| Verhuizen Er werd een oplossing gevonden voor de huisvestingsproblemen in de vorm van een houten noodwoning op het erf van een buurman van opa en opoe in Zeelst. Opa en opoe waren de vader en moeder van mijn vader en mijn vader had zijn hele leven in Zeelst gewoond Ze hadden toestemming van de provincie gekregen om het huisje te mogen bewonen. En mijn papa en mama gingen samen met mij verhuizen naar het kleine houten huisje. Toen kwamen er echter nieuwe problemen. De gemeente had de houten noodwoning al beloofd aan een van de ambtenaren op het gemeentehuis. Mijn papa en mama trokken erin, maar het probleem was dat mijn vader meer dan een jaar niet in Zeelst had gewoond. Hij was uitgeschreven geweest in het gemeentehuis, en was hij intussen een "vreemde" geworden voor de ambtenarij. En vreemden mochten niet in de gemeente komen wonen en huizen in beslag nemen die bestemd waren voor de eigen inwoners van het dorp. Mijn moeder vertelde me vaak hoe de ene na de andere politieagent kwam vertellen dat ze uit het houten noodhuisje moesten. Maar als ze hen binnenliet en ze de mooie grote foto van mijn vader op de kast zagen staan, gingen ze weer weg. Ze moesten vreemde mensen aanzeggen dat ze uit de noodwoning moesten, maar mijn vader was iemand die ze heel goed kenden en zijn ouders woonden een halve kilometer verder. De hoofdagent die kwam zong elke zondagochtend samen met mijn vader in het koor van de kerk. En iedereen uit het hele dorp kende toen elkaar. En een vreemde viel zo op, dat die ook meteen bekend was. Maar het gemeentehuis stond in Veldhoven. Zeelst was al sinds enige tijd geen zelfstandige gemeente meer maar hoorde bij Veldhoven. En het gemeentehuis stond in het kerkdorp Meerveldhoven. De laatste die kwam was de burgemeester zelf. Mijn moeder kende hem niet toen hij kwam, maar vertelde ook tegen hem dat ze niet weg konden daar, eenvoudig omdat ze nergens naar toe konden. Maar het houten huisje werd snel daarna boven hun hoofd afgebroken om ergens anders opgebouwd te worden en de buurman bewoog mijn moeder toen om haar spulletjes 's avonds toch maar bij hem in de schuur te zetten en niet buiten te laten staan. Ze konden die avond slapen in de slaapkamer van hun zoontje, die wel een keer in de kamer van zijn zusjes zou kunnen slapen. Het houten huis werd weer opgebouwd aan de andere kant van het dorp op een ander stuk grond voor een ander gezin. Mijn ouders zijn altijd vrienden gebleven met deze familie Rombouts. Ik kan me herinneren daar als kind vaak te zijn geweest samen met mijn moeder. Het was een hele andere tijd dan nu. Het voelde alsof iedereen familie was van elkaar. En iedereen zou elkaar zo mogelijk overal bij helpen. In een huisje op Cobbeek woonde een weduwe en zij was een goede bekende van opoe. Dat huisje was in de oorlog gebombardeerd en moest eigenlijk afgebroken worden, maar mijn ouders hadden onderdak en waren heel blij dat ze weer op zichzelf konden wonen. En ikzelf weet van al deze dingen niets meer. Ik was een baby van een paar maanden oud en hoefde me toen nog nergens zorgen over te maken. |
|