| INDEX
NL-cursussen |
HOOFDSTUK 1
INLEIDING
12 oktober 1966 te Amsterdam
Bij het begin van dit nieuwe cursusjaar zal ik niet veel tijd besteden aan het hoe en waarom van wat we gaan doen, omdat we naar ik hoop al doende vanzelf tot dit begrip zullen komen. Het is ook zo moeilijk te beschrijven wat we gaan doen, omdat het zo iets heel anders is dan het leren van een taal, het lezen van de bijbel, of het bestuderen van dingen uit de oudheid. Het is veel meer; het is het bekend worden met een wereldbeschouwing. De inleiding tot die wereldbeschouwing zal dit komende cursusjaar in beslag nemen. Het is onmogelijk om in één keer uiteen te zetten wat er mee bedoeld wordt.
Wat we hier zullen proberen te doen, is te komen tot een zien, een zicht op de wereld vanuit een heel andere wereld. Ik zeg niet 'vanuit een andere tijd', omdat wij eraan gewend zijn geraakt tijd te zien als iets dat zich ontwikkelt, dat groeit, een soort stroom waarin allerlei momenten elkaar opvolgen. Hierbij zijn we nog zodanig geïndoctrineerd, dat we alles wat voorheen was als heel laag, primitief beschouwen (in negatieve zin), en wat dichterbij is als beter en knapper, met een grote verwachting van de toekomst, die nòg beter en nòg knapper zal moeten worden. Deze zienswijze houdt al de kiem in van een soort loochening van God, van Gods bestuur van de wereld, omdat God aan het begin staat van de tijd en de eerste uitingen door God of over God - hoe men het ook noemen wil - behoren te stammen uit een tijd die dat allemaal nooit zo goed kon weten als deze, onze tijd.
Daarom spreek ik niet graag over 'tijd', juist vanwege dit bederf van het begrip tijd. Want in feite zien we het verkeerd, is die ontwikkeling er niet zo. Wij zijn, op een zeer simplistische manier, op school al vergiftigd met dit soort denken over tijd. Als ik u zeg dat ik u bekend wil maken met zienswijzen, denkbeelden, kennis uit oude tijden, dan zegt u: "O, maar toen wist men niets van elektronica en onze andere vorderingen op wetenschappelijk gebied kende men niet. Wat zouden die dan helemaal geweten hebben? Die dachten toch dat de hemel een soort van dak was met daarboven allerlei tronen en tuinen, enz." En dan bent u meteen geneigd te zeggen: "Dat is allemaal niets". Dan krijgen de beelden uit de bijbel dat primitieve wat we in de kinderbijbel zien: plaatjes met engelen, met vleugeltjes, in roze en blauw. Dan krijgt men iets dat al meteen weggeschoven wordt. Maar dat beeld is niet juist, helemaal niet. Toch weet ik uit ervaring dat men, als ik praat over vroeger en over 'de oude tijd', meteen zegt: "Nou ja, maar eens kijken, met mijn kritische en knappe geest, al bijna gevorderd tot 1967, wat die daar voor oordeel over heeft".
Daarom zei ik u dat ik u bekend wil maken met een andere wereld. Men kan het ook noemen - maar dat is ook alweer een verkeerd woord - een wereld uit de mythologische sfeer. Ook dat begrip is echter al bedorven, op school zodanig neergehaald, dat men ook daar niet meer begrijpt waar het over gaat.
Wat ik ga doen is: u in kontakt brengen met een denkwijze die bestaat, die altijd bestaan heeft, maar die in de toestand van nu, zoals wij die kennen, zeer verdrongen is. Wij zijn zo veruiterlijkt, dat wij achter de dingen die we zien niets meer zien dan het uiterlijk en een nieuw uiterlijk. Als wij een boom zien, zijn we geïnteresseerd in de vraag tot welke groep hij behoort, in de economische of agrarische waarde ervan. Maar veel verder komen we niet. We hebben het kontakt verloren, waardoor we in zo'n boom een uitdrukking zouden kunnen zien van iets dat elders bestaat en dat daar altijd aanwezig is. Weer zo'n moeilijk woord, elders. Daarmee wijs ik ergens heen en ik mag niet wijzen, want 'elders' is overal. Maar die boom vult ook het hele heelal. Hetzelfde geldt voor iedere bloem, enz. Daar is iets mee. Dat de ene bloem zes bloemblaadjes heeft en een andere zeven is niet, zoals we zeggen, toeval of een kwestie van variatie, maar iets heel wezenlijks. En ook dat de ene bloem rood is en de andere wit, dat sommige koeien rood-bont of bruin kunnen zijn of gevlekt en andere zwart is iets heel wezenlijks. Voor ons, met name hier in Nederland is een koe een soort melkfabriek, een deel van het produktieproces. Maar wij beseffen niet dat met een koe iets uitgedrukt wordt, iets dat zò wezenlijk is, dat in het visioen van Ezechiël voor de troon van God onder andere een stier staat, naast een leeuw, een adelaar en een mens. In onze hoogmoed zeggen we dan: och ja, in die tijden was een stier zo belangrijk voor de landbouw, hij stond zo in het centrum van de belangstelling, dat hij maar bij God geplaatst werd. Zoals bij ons Wallstreet bijvoorbeeld ook 'dichtbij God' staat in deze tijd. Men begrijpt niet dat het anders kan zijn.
Achter de dingen is dus iets aanwezig. En het gaat erom, dat wij in deze tijd het kontakt hebben verloren met dat wat achter de dingen is. Soms zijn er mensen die zich verbeelden dat ze het kontakt kennen. Er zijn er die het hebben en weten, heel, heel enkelen. Maar voor de wereld is het eigenlijk verloren gegaan.
Ik noemde zojuist planten en dieren. Maar nu de mens zelf. Voor ons is hij ook een biologisch, sociologisch, economisch verschijnsel geworden. Wij weten ook niet meer wat de aspecten van de mens zijn. Als we spreken over het haar bijvoorbeeld, dan zeggen wij: "Ja, het haar heeft een funktie". Is dat alles? Wat is de funktie van de mens? Waarom is hij er, waartoe? Om carrière te maken, om te studeren? Wat ìs de funktie van de mens? Wat is de funktie van het haar, van de nagels, van de ogen? Waarom ziet de mens zo, met deze ogen? Waarom met deze en niet meer met andere? Dit weten is voor ons verloren gegaan.
De wereld die ik u naderbij wil brengen, is juist een wereld waarin dat leeft, waarin het kontakt tussen het uiterlijk, de verschijningsvormen en dat wat het IS, iets levends is en dat steeds meer voor ons moet worden. Nu is het uiteraard moeilijk te vertellen hoe je dat kontakt krijgt. U denkt dan misschien: "Hoe weet ik nu wat de echte betekenis van haar is, of van nagels, of van ogen, van een koe, van een stier, een boom? Dat vertelt u nu wel, maar misschien gaat u straks zeggen: zo ìs het, en dat moet ik dan maar geloven. Ik heb wel enig vertrouwen in u, maar zover gaat dat nu ook weer niet. Ik wil geen vertrouwen hebben in die dingen, dat zou me te veel belasten". - Ja, in de eerste plaats moet dit weten natuurlijk uit u zelf komen en in zekere mate al bij uzelf aanwezig zijn. Misschien is het feit dat u hier komt - door u mogelijk 'toevallig' genoemd - een gevolg van een dergelijk weten in u, dat dit al vermoedt en dat u hierheen trok. Maar daarna zou er iets moeten komen waardoor dit kontakt met het wezenlijke bij uzelf kan worden hernieuwd, in die zin dat het bij uzelf weer wakker wordt. Het is dus niet iets wat ik u ga ingieten van mij uit, maar iets dat bij u latent aanwezig is en dat door het gesprek dat we hier kunnen krijgen ineens wakker gaat worden. U gaat merken: och, eigenlijk wist ik en hoorde ik het al, had ik het al. Het moet voor u gewoon zijn, bekend zijn. Het is alleen verrassend in die zin, dat het weer tot leven gebracht kan worden. Als het niet in u zit, kan het niet tot leven gebracht worden. Maar het is in de mens aanwezig. De mens is heel oud, meer dan miljarden jaren oud. Hij staat eigenlijk buiten de tijd. De tijd is voor de mens één van de mogelijkheden om zich uit te drukken. De mens is veel verder en veel meer. En omdat dàt zo is, kan hij dit kontakt weer krijgen, kan het bij hem weer tot leven komen.
Hoe zullen we dit kontakt nu tot leven laten komen? Als we ergens over spreken gebruiken we de taal, maar ook taal is voor ons iets geworden dat alleen uiterlijk, nuttig is, iets waardoor we elkaar kunnen verstaan en zo produktief mogelijk kunnen zijn, en zo efficiënt mogelijk, een soort stilzwijgend aanvaarde computer. We leren talen om met vakantie te kunnen gaan, om bijvoorbeeld met de kelner in het Italiaans te kunnen spreken, dat vindt men geweldig. Maar men heeft er eigenlijk geen besef meer van, dat er in de taal veel meer zit. Evenals in die koe, in de boom, het haar, zit er in de taal ook iets heel wezenlijks. Die is niet zomaar eens geconstrueerd door onze knappe voorouders, die steeds knapper werden, naarmate zij dichterbij ons kwamen, want wij zijn het knapste natuurlijk, want wij staan aan het eind. Nee, de taal is ook een verschijnsel, een verrassing. Je zou kunnen zeggen dat er een wereld bestaat, waar alleen taal is, waar alleen het woord is.
Velen van u denken nu misschien aan: "In den beginne was het Woord en het Woord was bij God". (Johannes 1:1). Inderdaad, er is een wereld van het woord. En dat woord wordt vlees, wordt vorm. Dat woord krijgt allerlei variaties hier, uitdrukkingsmogelijkheden, zoals die boom, die bloem, die kleuren, enz. dat krijgen.
Er is dus een wereld waar eigenlijk nog alleen het woord heerst, het woord dat wellicht juist de brug is bij God, om het vlees te doen verschijnen. Onder vlees versta ik niet dat wat de slager per pond verkoopt, maar alles wat hier uitdrukking is van dat wat bij God is. Daarom is in het Hebreeuws het woord voor vlees synoniem met het woord voor boodschap. De wortel, de stam van het woord voor vlees en het woord voor boodschap is hetzelfde. Dat wat hier verschijnt als vlees is dus een boodschap, een mededeling, is het gesprek. Dit gesprek zien we met onze zintuigen, voelen we, ondergaan we vooral en beleven we. Dat is voortgevloeid uit het woord, is gekomen door het woord.
Er is dus een wereld van het woord en we weten ook min of meer dat er een wereld van het getal bestaat. In aardige boekjes kunnen we lezen dat er met de getallen wel eens iets aan de hand is: er zijn priemgetallen, reeksen, enz. In deze tijd gebruiken we de getallen alleen om allerlei kunstjes te vertonen, heel interessant. Professor Schuh was daar bijvoorbeeld heel bekend om, maar er bestaan ook allerlei andere boeken over. Er schijnt dus een wereld van het getal te zijn, die een eigen leven leidt, maar die toch los staat, schijnt te staan van wat wij beleven en kennen. Deze wereld van het getal heeft een eigen wetmatigheid. Wij stuiten weleens op deze wetmatigheden, als we getallen gebruiken. U weet dat we dingen kunnen uitdrukken door middel van getallen. De formule van Einstein bijvoorbeeld bestaat uit letters met getallen. Het periodieke systeem van elementen, de atoomgewichten drukken we uit met getallen. We weten dat er iets met die getallen is, maar ook dit is iets dat los van ons staat.
Ook daarmee bederven we onze kinderen al op school, door te zeggen: 2 + 2 = 4. Getallen en letters worden gebruikt voor het spel van de maatschappij, om de kinderen daarin later een goede baan te bezorgen, zodat ze voor zichzelf en hun gezin zullen kunnen zorgen. Daarvoor alleen wordt het gebruikt en daarmee worden ze doodongelukkig gemaakt, want ze worden daardoor afgesneden van het wezenlijke van het leven. Een kind dat niet kan rekenen vind ik geweldig. Ik denk dan: gelukkig verzet het zich tegen de ontucht met de getallen. Ook als een kind een taal niet zo kan leren, zeg ik: ha er zijn nog goeie kinderen ook! Ik gaf mijn kinderen altijd pluimpjes als ze een slecht rapport thuisbrachten. Ik had een soort drang, een hartstocht om ze van school weg te houden, omdat daar het besef van de verbinding met het wezenlijke zo kapot gemaakt wordt. De biologie bijvoorbeeld deelt in klassen in, zogenaamd uit het oogpunt van nut, maar het geluk wordt de mens ontnomen, het geluk dat hij hebben kan als hij in verbinding staat met wat we het wezenlijke kunnen noemen. En daar gaat het eigenlijk om. Wanneer je dat merkt, dan kan er een groot geluk voor je open gaan. In het woord zit iets en als je dat merkt ben je veel gelukkiger dan met mercedessen, villa's, vliegtochten over de wereld, enz. Het is niet te vergelijken, dat geluk, het is van een heel andere orde. Het geeft je kracht en sterkte om te leven en daardoor zeg je: "Mij kan niets gebeuren. Ik kan ziek worden en doodgaan ook, maar toch gebeurt er niets". Je voelt dat je ergens anders leeft, ergens anders bent en het één heeft niets met het andere te maken.
Als ik daarom zeg dat wij hier die dingen zullen benaderen - u hebt aan de titel gezien dat het gaat over de Hebreeuwse bijbel en de wereld der Hebreeërs, en ik heb ook beloofd dat we het over de taal zullen hebben -, dan krijgt u persé geen cursus Iwriet zoals dat tegenwoordig heet. Dan probeer ik u bekend te maken met de wortels van de taal, die zich zowel in de aarde als in de hemel bevinden, en met een fenomeen dat laat zien welk een wonder er in het woord zit, waardoor er door en met het woord zo ontzettend veel gebeuren kan. Het Iwriet verhoudt zich tot het Hebreeuws dat we hier gaan doen, als schoolwiskunde tot het echte getal; ze hebben niets met elkaar te maken. Beide gebruiken getallen en letters, maar het is iets heel anders.
Wij willen dus kontakt krijgen met de taal, doordat we daarin bepaalde verbanden gaan zien. En ik zeg dat wij dat in het Hebreeuws gaan doen. Dat wil niet zeggen dat dit verband niet in andere talen aanwezig is. Maar waarom het in andere talen moeilijker te vinden is, zult u hopelijk merken als we een tijd bezig zijn. Maar dat het er ook in andere talen is, merken we nog aan vele voorbeelden. Als ik u iets 'vertel', zit daarin het begrip 'tellen', het getal. Ook in het Nederlands zien we dus al dat er geteld wordt, als we een verhaal doen. Vergelijk: erzählen - zählen, raconter - conter, to tell. In het Hebreeuws ook, daar heet een boek SEPHER, 60-80-200, waarvan misschien ons woord 'cijfer' - via een omweg - gekomen is. In alle talen bijna, voor zover ik ze ken, zit in dit vertellen, dit doen van een mededeling, meteen ook het begrip 'tellen', van getal. Hieruit blijkt dat de wereld van het woord en die van het getal veel dichter bij elkaar staan dan u dacht. Misschien zal straks blijken dat zij identiek zijn, dat de wereld van het woord en die van het getal, daar waar het niet meer het 'hier' is, niet meer in het uiterlijke is, elkaar eigenlijk overlappen en misschien zelfs elkaar dekken.
Met een simpel voorbeeld wil ik trachten dit te verduidelijken. Als wij iets door middel van het woord willen meedelen, in welke taal dan ook, dan hebben wij soms veel woorden nodig. De toehoorder luistert naar de woorden met sympathie of antipathie, met lust of onlust. De één vindt het geklets, de ander vindt het juist weer geweldig mooi, suggestief, overtuigend, overdonderend. Toch wordt het misschien door beiden niet begrepen, omdat ik, zodra ik het woord gebruik, het woord van deze tijd heb, het uiterlijke woord, dat los is geraakt van het wezenlijke woord, dat niet meer die verbinding daarmee heeft. Men reageert dan op het uiterlijke woord, in zijn grote variatie en veelheid, dat geen kontakt meer met de dingen heeft. Juist als het om belangrijke dingen gaat, zal dat ergernis wekken. Als ik bijvoorbeeld meedeel: "In de bioscoop draait die of die film", kan dat niet veel irritatie wekken. Maar als ik zeg: "In deze tijd is iets komende", dan voelt u al: vele mensen worden dan boos of onrustig, anderen juist enthousiast. Er ontstaan meteen emoties, doordat de één onder 'deze tijd' en onder 'komen' iets heel anders verstaat dan de ander. Dan wordt het woord misverstaan, omdat we het afgekapt hebben van het wezenlijke; het is alleen maar iets uiterlijks geworden, verder niets. Maar als ik mij duidelijker wil uitdrukken zal ik, als ik iets omschrijven moet, tenslotte zò duidelijk moeten definiëren dat men zegt: nou, dìe definitie is zuiver. Men definieert bijvoorbeeld in de wetsartikelen. En de rechters proberen dan door zorgvuldig af te wegen hoe die definities daar zijn, er achter te komen wat de wetgever bedoelde. Dat is heel moeilijk. We hebben hele bibliotheken vol met jurisprudentie.
Ook in de natuurwetenschappen formuleert men. Op school en op de universiteit wordt je geleerd: wees kort en duidelijk met je formulering. Door veel woorden te gebruiken verberg je vaak dat je niet zeker bent, het niet weet. Zo is men tenslotte gekomen tot 'de formule', wanneer we iets exact willen uitdrukken. En dat is weer één van die typische verschijnselen die we niet begrepen hebben. Een formule is een samenstel van verhoudingen. Als voorbeeld in de Bijbel asl Schepping heb ik genoemd H2O dat voor ons duidelijker is dan water, want daaronder kunnen we verstaan: zee, rivier, douche, een glas water, enz. De formule H2O daarentegen is kort en kan weinig misverstanden wekken. Hierin zitten dan nog wel de H en de O, maar op een gegeven moment gebruikt de school misschien formules waarin alleen maar verhoudingen voorkomen, bijvoorbeeld 2-16-3 is dan water. Dit is dan de uiterst mogelijke uitdrukkingswijze, die we voor iets hebben. Daar voorbij kunnen we niet gaan. We staan dan aan de grens van een andere wereld. Dat wil zeggen die andere wereld, waar water ook is, kan zich hier alleen maar uitdrukken in iets wat wij kwantiteiten noemen, verhoudingen. Dat is van die andere wereld de enige uitdrukkingsmogelijkheid hìer. Wij streven er dan ook terecht naar - al lijkt het langs de verkeerde weg, als je ongeduldig bent - om in alles dit soort verhoudingen naar voren te brengen. De cybernetica, onze nieuwe leer van de computers, van deze heel andere mogelijkheden van tellen en rekenen, werkt alleen met verhoudingen: elk ding wordt uitgedrukt in een getal. Dat is heel simpel en gemakkelijk, zeggen we dan, maar we vergeten dat hier een heel nieuwe wereldfase ingeluid wordt, waar alles in verhoudingen uitgedrukt wordt. En we merken dat er een soort duveltje in zit. Want als je die verhoudingen eenmaal hebt, dan kan zo'n computer er van alles mee doen, bliksemsnel: banen uitrekenen bijvoorbeeld, analyses maken van urine, enz. Van alles is mogelijk. Het gaat met deze computer zo snel en fenomenaal, dat als er een eigen kracht in die getallen zat om iets tevoorschijn te brengen, dit zou gebeuren. Wanneer je dit met woorden zou doen, dan zou zoiets niet kunnen gebeuren. Dan zouden er teveel mogelijkheden voor fouten zijn. Maar juist omdat het getallen geworden zijn, gaat het. En we staan verbaasd hoeveel daarmee bereikt kan worden. Omdat we het niet begrijpen, zijn we weleens geïrriteerd, zo van: "Bij die wereld is het maar vreemd. Hoe kunnen ze dat allemaal uitrekenen!"
Er blijkt dus met de getallen iets aan de hand te zijn. Er zit een kracht in. Ik noemde het zo even een duveltje; ik kan ook zeggen: een demon, misschien een engel, ik weet het niet, al naar je wilt en zelf bent. Er is iets mee, er wordt iets mee gedaan en ineens kan men verder zien, dieper zien. Men is niet gelukkiger, maar komt daardoor misschien toch tot een besef: er kon weleens wat zijn met die wereld van het getal. Je voelt het. Ik weet niet of u de boeken van Norbert Wiener gelezen hebt over de elektronische rekenwijze. Ik heb hem zelf eens in Calcutta ontmoet. Zo ben ik er ook toe gekomen om zijn boeken te lezen. Dan zie je dat er ook bij deze mensen een vermoeden is, dat er met die getallen en met de wereld van getallen nog meer aan de hand is dan je eerst zou denken. Je merkt dat er een andere rekenkunde is dan die van de schoolboekjes, waaruit je sommen kunt maken. Oneven getallen, priemgetallen... Wat is daarmee, waarom bestaan ze? Even getallen... Wat zijn even getallen? Tegenwoordig zegt men al: dat zijn geen getallen, het zijn combinaties van andere getallen: 4 = 2 x 2, 6 = 3 x 2. Maar er zijn getallen die geen combinaties van andere getallen zijn, bijvoorbeeld 13, 31, 71. Daar is niets mee te beginnen, het zijn getallen op zichzelf. Misschien kunnen we anders rekenen en tellen, alleen met die zogenaamd ondeelbare getallen, misschien zijn dat wel de enige getallen die bestaan. Het is niet voor niets dat we in het tijdperk van de computer, van de elektronische rekenmachine zijn gekomen. Je kunt zeggen dat dat toeval is, maar dat is het niet. Het is ook niet toevallig dat we hier zitten om over deze dingen te praten. Er is daarmee wel iets aan de hand.
Men is ook bezig te ontdekken dat er met die wereld van de taal iets aan de hand is, dat ook dit misschien een wereld van verhoudingen is. Men kan tegenwoordig met de computer nagaan of een tekst door deze of een andere persoon is geschreven; hoeveel maal gebruikt hij dit woord en dat woord? Men kan met de computer hele grammatica's opbouwen binnen een paar minuten of een half uur, in ieder geval heel snel. Men merkt dan dat in die grammatica een systematiek zit, die verrassend is.
We leven dus in een tijd, waarin we merken dat er met het getal iets is en door dat getal gaan we merken dat er met het woord iets is. We ontdekken dat, wanneer we iets scherp willen definiëren, we dat het beste doen door er getallen voor te nemen, en wel getallen die dat begrip inderdaad dekken, geen willekeurige getallen. Men kan bijvoorbeeld niet afspreken: man = 25. Wat is 'man' of 'mannelijk'? Kan dat daaruit tevoorschijn treden? Dat wil ik toch wel precies weten, het is belangrijk genoeg.
Ik wil dus doordringen tot iets dat mij werkelijk kan opheffen uit de wereld van EEG, NATO, enz. Met die andere wereld wil ik kontakt hebben. Ik ben uit die andere wereld afkomstig; daar hoor ik thuis, maar nu dwaal ik rond. Toch heb ik verbinding met dat andere. Ik ben er mee verbonden als met een navelstreng. Ik wil niet doorgeknipt worden, ik heb er mee te maken. Als we zeggen dat we de dingen die we zien misschien kunnen uitdrukken in verhoudingen, dan is dat door dat verlangen naar die andere wereld. Ik noemde al het begrip 'water', zo ook 'hout' - al is dat gecompliceerder - en 'boom', nog gecompliceerder. Maar als ik begrippen als goed of kwaad wil uitdrukken, dan kan men die niet in een reageerbuis onderzoeken. In de taal echter bestaan ze; ik zeg op dit moment 'goed'. Hoe kom ik erbij om 'goed' te zeggen? Waarom gebruik ik voor het begrip 'goed' niet het woord 'Pieterse'? Hoe kom ik erbij om 'goed' te zeggen? Het woord 'goed' heeft een positieve uitwerking op ons, het woord 'kwaad' werkt irriterend, geeft een ander, donkerder gevoel. Er is met die woorden ook iets aan de hand. Misschien zijn het ook wel verhoudingen. Het zijn in ieder geval verhoudingen door de toon die ik er aan geef, door het geluid. Als ik 'goed' zeg, wordt dit natuurwetenschappelijk anders geregistreerd dan wanneer ik 'kwaad' zeg. Van waar komt dit?
Een sleutel is misschien te vinden in de vraag: waarom zijn we de wereld van het woord en die van het getal gaan scheiden? En dan komen we tot de typische benadering van het Hebreeuws; daar zijn ze namelijk niet gescheiden. Daar is iedere letter eigenlijk een getal, dat ook als letter uitgesproken kan worden. Daar bestaat die scheiding niet, die schizofrenie. Ze zijn één. Als je dat maar gaat voelen dat het één is, en dan zegt: "Zo wil ik die taal nu gaan benaderen, en misschien iedere taal". Misschien staan wij van het computertijdperk wel aan de grens van een tijdperk waarin het woord anders gezien wordt en de verbinding met het wezenlijke der dingen ontstaan kan. Ik zeg: misschien, maar heb zelf de overtuiging dàt het zo is. Iets daarvan hoop ik te kunnen meedelen. Het is een herontdekking van iets dat ergens één is en hier gespleten is, zoals ook wij eigenlijk gespleten zijn wanneer we over lichaam en ziel spreken. Hoe komen we daaraan? Van Aristoteles? Het is net als met het woord en het getal. Waarom zijn man en vrouw gespleten, hoe zit dat, waarom zijn deze dingen zo?
HOOFDSTUK 2
GETALLEN IN HET WEZENLIJKE - DE 400 EN DE 500
DE TAAL KOMT VAN DE 'OVERZIJDE' - HET IWRIET
We zijn nu zo ver gekomen, dat we gezien hebben dat in de taal van de bijbel, het Hebreeuws, de scheiding tussen de wereld van het woord en die van het getal niet aanwezig is. In de andere talen is die scheiding er ook niet, alleen is dit aan de oppervlakte niet te zien, daar is het wel gescheiden.
Het is belangrijk dat we een taal hebben overgehouden - ook alweer niet toevallig - waarin het met het woord nog zo is, dat de scheiding tussen de wereld van het getal en die van het woord niet of nog niet heeft plaatsgevonden. Dit geldt met name voor de taal, zoals die in de bijbel gebruikt wordt. Daar is dus ieder woord tegelijkertijd, wat men zou kunnen noemen, een formule, een kwantitatieve uitdrukking. En deze kwantitatieve uitdrukking zal ons misschien kunnen doen kijken in een wereld waar dat wat wordt uitgedrukt niet alleen uiterlijk aanwezig is, maar ook in zijn wezen bestaat. Als ik bijvoorbeeld het woord neem voor 'koe', in het Hebreeuws PARAH, of PHAR, 80-200 - misschien heeft ons woord 'vaars' daar nog mee te maken -, dan zegt dit door zijn kwantitatieve uitdrukking (80-200) iets over het wezen van de koe, zoals van water iets wezenlijkers gezegd wordt door de formule H2O. Je ziet dan ook bijvoorbeeld dat het woord PHARAOH afgeleid is, een uitdrukking is, van dat begrip koe. Als Pharao - of Farao - van die koeien droomt, is het niet zo dat hij een agrarische droom had, maar hij droomt van zichzelf, van iets dat hij zelf is. En als dan de woorden 'vrucht' en 'vruchtbaarheid' daar ook mee te maken blijken te hebben, dan ga je toch iets meer zien, in het uiterlijk van de dingen al, dan in ons woord koe. Dat woord zegt ons in het Nederlands niets meer; oorspronkelijk nog wel, maar nu niet meer.
In het Hebreeuws heeft men dus gelijktijdig de formule van de dingen; misschien zal deze ook blijken het wezenlijke echt weer te geven, zoals zich dat gaat voordoen aan de grens van onze wereld, waar - los van de miljarden lichtjaren - toch een soort dak aanwezig is, dat een scheiding vormt met een andere wereld, een scheiding voor onze waarneming, maar niet voor ons wezen. Want wij zijn in die andere wereld ook, alleen zijn we de verbinding daarmee kwijtgeraakt. Die andere wereld, die dus dwars door dit heelal heen blijkt te bestaan, dwars door de mens heen, bestaat op een bepaalde, niet-zichtbare manier. Want alles wat zichtbaar is, is vorm, kan beeld zijn. Er is echter iets dat onzichtbaar is, maar op een andere manier tòch te benaderen. In het Hebreeuws zien we dat hierin dat de getalsuitdrukkingen in de letters van het alfabet niet verder gaan dan tot het begrip 400. Dat wil niet zeggen dat men niet verder kan tellen. Er wordt gesproken van 603550 kinderen Israëls die uit Egypte gaan; men kan dus zeker wel verder tellen. Als wij te maken hebben met iets dat 400 is, dan is er in het wezenlijke ook iets met de 400 aan de hand. Of je wilt of niet, er is iets mee, met die 400. Want er is hier geen andere uitdrukking meer mogelijk van iets in het wezenlijke, dan tot die grens van de 400.
Als in de bijbel gezegd wordt dat de knechtschap in Egypte 400 jaar duurt, wil dat zeggen dat het zo lang duurt dat langer niet mogelijk is, zo lang als er stof, materie, zichtbaarheid is. En materie is niet vlees alleen. Ook de sterren vallen onder de 400, zelfs die welke nooit zichtbaar kunnen zijn, omdat ze miljarden lichtjaren ver weg zijn. Het licht heeft misschien nog miljarden jaren nodig om hier te komen. Zelfs die vallen onder de 400; de maat van deze wereld is 400.
Als in de bijbelse wereld de maat van het land Israël wordt uitgedrukt - en men bedoelt hier geen geografisch land, al heeft dat er wel mee te maken, zoals de koe heeft te maken met die koe (stier) voor de troon van God, en met Farao, maar het niet is - dan wordt gezegd dat dit land 400 lang en 400 breed is. Dat wil zeggen het is het hele heelal. Alles wat omvat kan worden is dat land. Dit is geen expansionisme van Israël. Ieder mens is op die manier Israël. En als dan in die wereld uitgedrukt gaat worden de afstand van de aarde tot de hemel, dan wordt gezegd dat die 500 is, d.w.z. niet uitdrukbaar in onze maat. 400 is oneindig ver, of eindeloos, hoe je het ook noemen wilt; het is beide, denk ik. Maar 500 is door een plafond heengebroken. Geen plafond van het heelal, want dat heeft geen plafond; het is een plafond dat in de mens zelf zit. Daar is die 500 doorheen gebroken. En als we te maken krijgen met 500, bijvoorbeeld knikkers, dan is daar iets mee. Het is geen toeval. Als verhoudingen in een lichaam, in een recept of in wat dan ook, 4, 40 of 400 zijn, dan is dat ook geen toeval; dan zegt dat iets.
Als ik zeg 'goed', dan is dat iets, als ik zeg 'kwaad' dan is dat iets anders. Daar kun je niet onderuit. Zo drukt ook 400 iets uit. Wij zijn dat vergeten. Wij zijn gespleten. Bij 400 denken wij aan tellen en wij vergeten dat 400 een woord is. Het woord voor het getal/de letter 400, de THAW, betekent 'teken'. Het wordt altijd uitgedrukt, getekend als een kruis. Dit kruis is dus eigenlijk het begrip 400, het alles-vullende. En dat 'alles' is verdraaid lang en veel. Daar is geen einde aan. Er kàn hier geen eind aan komen. Al had je de snelste raket en deed je er miljarden jaren over, dan nog was je er niet uit. Zo kun je niet in de hemel komen. Het doorbreken van de 400 moet je dus niet in de ruimte zoeken. Daar is geen eind aan. Het doorbreken is het doorstoten door een ander plafond, een andere muur.
Heel laconiek wordt daar verteld dat de maten van de berg waar de tempel op staat 500 x 500 zijn. Met die tempel wordt namelijk geen gebouw bedoeld dat je hier kunt opzetten. Nee, die tempel is 500 x 500, d.w.z. hij komt uit een andere wereld. Zoek hem niet hier; jij bent maar in de 400.
We zien dat de uitdrukkingsmogelijkheid hier maar tot een bepaalde grens gaat, terwijl we heel goed weten dat daar buiten ook iets is. Er wordt in ons dus eigenlijk een soort doorgegeven kennis gelegd vanuit de oudheid, en die is altijd bij de mens aanwezig. Oudheid niet in de zin van primitief, maar vanuit die andere wereld komende. Want wij zijn verbonden met die oudheid, onze voorvaderen zijn in ons, tot aan God toe. Vanuit daar, hierheen doordringende, wordt ons verteld dat deze wereld tot de 400 gaat. Daar voorbij is iets anders. Met 500 ben je in een andere wereld, die echter hier ook aanwezig is. Degene die je laat doorbreken uit deze wereld, uit deze gevangenschap hier van de 400, en die zegt: er is wèl een verbinding met het andere, snijd het niet door, je kunt er iets mee, is de verlosser, en de plaats waar in de uitdrukking van de bijbel de verlosser wordt geboren en die we allemaal kennen als Bethlehem (dit is BETH LECHEM, huis van het brood), heeft als getalswaarde 2-10-400 30-8-40, samen 490, een getal aan de grens van de 500. Vandaaruit komt hij, aan het einde van de wereld van de 400. Daarom zegt men ook dat hij aan het einde van die wereld geboren wordt. Het einde weer niet in de zin van de jaartallentabel, maar in de zin van ieder moment dat 'nu' is. Want er is geen verder einde dan dit moment. 'Geboren aan het einde' wil dus zeggen dat hij altijd tegenwoordig is aan die grens, altijd in je leeft, als je hem maar herkennen wilt, en dat je dat moet weten en ook ondergáán.
Zo zit er in dat woord, als het niet meer gescheiden wordt van de wereld van het getal, iets bijzonders. Je beseft dan dat je met het woord aan de grens staat van een andere wereld, niet één of andere vage wereld, mysterieus in de kwade zin van het woord, maar een wereld die net zo van ons is als deze wereld. De 500, de 50 en de 5 zijn ook hier, zijn ook steeds bij ons. De mogelijkheid is er om met het woord zo exact te kunnen voelen - het is geen kwestie van meten - dat je gepakt wordt door het woord.
Om die reden ook is een zegen met het woord niet zomaar een mededeling zonder meer. Als men het woord kent, wil dat zeggen dat hier iets gecreëerd wordt, omdat het woord die verbinding met het andere heeft. Als men die verbinding kent en gebruikt, dan is dat iets. Zo is een groet iets, en ook een vloek. Het is een verbinden met een andere wereld, waar het woord een andere kracht, verschijning, hoedanigheid heeft. Zo wordt ook verteld: het woord is bij God. En het woord komt naar de wereld. Er is dus een verbinding met het woord aanwezig. En alles wat we hier zien, is eigenlijk uitdrukking van dat woord.
Als het dus zo is, dat de formule van een woord exact gaat weergeven wat het is, dan wordt onze benadering van de dingen ook anders. Dan hoeven we niet meer te speculeren: zou het dit kunnen zijn of dat? En: ik vind dat het zus is, terwijl een ander vindt dat het zo is. Dan wordt het veeleer een mededeling hoe het ìs. Je kunt zeggen: hoe kan dat? Je kunt je ook de heel kinderlijke, maar diepe vraag stellen: hoe komt deze mens in deze wereld? Ieder mens, wie het ook mag zijn, heeft zijn leven, zijn hoop, gedachten, dromen, visioenen, ergernissen, vreugden, enz. Hij heeft veel, heel veel. Zo veel, dat hij het allemaal bedekt, om maar niets zichtbaar te laten zijn, 'bewust te doen worden', zeggen we dan. Als er zoveel is, kan men het allemaal niet verwerken, dan zou men uit elkaar springen. Ieder mens heeft zoveel in zich, voelt eigenlijk dat hij er altijd is, geweest is en zal zijn. Hij snapt alleen maar niet hoe het kan, dat hij hier terecht is gekomen, dat hij zo verward is, slaperig, zo volkomen confuus van alles. Hij begrijpt niet hoe dat met hem heeft kunnen gebeuren. Ieder mens heeft dat andere weten. De mensen zijn hier gekomen met iets wat men zelf voelt en uitdrukt in de woorden 'in het evenbeeld Gods'. Ik bedoel daarmee niet iets plastisch, dat we in die zin op God lijken. Maar op een andere manier is de gelijkenis heel sterk. De bijbel drukt dit uit met de woorden 'beeld, gelijkenis, gestalte' van God. Over die woorden zullen we het nog weleens hebben. Het wordt zo sterk gezegd, dat het haast niet sterker kan.
Ieder mens voelt dit ook in zich. En dan zou hij hier ineens losstaan van al het andere, helemaal niet meer weten waartoe, waarom, wat er aan de hand is? Hij staat hier en als hij nog kind is zegt men hem al: let op, als je goed rekent, krijg je later een baan. Hij wordt ineens afgesneden van die andere wereld. Hij wordt naar de wereld hier gericht. Hij wordt dan ontzettend verward en stout en geërgerd, want er leeft toch eigenlijk een andere wereld in hem. Dan worden de mensen groter en ze blijven eigenlijk ontzettend trieste kinderen, hoe oud ze ook zijn. Ze weten helemaal niet waartoe en wat en krijgen dan inderdaad een vreemde voorstelling van de schepping en de Schepper, die hen zomaar in de wereld te vondeling heeft gelegd en gezegd: zoek het nu verder maar zelf uit, Ik heb niets meer met je te maken. Toch weet de mens dat dat niet kan. Want ieder mens voelt dat hij zoveel beleeft dat het niet kan dat de Schepper hem dat heeft aangedaan. Wat hij beleeft en doormaakt en alle andere mensen ook - gezond, ziek of wat ook - dat kan toch niet zo? "Ik zou toch", zeggen we dan, trots en ingebeeld, "mijn eigen kinderen, vrienden, leerlingen ontzettend graag alles willen vertellen over het waartoe en waarom. Ik zou ze alles willen geven, zo goed als maar kan; ieder normaal mens wil dat".
Nu zijn onze kinderen in zekere zin een produkt dat we zelf gemaakt hebben. Ze komen vaak per ongeluk, zonder dat je het wilt, maar ondanks dat bestaat er een ontzettend sterke band met je kinderen. Het beste is voor je kind, terwijl je er toch betrekkelijk weinig mee te maken hebt. Wat er bij de wording gebeurt, kun je in boeken lezen. Dat verloopt zonder jou; je weet er verder niets van.
En nu vraag ik me steeds af en ik verzoek anderen dat ook steeds te doen: hoe zou het nu kunnen zijn, dat er een Maker van de wereld is - noem Hem hoe je wilt; Schepper, God - die eigenlijk alles vanaf het begin gemaakt heeft, en 'tot en met' gemaakt heeft (het had er niet kunnen zijn, als Hij het niet gemaakt had; tot in alle onderdelen heeft Hij het gemaakt), dat Hij dat wat Hij gemaakt heeft, ook deze mens, zomaar neerzet en zegt: "Zoek het maar uit, ik heb niets met je te maken". Zo meedogenloos, nog erger dan een hond, die probeert tenminste nog iets met zijn hondjes te doen totdat ze volwassen zijn. Hoe kan dat, hoe bestaat dat?
Ik geloof dat je bij jezelf op deze vraag moet antwoorden: "Dat kan niet". En men doet dat ook. Het is namelijk ook niet waar. Het bijzondere is dat met de mens mee aan de wereld iets gegeven is. Daarom spreken we ook van openbaring. Het andere weten drukt dat zo uit: wat aan de mens meegegeven is, is er al voordat hij geschapen wordt. Voordat de mens komt, is dat andere er al, dat hem vertelt dat hij en hoe hij een kind van God is, hoe hij verbonden is met die andere wereld, hoe sterk dit is. Dit wordt hem als machtig wonder gegeven. Hij hoeft nu niet te speculeren, niet te spelen met woorden, daar hem dit als iets zo groots wordt overhandigd, dat hij van seconde tot seconde, van dag tot dag, van jaar tot jaar alleen maar verbijsterd kan zijn, dat het zo is.
Nu zeg je misschien: "Ja, maar dat is al heel lang onbekend". Wat is heel lang? Wat zijn 2000 of 3000 jaar op een eeuwigheid? Op een tijdloos bestaan van de mens? En we weten niet wat er tijdens die 2000 of 3000 jaar bij de mens toch geleefd heeft en nog altijd in hem leeft. Ook dit kent men niet, men kan het slechts vermoeden. Het gaat daarom niet alleen om het wonder van de taal. Nee, die taal zelf is een deel van de openbaring, een geschenk aan de mens, dat hem meegegeven wordt en waarvan gezegd wordt: met dat woord is iets bijzonders. Het is geen kwestie van het citeren van een fraaie passage uit Johannes: "In den beginne was het Woord". Dat is citeren en meteen kapot maken. Nee, het wordt heel letterlijk en serieus bedoeld. Het is een enorm iets dat daar gezegd wordt. Bij de schepping wordt dat al gezegd: "En God zei: Er zij licht en er was licht". Het spreken doet het zijn, het gebruik van het woord doet het komen.
Het woord heeft dus een heel aparte kracht, en die formule van het woord is iets bijzonders. En dat de mens spreekt en hoort is ook iets bijzonders. Dat spreken is iets dat uit die andere wereld komt. Al het andere aan zijn lichaam is van hier. Maar het spreken en het verstaan, dat wat met het woord te maken heeft, en het zien van het beeld en het vertalen van het beeld terug in het woord en terug in de verhouding, is iets heel bijzonders. Je zou kunnen zeggen dat het een bewijs is voor het aanwezig zijn van de mens in die andere wereld.
Daarom zeggen verhoudingen ons ook meer dan wij wetenschappelijk vaak willen toegeven. Als voorbeeld geef ik de algemeen bekende gulden snede, de sectio aurea of sectio divina, waarbij het grootste stuk van een in twee delen verdeeld lijnstuk middel-evenredig is tussen het kleinste deel en de gehele lijn; dit is ongeveer 0,618. Het merkwaardige is nu, dat deze gulden snede-verhouding door alles wat wij kennen heengaat en aanwezig is. Wij vinden bijvoorbeeld een gebouw mooi, als die gulden snede erin zit. Zo ook de vorm van een gezicht, de verhoudingen van een lichaam. Ook dit is alweer vergeten. Nog niet eens zolang, veertig of vijftig jaar geleden werden er nog boeken over geschreven, om aan te tonen waar die gulden snede in de natuur allemaal voorkomt, bij planten, dieren, mensen. Men kan haast niet geloven, dat op de aarde zelf ook overal die gulden snede te vinden is. Het is een soort gesprek, een mededeling die zich in een verhouding uitdrukt. Voor ons oog, in de zichtbaarheid zègt deze blijkbaar iets. En zo zijn er vele verhoudingen. Als in de bijbel de naam van God geschreven wordt, is dat in de verhouding 10-5-6-5. Maar dan zie je dat deze verhouding op zo veel manieren in de bijbel aanwezig is, dat je zegt: wel allemachtig, die hele bijbel is één naam van God. Het is een uitdrukking van het begrip dat men als 'Heer' vertaalt in de bijbel en het is daar aanwezig.
In het begrip uit het begin van de bijbel dat met 'damp' wordt vertaald en dan in het Hebreeuws geschreven wordt met aleph-daleth, komt weer zo'n verhouding tevoorschijn, die door alles heen aanwezig is, namelijk het begrip 1-4 (zie Genesis 2:6). Er zijn dus bepaalde dingen die zich uitdrukken als verhouding, die ergens anders iets zijn en hier ook weer iets worden. Dat getal is een soort brug vanuit een wereld naar een andere. En dus is dat woord een brug. Woord en getal zijn identiek. Om die reden ook verstaan we elkaar als we praten, om die reden kunnen we elkaar troosten en zegenen. Omdat dat woord een brug is.
Op deze wijze hoop ik met u het woord en het getal te gaan benaderen. We moeten ons steeds voor ogen houden dat we dit echt serieus moeten doen en niet als een soort grapje. Als we het tot ons kunnen nemen als een maaltijd, dan hebben we de verbinding met de andere wereld en raken we onze verwarring kwijt. Dan staan we in beide werelden. Er is dan iets verbonden, zodat we kunnen zeggen: nu ben ik thuis. Dan kan het ons niet schelen wat er hier gebeurt, het brengt ons niet uit ons evenwicht, omdat we de zin ervan zien, omdat het samenhangt met al het andere wat er gebeurt.
Met deze bedoeling wil ik hier over het woord en taal spreken. U begrijpt dat dit niet hetzelfde is als een cursus Hebreeuws om de taal te leren. Die mag u overal volgen. Dat vindt u misschien wel saai, en ik wordt er ook moe van. Dat doe ik dus liever niet. Ik wil de taal zo trachten te geven, dat het mezelf ook steeds zodanig pakt, dat ik zeg: ik vertel u hier het mooiste wat er te vertellen is. Ik geef iedereen graag het mooiste dat ik geven kan. Dan blijf ik zelf ook wakker en ik geloof dat de anderen ook wakker blijven als ze dat kontakt hebben en zeggen: ik snap wat hier gegeven wordt. Nogmaals, het is geen wetenschap, want daar verstaan we iets heel anders onder. Ook geen kennis, want ook daar verstaan we iets heel anders onder. Dat heeft met in- en verbeelding te maken. Wat ik hier geef is veel meer het kontakt van mens tot mens, dat zich uitdrukt in begrippen die ook van een andere wereld zijn. Dat menselijk kontakt moet blijven. Als dat er niet is helpt al het andere ook niet. Dan kun je de dingen wel aanhoren en de kunstjes demonstreren die je elders gehoord hebt: kwadraten, derde machten, veelhoeken, enz. Leuk, maar dat blijven kunstjes en dan ben je een clown. Je moet dit serieus nemen en dit kontakt ook waardig houden, niet onwaardig maken.
Daarom wordt ook altijd gezegd - denk maar aan de uitdrukking in het Nieuwe Testament - 'Gooi geen paarlen voor de zwijnen', dat wil zeggen weet het geheim te bewaren. Het is geen geheim dat je niet aan de ander zou mogen vertellen. Zeker wel, wanneer die ander er op staat en waardigheid heeft en ernst. Ernst, niet in de zin van donker kijken. Het kan best zijn dat je steeds glimlacht en ook zelfs hardop lacht. Van God wordt verteld dat Hij lacht, als Hij de wereld ziet. Hij heeft een soort genoegen om naar die wereld te kijken, naar dat enorme spel. Niet om te zeggen: wat zijn ze gek, maar omdat Hij het zo geweldig vindt; een glimlach omdat het aan de ene kant zo geweldig is, maar de mensen het toch ook weer niet snappen. Die extreme dingen tegenover elkaar: "Mijn kinderen hebben dìt, leven erin en ze doen dàt!" Dat is die glimlach, waarmee God naar die wereld kijkt.
Het woord dat daarvoor gebruikt wordt, is hetzelfde dat in de naam zit van Isaäk, of wel JITSCHAK, 10-90-8-100, namelijk TSACHAK, 90-8-100,lachen. Isaäk was immers de zoon, die eigenlijk niet geboren kon worden; het was uitgesloten dat hij kwam (Genesis 18:11, 12). Dat is het bijzondere in de wereld. God zegt: Ik doe nu net dingen die niet kunnen; wat iedereen kan, dat doe Ik tòch al. Die glimlach is dus: hoe is het mogelijk dat het komt, dat het kan, dat het doorbreekt.
Daarom ook zijn de genezingen waarvan het Nieuwe Testament spreekt, geen voorlopers van de medische faculteit hier. Het is steeds het doorbreken van wat niet kan: de blinde wordt ziende, de dove horende, zelfs de dode wordt levend. Natuurwetmatig kan dat niet, daar gaat men niet verder dan de 400. Maar het kan wel. En dit is juist wat er in die glimlach van God zit. Daarom zeg ik: ook bij het aanvaarden van deze dingen en het horen, hoort naast die ernst die glimlach: hoe is het mogelijk, hoe bestaat het? En toch bestaat het. Niemand gelooft het, men vindt het belachelijk. En toch dringt er door het zeggen iets door, misschien na lange tijd, en zo dat je er niets van merkt, maar het gebeurt.
De inleiding is wat langer geworden dan bedoeld, maar dat voorkomt misverstanden in de komende uren. Het is dus geen wetenschap in die zin, dat ik ga cijferen en rekenen. Het is met de wetenschap namelijk zo, dat hij opgaat tot aan een bepaald punt. Voorbij dat punt geldt hij echt niet. De artsen onder ons weten dat allemaal. Daar voorbij geldt iets anders. Dit geldt ook voor de biologie, psychologie, chemie, fysica, overal. Wij weten dat er gebieden zijn die 'anders' zijn, die gek doen. Daar zijn spoken, maar daar praat men liever niet over, want dat stoort. Maar het is er toch. Men zegt bijvoorbeeld wel eens: "Hé, heb jij daaraan op dat moment ook gedacht?" Of iemand belt op, terwijl je aan hem zit te denken. Toeval heet dat dan. Maar van die 'toevalligheden' zijn er zoveel, dat ze aantonen dat er een grensgebied is, waar de wetenschap zich moet terugtrekken, want anders klopt het andere gebiedje niet. Het andere gebiedje stelt je zeer tevreden, wanneer je een verdovingspil wilt. Als je verdoofd wilt worden, kun je aan wetenschap doen. Maar zodra je weer wakker bent, word je gek. Dan zeg je: ik kan dat niet meer zo, want er is een ander gebied. Dat strekt zich uit naar andere gebieden, het gaat verder. In de wiskundeles op school leerde ik iets van de euclidische en de niet-euclidische meetkunde. U kent misschien dat kunstje nog: twee oneindige lijnen snijden elkaar wel, maar in het oneindige. Dat begreep ik toen niet, maar ik leerde het uit mijn hoofd, omdat ik het op het examen moest weten. Later heb ik echter begrepen dat dáár die andere wereld is. Dit alles gaat inderdaad op in deze wereld van de 400. Maar het andere bestaat net zo goed en ook in ons. In ons bestaat ook de 500, alleen gelden daar andere dingen.
Als ik hier nu zeg: ik ga dit met u bespreken, ik ga u dat leren, dan distantieer ik mij van het begrip wetenschappelijk. Ik ben ontzettend onwetenschappelijk. Ik ben zeer hinderlijk voor de wetenschap. Dat weet ik en dat weten verschillende mensen hier ook van mij. Omdat het een kwestie van ernst is. Ik zeg: neem het leven ernstig en doe niet zo gek. Bekijk wat er bestaat. En wil je het weten, onderga het dan. Niet weten in de zin van een formule maar zò, dat het je geraakt heeft, dat je het gehoord hebt, dat die woorden uit de andere wereld zijn doorgekomen. Zo moet men deze dingen benaderen. Daarom is dit gebouw hier een slecht voorteken: het is hier een universiteit. Ik heb meestal ruzie op een universiteit, maar ik hoop dat het hier nog een tijdje goed gaat!
Nogmaals, ik doe hier geen onderzoek op de wetenschappelijke manier. Dat zou misverstand wekken. Juist niet op die manier alleen, die is er namelijk al in besloten. Het mag niet tegen de rede ingaan; daarop is het gebaseerd, dat is het fundament, maar het steekt er boven uit, in de hemel.
Zo is er ook de uitdrukking dat de mens het wezen is, dat met zijn hoofd boven de sterren staat, dat hij niet alleen aanwezig is in een wereld die bepaald is door tijd en ruimte, maar ook in een wereld waar andere dingen gelden. Deze dingen zijn echter niet vaag, maar zo waarachtig, dat het zo is, de formulering, en niet anders.
Van een profeet wordt altijd gezegd dat hij de dingen die hij zei niet opschreef, want als hij het tien jaar later weer zeggen moest, zei hij woordelijk hetzelfde. Dat bestaat zelfs nog heden ten dage. Het bestaat nog steeds, dat het zo precies gelijk weer doorkomt. Dat is natuurlijk geen kwestie van geheugen, omdat het waarachtig is en uit een sfeer komt, waar geen kunstjes bestaan, waar het zo ìs, een realiteit. Het woord is vorm geworden en zo doorgekomen.
Als ik zeg: geef het geheim niet prijs, bedoel ik: praat over die dingen niet met iemand die het wetenschappelijk wil benaderen. Dan krijg je misverstanden. Hij snapt het tot een bepaald punt en verder niet. Daar houdt het begrijpen op. En ik zou wel willen dat dit ook bij ons doorbroken wordt, omdat het zo exact is, exact van een andere orde. Het is zo belangrijk, dat je dit geheim wel mag weten, als je maar met je hoofd boven de sterren staat. Als je dit kontakt wilt hebben, kun je het krijgen, omdat je een mens bent, een goddelijk wezen. Niemand is hier uitgesloten. Of je nu tot een bepaald kerkgenootschap of tot een sekte behoort, of lid bent van dit of dat, je bent mens. Daar gaat het om.
Daarom heet de taal, het Hebreeuws Iwriet. Dat komt van EWER, 70-2-200, dat betekent 'overzijde'. De wetenschapsmensen zeggen: dat is de overzijde van de rivieren de Eufraat en de Tigris. Nee, zeggen dan de anderen, het is de overzijde van deze wereld. Het is de taal die van de andere kant komt. Deze taal komt bij de mens die van de andere kant is. Hij komt bij de mens die zegt: hier sta ik en de hele wereld is tegen mij, alles is tegen mij, verraadt en bedriegt mij, zonder uitzondering.
Dat is de Iwri. Daar komt iedereen weleens te staan, voor kortere of langere tijd. Dat kun je zelfs soms niet eens beoordelen. Soms denk je dat je niet in die situatie verkeert en dan zit je er juist wel in. Die taal heet het Iwriet, omdat hij uit een andere wereld komt. En omdat het om serieuze dingen gaat, gaat het er bij ons werken hìer in de eerste plaats om, dat het waar moet zijn. Het moet geen gepraat zijn, geen gespeel met woorden, daarvoor is de tijd te kostbaar. Het moet juist zijn wat we zeggen.
Ook die tijd is namelijk iets bijzonders, een geschenk. Wat ìs tijd? We zullen het daar nog over hebben. Tijd is iets heel anders geworden, men stelt zich bij het woord 'tijd' iets heel anders voor dan het in wezen is. Men stelt zich daarbij iets heel anders voor dan het is. Tegenwoordig probeert men ziekten preventief aan te pakken, met aspirine, penicilline, enz. enz. Maar in de komende tijd hoop ik het Hebreeuws zo naar voren te kunnen brengen - en ik zal er veel aandacht aan geven, omdat het mezelf zo boeit en het voor mezelf steeds nieuw is - dat het gevoel ontstaat: hier komt iets uit een wereld van waarheid. Die wereld, waar alles maar één waarheid is, noemt men de OLAM ha-EMETH. Je voelt: het is de wortel, het staan bij God; ik voel een huivering vanuit die andere wereld over me komen. Je voelt je geraakt door iets anders. Zo wil ik graag die taal geven, dat u de verbinding ziet.
En dan is het niet gek dat we dit alles mee kunnen maken in de tijd van de computers, de provo's, de logistiek en alles wat er momenteel verder nog is. Ook dit is iets bijzonders, dat in deze tijd alles zo tegelijkertijd komt. Dan is er iets aan de hand. Het zou gewoon gek zijn als er alleen computers waren en niet dat andere. Het ene komt en het andere ook.
In het Hebreeuws kent men het begrip van de ATHBASH. Dit houdt in dat tegenover iedere letter, ieder getal een tegengetal staat; tegenover de eerste staat de laatste, tegenover de tweede de voorlaatste, enz. Samen zijn ze pas iets. Zo is het inderdaad: tegenover alles waarvan wij denken dat het degeneratie is en vreemd, staat ook het andere, om het meteen te verlossen en tot een eenheid te maken. Het is ook hier geen toeval dat deze dingen samengaan.
Kijk daarom niet teveel neer op de provo's. Het is misschien een ziekteverschijnsel, maar ook een ziekte is heilig. Het is een bijzonderheid als iemand ziek is. Met een zieke is iets aan de hand. Daar wordt iets mee gedaan, daar is een gesprek mee gaande.
Tegenover het één staat altijd het ander. Dat dit zich
nu in deze tijd aandient doet me zeggen: hier is iets aan de hand. Misschien
staan we aan de drempel van iets nieuws, aan de ingang, de poort van iets
anders. Het is niet zomaar dat dit nu naar voren kan komen.