De Provence kent veel tradities. Een daarvan is het branden van houtskool op ambachtelijke wijze. Een vak dat gedoemd is te verdwijnen omdat de opbrengsten steeds lager worden.


door Rene Schrier
Op een enkele plaats in de Provence wordt nog op ambachtelijke wijze houtskool geproduceerd. Houtskool dat beter en langer brandt dan het spul uit de fabrieken. Dat niet verkruimelt als je er in knijpt, maar hard is als diamant.
Paul Sappe is van die houtskoolbranders. Hij heeft zijn werkterrein in de buurt van het dorpje Regusse in de Franse Var. Samen met zijn neven Roland en Frederic zit hij in het hout. Ze kappen bossen en verkopen het hout. Dat is de voornaamste bron van inkomsten. Als bijverdienste produceren ze houtskool.
Charbonniers worden ze genoemd, letterlijk vertaald kolenbranders. Het is een uitstervend beroep. Vroeger waren het in de Provence vooral Italianen die zich daarmee bezighielden. Maar de opbrengsten waren op den duur zo laag dat steeds meer vuren in de Provençaalse bossen doofden. Paul Sappe doet het al vele tientallen jaren. Hij is tussendoor nog wel vrachtwagenchauffeur geweest, maar het bos trok toch meer. Daarom pakte hij zijn oude stiel weer op.
Houtskool maken kost veel tijd. Echt arbeidsintensief zijn eigenlijk alleen de voorbereidingen. Zorgvuldig maken Paul en zijn neven een enorme berg hout op een open plek in het bos. Dat is hun werkterrein. De stammetjes worden op een speciale manier gestapeld. Midden in de stapel wordt een rechthoekig kanaal vrijgehouden, de zogenaamde schoorsteen. Zo ontstaat een brandstapel van pakweg 3 tot 4 meter hoog en enkele tientallen meters omtrek. Naast die stapel ligt een enorme hoop grond en binnen handbereik enkele flinke schoppen.
Als de vlam in het hout gaat wordt het spannend. De stapel mag namelijk niet branden. Hij moet smeulen. Als het droge Provençaalse eikenhout echt gaat branden is er binnen de kortste keren niets meer van over. En dat is niet de bedoeling. Want van een beetje houtstapel haalt de familie Sappe toch wel een ton of  vijf, zes houtskool. Daarom gaat er steeds een schep grond op de plaatsen waar het vuur dreigt op te laaien. Bij het stapelen is er rekening mee gehouden dat de wind wel een beetje mee moet kunnen helpen. Daarom zijn er op verschillende plaatsen tussen de houtblokken ruimten vrijgehouden die in verbinding staan met de schoorsteen en voor de ´trek´ moeten zorgen, net als in een gewone houtkachel.
Deze gecontroleerde manier van branden heeft als gevolg dat het lang duurt eer het eindresultaat daar is. Dat duurt bij een gemiddelde houtstapel  ongeveer tien dagen. In die tijd is er voortdurend iemand aanwezig om er voor te zorgen dat de zaak niet uit de hand loopt.
Dat wil zeggen dat Sappe of zijn neven ook ´s nachts ter plekke zijn. Vlakbij de smeulende stapel staat een kleine caravan waarin ze af en toe een uiltje knappen. Een grote bouwlamp zorgt er voor dat ze ook in het donker de berg goed in de gaten kunnen houden.
Het is warm en droog werk. Dat blijkt ook wel uit de stapel lege flessen die naast de caravan ligt. De open plek in het bos ziet er wat rommelig uit. Aan de randen enorme stapels gekapt hout. Die zijn bestemd voor de klanten die er ´s winters hun open haarden mee willen stoken. Een oude rode McCormick tractor lijkt regelrecht afkomstig uit een landbouwmuseum. Maar het dieseltje loopt nog best. Iets verderop de vrachtwagen waarmee het hout uit de bossen vervoerd wordt. En natuurlijk zijn ook de honden nadrukkelijk aanwezig. Op veel plaatsen in de Franse bossen worden honden in grote kennels gehouden. Ze zijn voor de jacht op wilde zwijnen en begroeten iedere bezoeker met een luid gehuil. Eens per dag worden ze gevoerd. En vanaf half september mogen zich uitleven achter de zwijnen aan.
Als met de brandstapel alles naar wens verloopt is er geen vuiltje aan de lucht. Het lijkt wat vreemd om midden in de bossen van Zuid-Frankrijk vuur te maken. Daar waar de overheid alles in het werk stelt om bosbranden te voorkomen. Barbecues op campings verboden zijn en een achteloos weggesmeten peuk in de droge berm al een ramp kan veroorzaken.  Daarom is de laag aarde op de smeulende hoop ook zo belangrijk. Die moet voorkomen dat er als gevolg van de sterke mistral wind vonken naar het bos waaien. De geoefende ogen van de charbonniers zien het meteen als het te hard gaat. Snel pakken ze dan een trapje en een van de schoppen met lange stelen om ergens boven op de stapel wat grond te gooien. Zo wordt het vuur gesmoord. Niet alleen om bosbranden te voorkomen, maar vooral om er voor te zorgen dat het hout niet te snel brandt. De mannen dragen oude schoenen, want de zolen zijn geen lang leven beschoren als ze op het trapje staan. De berg is gloeiend heet, ook al ligt er een laagje aarde op. Aan de kleur van die aarde kunnen ze zien op welke plekken het goed gaat en waar het te hard gaat. Zo slinkt dag na dag de stapel en kan het houtskool na een kleine twee weken verzameld worden.
Paul laat een stammetje zien dat verkoold is. Het is een stuk van ongeveer een meter lang. Aan een kant is het hout ietwat puntig afgekapt. Die punt is keihard en vlijmscherp. Hij kijkt er tevreden naar. Zo moet het zijn. Een paar van die stammetjes en je hebt urenlang een smeulend vuurtje, vertelt hij.
Ze verkopen de houtskool in grote zakken aan klanten uit de buurt. Meestal restaurants. Over de suggestie om de houtskool in kleinere zakken aan toeristen op campings aan te bieden, als een echt ambachtelijk Provençaals product , halen ze hun schouders op. Dat is nu eenmaal niet hun manier van werken. Ze gaan liever hun eigen gang en kletsen wat over wilde zwijnen die ze bij de dageraad aan de rand van het bos hebben gezien. In hun eigen wereld midden in de bossen. En de pastisfles gaat nog eens rond. Het loopt immers tegen etenstijd.

Een bewerking van dit verhaal verscheen eerder in de Provinciale Zeeuwse Courant.

Terug naar de Var Homepage