we aan het wegenknooppunt bij Harfleur welke plaats eene voorstad van Le Havre is en even daarna kwamen we in deze stad op de groote keien terecht en moesten we daarbij nog klimmen.

We namen hier echter een andere weg welke meer naar lings gelegen was daar we deze mooie breede grintweg boven de die groote keien prefereerden.

Een weinig verder zagen we de stad Le-Havre, lings in de diepte liggen en daarachter de enorme monding van de rivier de Seine waarvan we nauwelijks den anderen oever konden zien even later kwamen we echter weer in de Rue de Normandië terecht welke we zoo juist verlaten hadden en bleven we nu deze straat weer volgen tot de Cours-de-la-Republique waar we weer met een flinke vaart naar beneden gingen en kwamen we terecht in de Rue E.-Renan, waar we even afstapten en in een winkel wat melk gingen drinken en kochten we tevens een stuk zeep om ons af en toe eens te kunnen wasschen waarna we weer door bovengenoemde straat verder de stad in reden.

We volgden nu de Rue Thiers en waren we op de Place Thiers in het hartje van deze groote Fransche Havenstad.

Even daarna kwamen we op de Place de-l-Hotel-de-Ville waar we weer afstapten en aan eene kiosk eenige fraaie Ansichtkaarten gingen koopen.

We gingen nu te voet door dit prachtige stadsgedeelte en kwamen we door de Rue de Paris.

De straten waren hier bijzonder mooi en breed en op de Place de l-Hotel-de-Ville was een verrukkelijk mooi park aangelegd.

Als we daarna op de Place Gambetta gekomen waren zagen we hier lings voor het Bassin Du Commerce een reusachtig groot oorlogsmonument.

Hier gingen we lings af over de Place de ‘l Arsenal, en langs het Bassin du Commerce verder langs de Quai de Lombardië en daarna over de groote brug over genoemd Bassin waarna we op de Place Jules Ferrij kwamen waar het prachtige Beursgebouw gelegen is.

We stapten hier weer op onze rijwielen want met loopen schoten we niet hard op, en volgden we nu de Quai George waar we bij de groote losplaatsen kwamen en was het hier overal kolen kolen en nog eens kolen alles ziet hier zwart van de kolen welke hier gelost worden uit de groote schepen met reusachtige grijpers welke deze zwarte massa met reusachtige hoeveelheden naar beneden storten.

We vervolgden verder onzen weg langs de Quai Golbert en als we het Bassin Vauban voorbij waren kwamen we op den Boulevard Harfleur welke we nu weer bleven volgen tot den Boulevard Granville welke we eveneens tot het einde moesten volgen.

Als we dan hier gekomen waren bij het Gare Maritime bleek dat we om per boot over de Seine monding te komen niet hier moesten zijn en na eenige inlichtingen ingewonnen te hebben vernamen we dat we op de Quai de Southampton moesten zijn waar de Booten voor Trouville en Hanfleur lagen.

We reden daarna weer langs een andere weg terug n.m. langs de Quai-de-la-Gironde en vervolgens over de Quai-de-la-Saône, waarlangs we de enorme havenwerken en Entrepots van deze groote havenstad konden in oogenschouw nemen welke van reusachtigen afmetingen zijn en tevens de groote zeeschepen welke hier in de havens lagen.

Als we ons dan door deze groote bedrijvigheid hadden heengewerkt kwamen we door de Rue Belloij waarna we allengs in de buurt kwamen waar we moesten zijn en nadat we in de nabijheid van het groote Gare Maritime Transatlantique over een 4 tal bruggen waren gekomen van de havenbassins kwamen we over de Quai Casimir Delavigne Quai-de-l-Ille, waar we weer over eene brug moesten om vervolgens op de Quai Notre Dame en eindelijk op de Quai de Southampton uit te komen waar we na eenig vragen en zoeken aan den steiger kwamen waar de Booten voor Honfleur en Trouville gereed lagen.

We gingen meteen aan boord van de “Rapide” welke om 11 uur zou vertrekken om ons naar Trouville aan de overzijde van de Seinemonding zou voeren welke hier eene geweldige breedte heeft.

Nadat we onze rijwielen op onze schouders aan boord gebracht hadden wat eene heele karwei was daar de boot hier diep langs de hooge kademuur lag waren we blij dat we eens een rustig zitje in den schaduw van de brandend heete zon konden nemen want het was vandaag weer ontzettend warm en konden we hier in de koele schaduw het drukke gedoe van deze drukke haven gadeslaan.

Hoe meer de tijd van vertrek van onze boot naderden hoe voller de boot werd en als het eerste sein voor het vertrek gegeven werd was hij reeds flink bezet, en was er geen zitplaatsje meer te bekomen en nadat het tweede sein gegeven was en de bruggen waren weggenomen en de trossen los gemaakt klonk voor de derde maal de zware stoomfluit en zette de boot zich onmiddellijk in beweging.

Op de kade stond een groote menschenmenigte het vertrek gade te slaan en werd er van beide kanten druk gewuifd.

Thans gingen we deze groote havenstad verlaten en als de boot de havenmonding passeerde kwam er een wit vliegmashien boven het water rondvliegen.

We passeerden eerst een paar visschersvaartuigen waarna we een schitterend gezicht kregen op de stad met het strand en de havens.

Hier zagen we duidelijk het water van de Seine zich afteekenen tegen het water der zee.

We zaten thans niet meer in de schaduw en de zon stond aan den hemel te blakeren en zond zijne heete stralen over ons uit waar ik compleet suf van werd, maar een luchtig windje hield ons nog ietsjes koel.

We zagen hier de verrukkelijkste vergezichten op de zee en de Noemandische kust waar zich donker begroeide bergen zich hoog boven den waterspiegel verheften.

Aan den verren horizon zagen we een groot aantal schepen en niet ver van ons zagen we een groot vaartuig hetwelk veel op een droogdok geleek.

Na eenigen tijd konden we de badplaatsen Trouville en Douville onderscheiden welke laatste genoemd wordt als de Mondainste badplaats van Frankrijk.

Hoe meer we deze plaatsen naderden hoe prachtiger de aanblik werd.

Van verre konden we thans Le Havre nog zien liggen en voor ons Trouville en Douville welke plaatsen aan elkaar gelegen zijn en slechts worden gescheiden door de rivier de Touques.

We naderden intusschen al meer en meer de groote pier waarop de aanlegplaats voor onze boot is gelegen welke pier genaamd is Jetée-promenade, en we konden van verre de drukte op het strand al waarnemen en na een poosje meerde onze boot aan den steiger en waren we op onze bestemming.

Het duurde nog een poosje eer we de boot konden verlaten daar we zelf onze rijwielen weer naar boven moesten sjouwen en we de andere passagiers voor lieten gaan.

Eindelijk konden we toch aan het klimmen komen met onze fietsen op den nek, en als dit was geschied herademden we weer, en waren we weer van eene lastige hindernis op onze reis verlost.

We liepen thans met onze rijwielen aan de hand over de pier en zagen we van verre vele menschen in het heerlijke water spartelen.

We gevoelden hiervoor ook wel grooten lust doch de tijd verbood ons om hiervan te profiteeren.

We gingen eerst aan eene kraam een Ansicht koopen om naar huis te zenden waarna we door de Rue d Orleans verder gingen.

We stapten weer op onze rijwielen waarna we op de Place Thénard en vervolgens door de Rue de la Chapelle en Rue Victor Hugo waarna we op de Quai Vallie bij de rivier de Touques kwamen.

We volgden daarna de Quai de Jainville waar een groot aantal kramen stonden met visch vruchten enz.

We kochten hier eenige bananen welke ons best smaakten en nadat we ons aan een fonteintje wat opgefrischt hadden bij deze tropische hitte gingen we te voet verder want het was hier enorm druk en als we op de Place du Pont gekomen waren stapten we nogmaals op en reden we de Rue Oliffe in en zouden we aan het eerste het beste Restaurant wat gaan eten hetwelk we ook spoedig een vonden.

We gingen buiten in de schaduw zitten, en schreven we meteen onze kaarten bij eene heerlijke flesch wijn waarna we weer flink opgemonterd verder trokken nadat we nog even onze kaarten gepost hadden.

We vervolgden nu ongeveer de rivier de Touques en kwamen we eerst door het dorpje van denzelfden naam als deze rivier vervolgens langs Canapville, Coudraij, Ranit en St-Melaine langs dezen weg had men den weg pas geasphalteerd en deze vieze rommel was door de hitte van de zon zoo kleverig geworden als gom.

Ik zei tegen mijn reisgenoot Als we hier maar niet blijven plakken! en het duurde een heele poos eer we van dit vieze goedje verlost waren en tot overmaat van ramp had men op sommige gedeelten van dezen weg zeer grove grintstenen over den weg gestrooid waardoor de passage nog moeilijker werd daarenboven moesten we somwijlen nog klimmen ook en op een gegeven moment zag ik mijn reisgenoot in een z.g. conflict met een Autobestuurder welke het vertikte om den weg op en door deze kleverige massa te rijden.

Als we dan bij de plaats Pont-l-Evèque kwamen werd het beter en kregen we een mooie gladde en breede asphaltweg.

We waren thans nog 18 K.M. van Lisieux en zouden we deze kilometers nog eens vlug gaan afdraaien en bleek later dat dit nog zoo gemakkelijk niet zou gaan.

Nadat we het dorpje Manneville-le-Pipard gepasseerd waren waar we lings van den weg een Calvariëberg met een prachtige groote gekleurde beeldengroep zagen en we rechts van den weg eene mooie vallei zagen waardoor de rivier de Touques voortvloeide welke rivier eveneens door de stad Lisieux stroomd kregen we hierna een paar steile bergen te nemen waarmede we werk aan den winkel kregen en moesten we flink porren om boven te komen, enfin we kregen het toch klaar.

Vervolgens kwamen we langs Fierville-les-Parcs-Le-Breuille, en bij Norolles kregen we weer een zeer steile berg.

Mijn reisgenoot zeide toen hij deze berg zag opduiken dat hij benieuwd was of hij deze zou kunnen nemen.

We zullen zien antwoordde ik dus aanpakken is de boodschap en daar ging het beginnen en met taaie volharding kregen we het toch klaar, en was deze wel niet de grootste maar toch gewis de steilste berg op onze gansche reis genomen en hadden we hier onze klim capaciteiten nog eens kunnen demonstreren.

Bij deze steile klimpartij constateerde ik dat mijn reisgenoot er een was van het echte hout gesneden en kwam hier zijn kunnen tot uiting hetwelk mijne bewondering afdwong.

Als we weer boven waren zeide ik tegen mijn makker Dit is de laatste berg geweest voor Lisieux en daar we nog enkele kilometers van deze plaats af waren kon hij het direct nog niet gelooven daar de weg hier sterk daalde en wij met een reuzenvaartje naar beneden gingen maar even daarna kregen we een vlak gedeelte in den weg en dan ging het weer naar beneden en zagen we van verre in het dal Lisieux liggen en eenige vagen blikken later kwamen we over den Boulevard de Pont-l-Evèque deze stad ingestormd.

Als we bijna beneden waren pakten we onze remmen beet en stonden we bij een fonteintje stop, om ons nogmaals flink te verfrisschen want we waren aardig bestofd.

De zeep welke we in Le Havre gekocht hadden deed hierbij goede dienst.

Als we weer flink opgefrischt waren gingen we hier vlak bij dit fonteintje door een smal gangetje met onze rijwielen aan de hand en plaatsten we deze bij eene kraam welke hier stond en gingen we hier naar het huis “Les Bruissonnets” waar de kleine Heilige Theresia gewoond heeft en als we hier even binnen zijn en de diverse kamers bezichtigd hadden waar nog zeer veel van de H Theresia te zien is zooals verschillende stuks speelgoed waaronder een paar poppen eenige boeken evenals het bed waar de Heilige op geslapen heeft enz enz hoorden we opeens Hollandsch spreken door 2 dames, dit trekt, en weldra ben ik met hen in gesprek en in een minimum van tijd stonden wij midden in een groote groep Hollanders.

Dit was een reisgezelschap van het Bureau “Lindeman” uit Rotterdam Den Haag.

Als een loopend vuurtje was het rondgegaan dat hier 2 Hollanders per rijwiel naar Lisieux waren gekomen en iedereen wou daar natuurlijk het zijne van weten en hadden we weldra genoeg te doen met vertellen.

Zij konden het bijna niet gelooven dat wij in 4 dagen van Holland per rijwiel naar hier waren gekomen en dat nog wel langs een groote omweg en nadat we een poosje gezellig met onze landgenooten hadden gesproken gingen we weer vertrekken en werden wij door allen eene goede reis toegewenscht onder den uitroep “Leve Holland”

We reden nu over den Boulevard Duchesne-Fournet tot de Grande Rue waar we nu rechts af doorreden en welke de hoofdstraat is van Lisieux welke sterk afloopt en kwamen we daarna terecht op de Place-Thiers welke de z.g. markt is van deze stad.

We reden recht naar den Coiffeur om ons te laten scheren want onze gezichten waren in een stoppelveld herschapen en nadat we weer gekortwiekt waren en eene flinke hoofdwassching hadden ondergaan gingen we een Restaurant opzoeken om onze magen nog eens te vullen en kwamen we terecht in Cafe Restaurant “Au Cheval Normand” op de Place Victor Hugo No 30.

Als we ons hier weer goed verzadigd hadden en nog een poosje nagezeten hadden bij eene ferme flesch wijn en eene sigaret en we onze kaarten geschreven hadden gingen we ons weer gereed maken om te vertrekken want het was reeds bijna 6 uur en we zouden vandaag nog gaarne Evreux bereiken waar we nog 72 K.M. vandaan waren dus het werd hoog tijd dat we weer opstapten.

Weldra zaten we ook weer op onze rijwielen en reden we weer door de Grande-Rue naar omhoog, waar we de groep Hollanders van straks weer passeerden en steeg er weer een vloed van gejuig op en een “Leve Holland” gemengd met de noodige goede reis wenschen werden ons nog nagezonden en was dit heerlijke moment voor ons weer voorbij.

Nadat we in de Rue de Paris nog even onze kaarten gepost hadden gingen we onze ruggen weer krommen om den grooten berg op te rijden welke voor ons lag en nadat we dit schitterend klaar gespeeld hadden kwamen we op den vlakken weg en gingen we ons tempo opvoeren en berekende we dat wanneer we ons best deden op dezen prachtigen breeden asphaltweg we Evreux nog juist voor den avond konden bereiken.

Het ging dan ook prachtig en we noteerden hier een tempo van ruim 28 K.M. per uur en in een minimum van tijd hadden we de dorpjes St.-Jacques, Esperance, Firfol  Le-Fosse, Marolles, La Grieurie en l Hotellerij gepasseerd en zagen we daarna de torenspits en schoorsteenen van Thiberville nog even boven de vlakte uitsteken daar deze plaats eveneens als al de andere plaatsen van beteekenis in eene diepte gelegen was.

We hielden er echter hetzelfde tempo in en achtereenvolgens kwamen we weer langs Le Chaussee, Duranville, Folleville Le-Theil-Nolent, Mare-du-Val, Le Marche-Neuf, en Boisneij.

We zaten ons hier op dezen prachtigen weg te verkneukelen met het gejaag der vele Autos en bij het dorpje Petit-Boisneij, stapten we af om een paar glaasjes Grenadine te drinken.

We hadden thans 34 K.M. afgelegd en constateerden we dat we als in het zelfde tempo werd doorgereden we nog goed ons doel konden bereiken.

We stapten hierna weer op en daar ging het weer verder.

Ik deelde mijn reisgezel mede dat we nu een paar K.M. weer ferm naar beneden zouden gaan, bij het dorpje Fontaine-la-Soret, en onmiddellijk daarna als we bij het dorpje La-Riviëre-Thibouville den spoorweg en de rivier de Risle gepasseerd waren we een zeer hooge berg hadden te nemen.

Even daarna stoven we op dezen schitterend breeden met hoog geboomte belommerden weg naar beneden met een vaart dat alles voor onze oogen duizelde en in en minimum van tijd waren we in eerst genoemd dorpje en kwamen we over den spoorweg en de brug over de Risle en begon hier het klimmen reeds.

We zetten onze tanden nog eens op elkaar en nadat we een hele tijd met groote inspanning hadden geklommen was deze lastige hindernis eveneens schitterend overwonnen.

We verkeerden thans beide in uitmuntende conditie want het was mij waarlijk een groot genoegen dat we dezen grooten berg zoo gemakkelijk hadden kunnen nemen.

Nu ging het weer met nieuwen moed verder en moesten er nu achtereenvolgens de dorpjes La Campagne Trou-Gaillard, Ecardenville La-Neuville, Les-4-Routes, La-Commanderie Semerville, Graveron, Beau-Lieu, Pitmenville Branville en Parville, aan gelooven, en nadat we gedurende deze langen rit waarbij ons tempo geen oogenblik verminderde hadden afgelegd kwamen we omstreeks 9 uur bij de eveneens zeer groote en lange daling van den weg voor Evreux.

Den weg was hier ongelooflijk prachtig en zeer breed en was de aanblik alleen reeds een genoegen en het volgende oogenblik stoven we met een duizelingwekkende vaart naar beneden en als onze rijwielen waren uitgeloopen waren we reeds in de stad, en vlak bij waren een paar Hotels.

We stapten hier af en gingen het eerste het beste binnen waar we reeds terecht konden n.m. Hotel du “Bel Ebat” op den hoek van de Rue Joséphine en Boulevard de la Buffardiére.

Hier hadden we een prachtig gezicht op de Avenue Camballe waar we zoo even geleden kwamen uitgesneld.

Nadat we onze rijwielen geborgen hadden gingen we ons eens geducht wasschen hetgeen ons na zulk eene ferme rit reusachtig verfrischtte waarna we ons eens te goed gingen doen aan een stevig maal.

Waarna we een kaartje gingen schrijven bij een flesch wijn en eene sigaret, en na een poosje gingen we omstreeks 11½ uur onze slaapkamer opzoeken, want we wilden morgen reeds vroeg vertrekken om vroeg in Parijs te zijn hetwelk ons doel is voor morgen en er stonden ons op deze rit nog vele lastige hindernissen en vele groote keien te wachten dus wel te rusten.


Woensdag 8 Augustus Evreux - Parijs 115 K.M.

 

Als we s morgens weer ontwaakten en eene heldere lucht met zonneschijn weer een warme dag voorspelde namen we eerst eens een kijkje door het raam van onze slaapkamer vanwaar we een mooi uitzicht hadden op de rivier de Iton welke vlak langs ons Hotel stroomde en nadat we ons gewasschen en gekleed hadden gingen we naar beneden om ons ontbijt te gebruiken waarna we ons voor onzen verderen tocht gingen gereed maken.

Nadat we hier onze kaarten gepost hadden besloten we om door de stad te rijden teneinde deze meteen te kunnen bezichtigen en reden we door de Rue de la Prefecture daarna door de Rue de la Harpe om vervolgens in de Rue de Paris terecht te komen waar we meteen weer moesten klimmen hetgeen nog erger werd als we op de Vieille Route de Paris kwamen en kregen we het weer spoedig zoo warm dat we zoodra we goed en wel boven waren we afstapten om onze bovenkleeren uit te doen.

Als we hier mee bezig waren kwam er een geestelijke op een racefiets voorbij hetwelk een tijpisch gezicht gaf, doch hij pacede goed.

Als we onze kleeren goed vastgesjord hadden bestegen we onze stalen rossen weer welke ons vandaag naar naar de “Ville Lumiëre” zouden voeren.

Even later kwamen we langs de Renbaan en het Vliegveld van Evreux bij het dorpje Vieil Evreux.

De wegen waren hier schitterend en we schoten goed op en kwamen we vervolgens langs de dorpjes Misserij. – Clerrij. – Ruffij. – Caillouet. – Orgenville en voor St-Aquilin de Pacij ging het weer naar beneden en kregen we hier weer een mooi panorama op laatst genoemd dorp en het stadje Pacij-sur-Eure en liep hier den weg hoog boven en lang de rivier de Eure.

Aan den overkant der rivier zagen we eenige groote fabrieksgebouwen en bleef den weg maar steeds dalende tot dat we bij de brug over de rivier kwamen waar we over moesten waarna we in het lieve plaatsje Pacij-sur-Eure kwamen met zijne enorm breede hoofdstraat, met groote keien welke nu niet juist aangenaam aandeden.

Als we dan dit plaatsje weer doorgehobbeld waren moesten we natuurlijk weer de hoogte in en passeerden we daarna weer Aigleville, Chaignes, Chaignolles, Chauffour, Petites-Fosses, La-Hole-Mille, en Jeufosse, waarna we in Boninéres belanden waar we weer een Ansicht naar huis zonden.

Onder dit bedrijf ontdekten we eene Melkfabriek waar we naar binnen gingen om wat melk te koopen hetgeen echter niet gelukte daar men geen melk per maat verkocht.

We konden dus wel weer weg om aldus onzen dorst te gaan lesschen en stapten we daarna weer op en als we daarna in Rolleboise arriveerden zagen we hier eene mooie oude fontein met groot bassin waar we ons toen eens ferm gingen verfrisschen, want het was vandaag weer erbarmelijk heet.

Als we daarna weer verder trokken kwamen we hier vlak langs de rivier de Seine welke lings en rechts van ons op eenige hoogte liep den spoorweg en bij het dorpje Rosneij sur Seine gingen we hier deze rivier weer verlaten.

We waren nu nog 6 KM van de stad Mantes, welke afstand we weer spoedig hadden afgelegd.

We stapten in de Avenue de la Republique bij de eerste de beste bank af om geld te gaan wisselen.

Men had hier blijkbaar weinig kennis van Hollandsch geld althans men wou mij 1/10 van het bedrag in Francs geven van hetgeen ik moest ontvangen doch nadat ik hun echter had duidelijk gemaakt hoeveel ik moest ontvangen werd mij het vereischte aantal Francs gegeven.

Vervolgens gingen wij hier vlak bij in een rijwielwinkel een paar drinkkruikjes koopen welke op zulk een tocht bijna onmisbaar zijn en daar het hier marktdag was gingen we verder te voet door de stad en stonden hier een zeer groot aantal kramen enz en als we daarna door de Rue Nationale kwamen was hier het marktvertier nog veel drukker en was er op sommige punten bijna geen doorkomen aan.

We liepen hier eens lings en rechts dit marktgewoel genoten hadden stapten we weer op kwamen we bij de twee prachtige Seinebruggen.

De Seine is n.m. in deze streek bijna overal eene dubbele rivier daar er een groot aantal soms zeer lange eilanden in liggen.

Als we dan deze bruggen over waren kwamen we in de voorstad Limaij en even daarna gingen we rechts af door de Rue de Meulan en moesten we hier alweer klimmen en weldra hadden we ook deze stad weer achter den rug.

Als we boven gekomen waren keken we eens om en zagen we in de diepte deze fraai gelegen stad hetwelk een schitterend panorama bood, waarbij de kathedraal de Notre Dame zich hoog boven de andere gebouwen verhefte.

We kwamen vervolgens langs de mooi gelegen dorpjes Issou, Gargenville en Hanneucourt, en even daarna als we den spoorweg over waren kwamen we weer vlak bij de Seine en als we hier de dorpjes Juziers, en Mézie doorkruisten zagen we hier vele fraaie Hotel en Restaurants met zeer fraaie theetuinen met meestal Engelsche opschriften en Reclames.

Als we dan laatstgenoemd dorp weer voorbij waren zagen we hier weer vele fruitboomen langs den weg staan en mijn collega kon de verleiding niet weerstaan en ging een paar appels afplukken terwijl ik langzaam verder reed en als ik bij de eerste huizen van de stad Meulan was zag ik hem heel in de verte aankomen en in de Rue de Mantes wacht ik op hem waarna we hier buiten aan een Café een paar reuzenkommen melk gingen drinken welke ons werkelijk goed deden.

We stuurden tevens nog eens een Ansicht naar huis van deze merkwaardig mooie stad, en stapten daarna weer op.

We kwamen nu door de Rue Basse en daarna op de Place Gencij waar we weer rechts af door de Rue du-Fort over de Seine bruggen gingen waarna we in La Sangte terecht kwamen.

Hier sloegen we weer lings af den weg naar Verneuil in waar we even daarna langs een vliegtuigfabriek kwamen waar we in eene werkplaats een paar nieuwe Blauwgrijs gekleurde Vliegmachines zagen staan. Het was juist schafttijd en overal langs den weg zagen we meestal jonge arbeiders welke hun vrijen tijd sleten met stoeien enz.

Als we even daarna weer over den spoorweg kwamen leidde onzen weg door een prachtig groot bosch met allerlij soort boomen en houtgewas hetwelk het Bois de Verneuil bleek te zijn en als we Verneuil naderden zagen we dat een groot gedeelte van dit bosch in een prachtig villapark was herschapen en waren er vele nieuwe wegen aangelegd ook den hoofdweg waar wij over kwamen was geheel vernieuwd en zag er keurig uit.

Even daarna kwamen we in Verneuil waar we een smalle weg kregen met kleine lastige heuveltjes er in hetwelk duurde tot even voorbij Vilennes-s-Seine.

Nadat we eerst Vernouillet en Medan waren doorgepeddeld moesten we weer een zeer lastige helling opklimmen met zeer slechten grintweg en even daarna als we nog een paar honderd meters over dezen slechten weg gehobbeld hadden gingen we weer lings af en even daarna kwamen we op den grooten weg naar St-Germain-en-Laije, waar we eveneens weer lings af gingen en spoedig hadden we het plaatsje La Malodrence bereikt en waren we nu nog 6 KM van St-Germain-en-Laije.

De lucht was intusschen eenigsins betrokken en het begon een weinig te stofregenen doch als we in laatstgenoemde plaats aankwamen was het weer ongeveer met regenen gedaan.

We hadden echter een oogenblik gemeend dat het meenens zou worden met dien regen doch we werden spoedig gerust gesteld.

Bij het binnenkomen in deze stad moesten we weer flink bolderen over de groote keien eerst door de Rue Desoijex, en daarna door de Rue de Pologne waarna het beter werd.

We gingen in de Rue de Paris een ansicht koopen en zonden hem naar Helmond waarna we weer opstapten.

We kwamen nu langs de groote kazernes en daarna op de Place-Roijale waar we rechts af de Route de Versailles volgden waar we met een reuzenvaart over den prachtigen breeden asphaltweg tegelijk met een paar Autos naar beneden gingen.

Als we dezen prachtigen weg met sierlijke bochten een eindweegs gevold hadden moesten we weer lings af over de groote keien van Port-Marlij en reden we den weg op naar Prunaij waar we weer bij de Seine kwamen en was het hier nog steeds over de groote keien rijden daarna passeeren wij bij Bougival den reusachtigen watermolen in de Seine rivier en even daarna bij de brug aan den weg naar Versailles ga ik mijn drinkkruikje vullen aan een fonteintje en post ik tevens mijn kaart uit St-Germain-en-Laije hetgeen ik nog vergeten was te doen.

Het werd hier steeds drukker met het verkeer en we waren nu nog 12 K.M. van Parijs, en kwamen we nu in de voorstad Reuil waar de keiwegen veel beter waren en goed te berijden en mochten deze keiwegen ons niet bevallen dan konden we nog gebruik maken van het mooie zandpad langs de boomen op het trottoir.

We bleven echter op de keien rijden en hielden een wedren met de Electrische trams waarbij we flink opschoten en na een poosje arriveerden we in Puteaux, waar het verkeer reeds een reusachtige omvang heeft gekregen en als we even later over de Seinebrug kwamen genaamd “Pont-de-Neuilly” waar we rechts van ons het Bois-de-Boulogne zagen kwamen we in de laatste voorstad van Parijs Neuillij, waar we aan een postkantoor afstapten om postzegels te koopen waarna we weer verder trokken en kwamen we bij de controle van de “Porte-de-Neuillij” waarna we binnen de veste van de Fransche hoofdstad waren.

We passeerden de “Porte-de-Maillot”, en gingen we toen midden op den spiegelgladde middenweg van de Avenue-de-Grande-Armée rijden waar we recht voor ons uit een mooi gezicht hadden op de Arc-de-Triomphe en als we de Place de Etoile bereikt hadden stapten we af en gingen met onze rijwielen aan de hand naar het graf van den onbekenden soldaat, hetwelk geplaatst is onder de Arc de Triomphe.

Wij plaatsten onze rijwielen tegen de muur en gingen even bij het graf staan waarbij eveneens een groot aantal menschen stonden.

Als we hier even vertoefd hadden gingen we weer verder terwijl ik mijn reisgezel rechts van ons den Eiffeltoren wees.

Bij het begin van het Champs Elijsees sprongen wij weer op onze karretjes en nu ging het tusschen het geweldige Autoverkeer in een flink vaartje naar de Place-de-la-Concorde, hetwelk het middelpunt vormt van het Parijsche Autoverkeer en als we het plein waren overgereden stapten we af om het drukke gewemel van het Autoverkeer eens gade te slaan hetwelk een genoegen is om te aanschouwen.

Als we hier een heele poos van dit drukke gedoe hadden genoten stapten we weer op en reden we naar de Rue de Rivoli waar den stroom van verkeer was opgestopt en ging het hier slechts langzaam verder, doch allengs werd het toch beter en kwam er meer schot in den stroom van rij en voertuigen.

Bij het doorrijden van deze straat welke ongetwijfeld de langste straat van Parijs is kwamen we langs de Jardin des Tuileries en Het Louvre rechts, en Het Palais Roijal lings.

Als we deze lange straat voor het grootste gedeelte waren doorgereden gingen we bij den St-Jacquestoren lings af over den Boulevard Sebastopol welke we weer bleven volgen tot het begin van Boulevard Strasbourg waar we weer rechts af gingen waarna we op de Place de Republique kwamen waarna we de Rue de Faubourg du Temple inreden waar de weg flink omhoog ging en we hier dus weer moesten klimmen hetwelk hier nog lang niet meeviel daar hier groote oneffen keien lagen.

Als we dit klimpartijtje achter den rug hadden kwamen we over de Place Bolivar en vervolgens door de Rue Melïngue en Rue Pessard waarna we terecht kwamen in de Rue des Ailouettes.

We hadden vóór onze Vacantie op een van onze trainingsritten te Maeseijk in België kennis gemaakt met een Luxemburger welke bij een stoomwalsenbedrijf in dienst was en welke een zuster had wonen in Parijs en had deze ons gevraagd of wij wanneer wij in Parijs kwamen de groeten van hem wilden overbrengen aan zijne zuster hetgeen wij hem beloofd hadden te doen.

Toen wij echter in de Rue-des Ailouettes aankwamen vonden we na eenig zoeken wel een No 10 hetwelk echter eene fabriek bleek te zijn en dit dus niet klopte met het opgegeven adres.

Nadat we eenige inlichtingen hieromtrent hadden gevraagd aan een hier passeerende mijnheer bleek dat wij om dit adres te vinden in de voorstad St Cloud moesten zijn hetgeen pl.m. 1½ uur fietsen van hier zou zijn waar we echter niet veel meer voor gevoelden aangezien we juist van die richting vandaan kwamen.

In Reuil waren we n.m. nog slechts 6 a 8 K.M. van St. Cloud en zou dit voor ons dus eene terugtocht van 1½ uur beteekenen en we besloten dus maar dat we ons Hotel zouden gaan opzoeken en op den hoek van de Rue Clavel zochten we op den Plattegrond van Parijs den besten en kortsten weg naar het Gare du Nord waarbij ons Hotel gelegen was.

We reden de Rue Clavel en de Rue Pessard door daarna dwars door het Park Buttes-Chaumont, en vervolgens door de Rue Secrétan waarna we op de Place-de-la-Vilette terecht kwamen om vervolgens weer de Rue-de-la-Faijette te volgen tot de Rue-Philippe-de-Girard waar we rechts af moesten daar den ganschen weg opgebroken en dus afgesloten was en werd het verkeer nu geleid door de Rue-de-l-Aqueduc, en even daarna kwamen we bij het Gare du Nord, en reden we naar de Rue St Quentin 35B Hotel Belge.

Als we hier afstapten zag ik hier een bekend gezicht het was n.m. den Belgischen wielrenner Thijsman.

Wij maakten ons aan hem bekend en nadat wij onze rijwielen opgeborgen hadden want we konden vannacht hier slapen maakten we met onzen Belgischen sportmakker een gezellig praatje.

Hij vertelde ons dat hij hedenavond om 9 uur ging vertrekken daar hij op weg was naar Algiers waar hij een 3 tal wedstrijden moest rijden.

Als we een poosje gezellig bij elkaar hadden gezeten en we ondertusschen onze magen nog eens goed gevuld hadden namen we weer afscheid en wenschte wij elkander eene goede reis toe en gingen wij de stad in om hier en daar eens een kijkje te gaan nemen.

We gingen eerst over den Boulevard Magenta, waarna we lings af over den Boulevard de Rochechouard gingen waar we, toen we deze een eindweegs gevolgd hadden, aan den rechterkant door de Rue de Steinkerque de prachtige en zeer hoog gelegen Basiliek De-Sacré Coeur ofwel de H. Hartkerk zagen.

Vervolgens kwamen we op de Place Pigalle, waar een aantal straat of marktventers op diverse manieren hunne artikelen aan den man trachtten te brengen en bleken zij ware meesters in hun vak te zijn.

We waren hier in de alom vermaarde Montmartre wijk en als we verder over den Boulevard de Clicij kwamen zagen we hier lings van deze straat de eveneens zeer bekende Cabarets “De Hemel” en “de Hel” naast elkaar, en een weinig verder aan den overkant het reusachtige “Moulin Rouge” waar het geweldig druk was.

Wij kochten inmiddels een paar Ansichtkaarten en gingen daarna de drukte bij “Moulin Rouge” eens gade slaan.

Het was hier een af en aanrijden van Autos van belang er stonden een aantal bedienden welke de gasten bij het uitstappen enz van dienst waren en de noodige politie agenten stuwden den eindeloozen sliert van Autos verder.

Als we hier genoeg gezien hadden wandelden we weer verder langs dezen Boulevard en nadat we op de Place de Clicij nog een en ander hadden bezichtigd gingen we op den Boulevard de Batignolles aan een zeer groot Cafe buiten op het terras een paar glaasjes bier drinken waar we heerlijk konden zitten genieten van het drukke gedoe van deze groote wereldstad.

We maakten van deze gelegenheid tevens gebruik om eenige Ansichtkaarten te schrijven en na hier een tijdje gezellig te hebben gezeten gingen we weer verder door de Rue de Rome waar we langs het Gare-St-Lazare kwamen en als we daarna in de Rue St Lazare voor genoemd Station kwamen waren we weer op een van de ontelbare drukke verkeerspunten van Parijs.

We gingen verder door deze straat en kwamen vervolgens op de Place de la Trinité waarna we door de Rue de Chateaudun gingen waar we langs de prachtige kerk kwamen van “Notre-Dame-De-Lorette” en als we deze straat weer teneinde geloopen waren kwamen we weer in de geweldig drukke Rue-de-la-Faijette welke we nu voortaan bleven volgen totdat we weer bij het Gare Du Nord terecht kwamen en waren we dus weer bij ons Hotel aangeland.

We hadden nu een heele trip gemaakt door een van de belangrijkste deelen van deze stad en we waren weer blij dat we weer goed en wel ons “Home” hadden bereikt.

Het was intusschen reeds laat geworden en het werd hoog tijd dat we gingen slapen want er stond ons morgen weer eene flinke rit te wachten.

Nadat we nog wat gegeten hadden zochten we onze slaapkamer op en weldra genoten we van eene verkwikkende rust.

We hadden vandaag weer een interressanten dag achter den rug, vooral mijn collega daar hij vandaag voor het eerst in Parijs kwam was deze dag voor hem ongetwijfeld de gewichtigste van onze gansche reis geweest.

We zullen morgen maar weer zien tot hoever we het kunnen brengen.


Donderdag 9 Augustus Parijs – Ste Menehould. 205 K.M.

 

Omstreeks half acht waren we weer present, en gingen we ons weer gereed maken voor de 6e Etappe welke ons weer veel interresants zou schenken.

Als we een stevig ontbijt genuttigd hadden en onze rijwielen te voorschijn gehaald en geinspecteerd hadden en alles in orde bleek te zijn gingen we omstreeks 9 uur Parijs weer verlaten waarbij ons eerst een flinke rit over de keien stond te wachten welke zou duren tot even voorbij Claije d.i. 28 K.M. van Parijs dus eene lange hobbelpartij maar enfin dit was niet in staat ons te weerhouden en met frisschen moed stapten wij weer op.

We reden bij de Rue-de-la-Faijette welke zooals ik gisteren reeds mededeelde hier was opgebroken door de Rue-de-l-Aqueduc tot de Rue Philippe-de-Girard welke we doorgereden hebbende weer in de Rue-de-la-Faijette terecht kwamen welke we nu weer bleven volgen tot de Place-de-la-Vilette waarna we in de Avenue Jean Jaurés kwamen welke ons weer geleidde naar de Porte de Pantin en als we hier door de controle waren waren we weer buiten Parijs en in de voorstad Pantin.

Als we deze voorstad eveneens voorbij waren kwamen we langs de groote vuilnisbelt van Parijs bij het spoorweg viaduct.

Even daarna kwamen we langs de gloeilampenfabriek van Philips uit Eindhoven welke lings van den weg gelegen is bij het plaatsje Bobignij en als we dit plaatsje voorbij waren begonnen we beter op te schieten daar het verkeer minder druk werd en nadat we Bondij voorbij waren kwamen we bij Pavillon-sous-Bois bij een versperden spoorweg-overgang waar een ploeg arbeiders den spoorweg had opgebroken en moest het verkeer een omweg maken.

Wij mochten echter met onze rijwielen op den schouder over deze hindernis heen klauteren hetgeen nog een heele toer was waarna we weer opstapten en ging het maar altoos over de keien verder langs Clicij. – Livrij. – Vaujours, en Ville Parissis naar Claije waarna we toch eindelijk aan het einde van dezen eindeloozen keiweg waren gekomen.

We konden nu ons tempo wat gaan opvoeren en na een 15 tal K.M. flink doorgepeddeld te hebben kwamen we in de Stad Meaux, waar we bij de Mooie Kathedraal een ansicht naar huis zonden en weer onmiddellijk verder gingen.

Als we deze stad achter ons hadden kwamen we op een mooien belommerden asphaltweg welke ons voerde naar het mooie aan de rivier de Marne gelegen dorpje Trilport waar we over de bruggen kwamen van de Beuvronne en de Marne.

Even voorbij dit dorpje zagen we weer fruitboomen langs den weg staan en mijn reisgenoot ging nog eens kennis maken met de mooie appeltjes welke ons hier tegenlachtte.

Ik reed inmiddels langzaam verder en als we weer bij elkaar waren gingen we de zaken nog eens ernstig opnemen en werd er nog een schepje bij gedaan.

De wegen waren hier prachtig en de streek zeer boschrijk en als we het dorpje St-Jean-les-2-Jumeaux voorbij waren zagen we lings de prachtige Marne-vallei en rechts een boschrijke bergrug hetwelk het rijden in deze streek tot een genot maakte en nadat we Sammeron gepasseerd waren kwamen we door La-Ferte-sous-Jouarre, waar men bezig was een groot oorlogsmonument te bouwen van geheel witte steen een soort zandsteen.

Hier gingen we rechts af over de rivier de Morin welke hier in de Marne vloeit en weldra moesten we weer aan t klimmen en dit duurde ditmaal een heele tijd en al klimmende kwamen we langs Courcelles, Moras, Montapeine, Bussiëres, Flagnij, Replonges, en Viels-Maisons langs welke lange weg we bijna niets dan een paar voertuigen beladen met hout tegenkwamen.

We besloten dat we in Montmirail waar we nog 13 K.M. vandaan waren zouden gaan eten want we begonnen er wel trek in te krijgen.

Het was weer geweldig warm en we zaten hier te rijden met opgestroopte mouwen en losgemaakte kraag.

Als we nog 4 K.M. van Montmirail waren kwamen we lings van den weg voorbij een groote gedenkkolom waar bovenop een Adelaar.

Dit is n.m. een gedenkteeken van den slag bij Montmirail van Napoleon I tegen de Pruissen.

Op het voetstuk stond te lezen 1814, 11 Fervier Montmirail-Marchais.

Als we dit gedenkteeken even hadden bezichtigd hetwelk vlak langs den weg op eene hoogte staat vanwaar men lings en rechts van den weg eene groote omtrek kan overzien gingen we weer verder en even daarna kwamen we met een groote snelheid Montmirail binnen gestuifd.

We zochten bij het doorrijden van deze plaats naar een Restaurant om te eten en kwamen we op de Place-du-Vert-Galant terecht in het Hotel van denzelfden naam.

We stapten hier binnen en weldra zaten we ons te goed te doen aan een hartelijk Diner hetwelk ons uitmuntend smaakte.

Als we hiermede gereed waren gingen we buiten tusschen groene boompjes in den schaduw nog eene fijne flesch wijn drinken en met eene lekkere sigaar zaten we hier knusjes te genieten van het prachtige zomerweer.

We kochten tevens een paar Ansichten van dit mooie plaatsje en omgeving en zonden er tevens een naar huis.

Als we dan genoeg gerust en genoten hadden en we weer verder trokken kregen we als we deze plaats even verlaten hadden een prachtig panorama te aanschouwen op de vallei van de Petit Morin welke rivier ook langs Montmirail stroomd, en zagen we in deze vallei een paar dorpjes liggen benevens een spoorweg met sierlijke bochten er in.

We moesten eerst af en toe nog wat klimmen hetgeen later echter minder werd en we passeerden de dorpjes Vauchamps, Fromentiëres en Champaubert, waar we bij het kruispunt van de wegen Epernaij – Troijes en Montmirail – Chalons-sur-Marne, weer een zelfde gedenkzuil zagen als bij Marchais met eveneens hetzelfde opschrift doch met de plaatsnamen Champaubert – Vauchamps 10 Frevier 1814.

Ook hier stonden evenals bij Marchais eenige kanonnen bij dit monument.

Er was juist een fotograaf bezig dit gedenkteeken te fotografeeren en ook wij willen hier wel eens een foto van ons laten maken doch Monsieur was er niet voor te vinden.

Wij gingen dan maar weer verder en kwamen we nu in de streek van Champagne met zijne eindeloos lange wegen met ontzaggelijke graanakkers.

We waren thans nog 45 K.M. van Chalons-sur-Marne en langs dezen langen weg kwamen we slechts langs een paar dorpjes overigens niets dan graanvelden en bosschen, en zoo stevenden wij toen door deze wijde vlakte met brandende zon langs de dorpjes Etoges – Bergeres-les-Vertus – Chaintrix, en Thibie naar Chalons-sur-Marne, in welke stad we omstreeks 6 uur aankwamen.

We kwamen eerst door de Faubourg-de-Marne, hetwelks stadsgedeelte door de rivier de Marne van het overige stadsdeel wordt gescheiden en waar tevens het spoorwegstation is gelegen.

Als we daarna over de Marnebrug waren kwamen we in de Rue de Marne, waar we rechts vóór de groote Kathedraal St. Etienne een zeer fraai oorlogsgedenkteeken zagen midden op het fraaie bloemenpark en lings van den weg zagen we eene groote Kazerne.

Als we deze even gepasseerd waren gingen we rechts af naar de Place de Republique hetwelk een groot vierkant plein is waar midden op eene fraaie groote fontein staat.

We stapten hier bij een winkel af waar we eenige Ansichten van deze stad gingen koopen.

Het was vandaag weer ontzettend warm en onze armen waren doordat we steeds met opgestroopte mouwen hadden gereden geheel rood gebrand door de zon.

We gingen daarna aan een groot Cafe “Bellevue” genaamd, buiten op het terras uit de zon een paar glazen bier drinken en onze kaarten schrijven.

Als we hier weer was gerust hadden gingen we weer vertrekken we waren nu nog een dikke 40 K.M. van Ste-Menehould hetgeen we vandaag flink gevorderd en hadden nu reeds 165 K.M. afgelegd, en weldra verdwenen we weer in de Rue-Croix-des-Teinturiers, en bleven we den tramweg volgen door de Rue Pasteur en Rue-General-Compere, tot de Avenue-de-Metz, waar we weer lings af over den Chemin-des-Processions en daarna weer rechts af door de Rue Chevalier waarna we op den grooten weg naar Ste Menehould kwamen waarmede we ook deze stad weer achter ons hadden.

Thans kwamen we aan het 2e gedeelte van onze rit door deze enorme Marne-vlakte waar middenin de Stad Chalons-dur-Marne is gelegen en gingen we welgemoed een ferm tempo inzetten daar wij in deze streek slechts weinig belangrijks of bezienswaardig zouden ontmoeten hetwelk onze aandacht zou vragen en in een eindeloos lange rit passeerden wij de dorpjes Lépine, Courtisols, La-Grande-Romanie, Tilloij-Bellaij, Auve, en Mazagran, voor welke laatste plaats we lings en rechts van den weg twee nogal hooge en eigenaardig gelegen bergen zagen welke pl.m. ½ K.M. van den weg waren gelegen waar onzen weg tusschendoor loopt.

Vervolgens kwamen we langs Orbeval en Dommartin waar we over den spoorweg Reims – Verdun kwamen en waren we nu nog 5 K.M. van ons doel van vandaag Ste-Menehould.

We hadden dezen langen weg in zeer korten tijd afgelegd en hadden we ons doel vandaag weer schitterend bereikt.

Het was nu ongeveer kwart over 8 en even later ging den weg een weinig naar beneden en kwamen we deze stad aan de Aisne binnengereden.

We kwamen eerst door de Rue de Florion vervolgens over de Place d.Austerlitz waarna we in de hoofdstraat de Rue Chanzij kwamen waar we een Hotel opzochten en stapten we af bij Hotel de Metz, waar we konden logeeren.

Als we onze rijwielen weer opgeborgen hadden gingen we ons eerst flink wasschen hetgeen ons lekker opfrischte na zulk een lange rit.

We gingen daarna een uitstekend verzorgd maal gebruiken waarna we weer van alle behoeften voorzien waren en nog een poosje in het Cafe gingen zitten praten met de eigenaar van het Hotel en diens vrouw.

Zij konden het moeielijk gelooven dat wij vanmorgen uit Parijs waren vertrokken en een afstand van meer dan 200 K.M. hadden afgelegd per rijwiel.

Als we hier een poosje gezellig hadden zitten praten en we een paar kaarten hadden gekocht welke ik nadat ze geschreven waren ging posten want we moesten morgen weer verder en stond ons dan weer zwaar werk te wachten daar onzen weg dan over hooge bergen leidde en eveneens door het uit den oorlog zoo goed bekende Argonneswoud.

Tot morgen dus.


Vrijdag 10 Augustus Ste Menehould. – Revin. 175 K.M.

 

Om 7 uur waren we reeds wakker en gingen we ons voor onze 7e Rit gereedmaken.

De zon stond reeds fel aan den hemel te schitteren hetgeen vandaag de noodige hitte beloofde.

Nadat we flink ontbeten hadden gingen we weer vertrekken en kwamen we over de Place-de-l-Hotel-de-Ville, en daarna door de Avenue Victor-Hugo, en bij het begin van de Route de Verdun, bij het station gingen we eerst aan een fonteintje onze kruikjes vullen want er zou vandaag weer op tijd gesmeerd moeten worden want het was nu reeds flink warm geworden.

We stapten daarna weer op en we moesten onmiddelijk reeds aan t klimmen.

Den weg was hier echter bijzonder prachtig geasphalteerd en zeer breed, hetgeen ons tot een genoegen was en ons eene prettige stemming bezorgde en al klimmende kwamen we langs het plaatsje La-Grange-aux-Bois hetwelk is gelegen bij het begin van het befaamde Argonneswoud.

Den weg liep nu evenals den spoorweg welke ongeveer met den weg parallel loopt, door eene zeer mooie vallei met aan weerskanten hooge met prachtige mastboomen begroeide bergen en kwamen we vervolgens langs Germeries en La-Vignette, en bij Les Islettes kwamen we over een groot wegenkruispunt en even later over den spoorweg en bleven we deze nu weer aan onzen linkerkant volgen.

Als we dan gezellig zaten te rijden in deze overschoone omgeving passeerde ons een Duitsche Auto en ging het volgende gesprek natuurlijk over de Duitschers en den oorlog, welke hier in deze streek den genadeslag hebben gekregen en 4 jaar lang hebben gevochten om hier door te komen hetgeen nimmer gelukte en nu vreedzaam in een Auto vrij rondrijden.

Als we zoo gezellig zaten te kouten kwamen we bij het dorp Clermont-en-Argonne, voor welke plaats we even geducht moesten klimmen zoodat we geen tijd meer hadden om te babbelen, we werden er aardig warm van, en bij het verlaten van deze plaats kwamen we aan het kruispunt der wegen Ste-Menehould – Verdun, en Varennes – Bar-le-Duc, en was het daarna al weer klimmen zoodat we even later het dorpje Vraincourt doorstormden waarna we een mooi panorama kregen te zien op het dorpje Parois hetwelk zeer schilderachtig is gelegen aan het riviertje de Coursances.

Als we dit dorpje binnenkwamen moesten we weer over den spoorweg en bij het verlaten nogmaals waarna we langs de eveneens mooi gelegen dorpjes Recicourt en Dombasle kwamen voor welks laatste dorp we nogmaals den spoorweg moesten oversteken hetgeen zich nog een 4 tal malen zou herhalen en we in Verdun zouden zijn waar we nu nog 17 K.M. vandaan waren.

Dit vind zijne oorzaak in het bergachtige van deze streek en den spoorweg evenals den verkeersweg leiden al kronkelende en zwenkende tusschen deze bergen door.

We passeerden daarna Jouij-en-Argonne. – Blercourt. – Nixeville en Le-Moulin-Brûte.

Heel in de verte zagen we op een hooge berg een Monument hetwelk aan de afstand te zien voorbij Verdun moest zijn en een weinig noordelijker dan deze stad welke we al meer en meer naderden.

We zagen lings over de groote vallei heen boven op de hooge bergen de Forten “Des Sartelles” en “Du Chana” en een weinig verder het Fort “De la Chaume” welke allen op eene hoogte van 280 tot 310 meter gelegen zijn.

Rechts van ons op den hoogen berg langs welke helling onzen weg leidt moet zich het Fort Regret bevinden eveneens op eene hoogte van 314 meter doch we konden hier van niets zien.

Even later kwamen we door het dorpje Regret waar we naar beneden gingen en konden we aan de omgeving zien dat hier alles plat geschoten is geweest doch er is weer veel hersteld al is het geheel nog een ongeordente warboel, hetwelk we nog beter konden zien toen we bij het begin van deze stad kwamen.

We kwamen eerst langs de Citadel en daarna door de Avenue Garibaldi bij het Station waar we door eene oude stadspoort op de Place St Paul kwamen vervolgens door de Rue St Paul en in de Rue Marel juist tegenover de Rue-St-Esprit zagen we rechts een ontzaggelijk groot oorlogsmonument hetwelk een fort voorstelde en daar het bovengedeelte nog met een groot doek bedekt was konden wij het dus niet in zijn geheel zien.

Dit monument moest dus nog onthuld worden want het zag er geheel nieuw uit en was gebouwd uit geelachtige mergelsteen.

We gingen weer verder te voet door de Rue Marel en over de Place Marel, waar het juist marktdag was en een weinig verder in De Rue de Rû zagen we eene groote Markthal en heerschte hier overal een druk vertier.

We gingen hier tegenover bij een Rijwielhandelaar onze rijwielen wat smeren want onze kettingen begonnen om olie te smeken waarna we hierneven in een winkel een paar reuzenkommen melk gingen drinken welke ons flink opmonterden.

Daarna gingen we weer terug naar de Place Marel waar we rechts af gingen door de Rue-Beaurepaire waar we aan een winkel juist voor de Maasbrug wat Ansichtkaarten gingen koopen, waarvan we meteen de noodige schreven om weg te zenden, waarna we over de brug in het parkje op een bank in de schaduw gingen zitten om wat uit te blazen want het was weer geweldig heet in de brandende zonneschijn.

Als we hier een poosje hadden gezeten stapten we weer op en nadat we onze kaarten nog even gepost hadden gingen we de Stad Verdun weer verlaten.

We reden langs de Maas en als we aan den overkant de fraaie groote stadspoort zagen genaamd de “Porte Chaussée” waren we weer spoedig buiten de stad.

Als we even later bij de Avenue Miribel de Pont-de-Galevaude passeerden en we een weinig geklommen hadden kregen we hier een prachtig gezicht op de Stad, welk panorama nog mooier werd als we even later na eene klimpartij nog eens omkeken.

Even daarna kwamen we door het geheel nieuwe dorp Belleville waarna we weer over zeer hooge bergen moesten klauteren met enorm slechte wegen en daarbij was hier den ganschen omtrek zoo kaal als een luis en stond er nergens een boom of struik meer.

We zagen hier op de bergtoppen de enorm sterke Forten welke wegens zijne natuurlijke sterkte daar zij in de bergen zijn ingebouwd als onneembaar worden beschouwd.

Zoo kwamen we eerst langs het Fort Belleville daarna een weinig verder van den weg gelegen Douaumont, en even later bij het dorpje Bras zagen we rechts in de verte het groote gedenkteeken hetwelk we straks vóór we in Verdun waren reeds gezien hadden.

Dit is n.m. een Monument-Kapel, als aandenken aan de gevallenen bij Douaumont en is genaamd “l Ossuaire”.

Het is een prachtig bouwwerk met sierlijke toren welke aan de 4 zijden een kruis voorsteld evenals de kapel zelf welke ook in kruisvorm is gebouwd.

Ook is hierbij in de buurt eene begraafplaats van gevallen Amerikanen waar 14095 soldaten begraven zijn en op elk graf een wit kruis geplaatst is.

Als we door deze doodsche kale vlakte over een erbarmelijk slechten weg verder reden kwamen we bij het dorpje Vacherauville waar we eene groote begraafplaats van gevallen soldaten passeerden en bij eene splitsing van den weg zagen we een mooi monument welke een witte engel voorstelde met als opschrift “Glorij”.

Het bleef hier maar steeds een en al kale vlakte met groote bergen en ontzettend slechte wegen en daarbij was de zon zoo brandend heet dat het wel geleek of we ergens in Afrika verzeilt waren geraakt.

Als belooning voor dit zware werk kregen we prachtige panoramas en vergezichten te aanschouwen en we passeerden al klimmende en dalende de geheel herrezen dorpjes Champneuville, Samogneux en Brabant-sur-Meuse, en zagen we hier nog overal de loopgraven en granaatkuilen welke nog in denzelfden toestand verkeerden als tijdens den oorlog en was hier alles nog een en al woestenij.

Vervolgens kwamen we bij het dorp Consenvoije waar we weer een groot kerkhof passeerden van gesneuvelde Duitschers welke kenbaar zijn aan de zwarte kruisen op de graven.

We vervolgden verder onzen weg door deze mooie Maasvallei met zijne zeer vele kleine maar sterk klimmende heuveltjes welke het rijden zeer lastig maakten en al klimmende en dalende kwamen we langs Sivrij-sur-Meuse, Vilosnes-sur-Meuse, Linij-devant-Dun, en Dun-sur-Meuse, welks laatste dorp weer bijzonder mooi gelegen is in eene diepte.

Bij het verlaten van Dun moeten we weer aardig de hoogte in en als we na eene lange klimtocht boven waren gekomen stapten we even af om van het schitterende panorama te kunnen genieten.

Overal langs den weg zagen we hier ontelbare gedenkteekens van den oorlog waarbij meestal een paar Mitrailleurs of Bommenwerpers waren geplaatst.

Als we het dorpje Millij voorbij waren zagen we langs den weg weer fruitboomen staan en gingen we er eens een proefje van nemen waarna we weer onzen weg vervolgden en na een paar K.M. kwamen we bij het dorpje Mouzaij doch eer we dit bereikt hadden kreeg ik een defect aan mijn freewiel hetwelk begon door te slaan.

Nadat ik een paar maal tevergeefs had geprobeerd om het weer in orde te krijgen stapte wij af en moest ik mijn wiel omzetten en was ik genoodzaakt om voortaan met eene groote versnelling te rijden hetwelk hier in de bergen eene zware toer zou zijn maar er zat niets anders op.

Als we weer gereed waren ging het weer verder en na een paar KM kwamen we bij het mooie stadje Stenaij hetwelk een weinig lings van onzen weg was gelegen.

We gingen hier dus lings af om in het centrum een Restaurant op te speuren om te eten want we kregen er wel zin in.

We reden door de Avenue Gambetta, en Rue Porte de Bourgogne waarna we op de Place-de-la-Republique kwamen met zijne prachtige oude winkelgalerijen waar we ons aan een fonteintje wat gingen verfrisschen waarna we te voet over de Place de Tribunal gingen waar we aan een Restaurantje niet slaagden om wat te eten.

We gingen weer verder en in de Rue Chanzij gelukte het ons om eens flink te kunnen bunkeren.

Terwijl men ons maal gereed maakte gingen we een paar ansichten en wat sigaren koopen in de Rue-de-l-Hopital, waarna we weer op ons restaurant afgingen waar inmiddels ons eten gereed was.

De spiegeleieren met ham en brood met koffie smaakten ons uitmuntend en als we dit verorberd hadden dronken we nog een paar flesjes bier waarbij we met een paar menschen in gesprek kwamen welke eveneens raar op keken toen zij hoorden wat wij zooal per rijwiel hadden afgelegd en nog moesten rijden het ging hun waarlijk boven hun pet uit.

Als we hier dan voldoende gepauzeerd hadden gingen we weer vertrekken en zochten we weer den grooten weg naar Sedan op en weer flink versterkt ging het vervolgens langs Servisij, Martincourt, en Inoir waar we weer een geduchten berg te verwerken kregen en als we dan na hard werken boven gekomen waren, zagen we hier lings van den weg op den rand van den diepen afgrond een zeer groote kei of rotsblok, met een Plaquette er op in den vorm van eene ster, en als we daarna weer met een reuzenvaart naar beneden waren gestuifd kregen we onmiddellijk weer een kanjer van een berg te nemen waar bovenop weer zulk een kei met Plaquette geplaatst was en vanaf deze hoogte kregen we weer schitterende panoramas te aanschouwen.

Als we dan inmiddels de dorpjes Autreville, Moulins en Mouzon waren gepasseerd leidde onzen weg meer van de Maas af in de richting van Douzij welke plaats we via Amblimont en Mairij bereikten en waar we op den grooten weg Sedan – Montmedij kwamen welke hier onzen weg kruisten.

We gingen hier weer lings af en waren we nu nog 8 K.M. van Sedan welke Stad we spoedig bereikten via Le-Rulle, Bazeilles, en Balan, nadat we even voorbij dit laatste dorp nog even hadden moesten stoppen voor een klein defectje.

De Bagagedrager van mijn collega was door al dat schokken en schudden los gegaan en hoorde ik dat er iets aan zijn rijwiel niet in orde was.

Dit was echter spoedig verholpen waarna we de Stad Sedan inreden welke eene industriestad bleek te zijn.

Wij kwamen in de Faubourg de Menil en in de Rue-Vuidey-Bizot langs een aantal weverijen waarvan we de weefstaelen hoorden kletteren en in laatstgenoemde straat kwamen we lings voorbij eene groote kazerne waarna we op de Place Nassau terecht kwamen waar een groot gedenkteeken stond.

We gingen hier weer lings af door de Rue Philippoteaux, waar we aan een fonteintje ons nog eens lekker gingen verfrisschen, en als we daarna weer verder gingen kwamen we langs de Place-d-Alscace-Lorraine waar een groot aantal kermistenten stonden en midden op dit groote plein stond een groot monument van den oorlog van 1870-1871.

We reden verder en kwamen daarna bij het Station waar we weer rechts af door de Rue Jean-Jauxes en vervolgens door de Rue Thiers reden waarna we op de Place-Torcij een paar kaarten gingen koopen en tevens schrijven om naar huis te zenden.

Waarna we weer terug reden door de Rue Thiers en Rue-de-Paris waarna we door de Avenue de la Marne kwamen waarna we weer spoedig deze stad weer verlaten hadden.

Als we even buiten de stad waren moesten we al weer omhoog en onder het klimmen kwamen we lings van den weg voorbij een groot Kasteel met grooten tuin welke beplant was met een groot aantal prachtige mastboomen welke echter voor het grootste gedeelte het gezicht op het Kasteel benamen.

We kwamen vervolgens weer door een aantal langs de Maas zeer prachtig gelegen dorpjes en als we bij het dorp Frénais kwamen waar we weer hoog in de lucht zaten zagen we achter ons weer een schitterend panorama met de Stad Sedan gedeeltelijk achter het groote kasteelbosch verscholen en konden we niet nalaten om onze aandacht nog eens extra aan dit mooie landschap te weiden waarna we weer verder langs Doncherij en Pont-a-Bar, waar we over de brug der rivier de Bar kwamen welke hier in de Maas uitmondt.

Verder kwamen we langs Dom-le-Mesniel en Flize, langs welke weg we steeds weer nieuwe en mooie landschappen te aanschouwen kregen waarbij we mooie gezichten hadden op de dorpjes aan de overzijde der Maas.

We naderden nu langzaam aan Mézières en Charleville en nadat we Claire les Aijvelles en Villers-Semeuse voorbij waren waarbij we langs het fort Aijvelles waren gekomen kwamen we in de voorstad Mohon waar we over een pas opgebroken weg moesten rijden hetwelk een halsbrekende toer was daar hier enorm groote stukken keisteen over den weg gestrooid was.

We hielden ons echter taai tot dat we deze lastige hindernis voorbij waren.

Thans kregen we een slechten keiweg met groote keien hetwelk hoewel niet lekker toch nog beter was dan den weg van daar even geleden en als we dan een poosje op deze groote keien gehobbeld hadden arriveerden we in de stad Mézières op de Route de Mohon waar den weg naar Reims bij onzen weg uitkomt en even verder bij het Station gingen we rechts af over den overweg en kwamen we in de Rue-du-Faubourg-de-Pierre en als we deze straat ten einde waren kwamen we over de prachtige nieuwe brug over de Maas genaamd Pont-de-Pierre, daarna kwamen we door de Rue Thiers waar we weer rechts af door de Rue Monge en daarna op de Place-d-Armes.

Als we nu weer de Grande Rue volgden kwamen we weer over de Maas.

Dit komt n.m. doordat de Maas zich hier zig zags gewijze een weg door deze omgeving baant.

Nadat we over de Place-de-la-Republique in de Avenue-de-Charleville kwamen gingen we hier in een boekwinkel een paar kaarten koopen waarna we te voet verder gingen onder het viaduct van den spoorweg door hetwelk de grens vormt tusschen deze twee steden n.m. Mézières en Charleville, en gingen we aan een Café op den hoek der Cours-d-Orleans, en Avenue-de-Meziëres, een paar glaasjes bier drinken want het was weer warm en we schreven meteen onze kaarten.

Als we weer opstapten gingen we eerst onze kaarten posten en reden we verder door de Cours-d-Orleans, vervolgens door de Rue Thiers en Grande Rue waarna we op het prachtige Place-Ducale kwamen hetwelk met zijne bijzonder fraaie in een mooie stijl gebouwde groote gebouwen een zeldzaam prachtig plein is.

Als we dit fraaie plein dan overgestoken waren kwamen we door de Rue du Moulin waarna we aan de Maas kwamen bij de Quai de Moulinet welke we nu weer volgden en vervolgens langs de Place-de Moulinet door de Rue de Nouzon kwamen waren we weer buiten deze dubbele stad.

We kwamen thans op de Route-de-Fumaij en zou voor ons het zwaarste klimwerk van onze gansche toer beginnen.

We kwamen thans door het Bois-de-Havetière en moesten we hier alle zeilen bijspannen om vooruit te komen daarbij was den weg hier erbarmelijk slecht en waren we hier als t ware in eene wildernis en was er nergens geen enkel huis of iets dergelijks te bespeuren het was hier niets dan Bosch, Bosch en nog eens Bosch.

Als we dan een poosje gereden, of liever gezegd gestompd hadden kwamen we aan een splitsing van den weg en als we deze splitsing even voorbij waren voelde ik instinctmatig dat we den verkeerden weg genomen hadden waarna we weer omkeerden en den anderen weg opreden welke nog veel slechter bleek te zijn en welke ons nu door het Bois-d-Arreux voerde en was het hier maar steeds zeer zwaar klimmen met af en toe even afgewisseld door eene kleine daling doch niettemin bleven we op eene groote hoogte en gingen we meer omhoog dan omlaag en nadat we nog eene lange klimtocht hadden gehad kwamen we allengs in het dorpje Sécheval waarna we een iets minder klimmenden weg kregen welke echter eveneens zeer slecht en mul was en als ons even later een Auto passeerden hetwelk bijna het eenige teeken van eenig menschelijk wezen op onzen ganschen weg vanaf Charleville zaten we doordat hier tusschen deze dichte bosschen niet het minste windje was geruimen tijd in eene dichte stofwolk gehuld en konden we bijna niets meer zien en als we daarna weer een heel eind geklommen hadden kwamen we met eene kleine daling in het dorpje Les-Mazures en aan de vaalwitte huizen en het kerkje te zien geleek het wel of we ergens in Palestina doende waren.

We waren thans op eene groote hoogte en niet ver meer van ons doel van vandaag n.m. Revin, dus ik vermoedde dat het klimmen wel bijna gedaan zou zijn en we wel een aardig eindje naar beneden zouden gaan, daar Revin aan de Maas, en dus niet op eene hoogte gelegen was, doch we zouden tot besluit vandaag nog eens even aan den tand gevoeld worden.

We waren nauwelijks het kerkje van Les-Mazures gepasseerd of daar ging het nog eens geweldig naar boven.

Als we even hadden geklommen, hetgeen voor mij daar ik nog steeds met eene groote versnelling moest rijden bijzonder zwaar werk was, en ik een slokje wilde drinken tuimelde ik bijna van mijn fiets toen ik mijne eene hand los liet van mijn stuur om mijn drinkkruikje te nemen daar den weg sterker op liep dan ik vermoedde en ik plots stilstond.

Ik bleef toch nog ter been en toen ik omkeek zag ik wel waarom ik bijna geduikeld was en zag ik het dorpje Les-Mazures, in een diepen kelder liggen en als ik dan een weinig gedronken had stapte ik weer op hetgeen op deze steile helling een groote kunst is en begon ik weer te stompen om mijn reisgezel weer in te halen welke ondertusschen maar voort geploeterd was waarbij hij zich kranig had gehouden om tegen deze hoogte op te klauteren.

Als we dan weer bij elkaar waren en we even op een kleine effenheid van den weg hadden gereden begon deze een weinig te dalen en hadden we daarna voor en rechts van ons eene geweldige diepte waarvan aan den overkant eveneens zeer hooge bergen tegen den hemel afstaken.

We gingen thans met een reuzenvaart naar beneden doch daar het inmiddels avond begon te worden was het tusschen deze hooge met donker geboomte begroeide bergen en rotsen vlak langs den weg met gevaarlijke bochten wel raadzaam om voorzichtig te zijn en we remden dan ook hevig om niet den hals te breken daarbij was den weg niet al te best en reden we met groote vaart soms over groote steenen en gaten in den weg, dus het was hier opletten, het bleef maar steeds met groote vaart naar beneden gaan en werden we nu pas gewaar hoe hoog we hadden moeten klimmen.

Mijn makker was een weinig vooruit gesnort doch ik had hem eerst aangeraden om voorzichtig te zijn vooral op de bochten welke de gevaarlijkste punten zijn.

Nadat we geruimen tijd gedaald waren zagen we ons doel Revin voor ons rechts in de diepte liggen hetwelk tusschen deze hooge bergen en aan de mooie rivier de Maas schitterend is gelegen even daarna belanden we veilig en wel in dit “Eldorado” van natuurschoon en gingen we bij aankomst onmiddellijk op zoek naar een Hotel, en nadat we even over de prachtige nieuwe maasbrug hadden rond gekeken gingen we weer naar het centrum van dit mooie dorp terug en namen we onzen intrek in Hotel “Moderne” Avenue Danton 11.

We gingen eerst onze rijwielen bergen waarna we ons eens flink gingen wasschen want we zagen er uit als mooren.

We lieten onderwijl een flinken maaltijd gereed maken hetwelk ons ditmaal extra smaakte.

We bleven daarna nog wat zitten praten en schreven we onderwijl een paar kaarten welke we daarna aan het station gingen posten, waarna we weer naar ons Hotel terug gingen waar we onze kamer opzochten want we hadden vandaag eene moeielijke taak achter den rug en weldra sliepen we als marmotten.


Zaterdag 11 Augustus Revin - Tongeren 165 K.M.

 

Om half zeven waren we reeds wakker en nadat we ons gekleed en gewasschen hadden gingen we naar beneden ons ontbijt gebruiken.

Het was weer prachtig weertje vandaag en als we ons weer gereed hadden gemaakt nadat we nog even eene kleine wandeling door dit mooie plaatsje hadden gemaakt en de rijwielen nog eens geinspecteerd waren gingen we omstreeks half negen weer op stap, we bleven nadat we over de 2 bruggen waren den linker oever van de maas volgen en hadden wij op dezen weg welke nu ongeveer gelijk is de prachtigste gezichten op de hooge bergen dezer schoone Maasvallei.

Rechts over de Maas zagen we de bergen genaamd Mont “Malgri-Tout” en Mont “Tranet” resp 427 en 454 meter hoog en lings van ons verhefte zich het hooge berg massief van “Trou-Serpent” met eene hoogte van 405 meter, vervolgens kwamen we langs de rots genaamd La Roche Coupie welks steile rotsmuur vlak langs den weg is gelegen en een weinig verder kwamen we langs Les-Roches-de-Mensch welke zijne kale rotstoppen 400 meter hoog de lucht in steekt en waar we aan den voet daarvan eene groote granietmalerij zagen welke we naar gelang we vorderden nog meerdere passeerden welke deze prachtige omgeving van natuurschoon danig verminken en zagen we op sommige plaatsen enorme groote gapingen in deze rotsbergen waar men reeds vele jaren het z.g. hardsteen hadden uitgehaald en schenen deze groote openingen als het ware diepe wonden geslagen in deze mooie natuur.

Nadat we eenigen tijd door deze prachtige Maasvallei hadden gereden kwamen we bij het eveneens zeer schilderachtig gelegen plaatsje Fumaij en kwamen we bij het begin van deze plaats even voorbij het station langs eene groote werkplaats waar men leien vervaardigd en zagen we hier aan beide zijde van den weg maar vooral aan den rechterkant eene ongelooflijke hoeveelheid leien allen van eene roodgrijze kleur.

Als we hier voorbij waren kwamen we in de Avenue Jean-Jaurés waar den weg naar Rocroij bij onzen weg uitkomt langs welke weg ik voor 6 jaren terug ik bij mijne terugreis van mijne 2e Rit naar Parijs eveneens deze plaats binnenkwam.

Vervolgens kwamen we op de Place d Armes waar een fraai oorlogsmonument is opgericht en met de vele eigenaardige huizen en hellende wegen is dit een tijpisch plaatsje.

We stapten hier af om van dit mooie plaatsje ook een paar kaarten te koopen en gingen we naar de Grand-Rue en verder naar de Place-de-l-Hotel-de-Ville, waar we weer rechtsomkeert maakten en in de Grand-Rue een winkel binnengingen waar we een aantal kaarten kochten vooral mijn collega scheen deze plaats sterk te interreseeren hij kocht tenminste een heele partij kaarten van deze streek en als we er ieder eentje naar huis geschreven hadden gingen we deze naar de Place-d-Armes posten.

We gingen daarna naar een fonteintje om onze kruikjes te vullen en als we hier aankwamen arriveerden hier eveneens 2 toeristen per rijwiel welke ons van verre reeds toewuifden deze gingen zich hier eveneens wat verfrisschen, een van deze twee was eene vrouwelijke touriste en de rijbroek welke zij droeg paste haar wat net.

Zij schenen eveneens al geruimen tijd op toer te zijn zij waren tenminste evenals wij ook door de zon gebruind.

Als we daarna van hen afscheid hadden genomen gingen wij weer vertrekken en volgden we weer verder den linker Maasoever evenals den spoorweg welke hier met de Maas en den weg parallel loopt.

We kwamen thans weer langs verschillende graniet werkplaatsen vooral bij het dorpje Haijbes was zulk een inrichting van grooten omvang.

We kwamen nu achtereenvolgens langs Fepin, Montignij-sur-Meuse en daarna aan het spoorwegknooppunt Vireux-Molhain met zijn reusachtig spoorweg emplacement.

Bij het dorpje Hierges moesten we nog wat klimmen daar de Maas hier met een groote bocht onzen weg verlaten had en als we hiermede bezig waren kwamen ons een 6 tal Hollandsche Autos tegen dicht achter elkaar.

Als we het dorpje Hierges gepasseerd waren en we over het viaduct van den spoorweg kwamen zagen we lings van den weg op eenigen afstand een oud kasteel hetwelke zeer mooi gelegen was op eenige hoogte tusschen hooge bergen.

Wij vervolgden verder onzen weg en nadat we af en toe nog wat hadden moeten klimmen kwamen we weer onder den spoorweg door waarmede we weer bij de Maas waren gekomen en naderden we de grensplaats Givet als we eerst een paar scherpe bochten in den weg gepasseerd waren zagen we van verre reeds het Fort “Charlemont” hetwelk zeer hoog op een rotsberg is gelegen.

Even later kwamen we langs de Ruine van de oude Kazerne “Rougé” welke is gelegen tusschen de Maas en den weg en hetwelk een prachtig bouwwerk is geweest en eene lengte heeft van 500 meter en welke is verwoest bij het bombardement der Duitschers in Augustus 1914.

Vlak boven deze kazerne is genoemd Fort “Charlemont” gelegen.

Hierna kwamen we over de Quai-de-Rome, en bij den Boulevard-des-Remports kwamen we langs een fraaie oude toren waar eene tentoonstelling werd gehouden.

We beschikten echter over te weinig tijd om er eens een kijkje te gaan nemen.

Aan de overzijde der Maas zagen we eveneens een oude toren genaamd “Tous Gregoire”.

We reden hier lings af de stad in waarna we op de Place Carnot afstapte waar we een paar kaarten gingen koopen welke we daarna onder de veranda van een Cafe hier vlak bij onder het drinken van een paar glazen bier gingen schrijven waarmede we ons laatste Fransch klein geld opmaakten.

Nadat we hiertegenover op eene bank ons weer van Belgisch geld voorzien hadden trokken we weer af en reden we eerst door de Rue Thiers waarna we lings af de Rue-d-Estrée volgden waarna we op de Place-Mehul kwamen hetwelk een zeer groot vierkant plein is beplant met mooie lommerrijke boomen.

Vervolgens reden we door de Route-de-Bon-Secours en waren we hierna eveneens uit deze laatste Fransche Stad vertrokken en ging het nu op de Belgische grens af welke we vrij spoedig via Bon-Secours bereikten bij Heer-Agimont, en als we de Fransche Douane zonder af te stappen passeerden het geen we ook niet behoefden werden we door een Ambtenaar terug geroepen waaraan we ook gevolg gaven.

Men wilde n.m. onze papieren controleeren welke in orde bevonden werden waarna we weer konden vertrekken en even later kwamen we bij de Belgische Douane en waren we weer op Belgsich grondgebied.

We zagen hier eene fraaie nieuwe brug over de Maas en als we hier eveneens onze papieren ter inzage hadden gegeven bleven we wederom deze rivier volgen door deze eveneens zeer prachtige Maasvallei met zijne hooge met fraai groen begroeide rotsen.

Al spoedig bereikten we het liefelijk gelegen dorpje Hermeton waarna we een interessant gezicht kregen op de hooge bergen van den bocht van Hastiëre, de Maas maakt hier een sierlijken grooten bocht naar rechts om zich daarna even voor Waulsort weer naar lings te wenden.

Het is hier allerprachtigst van omgeving en is het juist of de Maas voor deze hooge bergen ophoud.

We peddelden vergenoegelijk door deze mooie streek verder over den bijzonder goeden weg en bereikten we spoedig het mooie toeristenplaatsje Hastiëre en was het hier overal druk van de Toeristen en Vacantiereizigers welke hier in deze mooie streek hunne ontspanning kwamen zoeken.

Wij peddelden echter maar altoos verder en na een poosje bereikten wij het eveneens zeer druk bezochte plaatsje Waulsort, waar we bij het passeeren een fotograaf bezig zagen met fotos te nemen.

We namen toen spoedig een besluit en stapten af om een kiekje van ons te laten maken in deze mooie streek.

We vernamen van de fotograaf dat dit in een half uurtje geschied was en wij de fotos konden meenemen waarop we van deze gelegenheid gebruik maakten en weldra stonden we op de gevoelige plaat.

We maakten onderwijl een praatje met een Hollandsche Heer en Dame welke zoo juist eveneens gefotografeerd waren en vertelden wij hun van onze reis.

Zij vonden het eene enorme prestatie om in rond 9 dagen 1500 K.M. te rijden en was het hun bijna niet te overtuigen dat dit wel het geval was.

Als we met hun een poosje gezellig hadden gepraat waren intusschen onze fotos klaar en daar deze nog nat waren bevestigen wij ze in ons drinkgarnituur en daar het nog al warm was zouden ze spoedig droog zijn verzekerden ons den fotograaf.

Nadat we afscheid hadden genomen van onze landgenooten stapten we weer op en waren we bijzonder in onzen schik dat de fotos zoo goed geslaagd waren.

Als we Waulsort voorbij waren kregen we een prachtigen betonweg en was het rijden hier een ware lust, en als we een eindje verder waren en onze fotos droog waren stapten we nog even af om deze nog eens goed te bekijken waarna wij ze in onze Portefeuille borgen waarna het weer verder ging.

Nadat we nog een poos door deze mooie streek hadden gereden naderden we allengs de Stad Dinant en nadat we bij Anseremme onder de groote spoorwegbrug over de maas waren gekomen zagen we even later aan den overkant der rivier de fraaie rots de “Baijard” welke eene zeer smalle rotsmuur is welke als t ware eene schutting vormt naast de Maas en eene nauwe opening heeft waar den weg langs de Maas doorloopt.

Het voetstuk dezer rots reikt tot in het water der Maas.

Thans kwamen we aan de eerste huizen van Dinant en zagen we aan de overzijde der rivier een groot aantal kermiskramen en spullen op de Promenade-de-Meuse en Place-d-Armes, waaruit we opmaakten dat het hier morgen kermis zou zijn even later kwamen we bij de fraaie nieuwe Maasbrug daar de oude in den oorlog was opgeblazen evenals al de andere bruggen van deze rivier.

Vlak bij deze brug kochten we aan eene kiosk een paar kaarten welke we tevens schreven om naar huis te zenden.

Aan de overzijde der rivier zagen we de fraaie gerestaureerde Notre-Dame-kerk met daar achter hoog bovenuit op de rotsen de Citadel.

We gingen daarna weer vertrekken door de Rue-de-la-Station, waar we langs het station kwamen en als we even daarna over den overweg kwamen waren we weer buiten deze plaats waarna we in het dorpje Bouvignes met zijne fraaie ruine Crevecoeur kwamen en als we dit dorpje even voorbij waren passeerden we de bekende rotsen genaamd “Rochers-du-Mont-Noir” welke zich op een punt boven den weg verheffen.

Deze streek is hier eveneens bijzonder mooi en even daarna zagen we aan den overkant der rivier boven op de bergen de ruines van den Tour-des-Geronsarts en het Chateau-des-Poilvache,vervolgens kwamen we langs Anhée, Hun en Annevoie-Rouillon langs welke weg we gezelschap kregen van een besteller der Posterijen welke ferm zat te trappen en dit werkte een beetje aanstekelijk (op mij tenminste) en daar ik vermoedde dat hij geen Vlaamsch of Hollandsch verstond zeide ik tegen mijn reisgezel dat wij hem zoo meteen eens zouden laten fietsen en ik er tusschenuit zou trekken en even later begonnen wij te spurten al wat wij konden en was hij meteen gelost.

Hij bleek zich echter zoo maar niet gewonnen te geven, althans hij spartelde ook al wat hij kon om weer bij te komen hetgeen echter tevergeefsch was want wij reden zoo gemakkelijk dat er van ophouden of moe worden geen sprake was en bleven wij in eene ferme vaart doorrijden tot dat hij ver genoeg achter was waarna wij weer ons gewone tempo gingen rijden.

Als we daarna Annevoie gepasseerd waren kwamen we aan den grooten bocht der Maas bij Gadinne waar we aan den overkant boven op een berg een zeer groot wit gebouw hetwelk een Sanatorium bleek te zijn.

De Maas maakt hier zulk een groote bocht dat wij dit Sanatorium eerst aan de voor en daarna aan de achterzijde konden zien.

Als we daarna de mooi gelegen plaatsjes Riviëre, Profondeville, Fooz, en Wepion gepasseerd waren en we in laatst genoemde plaats nog eens ferm over de groote keien hadden moeten hobbelen bereikten we de stad Namen en reden we hoewel dit niet op onzen weg was gelegen deze stad in om wat te gaan eten en een Ansichtkaart te schrijven.

We kwamen bij de Avenue-de-Pare bij de Maasbrug genaamd Pont-de-Jambes, waarover wij straks onzen weg verder zouden vervolgen.

We reden nu echter door langs den Boulevard Ad-Aquam, waarna we lings af over de Place-Hegeljan kwamen waar we op den hoek van de Rue-du-Pont een paar kaarten gingen koopen en tevens wat sigaretten kochten.

Als we daarna op de Grand-Place kwamen gingen we in de Rue-de-l-Ange in een Restaurant onze magen weer op peil brengen waarna we weer terug gingen naar de Pont-de-Jambes en weldra waren we aan den anderen oever der Maas welke we nu voortaan zouden blijven volgen tot Hoeij.

We waren nu in het voorstadje Jambes waar we de Avenue-des-Acasias volgden welke eene flinke breede straat is en als we daarna het station voorbij waren gingen we lings af over de Route de Liège waar we een prachtigen betonweg kregen waar het als van een leien dakje ging.

We kwamen thans in een der voornaamste mijnstreken van België en bevinden zich hier voornamelijk kalk en erstmijnen.

Ook aan de overzijde der Maas zagen we thans vele groote fabrieksgebouwen en zeer hooge schoorsteenen welke bovendien nog boven op de bergen gebouwd waren en vervolgens kwamen we langs de dorpen Lives, Naméche Bruijére en Sclain langs welke weg een groot aantal Kalk Erts en Steenkoolmijnen waren gelegen.

We naderden nu het mooi gelegen stadje Andenne van welke plaats we even een slechte weg kregen met diepe gaten er in en even later werd het heelemaal mis met den weg.

Men was hier den weg aan t vernieuwen en werd het verkeer langs een anderen weg geleid.

Wij hadden echter geen trek om dien omweg te maken en trachtten zoo goed en zoo slecht als maar kon om hier te passeeren.

We kregen het toch klaargespeeld en ging het nu op Andenne af waar we spoedig arriveerden.

Ik postte hier bij de brug mijn kaart uit Namen hetgeen ik nog vergeten was.

Mijn reisgenoot was inmiddels maar doorgereden en was zoodoende een heel eind vooruit heel in de verte zag ik hem nog gaan en zag ik hem plots in de bosschen langs den weg verdwijnen welks voorbeeld ik toen eveneens volgde en nadat we Andenelle voorbij waren kwamen we langs de dorpjes Gives en Ben-Ahin, waar we bij het begin van dit laatste dorp ons nog eens heerlijk gingen verfrisschen aan eene fontein langs den weg, waarna we weer lekker verkwikt verder gingen.

Het was vandaag weer ontzettend heet dus zulk een verfrissching deed ons goed.

We bereikten nu spoedig de prachtig gelegen stad Hoeij, met zijne prachtige nieuwe spoorbrug over de Maas en de hoog op eene rots gelegen Citadel en nadat we onder de fraaie nieuwe spoorbrug door waren gereden kwamen we in de Rue-de-Namur, waar op het einde bij de Rue-du-Pont, de prachtige hoofdkerk met zijn hooge vierkante toren en als we deze voorbij gekomen waren zagen we in de Rue-du-Pont dat de Maasbrug geheel versierd was maar voor welk doel konden we niet bespeuren.

We reden verder over de brug onder de Guirlandes en vlaggen door, waarna we in de Rue-Neuve kwamen waar we weer een paar kaarten kochten welke we nadat we deze geschreven hadden gingen posten op de Place-des-Deux-Portes, waarna mijn metgezel in de Rue-Entre-Deux-Portes in een winkel een paar toeclips ging koopen waarvan hij er een aan zijn pedaal liet zetten daar hij er eentje gebroken had.

Als dit weer was geschied moesten we bij ons vertrek direct aan het klimmen hetgeen vrij lang duurde en als we deze stad weer verlaten hadden keken wij nog eens om en zagen nu de stad in de diepte liggen.

We passeerden daarna het dorpje Wanze en even daarna Vinalmont en bleef den weg maar steeds meer op dan af loopen doch later werd het toch wat beter en kregen we als afwisseling af en toe eens eene daling en al klimmende en dalende kwamen we nu langs een aantal kleine eigenaardige plattelands dorpjes n.m. Maisons-Sottiaux, Dreije, Vieux-Waleffe, en bij Braives kwamen we bij het wegenkruispunt Hoeij – Hannut, en Moxhe – Waremme, waar we rechts af gingen waarna we weer via Touvinne en Omal het stadje Waremme bereikte hetwelk we zonder afstappen doortrokken daar het inmiddels reeds avond begon te worden en we nu nog 18 K.M. van onze plaats van bestemming waren nm de Stad Tongeren, dus we hadden niet veel tijd meer te verspillen en we gingen er integendeel nog een schepje bij doen en in een ferm tempo kwamen we door de dorpjes Lantremange, Bergilens, Grandville en bij Oreije kruisten wij den grooten weg Brussel – Luik waarna we langs Otrange en Koninxheim kwamen langs welken weg we somwijlen als ons een Auto passeerden in eene dichte stofwolk gehuld waren en zagen we van verre den grooten massieven toren van Tongeren opdoemen en na nog een paar KM flink doorgepeddeld te hebben zagen we hier lings van den weg bij het dorpje Widoije een mooi en steil bergje hetwelk veel op een kunstmatig aangelegden berg geleek doch dit scheen toch niet het geval te zijn.

Nadat we nog een poosje flink hadden doorgereden kwamen we in de plaats van onze bestemming aan en het was nog flink voor den avond dus we hadden dit laatste gedeelte flink gereden.

Bij het binnenrijden van deze plaats was het op de Chaussée-de-St.-Trond, eene heele drukte waar een Muziekcorps een heele massa volk op de gebracht had.

Wij slaagden er toch in om er ons doorheen te werken en als we den Boulevard-St-Materne overgestoken waren en we in de Rue-St-Trond kwamen stapten wij af aan het Hotel waar ik al meer gelogeerd heb waar we den laatsten nacht van onze reis konden doorbrengen.

Als we onze rijwielen gestald hadden gingen we eerst naar den Coiffeur om ons te laten scheren want het was morgen Zondag dus we moesten een Zondags gezicht zien te krijgen.

Een paar huizen naast ons Hotel woonde reeds een Coiffeur dus we behoefden niet ver te loopen en het duurde dan ook niet lang of we kwamen weer met een knap gezicht te voorschijn waarna we ons eens ferm gingen wasschen op de achterplaats van ons Hotel en was het hier nu groote schoonmaak en werd er kwistig met water en zeep omgesprongen, tsjonge, tsjonge, wat een heerlijke verfrissching was dat.

Als deze gewichtige karwei was geschied gevoelden we ons weer zoo kwiek als een haan.

Onderwijl was ons Dejeuner gereed en gingen wij ons ook eens van binnen verzorgen hetgeen we ook wel verdiend hadden en als we ons het eten uitstekend hadden laten smaken besloten we om vanavond maar in ons Hotel te blijven daar we toch dikwijls genoeg in Tongeren geweest waren en er dus niets nieuws voor ons te zien was waarna we een poosje gezellig gingen zitten kouten bij een paar glaasjes bier en een lekkere sigaar tot dat het tijd werd om te gaan slapen en met de gedachte aan onze laatste rit van onzen toer voor morgen gingen we naar bed.


Zondag 12 Augustus Tongeren - Helmond 105 K.M.

 

We waren des morgens weer vroeg present om onze Zondagsplicht te gaan vervullen in de groote fraaie Onze-Lieve-Vrouwekerk, waarna we ons ontbijt gingen gebruiken en als we daarna nog een poosje hadden gezeten bij een glaasje bier en een sigaartje gingen we de laatste rit van onzen toer aanvangen en nadat we afscheid hadden genomen van den Hotelbaas en diens vrouw stapten we weer op en daar ging het voor de laatste maal in de richting van Helmond.

We besloten om langs Hasselt te rijden waar langs we steeds goeden weg kregen en reden we dus door de Rue de Hasselt vervolgens over den Boulevard Pline waarna we op de Chaussee de Hasselt kwamen.

We hadden den wind nu lings achter ons en we zouden hem straks als we Hasselt gepasseerd waren nog gunstiger krijgen dus we zouden zonder ongevallen in korten tijd onze laatste rit kunnen afleggen.

Het zonnetje scheen er weer dapper op los en spoedig zaten we weer te blazen en we passeerden nu in een ferm tempo Overrepen en Guijgoven, waar we onze vaart moesten verminderen daar hier eene Processie over den weg trok waarna we ons tempo weer konden opvoeren en passeerden we vervolgens de dorpen Cortessem, Wimmertingen, en Rapertingen en langs dezen over het algemeen vrij goeden weg welke een weinig golvende is bereikten we in een minimum van tijd de Stad Hasselt, waar we aan een Cafe op de Chassee-de-Liège bij de Place-Leopold even afstapten om onzen dorst wat te lesschen waarna we weer verder trokken langs de Place-Leopold en vervolgens door de Rue Neuve waarna we over de Grand-Place kwamen.

We reden echter maar zonder af te stappen verder door deze stad door de Rue-Haute en Rue-de-Demir waarna we op de Chaussee-de-la-Campine kwamen welke nu voortaan ongeveer een rechte weg vormt tot de Hollandsche grens bij Lommel.

We waren nu weer spoedig buiten deze stad en daar we nu den wind vlak achter ons hadden ging het nu in een nog sneller tempo op de Hollandsche grens af, waar we nu nog ongeveer 39 K.M. van verwijderd waren en in een ommezien hadden we Zonhoven bereikt en als we dit dorp even voorbij waren kwamen we bij de buitenwijk Eikener over den overweg waar een poos geleden het vreeselijk Auto ongeluk was gebeurd met een Auto uit Nunen waarbij de beide inzittende heeren gedood werden.

Wij stevenden met ferme vaart langs Houthalen, Helchteren, en Hechtel, en als we dit dorp even voorbij waren moesten we stoppen voor een lekke band.

Dus mjn makker kreeg op het laatste moment ook zijn eersten lekke band.

Het was wel jammer we hadden er zulk een mooi vaartje inzitten.

Wij gingen hem langs den weg in eene diepe droge sloot waar we beschermd waren voor den hevigen wind, repareeren.

We kregen al spoedig belangstelling van een aantal jongens en daar we wel trek hadden in wat te drinken vroegen we deze jongens om voor ons wat melk te gaan koopen bij een boer hier vlak bij.

Het gelukte wonderwel en zij kwamen met een heele emmer versche melk aandragen, waaraan wij ons toen te goed konden doen.

We konden drinken zooveel als we beliefden en tenslotte hadden we met ons beide den ganschen emmer melk opgedronken en waren we zoo dik als een ton en dit alles kosste slechts 6 Frank d.i. 42 cents.

Als we daarna weer gereed waren met repareeren stapten we weer op en beloofden we deze jongens welke met ons veel schik hadden gehad daar wij zooveel melk konden drinken, dat wij nog wel eens terug zouden komen om melk te drinken.

Als we daarna weer ferm door zaten te trappen kwamen we bij het Belgische Douanekantoor aan het Schelde-Maas kanaal bij Lommel, en gingen we hier in dit kanaal eens en ferm bad nemen want we hadden het weer tamelijk warm en zou ons dit weer ferm opfrisschen en daarenboven hadden we nog ruimschoots den tijd.

Als we ons dan duchtig gewasschen en verfrischt hadden gingen we weer verder en ging het thans op de Hollandsche grens af, welke we spoedig daarna bereikten en als we bij het Hollandsche Douane kantoor gekomen waren stapten we hier even af om te vragen of we voor onze Ansichtkaarten invoerrechten moesten betalen daar we er een paar honderd gekocht hadden gedurende onze reis.

De ambtenaar liet ons echter zonder dat we hiervoor moesten betalen verder gaan, waarna we weer opstapten.

We waren eindelijk weer op Hollandschen bodem na eene afwezigheid van 9 dagen en ging het nu op Valkenswaard aan waar we ook spoedig arriveerden en was het hier een heele drukte want het was hier kermis.

We konden met een weinig moeite toch passeeren en spoedig ging het weer in vlot tempo langs Aalst naar Eindhoven waar we aan een Cafe bij de kerk te Stratum nog eens afstapten en een paar glaasjes bier gingen zitten drinken buiten in den schaduw.

We hadden wel weer trek in een glaasje Hollandsch gestenat, en als we hier geruimen tijd het drukke verkeer hadden gadegeslagen gingen we weer verder en besloten we om het aantal kilometers van onze gansche toer boven de 1500 te brengen, om een omwegje te maken en reden we nu van Eindhoven over Tongelre, Nuenen Gerwen Lieshout en Aarle Rixtel naar onze Heimat Helmond waar we behouden arriveerden omstreeks 6 uur.

Op onze doortocht door de stad werden we van alle kanten geluk gewenscht met de prachtige prestatie door ons geleverd en geleek het soms wel een zegetocht hetgeen ons waarlijk goed deed en ondervonden wij nogmaals dat er in onze stad nog vele menschen zijn welke zulke prestaties waarderen.

Wij waren spoedig weer in huiselijken kring gearriveerd waar we natuurlijk weer met blijheid ontvangen werden na zulk een lange reis.

Als ik weer goed en wel thuis was werd ik weer terdege in de bloemetjes gezet en had ik van verschillende zijde eene bloemenhulde of cadeau benevens een legio aantal felicitaties in ontvangst te nemen.

Ook werd mij wederom evenals vorig jaar door het dochtertje van mijn oudsten broeder een aardig versje aangeboden en was het weer spoedig een gezellig huiselijk feest.

Ook mijn reisgenoot was spoedig aanwezig om de noodige felicitaties in ontvangst te nemen en werd er thans een extra glaasje gedronken op het welslagen van onzen toer.

Verder werd ons beide nog ieder een prachtig bouquet bloemen aangeboden door eenige onbekend gebleven sportvrienden uit de stad welke ik bij deze mede namens mijn reisgenoot van harte dank breng evenals aan alle andere belangstellenden.

Nu ik aan het einde van mijne reisbeschrijving gekomen ben kan ik niet nalaten om een extra woord van Hulde te brengen aan mijn reisgenoot en moet ik volmondig bekennen dat dit de ware man is welke voor groote tochten als t ware geknipt is.

Nog nimmer heb ik een reisgenoot gehad welke de capaciteiten aan den dag legde als deze, en wanneer hij het groot toerisme blijft beoefenen kan men van hem nog menige groote prestatie verwachten.

Het was mij waarlijk eene veropenbaring om te zien met welk een gemak hij de zwaarste klimpartijen uitoefende en de diverse andere moeielijkheden welke aan zulk een toer verbonden zijn overwon, en welke op zulk een lange en moeielijke tocht de beste bewijzen zijn welke krachten in hem schuilen.

Alvorens te eindigen wil ik bij deze nog even de belangstellende lezers welke ons op onze reis gevolgd heben onzen dank brengen voor hunne belangstelling en hoop ik tevens dat ik hun nog menigmaal op een aangenaam reisverhaal zal mogen vergasten.

 

Helmond Augustus 1928.  J.A. v. Lieshout.  v. Brusselstraat 14.