vlaamsedetectivesgeschiedenis

 

Het Vlaamse detectiveverhaal


Wie ben ik?
Geboren (04/01/1957) in Kuurne, Licenciaat Germaanse Filologie (1974-1978) in Kortrijk en Leuven, Bibliotheekwetenschappen (1980-1983)
Bibliothecaris in Kortrijk (sinds 1979)

Hobbies
Reizen natuurlijk (vooral voor de kunst en cultuur), muziek (vooral blues en alternatieve rock), lezen (dagelijks)
Recenseren voor NBLC (sinds 1988), LeesIdee (vroeger Boekengids, sinds 1989) en voor occasionele tijdschriften als Crime and Detective Stories (Engeland) en Mystery Magazine Montly (USA). Artikels werden vertaald in het Deens en Italiaans

Mijn publicaties

Na het ruischen van het riet
Eigen Beheer, 1985
Alle levende West-Vlaamse dichters in één boek
De Vlaamse misdaadroman
themanummer met interviews en essays rond
Marthe McKenna: Ik was een spioene
V.W.S. cahiers, 1990
Bio- en bibliografie van een vergeten West-Vlaamse spionne van de Grote Oorlog
Vlaanderen moordt
Themanummer van Kreatief, 1991

Spannende boeken
themanummer van Boekengids, mei 1992
Moorden met woorden: honderd jaar Nederlandstalige misdaadliteratuur
Den Haag: Biblio, 2000
Het Vlaamse gedeelte werd verzorgd door cvdb
Een stapje in de wereld
Kortrijk, 2002
Bundel reisverhalen

Aan deze bibliografie wordt nog dagelijks hard gewerkt. Er moeten nog covers bij, de biografiën moeten dringend bijgewerkt worden en eventueel over het hoofd geziene uitgaven worden met dank aanvaard.
Alle andere hulp is natuurlijk ook welkom.
En vergeet niet: een bibliografie streeft naar volledigheid maar is nooit af...

Een heel apart geval is Martha Cnockaert die onder de naam Marthe McKenna miljoenen spionageromans verkocht
Klik hier om meer over deze merkwaardige vrouw te weten

Voor een bibliografie van alle Vlaamse detectiveromans, klik hiernaast op bibliografie bibliografie

Het essay dat hieronder staat werd in 2000 geschreven op vraag van de Nederlandse misdaadauteur Chris Rippen voor het boek Moorden met woorden. Deze uitgave van 3 juni 2000 geeft een overzicht van 100-150 jaar Nederlandstalige misdaadliteratuur.

Vlaanderen moordt ook

Een late belangstelling voor het genre

In het themanummer van Bzzlletin van juni 1986 stelt Thomas Ross dat het alou-de adagium 'In Nederland gebeurt alles vijftig jaar later' voor de Nederlandse misdaad-literatuur wel degelijk opgaat. Waar staan wij, hun zuiderburen, dan? Helaas moeten wij ootmoedig bekennen dat wij nog enkele decennia meer achterop hinken. Aan het eind van de twintigste eeuw viert het genre bij ons pas zijn zeventigste verjaardag. En de Vlaamse misdaadliteratuur heeft tot nu toe een rustig voortkabbelend leven beleefd, zonder veel ups of downs.
Hoe verklaren we die late belangstelling voor het genre? Eerst en vooral heeft ieder taalgebied een eminente pionier nodig. De Engelstalige landen teerden lang op de genieën Arthur Conan Doyle en Edgar Allan Poe tot figuren als Agatha Christie en Raymond Chandler opstonden om het genre een nieuwe impuls te geven. Frankrijk had Emile Gaboriau en Maurice Leblanc en de later uit het Franstalige gedeelte van België afkomstige Simenon. Nederland had, toen Ivans in 1935 stierf, al onmiddellijk een op-volger klaar in de persoon van Havank.
Goede auteurs zorgen niet alleen voor een grote groep epigonen maar ook en vooral voor een groot aantal opvolgers. Als ook uitgeverijen er brood beginnen in te zien, bevordert dat het aantrekken van nieuwe auteurs die door hun onderlinge concur-rentiestrijd kwaliteitsverbeterend werken. In Nederland werden de Zwarte Beertjes, Bruna's pocketopvolgers van de Havank-uitgaven, heel succesvol. In deze serie kregen, naast vertaalde auteurs, ook Nederlandse schrijvers een kans. Frankrijk had Le Masque (gesticht in 1927!) en de naoorlogse Série Noire, Engeland had de onovertroffen Pen-guins, maar Vlaanderen had en heeft nog altijd niets vergelijkbaars. Pocketedities zor-gen weliswaar niet voor een hoger prestige bij de literatuurkenners maar garanderen wel een grotere verspreiding.
Een derde negatieve factor in Vlaanderen was het ontbreken van formuleschrij-vers die een vaste held ten tonele voerden waardoor de herkenbaarheid voor het publiek vergroot. De geestelijke vaders van bijvoorbeeld Holmes, Poirot, Maigret en andere De Cocks (met…) verhoogden de inlevingsfactor voor de liefhebber en droegen bij tot de nieuwsgierigheid naar de latere belevenissen van 'hun' held. De weinig hoffelijke po-gingen die bij ons ondernomen werden om van een serieheld gebruik te maken, bloed-den nogal vlug dood. Het mag dus weinig verwondering wekken dat, gezien het ontbre-ken van al die stimulerende factoren, Vlaanderen voor de jaren tachtig geen noemens-waardige misdaadliteratuurtraditie had.
In het korte bestek van dit historische overzicht zullen in vogelvlucht enkele gro-te lijnen worden getrokken en enkele auteurs belicht, waarna een blik op de huidige si-tuatie wordt geworpen.
Een enkeling onder de schaarse critici die zich sporadisch bezighouden met het Vlaamse misdaadverhaal, wil het prille begin laten samenvallen met het verhaal Robert en Bertrand, dat Raf Verhulst onder het pseudoniem Koen Ravestein omstreeks 1899 in afleveringen in het dagblad Het Laatste Nieuws publiceerde. Maar de lotgevallen van deze twee vagebonden sluiten meer aan bijde Spaanse picareske schelmenroman dan bij de detectiveverhalen die we uit het buitenland kennen.
De Antwerpse gemeenteambtenaar Theo Huet publiceerde in 1928 De verdwe-nen koerier, waarin de invloed van Sherlock Holmes goed te merken is. Het verhaal zit knap in elkaar en heeft de tand des tijd doorstaan door het natuurlijke van de intrige en de personages. Het bleef bij dat ene verhaal van de 'vader van de Vlaamse misdaadro-man'.

'Waalse primeur'

Tot aan de Tweede Wereldoorlog verscheen er nauwelijks iets binnen het genre, maar tijdens die vier woelige jaren debuteerden de neven de Roeck, die onder eigen naam of onder pseudoniem elf detectiveromans in zeven jaar publiceerden. In hun vlot-te, populaire ontspanningsromans vallen echter weinig literaire kwaliteiten te ontdek-ken.
De oorlogsjaren brachten nog een primeur voor ons taalgebied: de Waalse uitge-verij Dupuis (later bekend door haar strips) bracht de Bibliothèque Jaune, waarin alleen detectiveromans van Franstalige Belgen verschenen. Nummer 65 werd tegelijkertijd een première én een unicum. De roman De zeven dwazen van de Vlaamse auteur Albrecht Ram werd uit het Nederlands vertaald. Het wordt zelfs de eerste echt goed geschreven thriller in Vlaanderen, waarin zeven zich vervelende miljonairs uitvaren met een luxe-jacht. Een onder hen krijgt de opdracht zijn medereizigers één voor één te vermoorden, meer weet de lezer niet. Niet echt origineel en duidelijk op Agatha Christie geïnspireerd maar toch de eerste Vlaamse thriller met red herrings en cliffhangers.
Ook nog tijdens de oorlog verscheen Het geheim van de Groendreef van Marcel de Ceulener, een journalist die zich inspireerde op de voorlopers van de Amerikaanse hardboiled school. Jammer genoeg verzandt het boek op het einde in een melodrama-tisch liefdesverhaaltje.
Waar in Nederland de oorlogsjaren zorgden voor een trauma dat echter vreemd genoeg niet vertaald werd in het aantal gepubliceerde boeken, bleef de Vlaamse produc-tie op peil. Een goed voorbeeld van het escapisme dat de Brusselse marxistische profes-sor Ernest Mandel in zijn boek Delightful Murder als een van de kenmerken van het genre aanwees. Een van de grootste Vlaamse veelschrijvers debuteerde in die periode: Aster Berkhof. Naast zijn gewone productie bracht hij met De heer in grijzen mantel het detectiveverhaal onder de aandacht van het grote publiek. Dit wordt het debuut van een hele reeks louter voor ontspanning bedoelde thrillers, detectiveromans, avonturen-verhalen en politieromans. Het oeuvre van Berkhof is geen topkwaliteit maar bevorder-de toch een betere verspreiding van het genre.
Diverse eendagsvliegen zagen het licht met elk hun inspiratiebronnen. De dich-ter Frans Buyle achtte het nodig een pseudoniem aan te nemen om de spionageroman Het verhaal van Kiliaan Olders te schrijven. De eminence grise van de Vlaamse kritiek, Paul Hardy, sabelde het boek in het oerkatholieke Boekengids neer door het 'libertijn-sche boutades en ongepaste frivoliteiten' toe te dichten waardoor het boek natuurlijk én gezocht én gelezen werd. De Antwerpenaar Lucien Wouters mat zich een Engels pseu-doniem aan (John Parker) om een verhaal in de traditie van Edgar Wallace te schrij-ven, Schoppenboer. Dorothy Sayers kunnen we het grote voorbeeld noemen voor het li-terair hoogstaande verhaal dat Luc Prins neerschreef in De Noodlottige N. De moorde-naar blijkt een hooggeplaatste magistraat te zijn, het slachtoffer een pianiste, en het bombastische van de high society wordt kunstig doorprikt.
Nog voor de jaren vijftig kregen we met inspecteur Beeck en brigadier Stoffels de eerste Vlaamse vaste seriehelden. Zij waren de uitvinding van de Antwerpenaar An-ton Van Casteren die een realistisch portret van de havenstad wist te schetsen. Daaruit bleek de invloed van de nieuwe Amerikaanse zakelijkheid. In twee jaar publiceerde Van Casteren vier speurdersromans maar hij wachtte vervolgens tot 1966 om op verzoek van een Duitse productiefirma Marihuana aan het Spit te schrijven. Het boek en de film werden geen onverdeeld succes, zodat de auteur zich vanaf die tijd weer concentreerde op zijn journalistieke carrière.

Knus en minder knus

Waar de Nederlandse auteurs enthousiast op de trein van de overgewaaide hard-boiled school sprongen (Joop van den Broek, John Hoogland, Theo Eerdmans) bleven onze Vlaamse auteurs heel traditioneel bezig. Er verscheen nieuw werk van Berkhof en een brave maar degelijke detective van radioman Jos Ghysen. Toen betrad, beter laat dan nooit, de eerste vrouwelijke detectiveschrijver het toneel: Maria De Lannoy. De voorzitster van de Katholieke Vrouwenbeweging imiteerde Agatha Christie in haar Stil-le Getuigen maar bracht haar verhaal boeiend aan de man. Een knus boek.
Heel wat minder knus is het boek van de boezemvriend van Jean Ray, in binnen- en buitenland beter gekend als John Flanders. Roger d'Exsteyl was de naam en hij leg-de zich meer toe op de mysteriethriller dan op het doordeweekse speurdersverhaal. Zijn De Dames Verbrugge geeft niet alleen een intrigerend beeld van de Franstalige bour-geoisie in Gent. Het is daarenboven een dreigende sfeerschildering van de eeuwenoude stad en tegelijkertijd een romantisch familiedrama waarin waanzin, sadisme, necrofilie en andere perversiteiten een rol spelen. Het boek werd door Jean Daskalides verfilmd onder de titel 6 Rue du Calvaire. De volgende thrillers van d'Exteyl zijn jammer genoeg commerciële sensatieverhalen van een bedenkelijk niveau.
De beste boeken uit de late jaren vijftig zijn van Emil Verhaert, die eerst onder het pseudoniem Per Ceptor en later onder eigen naam schreef. Zijn privé-detective So-cras figureert in knap geconstrueerde speurdersverhalen en is een buitenbeentje in ons prille overzicht omdat de held begrip toont voor de moordenaars die hij op zijn pad ontmoet.
Een privé-detective van de meer meedogenloze soort is die van Robert Coolen die onder het pseudoniem Bert Coleveld waarschijnlijk het rauwste verhaal uit dit over-zicht schreef. Jammer genoeg, maar ook typisch voor het behoudende Vlaanderen, ver-scheen dit debuut bij een kleine obscure uitgeverij waardoor het niet de aandacht kreeg die het misschien wel verdiende. Bovendien kreeg het boek daardoor niet de mogelijk-heid andere auteurs te inspireren.

Behoudend maar onderhoudend

De aanzet van de jaren zestig was veelbelovend. De volksuitgeverij De Arbei-derspers-Reinaert had het goede idee een prijsvraag uit te schrijven voor het beste Ne-derlandstalige misdaadverhaal. Winnares werd jeugdschrijfster Maria Jacques, die met De haan is dood een behoudend maar onderhoudend werk afleverde. Helaas kreeg deze prijs in Vlaanderen weinig weerslag noch navolging.
Van iets meer originaliteit getuigt de samenwerking van de eerdergenoemde Maria De Lannoy met de bekende wereldreiziger Bernard Henry. Hun toevallige partnerschap resulteerde in een verhaal vol exotische couleur locale, waarin gebeurte-nissen uit onze voormalige kolonie in Afrika verband blijken te houden met Vlaanderen.
Minder serieus zijn de boekjes van Jos De Bock, die op licht ironische toon ba-dinerend zijn weg zoekt door zijn archäische verhaaltjes. Origineel is anders en van een hoog literair peil getuigen ze evenmin, maar dat is een euvel van de meeste Vlaamse de-tectiveschrijvers. Toch zorgen de verhaaltjes van De Bock voor enkele uurtjes leesple-zier.
Iemand die zich volstrekt geen illusies maakte over de appreciatie van het genre dat hij bedreef, was de rechtbankjournalist Louis De Lentdecker. Tot op respectabele leeftijd een BV (Bekende Vlaming) door zijn controversiële en ultrarechtse opinies in populaire laag-bij-de-grondse weekbladen, schreef hij eerst enkele waar gebeurde recht-bankverhalen, een paar afleveringen van Beschuldigde Sta Op, de immens populaire Tv-serie uit de jaren zestig, voor hij zich aan fictie wijdde. Zijn plaats binnen dit over-zicht verdient hij omdat hij als eerste Vlaming in opdracht schreef en de enige Vlaming was die een boek zag verschijnen in het Zodiac-project.
De jaren zestig brachten nog een groot aantal debutanten, van wie er twee ver-melding verdienen. Daan Delannoy, later redacteur van het weekblad Humo, liet twee korte thrillers bundelen in één band en toonde zich een waar product van de tijdgeest: een adept van 'mei 68. Zijn tijdsgebonden non-conformisme uitte zich in een cynische, bijwijlen hilarische toon. Fernand Auwera schreef met In memoriam A.L. een meer dan spannend boek dat zich afspeelt in de Antwerpse avant-garde kunstwereld waarbij de hoofdpersoon verstrikt geraakt in de speurtocht naar zijn eigen psyche.

Een verloren decennium

De jaren zeventig zijn, enkele uitzonderingen daargelaten, een verloren decenni-um voor de Vlaamse misdaadliteratuur. Het was alsof de tijd bleef stilstaan. Jan Van den Weghe, Roger Pieters, Robin Hannelore, Hubert Lampo en Valère Depauw zijn slechts enkele namen van auteurs die met hun literaire werk lovende kritieken hadden gekregen, maar het respect van de 'literatuurkenners' dreigden te verspelen door hun zijsprongetjes naar het thrillergenre. Notabene het genre dat ze zelf het liefst van al con-sumeerden.
De volkse Gilbert Redant daarentegen schreef een tijdloos, humoristisch ver-haal, waarin hij een gentlemaninbreker à la Arsène Lupin bedenkt, maar uiteindelijk droomt dat het romanpersonage in de realiteit terechtkomt en Londen op stelten zet. Leuk en origineel van opzet.
De volgende link naar Nederland loopt wederom via de Zwarte Beertjes. Eind jaren zeventig publiceerden daarin twee Vlamingen (onder het gezamenlijke pseudo-niem Woody Dubois) twee spionagethrillers die internationaal van opzet waren maar de middelmaat niet overstegen.
Een voorbode van de jaren tachtig is Een sterke geur van terpentijn van de te vroeg gestorven Gentenaar Frans Sierens. Deze literaire auteur is de enige die het zij-stapje naar de misdaadliteratuur voor het volle honderd procent tot een goed einde bracht. Zijn roman is een mengeling van de Amerikaanse hardboiled aanpak en de meer Engels getinte flegmatieke zin voor charme, detail en stiff-upperlip humor. Wellicht de beste detectiveroman die in Vlaanderen voor de jaren tachtig is geschreven.


Volwassen misdaadliteratuur

De eigenlijke start van de volwassen misdaadliteratuur beleeft Vlaanderen in 1978 wanneer Jef Geeraerts, Staatsprijswinnaar par excellence, zijn Kodiak .58 publi-ceert. De critici beschouwden dit boek nog als een fait-divers, een tussendoortje. Maar vervolgens kondigde Geeraerts zijn afscheid van de 'serieuze literatuur' aan en bleef hij de pers vertellen dat whodunits moeilijker te schrijven waren dan zijn andere werken.
Zijn daaropvolgende politieke thrillers riepen bij de beschuldigende partij - in dit geval katholiek rechts - nogal wat weerstand op. Vooral de verzuilde Vlaamse media beschuldigden de auteur van paranoia, antiklerikalisme en verregaande ongeloofwaar-digheid. De Nederlandse critici, minder bekend met de Belgische politieke wereld, schatten de auteur wel op zijn waarde en bekroonden hem geheel terecht in 1986 met de eerste Gouden Strop voor De Zaak Alzheimer.
Geeraerts moet het vooral hebben van zijn maatschappijkritiek waarbij hij justi-tie, politie en het establishment niet spaart. Zijn uitermate literaire stijl met meestal te omslachtige beschrijvingen van interieurs en designmeubels camoufleert hij met de ui-terst gedetailleerde weergave van zijn research naar wapens, gerechtelijke opsporings-methodes en exotische locaties. De overdaad aan technische details schaadt soms de vlotheid van het verhaal en haalt veel van de spankracht weg.
De korte roman Sanpaku neemt in Geeraerts' misdaadoeuvre een aparte plaats in. De cello waarrond alles draait beschikt over magische krachten als het instrument tenminste op de juiste manier wordt bespeeld. Structureel volgt het boek de symmetri-sche opbouw van een klassiek muziekstuk met spiegeleffecten en al. Later kwam nog Het Rashomon-complex (genomineerd voor de Gouden Strop 1993) waarna we lang moesten wachten op De PG, winnaar van de eerste Hercule Poirot-prijs.
Van een heel ander kaliber is de Antwerpenaar John Vermeulen. Hij debuteer-de in de Zwarte Beertjes van Bruna, promoveerde naar de Beterbacks om uiteindelijk met Solorace te belanden bij de prestigieuze Vijfsterren-thrillers van Ross en Sjöwall. Zijn serieheld is Ansen Wagner, lid van de Europese Geheime Dienst, die het principe 'het doel heiligt de middelen' meedogenloos toepast en samen met zijn op seks beluste vriendin allerlei wantoestanden moet bestrijden. De James-Bondachtige machoavontu-ren van Wagner stoelen op onwaarschijnlijke effecten en een flinke portie seks en span-ning. In zijn even flitsend en filmisch geschreven latere boeken doet hij een poging om zijn plots wat serieuzer te onderbouwen maar hoogstaande literatuur zal Vermeulen wel nooit schrijven.
Zijn stadgenoot Staf Schoeters debuteerde met Het gelag wordt betaald, een opmerkelijk verhaal dat niet alleen spannend is maar een stapje hoger op de literaire ladder staat dan dat van Vermeulen. Later publiceerde Schoeters ook bij Bruna De draak achterna. en Het perspectief van de worm, twee actuele thrillers waarvan de eer-ste zich afspeelt in het drugsmilieu en de tweede de plaatsing van kernraketten in België behandelt. Van alle Vlaamse misdaadauteurs is Schoeters wel het meest 'politiek cor-rect'. Zijn sterke punten zijn taal, ideeën en stijl, niet de intriges. In de thriller Rust in onvrede brengt hij een geslaagde combinatie van literatuur, politiek en spanning en is hij op zijn sterkst. Voor De schaduw van de adelaar, een mix van historische roman, thriller en maatschappijkritische studie werd Schoeters bekroond met de Hercule Poirot-prijs.
Veruit de leukste held uit dit historische overzicht is Jean-Pierre Willems, de privé-detective van Bart Holsters. De derde Antwerpenaar uit dit rijtje schreef vier licht verteerbare, ironiserende persiflages op de tough guys-roman. Zijn hoofdpersonage moddert maar wat aan en heeft meer van een antiheld (laf, eerlijk, drinkt alleen koffie, zit niet achter de vrouwen aan) dan van een Chandleriaanse held. Van zijn grote Ameri-kaanse voorbeeld erfde hij wel de pittige dialogen en de schitterende oneliners en wise-cracks. De auteur heeft niet de pretentie grote literatuur te schrijven maar levert ont-spanning op hoog niveau af. Dat besefte ook Bruna toen deze uitgever zijn debuutma-nuscript in 1985 met de eerste Havank-trofee voor het beste crimeverhaal bekroonde. Een jaar later kreeg Holsters de Trofee van de Grote Jury en met zijn derde boek werd hij genomineerd voor de Gouden strop. Aan deze bliksemcarrière kwam jammer genoeg na vier boeken een abrupt einde.
Zo belanden we bij de vierde Antwerpenaar, Bob Mendes. Deze ex-voorzitter van een basketbalclub en ex-accountant heeft het gat in de markt gevonden. Hij is de Vlaamse uitvinder van het faction-thriller genre (fictie gebaseerd op feiten) waarin hij zijn fantasie op hol laat slaan bij ware gebeurtenissen. Mendes begint met een gebeurte-nis die heel Vlaanderen in de ban heeft gehouden en verzint er zelf daders, intrige en ontknoping bij. Zo behandelde hij onder meer het Heizeldrama (Een dag van schaamte), de ramp met de Herald of Free Enterprise (Het Chunnel Syndroom) en de ontvoering van minister Vanden Boeynants door Patrick Hamers (De fraudejagers).
Bob Mendes meet zich een internationale allure aan, wisselt constant van locatie en voert veel personages op maar verliest zich soms in zijn onwaarschijnlijke plots. Zijn zakelijke stijl doet af en toe houterig aan, vooral in zijn eerste thrillers, den dat komt de vaart van het verhaal niet ten goede. Zijn thrillers zijn wisselend van kwaliteit maar een grote mate van vakmanschap kan hem niet ontzegd worden. Vergelding (Gouden Strop 1993) bijvoorbeeld werd in Amerika uitgegeven als Vengeance: a prelude to Saddam's War. Een jaar later baseerde hij zich op dat voorspel om zijn beste werk tot nu toe te schrijven: De kracht van het vuur (Gouden Strop 1997)
De boeken van de laatste Antwerpenaar uit dit rijtje, Piet Teigeler, worden steeds interessanter. In de jaren zeventig debuteerde hij samen met een vriend onder het pseudoniem Woody Dubois en schreef hij twee populaire spionageromans. In zijn nieuwste reeks toont de auteur dat hij zijn stad kent. Hij loopt wat breedsprakerig door zijn soms kneuterige plots maar vindt stilaan de juiste toon in zijn serie rond de politie-inspecteurs Carpentier en Dewit. Zijn voorlopige hoogtepunt heeft Teigeler bereikt met Drie dode meesters, waarin de maffia een belangrijke rol speelt.

Kortrijkse high society

Twee auteurs die heel wat minder verkopen maar door insiders daarom niet minder worden gewaardeerd zijn Axel Bouts en Weduwe Oppermans. Eerstgenoemde, afkomstig uit Kortrijk, is burgerlijk ingenieur en schakelde na een paar goed onthaalde literaire romans over op zijn jeugdliefde: politieromans à la Maigret. Zijn inspec-teur Toets probeert moorden in de Kortrijkse high society op te lossen. Deze zakelijk geschreven detectives zijn goed gedocumenteerd, getuigen van een grote achtergrondkennis maar missen soms vaart en vitaliteit.
In dezelfde kringen, maar dan in Gent (op de daar welbekende Gentse Feesten) speelt zich de debuutroman af van twee auteurs die zich achter het pseudoniem Weduwe Oppermans verschuilen. Het duo privé-detectives dat de zaak moet oplossen is een ge-slaagde Holland-België combinatie. Vanuit marketingstandpunt een goede vondst in een roman die luchtig van toon is en vlot leest. Hun langverwachte tweede roman heeft wel thrillerkenmerken maar is meer een sociale geschiedenis.
Patrick Bernauw neemt met zijn docudrama's een aparte plaats in. In De mys-teries van het Lam Gods wordt gezocht naar de ware drijfveer van de vermoedelijke dief van het in 1934 uit een Gentse kathedraal gestolen schilderij van Van Eyck. In een vol-gende boek worden Landru, Poe en Heer Halewijn onder de loep genomen en wordt hun geschiedenis herschreven. Bernauw probeert door 'wetenschappelijk' onderzoek en de-ductie de nog altijd bestaande vraagtekens rond de geruchtmakende zaken van een ande-re verklaring te voorzien. Eerder was de jonge auteur gedebuteerd met enkele magisch-realistische thrillers.
Bob Van Laerhoven, een auteur die van vele markten thuis is, begaf zich op het aartsmoeilijke pad van het korte verhaal. Hoogspanning bundelt een aantal verhalen van ongelijke kwaliteit die bewijzen dat dit een lastig deelgebied binnen de misdaadlitera-tuur is. Ook in Façades staan enkele crime stories waaruit een onmiskenbaar talent blijkt. Tien jaar later publiceerde hij met journalist Roger Marynissen Dubbelspoor, een pretentieloze maar leuke thriller die echter spanning mist.
Dirk Draulans, journalist maar ook hoogleraar biologie, schreef met Paarse dij-en een erotische thriller. Pers en publiek hadden het er moeilijk mee maar het boek was literair verantwoord en kwam niet voort uit de sensatiezucht die sommigen er in lazen. Zijn tweede thriller speelt zich af in een meer internationaal klimaat.
Begin jaren negentig bleef het enige tijd stil maar halverwege het decennium mochten weer enkele debutanten worden begroet. Stefan Broeckx is de minst opval-lende onder hen. Zijn Offerdans is een wazig, verwarrend boek waarin de intrige met haken en ogen en vooral veel magie aan elkaar hangt. Het daarop volgende De verdron-ken dood is een vlottere poging om feiten, fictie, façade en verzinsels uit elkaar te hou-den. Originele plots maar karaktertekening en stijl zijn voor verbetering vatbaar.
Patrick Conrad had al een miskleun van een scenario op zijn naam staan en maakte in Vlaanderen vooral furore als dichter en filmregisseur waarbij hij schaarse successen afwisselde met serieuze fiasco's. Daarentegen was de pers bijna unaniem po-sitief over zijn misdaadtrilogie (Limousine, Louisiana en Luwte) waarin hij volstrekt on-Vlaamse verhalen vertelt. Het duurt een tijdje voor je als lezer door hebt dat de auteur bezig is met een persiflage van het Amerikaanse hardboiled genre. De drie thrillers die afzonderlijk gelezen kunnen worden staan vol van bloed, seks, gruwelijke folteringen en groteske personages. Door verregaande overdrijving probeert Conrad een soort humor te scheppen waarvoor waarschijnlijk slechts een minderheid van het beoogde lezerspu-bliek ontvankelijk is. Zijn beschrijvingen van extreemrechts in Vlaanderen, zijn impres-sies van de kneuterigheid van de inheemse kunst en de eruditie die uit talloze cinemato-grafische verwijzingen blijkt, verdienen echter lof.
De Vlaamse musicoloog Fred Brouwers combineerde zijn twee grote liefdes in één werk: een thriller over muziek. In Tomasino steelt een gefrustreerde, aa, lager wal geraakte muzikant twee partituren die hem én wereldlijke muzikale erkenning én le-venslange rijkdom zouden moeten brengen. Het fraai en onderhoudend geschreven boek biedt veel muzikale weetjes maar iets te weinig spanning.
De rijzende ster aan het Vlaamse thrillerfirmament is de Bruggeling Pieter Aspe die de laatste vijf jaar evenveel thrillers publiceerde met zijn geboortestad prominent op de voorgrond. Zijn adjunct-commissaris Van In verliest zich in Duvel, in zijn sexy offi-cier van Justitie, geniet van al wat goed en schoon is maar gaat de problemen niet uit de weg. De plots bevestigen het idee dat de buitenwereld van België heeft - corrupte poli-tici, roze balletten, de affaire Dutroux - maar ze zijn knap geconstrueerd. Pieter Aspe schrijft vlot en natuurlijk en weet de lezer constant te boeien. In korte tijd heeft hij, ver-diend, een grote reputatie opgebouwd

Een pistool en een oorkonde

Valt er tot slot nog iets te zeggen over de waardering g die de Vlaamse misdaadroman binnen en buiten onze grenzen geniet? Weinig of niets. De Nederlandse uitgeverij Bru-na schreef in 1985 een prijsvraag uit voor het beste Nederlandstalige debuut en tot zijn eigen grote verbazing won Bart Holsters met Blokje om, hoekje om de Havank-Trofee. Ik heb geen idee wie later die trofee in de wacht heeft gesleept, of zelfs hoe vaak de prijs daarna nog is uitgereikt.
In 1986 stelde de Antwerpenaar Danny De Laet de Trofee van de Grote Jury in waar-mee jaarlijks de beste Vlaamse misdaadroman zou worden bekroond. De prijs bestond niet uit een geldbedrag maar uit een pistool en een oorkonde. Opvallend is dat de enige twee winnaars (Bart Holsters en John Vermeulen) hun Trofee binnenhaalden met een boek dat bij onze Noorderburen werd gepubliceerd. Een serieus ethisch conflict tussen de onwrikbare De Laet en uitgeverij Manteau zorgde voor tweespalt binnen de jury zo-dat de Trofee na twee jaar definitief in de kast verdween.
Het blijft verwonderlijk dat onze beste én populairste misdaadauteur, Jef Geeraerts, on-der dak bij een Vlaamse uitgever, zijn eerste prijs, de Gouden Strop, in Nederland moest ophalen. In 1993 werd hij gevolgd door Bob Mendes voor Vergelding, een boek dat in-middels als enige Vlaamse thriller ook in het Engels werd vertaald.
In 1998 stampten enkele misdaadliefhebbers, in samenwerking met het week-blad Knack een misdaadweekend aan de Vlaamse kust uit de grond. Daarbij werd de Hercule Poirotprijs in het leven geroepen. De twee winnaars, Schoeters en Geeraerts, zijn ongetwijfeld terecht bekroond maar is het vol te houden een jaarlijkse prijs te ver-delen onder het kleine kringetje misdaadauteurs dat Vlaanderen rijk is?
Aan het eind van dit overzicht in vogelvlucht van de geschiedenis van het Vlaamse misdaadverhaal moeten we constateren dat er in de loop van de tijden veel kaf tussen het koren heeft gezeten.
Maar er is ook een onmiskenbare evolutie naar kwaliteit in plaats van kwantiteit.


En daar kunnen we als liefhebber alleen maar blij om zijn.