Mijn grootste vriend was Fikkie. Fikkie was een zwart Keeshondje en ik herinnerde me dat ik altijd met hem dolde. Tot hij er op een gegeven moment niet meer was. Opa zei dat iemand hem vergiftigd had. Mijn verdriet was zo verschrikkelijk groot, ik voel het nu nog steeds. En geen enkele hond heeft ooit mijn Fikkie kunnen vervangen. Opa en oma hadden een andere hond genomen, Fokkie, en Fokkie was wit met zwarte vlekken en had niet zulke heerlijke zachte lange glanzende haren. Fokkie zou nooit mijn vriend worden. Hij blafte ook veel te veel als ik in zijn buurt kwam.

Het centrale deel van de boerderij was de keuken. Ik denk dat dat ook het grootste vertrek was van het huis. In de keuken stond een grote tafel, met daarachter een bank waar ik ook altijd mocht zitten als we gingen eten. Plastic tafelkleden en zo bestonden toen nog niet. De tafel was gewoon van hout en werd telkens na het eten door mijn tantes afgesopt. Op de keukenvloer lagen grote tegels in een of andere onbestemde kleur. Mijn vader zei dat daar vroeger zand in had gelegen. Dat witte zand werd telkens ververst als het vies geworden was. Maar de tegels werden geschrobd en gedweild en daarnaar mocht ik altijd kijken, als ik maar aan de andere kant van de drempel in de bijkeuken bleef.

Op Cobbeek hadden wij ook een grote keuken. En ik had een kinderstoel. Ik kan me herinneren dat mijn moeder vaak pap maakte voor mijn broertje en voor mij. Er bestond toen nog geen kant en klare pap die je met melk kon maken, maar die moest altijd zelf gekookt worden. En was dus altijd heel heet als hij net klaar was.
Ik herinner me dat ik zelf nog niet mocht eten. Mijn moeder voerde mij de pap. Lammetjespap. Lammetjespap werd gemaakt van maïzena met melk, en was dus een soort witte pudding. Omdat die te heet was als hij net was gekookt, klopte ze die op met een lepel waardoor er blaasjes op de pap kwamen.

Ik kan me herinneren dat ik altijd alleen maar een lepel pap wilde als er minstens een luchtbel op zat. En zo kreeg ik het ook. Tenminste in het begin als de pap nog erg warm was. Als de pap half op was moest ik steevast lepels pap zonder luchtbellen eten. Ik voel me weer opnieuw opstandig worden als ik daaraan terug denk. Eigenlijk had ik helemaal geen honger meer en dan pap zonder luchtbellen! En zonder luchtbellen was de pap lang zo lekker niet.

Mijn moeder had haar eigen zorgen. Ik was verschrikkelijk mager. En omdat mijn broertje dat anderhalf jaar jonger was dan ik al vrij snel groter en dikker was dan ik, was het voor iedereen altijd moeilijk te geloven dat ik eigenlijk de oudste was. Dat was soms wel frustrerend, al kende ik toen dat woord nog niet. Maar ja, voor sommige dingen heb je als kind nu eenmaal geen woorden. Die komen later pas, soms als je ze niet meer nodig hebt om te vertellen wat je dwars zit.

Omdat ik zo vreselijk mager was in vergelijking met mijn broer dacht opoe, die zelf een blozende kinderschaar had van een stuk of tien kinderen, dat ik verwaarloosd werd. Waarop mijn moeder met mij naar de dokter en de specialist liep om te kijken wat daaraan gedaan kon worden. Als ze mij toen nu had kunnen zien, had ze zich zeker geen zorgen gemaakt. Maar wie had toen kunnen dromen dat ik nog ooit meer dan 100 kilo zou wegen.

Als ik in mijn kinderstoel zat in onze eigen keuken keek ik uit op de buitendeur. Geen bijkeuken daarachter. En achter de deur had ik mijn eigen pleetje. Dat meubelstuk kennen we nu niet meer. Het was nagemaakt van een echte plee, die destijds werd gebruikt toen er nog geen wc's waren. Het was ook van hout en er was een rond gat in het midden waar je op kon zitten. Als hij niet gebruikt werd lag er altijd een ronde deksel op, die precies paste in het gat. Dat was tegen de vliegen. En onder dat gat stond dan het potje, om je behoefte in te doen.

Een ding kan ik me niet meer herinneren, maar het is een verhaal wat ik vaak heb gehoord. Ik was zoek. Nergens te vinden. Mijn vader en moeder zoeken, de hele buurt zoeken, maar ik was nergens te vinden. Alleen, ik was helemaal niet kwijt. Ik was op het pleetje achter de deur in slaap gevallen en uiteindelijk hadden ze me daar gevonden.

Ik kan me niet meer alles van ons eigen huis herinneren. Alleen dat de ene kant van het huis bestond uit een grote stal, waar ik helemaal niet mocht komen omdat dat gevaarlijk was. Als je daar naar boven keek zag je een stuk van de blauwe lucht en als het donker was een stuk van de sterrenhemel door een groot gat. Ook van de slaapkamer en de huiskamer herinner ik me helemaal niets. Alleen mijn bed herinner ik me. Het was een klein bed, en aan alle kanten was er hout. Ik voelde me daar heel erg veilig, vooral als het donker was en het buiten hard waaide of onweerde.

Achter het huis was een moestuin en voor het huis was ook een grote moestuin. Ik herinner me eigenlijk niets van speelgoed of zo, maar ik vond het altijd heerlijk om mijn vader te helpen. De aardappeltjes die we aten kwamen uit de grond voor het huis en soms mocht ik helpen die op te rapen als hij ze met een riek naar boven had gehaald.

Ik weet niet precies wat we nog meer hadden dan aardappelen, maar in ieder geval hadden we boontjes en kool. Die boontjes hingen aan hele kleine struikjes, leuk om te zien, maar ik vond ze niet lekker. Toch moest ik ze eten, altijd met tegenzin. Op het laatste protesteerde ik daar niet meer tegen maar ik was al een hele tijd volwassen voordat ik de boontjes leerde waarderen. En nu begrijp ik niet meer waarom ik ze eigenlijk niet lekker vond.

De laatste herinnering die ik heb aan ons huis aan de Cobbeek is niet zo leuk. Als mijn vader thuis kwam van zijn werk mocht ik altijd op de stang van de fiets zitten als hij thuiskwam. Ik wachtte dan op hem voor het huis aan het einde van het tuinpad bij de straat en het hele tuinpad mocht ik op de fiets zitten. Maar toen op een kwaad moment kwam ik met mijn voetje tussen de spaken van de fiets terecht. Hoe het gebeurde weet ik niet meer, dat ging zo snel. Ik weet alleen nog dat het vreselijk pijn deed en dat ik niet meer op de fiets kon zitten. Ik kon ook geen schoenen meer dragen.

Het waren de laatste dagen in het krot op Cobbeek. Ik was bijna drie jaar. Het was februari. We kregen een nieuw huis aan de andere kant van het dorp, ver weg van opoe en opa.



Biezenkuilen 45

Het huis op de Biezenkuilen was een oude arbeiderswoning die hoorde bij een boerderij. De boerderij werd bewoond door twee families. Een stuk door Ciska van de Kruisen met haar twee dochters, waarvan ik de oudste de aardigste vond en die Maria heette, en een stuk van de boerderij werd bewoond door de melkboer met zijn gezin. Het huis was een stuk groter dan het huis op Cobbeek. En het was een fantastisch huis.

De keuken was nog groter dan de keuken van opoe en opa. En er stond alleen een kast in tegen de wand van de buitendeur en in het midden een keukentafel met houten stoelen, geen bank. In de hoek tegen de huiskamer aan was een groot ingebouwd fornuis. Mijn moeder gebruikte dit fornuis om elke maandag de was in de wasketel te koken en ook om te wecken geloof ik, maar ik weet dat niet zeker meer. Om gewoon te koken hadden we een tafeltje met daarop een 2-pits gastoestel en onder het tafeltje stond een grote fles met butagas.

Naast de keuken aan de achterkant van het huis was een grote bijkeuken. Daar was ook een aanrecht en de trap naar de zolder. Van de bijkeuken kwam je in een ruimte die je stal of schuur zou kunnen noemen, maar niet zo erg groot was, en aan de voorkant van het huis kwam je in het varkenskot. In het stalgedeelte was de houten plee en van daaruit kwam je ook in het varkenskot. In het varkenskot kwam een varken, dat vetgemest werd met aardappelschillen en groente-afval.

De zolder was boven het hele huis en daar was het dat mijn moeder de was droogde als het regende. Het probleem was wel dat de was daar niet zo goed droogde, want de zolder was erg nat. Mijn mama had een heleboel bakjes op zolder staan die allemaal water op konden vangen als het regende. Daarom mochten wij ook nooit op zolder spelen, want mama was bang dat de bakjes dan niet op hun plaats bleven staan. En de keuken was ook groot genoeg om te spelen.

We hadden ook een grote tuin waar mijn vader aardappelen en groente verbouwde en er stonden ook twee perzikbomen achter het huis. De perziken aan de bomen werden nooit erg groot, en ze waren ook niet erg zoet, vaak vielen ze al af voordat ze helemaal rijp waren, maar als mama de perziken gekookt had en er suiker bij gedaan had waren ze heel erg lekker. De mooiste perziken mochten niet worden gekookt en opgegeten. Die gingen in een weckfles. Als de perziken rijp genoeg waren had mama het daar altijd heel druk mee, maar zo konden we het hele jaar genieten van de perziken van onze bomen.

Achter het huis was ook een put om water te putten. Ook hier was geen waterleiding. Er was ook geen pomp in het huis. Mama moest dus alle water halen uit de put. Naast de stal was wel een cementen regenton waar alle water uit het dak in terechtkwam. Dat water hoefde niet zo diep geput te worden en kon gebruikt worden om te wassen en voor de wekelijkse wasbeurt in de zinken teil, waar we om de beurt in mochten op zaterdagavond. Tenminste, voor zover het water toereikend was. Als het een beetje droog weer was was het water uit de regenput zo op. Maar om te drinken was dat water niet goed genoeg. Het water uit de diepe put was veel lekkerder.

Ik kan me herinneren dat ik heel tevreden was met ons nieuwe huis, maar dat ik het heel erg miste dat we zo ver van opa en oma af woonden. Ik geloof dat ik daar op de boerderij de mooiste tijd van mijn leven had doorgebracht als het oogappeltje van alle jongere broers en zusjes van mijn vader, al kreeg ik later wel concurrentie van mijn neefje Gerard en mijn broer Jan. Maar dat waren jongens, en dat voelde toch anders.

Het was niet zo dat we bijna nooit meer op de Djept kwamen, maar het werd toch een stuk minder en ik voelde dat. Maar ik geloof dat mijn moeder wel blij was wat verder weg te wonen van opoe. Ze woonde nu ook een beetje dichter bij haar eigen familie in Eindhoven. En haar broers en zusjes kwamen vaak bij ons op visite. Een van mijn mooiste herinneringen daaraan was ome Ted. Hij kwam met tante Thea mee en hij was een verschrikkelijk knappe matroos. Later trouwde hij met tante Thea, alleen dat matrozenpak had hij nooit meer aan. En dat stond hem toch zo goed. Dat vond ik heel jammer.

Maar een van de mooiste herinneringen is mijn herinnering aan de zwarte lakschoentjes. Ik weet niet meer wat voor cadeau ik ooit gekregen heb met latere verjaardagen, maar voor mijn derde verjaardag kreeg ik zwarte lakschoentjes. Ik vond ze zo verschrikkelijk mooi. Alleen een schoentje deed pijn aan mijn voetjes. Maar ik wilde ze zo graag dragen, dat ik de pijn daarvoor over had en ik herinner me dat ik er heel trots op was dat ik de schoentjes ondanks de pijn aan kon hebben. De pijn was overgebleven van toen ik drie weken eerder met mijn voetje tussen de spaken van de fiets van mijn vader was gekomen. Dat was nog in het huis op Cobbeek. Altijd in mijn leven heb ik een voorliefde gehouden voor zwarte lakschoenen, en als ik nu een paar vind wat me past, zal ik het zeker kopen.

De grote keuken achter in het huis werd aanvankelijk toch niet zo veel gebruikt. De huiskamer was het enige vertrek in huis waar gestookt werd in de winter. Daarvoor werd een zwarte kachel gebruikt. Ik denk dat hij veel leek op de tegenwoordige allesbranders, maar hij was toch anders. Elke morgen als mijn moeder opstond was haar eerste werk de kachel aan te maken. Dat gebeurde met oude kranten en kachelhoutjes, meestal buiten gesprokkeld van dood hout. Wij als kinderen mochten nooit in de buurt van de kachel komen. Dat was veel te gevaarlijk. Aan de kachel zat een grote zwarte buis die naar boven naar de schoorsteen ging. Die diende om mijn strikken 's morgens te strijken. In die tijd droegen meisjes altijd zijden of kunstzijden strikken in hun haar. En die moesten er altijd mooi uitzien. Dus elke morgen als mijn haar werd gekamd werden de strikken gestreken aan de kachelpijp.

De vloer van de huiskamer was heel bijzonder. Die bestond uit tegels. Die tegels waren niet allemaal vierkant. Tussen de tegels waren vele knikkerkuiltjes waar wij als kinderen een dankbaar gebruik van maakten. De meeste knikkers die we hadden waren aarden knikkers. Ze hadden prachtige felle kleuren. Je moest ze alleen goed opruimen want als je er per ongeluk op trapte, waren ze kapot. Soms kregen we ook een paar glazen knikkers. Die waren heel bijzonder. Ze waren doorschijnend met leuke kleine figuurtjes erin. Ik snapte maar nooit hoe die dingen gemaakt konden worden. Ze waren in elk geval heel bijzonder en ik was er heel zuinig op.

Maar het liefste wat ik altijd deed was tekenen. De mooiste tekeningen kon je maken buiten in het zand met een stokje. Dat werden altijd hele mooie grote tekeningen. Maar als het koud was kon je ook binnen tekenen. We hadden altijd wel een potlood en kleurkrijtjes, gemaakt van was. Die zaten zo met zijn twaalven in een doosje. Je moest er wel voorzichtig mee zijn want ze konden gemakkelijk breken. Papier was er volop. We hadden kranten en langs de randen waren altijd stukjes wit waar je op kon tekenen. Die witte stukjes had moeder niet nodig voor de kachel. En soms waren er ook veel grotere stukken wit in de krant tussen de advertenties. Daar werd dan ook een goed gebruik van gemaakt.

Toen we nog geen twee maanden in ons nieuwe huis woonden kregen we er een broertje bij. Hij werd Kees genoemd. Ik was eigenlijk wel een beetje jaloers op hem. De wieg waarin hij mocht slapen was veel mooier dan het bedje van Jan en van mij. Alhoewel ik mijn bedje toch mooier vond dan dat van Jan. En Kees mocht slapen in de slaapkamer van papa en mama. Die leek me nu eigenlijk veel gezelliger dan onze eigen slaapkamer. Onze slaapkamer lag tussen de bijkeuken en de huiskamer en kwam uit in de keuken. Het was een opkamer. Dat wil zeggen dat je om er te komen een klein trapje op moest. Dat trapje was tevens de deur naar de kelder. Er was een hele grote kelder onder het huis. De mensen hadden in die tijd geen koelkast of zo en in de kelder was het vooral 's zomers een heel stuk koeler dan boven de grond.

Mijn bedje bleef echter niet zo lang mijn bedje. Er kwam een groot bed voor in de plaats. Het was een vrij breed eenpersoons bed en er was precies genoeg ruimte op de opkamer voor de drie bedden en meer was ook niet nodig. Het grote bed stond met de zijkant tegen de achterkant van de kamer. Het had een hoge bovenkant en onderkant. En ook de zijkant was hoog, maar niet zo erg hoog. Je kon er overheen kijken, maar je kon toch niet uit bed vallen. En aan weerszijden langs de trap stond een klein bedje: een was voor Jan en een was voor Kees. Zusje Nellie nam de plaats in van Kees in de mooie donkerbruine beklede rieten wieg in de slaapkamer van papa en mama.  En het werd ook mijn taak om een beetje op Kees te passen. Als er iets aan de hand was moest ik de trap af, door de keuken en de woonkamer naar de slaapkamer van papa en mama, maar soms was het genoeg om op de muur te bonzen en werden ze daar wakker van.

Ik voelde me aanvankelijk vreselijk verloren in dat grote bed. Maar dat bleef ook niet duren. Toen zus Nellie een beetje groter geworden was mocht ze bij mij in het grote bed komen slapen. Haar plaats bij papa en mama in het wiegje zou ingenomen worden door zusje Ria die geboren werd op 18 januari 1952. Ik vond het fijn dat mijn kleine zusje bij me kwam slapen. Het viel alleen tegen dat ik er geen echt vriendinnetje aan had. Daar was ze veel te klein voor. Maar ik was intussen al bijna zes en kon best een klein beetje voor mijn kleine zusje zorgen. Het was alleen niet altijd even rustig op de slaapkamer. Mijn broers wilden soms niet in hun bedje blijven liggen en ze wilden al helemaal niet naar mij luisteren. Dus bemoeide ik me niet zoveel met hen.

De jaren gingen voorbij en ik vroeg me toch wel af waar al die kindertjes vandaan kwamen. Mijn moeder vertelde me dat ze werden gebracht door de engelen die daarboven woonden. En ik geloofde haar en twijfelde er geen moment aan dat het waar was. Het was zo verschrikkelijk mooi om dat te horen. Tot mijn moeder vond dat ik op een gegeven moment toch voorgelicht moest worden en moest leren dat kindertjes groeien in de buik van hun moeder. Ik vond mezelf al groot dat ik deelgenoot mocht zijn in dat geheim, maar de andere kant van de zaak liet me niet los. Kinderen kwamen uit de hemel, en er was niets dat me kon bewegen deze gedachte helemaal los te laten. Hij bleef bestaan naast de andere waarheid. En ik vroeg mezelf vaak af waarom ik deze gedachte niet los kon laten. Ik praatte er echter met niemand over. Er was me verteld dat het niet waar was en ik wilde mezelf ook niet belachelijk maken. Maar ik besloot uiteindelijk dat het te mooi was om niet waar te zijn en hield het sprookje vast voor mezelf in mijn binnenste.

Toen ik vier en een half jaar oud was mocht ik naar de bewaarschool. De bewaarschool was een voorloper van de kleuterschool. De school stond op de plaats waar nu de parkeerplaats is naast de kerk in Zeelst. Toentertijd waren er geen parkeerplaatsen nodig want er was toch niemand die een auto had. De grote lindeboom die nu voor de kerk staat, stond destijds op de speelplaats van de school en we vonden het altijd heel leuk om de dingetjes die van de boom afgevallen waren en leken op miniatuurkersjes in het groen te verzamelen en te sparen.

De belangrijkste bezigheid die wij leerden op de bewaarschool was scheuren. Vooral kleine nette scheurtjes maken in een stukje papier. Dat moest heel netjes gebeuren. Als het scheuren klaar was werden de stukjes papier aan het randje keurig omgevouwen en we hadden een klein "kleedje" gemaakt, wel niet zo chique als de gehaakte kleedjes die onze moeders maakten, maar een toch een werkstuk om trots op te zijn. Tegenwoordig maken de kinderen op de kleuterschool nooit meer zoiets.

Het was elke dag vier keer bijna een half uur lopen, en dat terwijl ik pas vier jaar was, maar ik ging graag naar school. Ik kreeg altijd complimenten over mijn werkstukjes. De lerares was zuster Magdalena. Ze was heel lief en ik mocht haar graag. Op de kleuterschool zaten we met jongens en meisjes bij elkaar. Op de lagere school was dat niet meer zo, zou ik later merken. Maar er was een gelegenheid waarbij ik me heel verontwaardigd voelde en die me eigenlijk nu nog steeds, meer dan vijftig jaar later, dwars zit. Ik was vier jaar en de kinderen mochten laten horen hoe ver ze konden tellen. Een jongen kon tot tachtig tellen en hij liet dat heel trots horen voor de klas. Maar toen stak ik mijn vinger op en vertelde dat ik tot honderd tellen kon. Ik mocht het niet laten horen en ik was wel zo verschrikkelijk teleurgesteld en voelde me heel oneerlijk behandeld. Daarmee had zuster Magdalena voor mij een beetje afgedaan.

Een van mijn mooiste herinneringen uit de eerste klas van de kleuterschool was de poppenkast. Eens kwam er een hele grote poppenkast met Jan Klaassen en Katrijn. En die poppetjes konden echt praten. Ik kon er met mijn verstand niet bij hoe dat mogelijk was. Ik had nog nooit pratende poppen gezien of gehoord. En het was allemaal reuze spannend, al weet ik nu niet meer waar het over ging. En er was nog iets wat ik helemaal niet snapte. Toen we naar buiten gingen en ik nog eens achterom keek naar de poppenkast stond er een meneer in de poppenkast die ik niet kende. Ik snapte niet wat die daar eigenlijk deed. Lang heb ik mijn hersens gepijnigd over die vraag. Maar ik durfde ook niemand te vragen hoe het eigenlijk zat.

In de tweede klas van de bewaarschool kwam ik terecht bij zuster Wilfridus. Zuster Wilfridus was een stuk strenger dan zuster Magdalena. Je mocht bijvoorbeeld helemaal niet praten in de klas. Als je dat toch deed pakte zuster Wilfridus een toverstaafje en als ze daarmee over je mond streek, dan kon je niet meer praten. Dat gebeurde met kinderen die toch praatten zonder dat ze dat mochten. Dat toverstaafje leek verdacht veel op de glazen bierlepels die bij opoe op het dressoir stonden met zijn zessen in een standaardje. En heel vaak heb ik dat willen zeggen tegen zuster Wilfridus. Zelfs heb ik dat een keer gedurfd, maar ze was heel verontwaardigd en geloofde niets van mijn verhaal dat opoe dezelfde glazen staafjes had. Ik werd reuze bang dat ze mijn mond ook aan zou raken met het staafje en dat ik inderdaad niet praten kon.

Later vond ik het jammer dat ze dat niet had gedaan. Dan had ik tenminste een keer uit kunnen proberen of het inderdaad waar was dat het een toverstaafje was of dat de kinderen van schrik niet meer konden praten. Ik heb nooit de kans gekregen om het uit te proberen. Ik was blijkbaar nooit stout genoeg. Eigenlijk durfde ik ook niet stout te zijn. maar soms als ik gepraat had, dacht ik dat de zuster maar deed of ze het niet gehoord had, omdat ze bang was dat ik haar geheim zou verraden als ze mij niet kon betoveren. Maar ik was blij toen het jaar voorbij was en ik naar de grote school mocht. Daar was in ieder geval geen toverstaafje. Maar daar waren ook geen ongehoorzame jongens meer. Alleen nog maar meisjes. Sommige van de jongens miste ik. Ze waren mijn beste vrienden geweest, maar toen werd het contact met hen helemaal verbroken.

De lagere school bracht nieuwe uitdagingen. We leerden daar lezen en rekenen. Ik ontdekte dat in de krant dezelfde letters stonden als die we op school leerden en ik knipte alle letters uit en legde die in de volgorde van de woorden die we op school leerden. Ook kreeg ik toen voortaan elke paar weken een tijdschriftje. Dat heette "De Engelbewaarder". Maar na een jaar werd de naam veranderd in "Okki". Voor mij was het maar niets. Wat een engelbewaarder was, daar kon ik me wat bij voorstellen, maar bij een Okki helemaal niets. Dat betekende helemaal niets. Maar ik maakte me er niet echt druk om. Er stonden woorden in die ik kon herkennen en kon lezen en dat was het belangrijkste. Het was mijn eerste kennismaking met een hobby die me mijn hele leven bij zou blijven: lezen, alles wat los en vast zat, wat ik maar tegenkwam, boek na boek.

In de eerste klas van de lagere school hadden we geen zuster maar een juffrouw: juffrouw Brands. En ze woonde vlakbij, ook op de Biezenkuilen. Ze was heel aardig en als we netjes gewerkt hadden kregen we altijd stempeltjes van haar. En als we vijf stempeltjes bij elkaar hadden gespaard kregen we een poëzieplaatje in ons schriftje geplakt. Dat was geen plaatje met een poes erop, dat was een heel mooi plaatje, soms met dieren of kinderen, soms met engeltjes of bloemen, en soms zaten er zelfs gouden of zilveren glittertjes op. Ik was dan ook reuze trots op mijn verzameling poëzieplaatjes in mijn schriften.

In het voorjaar van 1953 was ik zeven jaar en als je zeven jaar oud was mocht je je eerste heilige communie doen in de katholieke kerk. Sommige kinderen waren nog te jong en moesten wachten tot ze in de tweede klas zaten. Mijn moeder breidde voor die gelegenheid een gele trui. Geel was mijn lievelingskleur. En een van mijn tantes maakte voor mij een bruine plooirok. Die rok was heel wijd en ik was er heel trots op. Ik kreeg ook een heel mooi manteltje en een hoedje of een muts, dat weet ik niet meer. Mijn manteltje is in mijn herinnering groen, maar die herinnering is ook vaag. Er kwam op die dag heel veel visite en ik kreeg cadeautjes en vooral geld. In totaal wel vijf gulden. Ik was nog nooit zo rijk geweest. En ik voelde me heel gelukkig daarom.

Zoals ik reeds vertelde was juffrouw Brands vreselijk aardig. Maar op zekere dag werd ik ook vreselijk in haar teleurgesteld. Dat was met de gymles. Daarvoor maakten we altijd een wandeling naar de huishoudschool die een gymzaal had. Onder andere waren daar ringen. Op een keer mocht iedereen zich optrekken aan de ringen en daaraan blijven hangen zolang ze het vol kon houden. Ik was een van de laatsten die aan de beurt was, want ik was een van de grootsten en de rij begon altijd met de kleinste vooraan en de grootste achteraan. Toen ik aan de beurt was trok ik me op en bleef in de ringen hangen. Ik bleef hangen en liet niet los. Misschien had ik daar de hele dag wel kunnen blijven hangen, ik weet het niet, maar ik werd er niet moe van. Uiteindelijk moest ik loslaten van de juffrouw. Iedereen had zo lang aan de ringen mogen blijven hangen als ze kon, behalve ik. Ik voelde me net als Calimero later, het was niet eerlijk. En juffrouw Brands vond ik ineens helemaal niet meer zo aardig als eerst.

In die dagen was ik een buitenkind. De wereld was een paradijs voor me. En de wereld was mooi. Er waren altijd bloemen om te plukken op de weg van en naar school langs de akkers. Ik maakte fluitjes van onrijpe korenstengels. Er groeiden ook bessen langs het eerste stuk van het pad, waar nog geen akkers waren. Daar stonden groene bessen langs die in het najaar zwart of rood werden. Die mocht ik niet opeten. Mama zei dat ze giftig waren. Ik mocht ze zelfs niet aanraken, want als ik zou vergeten mijn handjes te wassen voor het eten zou het wel eens kunnen zijn dat mijn boterhammen vergiftigd werden door mijn handjes. Ik liep altijd maar zo ver mogelijk van die struiken vandaan.

's Avonds luisterden mijn vader en ik naar het geluid van de krekels, die altijd ophielden als je dacht dat je eindelijk wist waar ze zaten. Nooit kreeg ik er eentje te zien. Het was ook heerlijk om samen met mijn vader te werken in de tuin, vooral als het oogsttijd was, maar ook met het aardappels poten. Hij maakte de kuiltjes en ik gooide de pootaardappel erin. Alleen de boontjes, die konden ze van me cadeau krijgen. Ik snapte nooit waarom er zoveel geplant moesten worden dat we minstens twee keer per week boontjes aten en soms nog vaker. De peultjes vond ik wel heel lekker en ook de worteltjes, en vooral de tuinbonen vond ik heel bijzonder. Daar waren mijn broers en zusjes niet zo dol op maar ik wel. Het was heerlijk om ze te pellen en de zachte vacht te voelen aan de binnenkant van de schil.

En ik herinner me de coloradokevers die steevast elk jaar opnieuw de aardappelplanten wilden opeten voordat er aardappels aan kwamen. Samen met mijn vader ving ik de kevertjes. Ik was er helemaal niet bang van. Net lieveheersbeestjes, maar dan niet rood en gespikkeld, maar bruin gestreept. In de beukenheg zaten nog mooiere kevers: meikevers. Ze waren donkerbruin en lichtbruin en wit. De witte noemden we bakkers. Het gras in de wei stond soms zo hoog dat je er verstoppertje in kon spelen. En het rook zo verschrikkelijk heerlijk. Maar soms moest je echt verstoppertje spelen als de buurman eraan kwam. Want hij wilde niet dat we speelden in het hoge gras, want dat was om te hooien en mocht eigenlijk niet platgetrapt worden. Ik probeerde dan ook altijd te lopen op plaatsen waar al iemand door het gras gewaad had en te liggen op plaatsen waar het gras al plat was, maar de buurman geloofde me niet als ik hem dat vertelde en toch was het echt waar. Maar in de wei die voor ons huis lag mochten we altijd bloemetjes plukken, en daar stonden altijd heel veel meizoentjes.

Een ervaring vergeet ik nooit meer. Dat was toen de hooimijt bij de buren in brand stond. De vlammen waren nog niet zo heel erg hoog, maar ik schrok omdat mijn kleine zusje Nellie er vlakbij liep. En wat nog erger was: ze liep recht naar het vuur toe. Ze was zeker heel nieuwsgierig en had er geen erg in dat ze zelf wel eens in brand zou kunnen komen te staan. Ik wilde het aan mama vertellen, maar eerst moest ik mijn kleine zusje daar weg halen. Toen ik dat gedaan had was het vuur heel groot geworden. De buurman was ook heel erg geschrokken. Later kwam er een politieman die moest uitzoeken hoe de brand was ontstaan. Dat was gekomen omdat Jan een klein vuurtje had gemaakt niet zo ver van de hooimijt vandaan met kleine sprietjes gedroogd gras. Maar de wind was gekomen en had het vuur laten wegwaaien.

Er waren drie verschillende wegen naar school. De kortste weg ging midden door de velden. Dat pad was heel erg smal. Ik hoorde vertellen dat dat pad elk jaar smaller werd omdat de boer er elk jaar een voor bijploegde. Zo werd zijn land dan een heel klein stukje groter. Maar het pad werd langzamerhand zo smal dat je er nog maar net over kon lopen. Met tweeën langs elkaar, dat ging met geen mogelijkheid. Ik ging altijd naar school samen met een buurmeisje. Ze heette Francien en ik mocht haar niet zo erg. Ze was heel groot, ze leek wel eens zo groot als ik en bijna zo groot als mama. En als mama niet thuis was kwam Francien ook wel eens op ons passen. Op mijn kleine broertjes en zusjes dan. Ik vond het helemaal niet nodig dat ze ook op mij paste. Tot ik op een gegeven moment last van buikloop had toen ik uit school kwam. Ik was zo snel mogelijk naar huis gerend maar ik was toch te laat gekomen. En toen was mama niet thuis, maar Francien. Wat voelde ik me toen ongelukkig. Het was Francien die me helemaal schoon waste: mijn bips, mijn benen, alles. Misschien had ik verder dankbaar tegenover haar moeten zijn, maar ik voelde me daarna nog slechter in haar buurt.

Onderweg naar huis stelde Francien vaak voor om te knikkeren. Ik wilde dat wel graag, maar niet voor menens. Zij was veel groter en kon veel beter knikkeren dan ik en ik kon het niet van haar gewonnen krijgen. Dus speelden we niet voor menens en ik zou de knikkers terugkrijgen die ze van mij gewonnen had. Maar als we bijna thuis waren en ophielden met knikkeren hield ze gewoon de knikkers die ze van mij gewonnen had. En ze wilde alleen maar met glazen knikkers. Dat vond ik echt gemeen van haar. Maar het knikkeren met haar was wel heel leuk. Daarom probeerde ik te vergeten wat ze de vorige keren had gedaan en als ze me beloofde dat ze deze keer echt de knikkers terug zou geven, geloofde ik haar weer opnieuw. Soms gaf ze ze inderdaad terug als ik helemaal niets meer had. Maar het duurde niet lang meer of ik wilde helemaal niet meer met haar knikkeren. En zelfs wilde ik niet meer met haar van school naar huis lopen. Als ik haar zag nam ik gewoon een andere weg, waar ze me niet lastig zou vallen.

Het leukste van de weg naar school was om op het smalle pad langs de achterkant te lopen van een prachtige villa. Het leek daar altijd heel gezellig te zijn. De mannen die daar woonden droegen blauwe pakken en leken altijd plezier te hebben. Soms bleef ik daar even stil staan. Maar als ze me zagen en naar me keken liep ik altijd heel vlug door. Ik zou er best graag een kijkje hebben willen nemen, maar ik durfde niet. Er was trouwens een brede sloot waar ik zeker niet overheen zou kunnen springen om daar te komen. En verder was er nog iets vreemd aan de hand. De mannen spraken wel een hele rare taal. Net of ze allemaal iets hun mond hadden als ze praatten. En het was toch niet netjes om met volle mond te praten, want dan kan niemand je goed verstaan.

Op een gegeven moment kwam ik erachter dat het Engelse soldaten waren. Ik vond het heel vreemd. Vlak bij de Kruisstraat was een Engels soldatenkamp. Ik heb nooit begrepen waarom een aantal van die soldaten in die mooie villa mochten wonen en de andere soldaten in het akelige kamp, waar altijd een wachtpost stond en er een slagboom was waar je nooit aan voorbij mocht. Ik zou zo graag eens wat meer hebben willen weten van de villa, van het kamp en natuurlijk van de soldaten die altijd plezier leken te hebben.

Behalve de weg door de koren- en aardappelvelden was er ook de Blaarthemseweg. Die was verhard en je laarzen kwamen niet zo erg onder de modder te zitten. Het duurde wat langer voordat je op school kwam. Dat lag er niet alleen aan dat het wat verder lopen was, maar langs de kant van de weg waren altijd eikels te vinden. Vooral in het najaar als alle bladeren van de bomen waren gevallen lagen er vreselijk veel, maar ook de rest van het jaar. De eikels werden alleen hoe langer hoe minder mooi.

Van de eikels die we mee naar huis brachten maakten we poppetjes met behulp van lucifers. Een lange eikel was het lijf, een klein eikeltje het hoofdje en het leukste waren de kleine eikeltjes met de hoedjes op. Die moest je wel zo vinden, want een lege dop paste nooit op de eikel waarvoor je hem wilde gebruiken. De grote en de kleine eikel werden verbonden door een luciferhoutje waar het rode kopje afgebroken was. Er werd een stuk van het houtje in de ene eikel, en een stuk van het houtje in de andere eikel gestoken. De armpjes en beentjes werden ook gemaakt van luciferhoutjes. Als je de beentjes in het zand stak buiten konden de poppetjes staan. Er waren eikels in overvloed, maar het was de kunst om de hele grote en de hele kleintjes te vinden. En niet alle eikels waren geschikt: er waren Europese eikels van gewone eikenbomen en Amerikaanse eikels van Amerikaanse eikenbomen. De laatste glansden wel heel mooi, maar waren veel te hard en hadden niet de goede vorm om poppetjes van te maken.

Op zekere dag hoorde ik dat eikels eetbaar waren. Ze werden vooral gegeten door de varkens. Nou, als de varkens die dingen zo lekker vonden, zou ik ze misschien ook wel lekker vinden. Uiteindelijk aten de varkens ook aardappelschillen en de restjes eten van ons, dus voorzichtig proefde ik mijn eerste eikel: heerlijk. Ze smaakten naar noten, en noten waren een lievelingskostje voor mij. We kregen ze alleen maar heel zelden. Dat niemand daar ooit erg in had gehad, dat eikels even lekker waren en die waren er zoveel. Die kreeg je nooit allemaal opgegeten. Onderweg van school naar huis at ik mijn buikje rond en thuis had ik geen honger meer met het avondeten. Maar ik kreeg buikpijn, vreselijke buikpijn, en wat voelde ik me misselijk, vreselijk. En het was of de lucht van de eikels in mijn keel omhoog kwam.

Ik weet niet meer of ik ooit iemand heb durven te vertellen dat ik eikels gegeten had. Ik was het in ieder geval afgeleerd. En daarna leek het of alles wat op noten leek smaakte naar eikels. Ik lustte geen pinda's meer, geen kastanjes, alleen soms nog een enkele walnoot. Als ik een van die dingen in mijn mond stak leek het alsof ik weer net zo misselijk werd als toen ik de eikels had gegeten. Dat duurde heel lang. Ik geloof dat ik ongeveer 35 jaar oud was voordat ik weer pinda's kon eten zonder misselijk te worden. Alleen kastanjes lust ik nog steeds niet, al vindt iedereen ze nog zo lekker. Alhoewel, in schijfjes gesneden en gebakken smaken ze een stuk beter. Ik ga dat toch nog eens een keer proberen als ik een keer durf. Moet een lekkernij zijn bij spruitjes. Maar tot nu toe heb ik in mijn leven nooit kastanjes en spruitjes bij elkaar in mijn handen gehad dus ook niet klaargemaakt.

Behalve de weg naar school was er ook nog een andere weg. Die ging een heel andere kant in, naar het zuidoosten. Aan die weg woonde Jantje Olie. En op zekere dag was ik oud genoeg om op avontuur te gaan, vond ik zelf, dus ik ging eens kijken wat er aan die andere kant was. Nou, eigenlijk was daar helemaal niets, alleen akkers. En zonneschijn. Ik voelde me heel erg prettig en ik liep verder en verder en eindelijk werd me iets duidelijk: ik kon niet verder. Ik stond aan de rand van het water. Het was heel breed en zou waarschijnlijk ook wel heel diep zijn. En ik werd heel erg bang om in dat water te vallen en te verdrinken. Later kwam ik erachter dat het het Beatrixkanaal was. Ik was echt te ver van huis gegaan en durfde niemand ooit wat te vertellen van dit avontuur. Ik wist dat ik heel stout was geweest en waarschijnlijk wel straf zou krijgen als ik het zou vertellen.

Niet alleen mijn vader kwam uit een groot gezin. Ook bij mijn moeder thuis hadden ze ongeveer tien levende kinderen overgehouden. Maar in die familie was ik niet het oudste kleinkind, maar gewoon een van de kinderen ergens tussenin. Oom Bertus was de oudste broer van mijn moeder en tante Mien de oudste zus. Die hadden allebei grote gezinnen en woonden niet in ons dorp, in Zeelst, maar in de stad, in Eindhoven. Dat was heel ver fietsen. Nog verder dan de fabriek waar mijn vader werkte. Ik vond het wel altijd heel leuk als we daar naar toe gingen, vooral naar oom Bertus en tante Annie. En Dolly was even oud als ik en we waren beste vriendinnen. En de tweeling Joke en Ria waren wat ouder dan ik. Lenie van tante Mien was een stuk kleiner dan ik, en Annemieke en Willie een stuk ouder, en hoewel Cor van tante Mien even oud was als ik was het een jongen, daar had je niet veel aan om mee te spelen.


Behalve de boerderij waar de oude Ciska en de melkboer woonden was er geen ander huis in de directe nabijheid. Dan moest je eerst een heel zandpad aflopen. En dan stonden daar een paar huizen dichter bij elkaar. Daar was het huis van boer Van Gerwen, de ouders van Francien die heel veel varkens hadden. En nog een paar huizen en in een daarvan woonde tante Kee. Tante Kee had drie dochters, waarvan Trina, de oudste, even oud was als ik. Daarna kwamen Corrie en Ria. Tante Kee kwam met de meisjes heel vaak naar ons toe en dan nam ze altijd haar breiwerk mee.

Mijn moeder en tante Kee breiden wat af. Ik was dan ook heel jong toen ik zelf al leerde breien. Ik was er trots op dat ik met vier jaar al echt steken op kon zetten met 2 draden. En ook echt kon breien. Trina kon ook breien, maar niet zoals ik. Ze gebruikte daarvoor een breinaald en ze draaide de wol om de breinaald tot die vol was. En daarna kon ze natuurlijk niet verder meer, dus werd alles weer uitgehaald en begon ze weer opnieuw. Wij, kinderen, hadden dan ook altijd zelfgemaakte truien. Ook de babykleertjes waren zelfgebreid.

Maar we speelden ook heel veel buiten, om en rond het huis. En op zekere dag gebeurde er iets heel geks. We hadden allemaal een boterbabbelaar gekregen, maar Trina begon zo gek te doen. Mama en tante Kee kregen in de gaten wat er aan de hand was. Ze had de boterbabbelaar in haar keel gekregen en die ging er niet meer uit, wat ze ook probeerden. Haar hoofd was heel rood en mama en tante Kee sloegen haar maar op de rug om de boterbabbelaar los te laten komen. Toen dat niet ging pakte mama vlug de fiets en ging naar de dokter. Maar dat was ver weg, kilometers fietsen naar het dorp. Ik vond het heel dom dat ze dat deed. Het  zou veel te lang duren voordat de dokter kon komen. Ik vond dat mama Trina zelf veel beter zou kunnen helpen. Maar gelukkig, toen mama even weg was en tante Kee aan het kloppen bleef schoot de babbelaar uit de keel en kon Trina weer gewoon ademhalen. Het duurde heel lang voordat mama weer terug kwam. Ze hijgde heel erg en had net zo'n rood hoofd als Trina van tevoren had gehad. Ze vertelde dat ze bij de dokter was geweest, maar de dokter was niet thuis. Maar de vrouw van de dokter had tegen haar gezegd dat ze maar naar huis moest gaan want dat de babbelaar intussen uit de keel van Trina zou zijn geschoten. Mama vond dat heel erg vreemd, want niemand kon dat hebben laten weten aan de vrouw van de dokter want niemand had telefoon in de buurt. Anders had mama de dokter wel opgebeld in plaats van dat ze er naar toe was gegaan, want de dokter had wel telefoon. Maar nu kon ze met eigen ogen zien dat de vrouw van de dokter gelijk had. En mama was heel erg blij. Maar we waren zo bang geweest voor Trina, dat ze echt zou stikken in die babbelaar en dood zou gaan, en mama en tante Kee praatten erover hoe het mogelijk was dat de vrouw van de dokter wist dat het goedgekomen was. Maar ik geloofde er helemaal niets van. Volgens mij had de vrouw van de dokter zomaar wat gezegd omdat de dokter toch veel te laat gekomen zou zijn als het fout gelopen was en had ze zomaar gegokt. In ieder geval kregen wij nooit meer boterbabbelaars. Die waren veel te hard en konden in je keel schieten bij het spelen.

In de zomervakantie wilden Ria, Joke en Dolly van oom Bertus graag op vakantie komen bij ons en zo gebeurde het: ieder van hen mocht een weekje naar ons, en ik mocht drie weken naar hun toe. En het werd de vakantie van mijn leven. Die zal ik nooit vergeten. In de stad waren veel meer huizen, heel dicht op elkaar, dan waar wij woonden. Maar voor het huis in de Verhulststraat was een grote speeltuin met allerlei speeltoestellen: een wip, en schommels, en het mooiste was de grote glijbaan. En als klap op de vuurpijl was er nog een veel mooiere en grotere speeltuin. Maar daar mochten we niet zomaar alleen naar toe, alleen als de oudere kinderen daar ook naar toe gingen. De speeltoestellen daar hadden allerlei leuke kleuren en niet donkerbruin zoals in de Verhulststraat zelf. En op zekere dag was er een reisje met een bus. Omdat Dolly niet thuis was mocht ik mee in haar plaats. Het was een prachtige dag en we gingen met een heleboel kinderen ergens naar een water, waar we konden pootjebaden en spelen langs de kant.

Oom Bertus en tante Annie hadden een heel ander huishouden dan wij thuis. Ze hadden een heleboel kinderen en Anneke, de oudste, was in mijn ogen al volwassen. Er was niet genoeg plaats aan tafel voor iedereen in de woonkamer, dus een deel van de kinderen waaronder ikzelf mochten altijd eten aan de tafel in de voorkamer. Alleen mochten we nooit ons eigen brood smeren. Dat deed Anneke. Ik vond alle dingen heel lekker die ze op brood hadden, thuis konden we door de week meestal alleen maar kiezen tussen suiker en spek. Maar ik vond wel dat Anneke alles maar heel dun op het brood deed. En een ding was heel vreemd. Er waren altijd boterhammen die heel raar smaakten en het was net of er niets op zat dan boter. Die liet ik meestal maar liggen. Maar bij navraag zat er wel degelijk iets anders op dan boter: smeerkaas. Die had ik tot dan toe nog nooit gegeten. Na de eerste kennismaking was ik er trouwens niet zo erg weg van.

Op zondag gingen we ook bij oom Bertus naar de kerk. De kerk was aan het einde van de straat. Aan het einde van de straat bij de winkels was een kauwgomautomaat. Dat vond ik zo'n verschrikkelijk mooi dingetje. Ik had het een keer heel goed bekeken. Er stond bij dat je er een cent in moest gooien en dan zou er een kauwgombal uit komen. Ik had alleen een groot probleem: ik had geen cent en ik zou niet weten hoe ik er aan zou moeten komen. Niet van mijn ouders in ieder geval, want die waren heel hard aan het sparen voor een nieuw huis. Misschien van oom Jos, maar die wist niet eens waar ik was. Ik zag hem ook niet zo vaak meer sinds we in ons huis aan de Biezenkuilen woonden. Het was erg ver lopen naar opoe. En met de fiets was ook heel moeilijk geworden, want mijn kleine broertjes en zusjes pasten niet allemaal op de fiets. Maar dat werd mijn nieuwe droom: eens zou ik zover komen dat ik hier een kauwgombal uit zou kunnen draaien.

Op zondag gingen we ook bij oom Bertus naar de kerk. De kerk was aan het einde van de straat. Nog verder dan de kauwgomballenautomaat. En alles was er even onverstaanbaar als in onze eigen kerk, alles in het Latijn. Aan de ene kant had ik het wel leuk gevonden dat ik groot genoeg was geworden om mee naar de kerk te mogen, maar aan de andere kant was het erg tegengevallen. Alleen de nachtmis was prachtig. Vooral die keer toen het gesneeuwd had en we helemaal naar de kerk hadden moeten lopen terwijl onze voetstappen de sporen in de sneeuw achterlieten. Tot mijn enkeltjes kwam de sneeuw. Het was net of het in het donker toch licht was, zo'n prachtige witte wereld 's morgens vroeg al voor vijf uur.

Maar halfweg de dienst gebeurde er iets bijzonders. Wij, de kinderen, kregen ieder 3 centen in onze handen gestopt. Die waren om in de collecteschaal te gooien. Er zouden er drie langs komen. En zo gebeurde het. De eerste cent ging in de eerste collectebus. Mijn tweede cent ging in de tweede collectebus. En mijn derde cent....... Daar was de cent die ik zou kunnen uitproberen bij de kauwgomballenautomaat. Ik deed net of ik de derde cent ook in de collectezak deed, maar hield hem stevig in mijn handje geklemd. Later als ik helemaal alleen was zou ik de kauwgomballenautomaat uitproberen.

Maar toen de kerk uit was bleef Dolly bij me. Meestal vond ik dat wel leuk maar deze keer niet. Tot ze me vertelde dat ze een kauwgombal ging kopen. En ze vroeg of ik geen cent had bewaard voor een kauwgombal. Eerst zei ik nee, maar toen ze dat heel erg dom vond liet ik haar toch maar mijn achtergehouden cent zien. En samen gingen we een kauwgombal kopen. De automaat werkte echt. Je moest er een cent ingooien en dan draaien. Dolly deed het voor mij.

Maar ik vond dat het eigenlijk een beetje gemeen was dat we drie centen kregen voor de collectezak en geen cent voor onszelf. Waarom moesten we die cent achterhouden? Ik had er geen goed gevoel over dat ik de cent had achtergehouden, dat Dolly het ook had gedaan maakte niets uit. Maar zeker ook niet dat we wel geld kregen voor de collectezak en niet een cent om voor onszelf te besteden. Maar thuis had ik die problemen niet meer. Mijn ouders gooiden zelf de centen in de collectezak als we in de kerk waren en in ons dorp waren trouwens geen kauwgomballenautomaten.

Toen ik had leren lezen mocht ik soms met mijn vader mee naar de bibliotheek. Op zondag na de hoogmis was de bibliotheek altijd open voor de mensen die dan boeken kwamen lenen. De bibliotheek was in een zijzaaltje van het patronaat achter de jongensschool. En papa was  degene die vaak de boeken uitleende. Iedereen die een boek meenam moest daarvoor een dubbeltje betalen en het de volgende week terugbrengen. Als iemand een boek uit wilde kiezen pakte mijn vader enkele boeken van de rekken aan de zijkant en legde die dan op de plank die als toonbank diende.

Niemand mocht achter die plank bij alle boeken komen, behalve ik. En ook mocht ik de boeken zien. Ze hadden daar boeken van Puk en Muk. Die woonden bij Klaas Vaak. Klaas Vaak was al heel oud en ging elke avond de wereld rond om alle kinderen zand in hun ogen te strooien. Heel bijzonder zand: slaapzand. Maar het land van Puk en Muk was moeilijk te bereiken, want voordat je daar kwam moest je je weg eten door een grote rijstebrijberg. Ik snapte niet wat rijstebrij was, maar Muk vond het lekker dus het moest eetbaar zijn. En doordat Puk en Muk zich een weg door de rijstebrijberg gegeten hadden konden ze daardoor naar buiten, de wijde wereld in en beleefden allerlei avonturen. En over die avonturen waren heel veel boeken geschreven. Het mooiste verhaal vond ik toen Puk en Muk in China waren. Ik las ze allemaal.

Soms ging papa ook naar de bibliotheek als er geen andere mensen kwamen. Dat was het knuste van allemaal. Hij ging dan boeken kaften. Alle boeken hadden een bruine papieren kaft en aan de zijkant een plaatje waar de naam van het boek op geschreven werd. Boeken kaften was heel moeilijk, maar toch mocht ik daarbij helpen en daar was ik heel trots op. Alleen was het jammer dat ik dan geen tijd meer had om te lezen en ik mocht de boeken niet mee naar huis nemen. Papa en mama spaarden alle dubbeltjes en op zekere dag zouden ze daarvoor een huis kopen.

Omdat papa en mama heel veel dubbeltjes moesten sparen werd er bezuinigd. We kregen geen Caramelco en chocoladeboter meer op brood, maar we mochten kiezen tussen suiker en spek. Ik koos altijd suiker want ik had een hekel aan spek. Behalve op zondag, dan was er altijd wat lekkers. En op zondag kregen we ook altijd vlees bij het eten. Meestal was dat hele lekkere karbonade. Die zou ik elke dag wel lusten, maar door de week kregen we soms alleen een stukje gebakken spek. Daar vond ik helemaal niets aan. Maar ik moest het toch opeten. Net als pap. Soms als toetje na de warme maaltijd, als ik helemaal geen honger meer had. Maar de pap zou aan mijn ribben kleven, had opa gezegd. Die had wel meer rare opmerkingen. Hij zei ook altijd dat zand de maag schuurde. Ik leerde mijn opa nooit echt goed kennen. Hij had het altijd vreselijk druk en als hij in zijn stoel zat naast de mooie rookstandaard sliep hij vaak en mochten we hem niet storen, en als hij wakker was en praatte was dat meestal niet met ons, kleinkinderen.

De Biezenkuilen was een prachtige plaats om te wonen. Wat ik wel heel erg miste was dat we niet zo vaak naar mijn grootouders gingen. Maar soms mocht ik met papa of mama achter op de fiets. Het was erg ver om te lopen, want eerst moest je door het dorp en dat was een paar kilometer ver, maar dan moest je ook nog naar de andere kant van het dorp bijna net zo ver als het dorp van ons af was naar de Djept. Maar oma had altijd appels en peren, en soms ander fruit voor ons. Ook hadden ze een heleboel kippen en de eieren daarvan werden in papiertjes gepakt, dan leken het net grote snoepjes in krantenpapier. Dat was nodig om ze onderweg op de fiets niet te laten breken. In de schouw bij opa en oma werd ook ham en spek gerookt van de varkens die ze hadden en die in de wintertijd werden geslacht, als het koud genoeg geworden was.

Melk haalden we niet bij opoe en opa, maar bij de buren. Dat ging in een hele grote pan en toen ik wat groter was mocht ik de melk halen. Ik moest de volle pan altijd een beetje van me af houden, maar dat was heel moeilijk want die was zwaar en als ik hem tegen me aan hield was hij niet zo zwaar. Maar dat ging niet goed, want bij elk stapje dat ik deed ging de melk raar klotsen en als ik niet heel goed oppaste over de rand van de pan. Dat mocht helemaal niet, want dan zou er niet genoeg melk meer zijn om pap te koken.

En er was nog iets. Voor de vee in de stal bij de melkboer kon de melkboer brood kopen van de vorige dag. Dat was heel goedkoop, maar een dubbeltje per brood. Maar voordat het brood naar de dieren ging zocht de buurvrouw daar brood uit voor zichzelf en ook mama mocht daar brood uitzoeken voor zichzelf en betaalde dan een dubbeltje aan de buurvrouw. Die broden waren kleiner dan de broden die de bakker bracht. Ze waren maar 8 ons en die van de bakker 12 ons. En ze hadden ook een ander model, ze noemden die busmik. Maar de bakker mocht niet weten dat we ook brood haalden bij de buurman, want als hij de buurvrouw zou verklikken bij de broodfabriek zou de buurvrouw geen brood meer krijgen, want hoewel het brood gewoon voor mensen was gebakken mocht het de volgende dag niet meer aan mensen worden verkocht. Ik vond dat heel erg raar, want als de bakker het brood bracht was het de volgende dag ook een dag oud. En op maandag was het brood wel twee dagen oud. En papa vertelde dat ze in de oven op de boerderij bij opa en oma ook vaak brood hadden gebakken voor het hele gezin toen hij nog klein was en dat deden ze dan eens per week en de week daarna bakten ze dan weer vers brood voor de week erop. Heel vers brood mochten we trouwens niet eten, het oude moest altijd eerst op. Van vers brood kon je jezelf vast eten. Wat het betekende wist ik niet maar het klonk heel ongezond. En als alle brood op was mochten we het wel eten. Ik vond het heerlijk om vers brood te eten met suiker, dat was zo ongeveer het lekkerste wat je jezelf voor kon stellen. Zeker als het nog warm was als de bakker het  net gebracht had. En hoewel ik veel meer at dan normaal als we heel vers warm brood hadden, heb ik mezelf nooit vastgegeten, wat het dan ook geweest zou moeten zijn, al voelde ik me altijd wel een beetje bang en durfde nooit zoveel vers brood te eten als ik eigenlijk wel zou hebben gelust.

Op zekere dag mocht ik met mijn vader op de fiets naar het dorp. Wer gingen naar een stuk land waar een stuk grond was afgezet en daar ging mijn vader graven met een grote schop. Ik mocht zelf ook helpen met een klein schepje en dat deed ik soms ook. Het moest een heel groot gat worden en papa vertelde mij dat daar ons nieuwe huis zou komen. Ik vond het maar heel raar, zo midden op een veld. Er was niet eens een zandpad naartoe, maar toen we daar vaker naartoe gingen zag ik dat niet alleen papa aan het graven was, maar ook andere mensen. Het was heel zwaar werk. En aan mij had papa ook niet veel. Dus soms kwamen mijn ooms helpen, dat waren broers van mijn vader. Ze waren veel jonger dan mijn vader en heel erg sterk. Met hun hulp kwam het gat dan ook klaar. Op een plaats was het heel erg diep. Daar moest een kelder komen, maar ik vond het gat van de kelder eigenlijk niet zo groot. De kelder die wij hadden in het huis van de Biezenkuilen was vele malen groter. Bijna elke week gingen we op zondag nadat we naar de kerk waren geweest kijken naar het gat en later naar wat er allemaal verder gebeurde op de plaats waar ons huis zou komen. Voor mij hoefde het allemaal niet. Ik wilde gewoon blijven wonen waar we woonden, al zouden we niet meer zo ver hoeven te lopen naar school. En wonen in zo'n gat trok me al helemaal niet. Op de Biezenkuilen hadden we tenminste een huis boven de grond.

Behalve mijn papa was ook de papa van Trina aan het graven. Hij groef aan hetzelfde gat als mijn papa. Mijn papa de ene helf en hij de andere helft. Hij had ook hulp en zijn deel was heel snel klaar. Het scheen dat we een dubbel huis zouden krijgen. Wij aan de ene kant en tante Kee aan de andere kant. Dat vond ik eigenlijk niet zo leuk. Trina was wel mijn vriendinnetje maar ze keek vaak zo zuur, net als haar papa en mama. Eigenlijk vond ik de kleine zusje van Trina, Corrie en Ria, veel leuker. Zij lachten veel meer. En Trina zei altijd dat ze alles veel beter kon dan ik. Zelfs breien. En zij kon geen steken opzetten zelf en ik wel. Ik vond haar niet eerlijk. Het kon me niet schelen dat ze kon fietsen dan ik, maar dat kwam dan ook omdat zij een fiets had en ik niet. Maar ik vond het oneerlijk dat ze iedereen vertelde dat ze ook beter kon breien, want dat was gewoon gelogen.

Toen we naar de grote school toe gingen hoefde ik gelukkig niet meer naar zuster Wilfridus. Hoewel ik haar nooit had kunnen betrappen met de bierlepel vond ik haar ook niet eerlijk. En ik vond het ook vreselijk dat ze een paar jongens plakband op hun mond had geplakt zodat ze werkelijk hun mond niet meer open konden doen. Het hielp wel, niemand in de klas durfde meer te praten. Ik snapte trouwens ook niet waarom ze haar toverstaafje niet meer gebruikte. Werkte het dan toch niet goed? Had ik dan toch gelijk? Ik zou er nooit helemaal achter komen. Maar in de eerste klas bij juffrouw Brands was het wel leuk. Er waren wel veel minder kinderen dan in de kleuterklas want alle jongens waren naar de jongensschool gegaan. Dat was een stuk rustiger, maar ik miste mijn vrienden wel die op de bewaarschool met mij speelden. Soms zag ik ze nog wel eens, maar het leek wel of ze mij niet meer kenden want ze liepen me gewoon voorbij zonder zelfs maar in mijn richting te kijken. Ik had daar veel verdriet van. Maar later vergat ik hun ook. Ik vergat zelfs hoe ze heetten. Behalve de jongen die bij zuster Magdalena tot 80 had mogen tellen. Zijn achternaam was Bressers, zijn voornaam was ik wel vergeten. Bij juffrouw Brans mocht ik wel een keer tot honderd tellen voor de klas. Dad deed ik ook, maar het was niet zo leuk meer. Ik kon wel tot duizend tellen, maar dat mocht niet. De juffrouw vond honderd genoeg en de meeste kinderen konden dat niet. En Bressers zoals ik de jongen in mijn gedachten noemde kon me ook niet meer horen, dus eigenlijk had het allemaal geen zin meer. Maar juffrouw Brands was heel erg blij, want ze vond dat ik op die manier de andere kinderen uit de klas heel goed hielp om ook te leren tot honderd te tellen. En dat maakte een heleboel goed. En soms mocht ik bij de juffrouw achter op de fiets naar huis. Niet helemaal maar wel een heel stuk. Dat was heel leuk want dat scheelde een heel stuk lopen. Ik hoefde dan alleen nog maar het laatste stuk, want juffrouw Brans woonde een beetje dichter bij de school dan ik.

Het was trouwens op de grote school veel leuker, want je leerde er veel zinniger dingen. Ik vond maar stom om elke dag scheurtjes te moeten maken in een velletje papier, alhoewel zuster Wilfridus had gevonden dat ik dat geweldig goed kon. Ik maakte altijd hele kleine scheurtjes, op precies dezelfde afstand van elkaar en allemaal even diep. Je kon dat papier als het af was gebruiken om een vaasje op te zetten of een beeldje. Maar dat vond ik maar niets. Mijn tantes maakten prachtige gehaakte kleedjes en die werden daar ook voor gebruikt. Die waren veel mooier en mama had ook wel eens kleedjes gehaakt. Mar die had daar niet zoveel tijd voor, want ze moest altijd sokken en truien breien en daar had ze haar handen vol aan. Soms gebruikte ze daarvoor echte knotten wol, maar soms ook ander garen wat eigenlijk werd gebruikt om tafelkleden en zo te weven. Dat was heel dun maar mama gebruikte dan verschillende draden tegelijk en dan werd het dik genoeg. Dat garen was wel een stuk stugger dan de knotten breiwol. En de truien die ze daarvan breiden voelden een beetje hard aan. Maar ik vond het wel knap dat ze daarvan een mooi vest had gemaakt voor zichzelf en daarvoor verschillende gekleurde draden door elkaar had gebruikt. Maar het allermooist waren de babykleertjes die ze breidde. Ze maakte die van wittel celvezel. Dat garen kwam van de fabriek waar papa werkte. Als er te weinig garen op een klos zat zodat het niet meer gebruikt kon worden op de machine werd het weggegooid en dan mocht papa deze restjes meenemen. Het garen was een beetje vuil wit, eigenlijk vond ikzelf het mooier dan wit, maar als mama daar babytruitjes van had gebreid stopte ze ze in de chloor en dan werden ze hagelwit. Prachtig! Ik bewonderde haar enorm hierom. Ik probeerde ook wel eens om met celvezel te breien maar dat lukte niet. De draadjes wilden bij mij niet bij elkaar blijven en het was te moeilijk om door alle draadjes tegelijk heen te steken. Maar mama was een kunstenares. Later wilde ik dat ook kunnen als ik zelf moeder was en baby's kreeg.

Langzamerhand kreeg het huis in het dorp meer gestalte. We gingen er vaak kijken als we 's zondags naar de kerk waren geweest. De vlakte waar het gebouwd was zag er minder troosteloos uit dan toen papa het grote gat had gegraven. Rondom de gaten groeide het koren. Er kwamen allemaal paaltjes te staan en in het diepe gat kwam een cementen vloer en cementen wanden. Dat moest de kelder worden. Ik vond het maar een vreemde kelder. Hij was veel te klein. De kelder in ons huis onder de opkamer was veel groter. Ik snapte niet waar mama al haar weckpotten zou moeten laten. Maar mama scheen er tevreden mee te zijn, dus was ik het ook. Het huis scheen andere voordelen te hebben. Dus wachte ik af.

Ik vond er niet zoveel aan om naar het nieuwe huis te gaan kijken. Het was net een huis zoals wij n het zand tekenden als we vadertje en moedertje gingen spelen. Het was alleen veel groter en er kwamen allemaal kleine cemtenten muurtjes. Het werd een beetje interessanter toen ik hoorde dat dat niet het eigenlijke huis was, maar een fundering waar het huis op gebouwd zou worden. We kregen dus toch een huis boven de grond. En aan alle latten die boven de grond uit staken en de muurtjes in de grond kon je langzamerhand zien waar de huiskamer kwam, waar de keuken en waar de gang. Papa hoefde daar verder niets meer aan te doen. Dat deden timmerlieden, metselaars en later de schilders. Naast de keuken werd een opening gemetseld met een boog bovenaan waar later een poort zou moeten komen, het verlengde daarvan was een muur en dan kwam er een schuur.

Mijn vader deed heel veel dingen. Hij zong onder andere bij het koor. Als ik op zondag naar de hoogmis ging met hem, kon hij nooit bij mij blijven zitten maar moest dan naar boven. Ikzelf moest dan helemaal naar voren aan de rechter kant naast de sacristie, waar heel veel kinderen zaten. De stoelen daar waren goedkoper dan de banken in de rest van de kerk. Daar liep ook altijd de Swies met een grote staf en een zwarte schuine sjerp over zijn jas, waar zilveren letters op geborduurd waren. Verder was hij helemaal in het zwart. En hij had schoenen aan die je helemaal niet kon horen. Soms kon hij zomaar achter je staan zonder dat je er erg in had gehad. Hij werd geacht de orde in de hele kerk te bewaren en als het zo druk was dat mensen geen plaats konden vinden, zou hij altijd zoeken naar een vrije plaats, die meestal voor in de kerk te vinden was. Soms mocht ik met mama dan ook gaan zitten op plaatsen waar je eigenlijk helemaal niet mocht zitten omdat er plaatje stond: verpacht. Dan hoefde je niet voor een plaats te betalen. Maar er waren altijd mensen die niet graag voor in de kerk kwamen, maar achteraan bij de deur bleven staan. Ik vond het wel opvallend dat hij zo vaak rechts vooraan in de kerk te vinden was waar wij zaten, net of hij verder in de hele kerk niet nodig was. Sommige kinderen vonden dat helemaal niet leuk. Maar als hij in de buurt was hield iedereen op met praten.

Bij opa en oma op de Djept kwam ik niet zo vaak meer. Maar als het vakantie was mocht ik daar dikwijls een paar dagen blijven logeren. Ik mocht dan slapen op de kamer van de meisjes. Die lag naast de keuken in de hoek van het huis. Van de keuken kwam je in de mooie kamer, met de lange tafel en de mooie kast, waarbovenop 3 stolpen stonden: een stolp met een kruisbeeld in het midden en twee stolpen aan de zijkant met een beeld erin. Die stolpen vond ik de mooiste dingen in het hele huis. De beelden die erin stonden werden erdoor beschermd tegen stof en vuil. De meubels in de mooie kamer blonken je altijd toe. Je mocht daar dan ook alleen maar doorheen lopen, verder niets. Je mocht niet aan de tafel gaan zitten daar, ook niet om te lezen of als je helemaal niets deed. In die grote kamer was ook de voordeur. Maar die werd nooit gebruikt. Iedereen kwam gewoon achterom. Behalve de pastoor. Die mocht wel op visite komen in de mooie kamer. Een keer zag ik hem daar. Hij was een hele grote indrukwekkende man en hij had een lange zwarte jurk aan en een zwarte hoed op. Ik was eigenlijk een beetje bang van hem. De vloer van de mooie kamer bestond uit grote donkere plavuizen. En er stonden vaak mooie bloemen op tafel.

Als je uit de keuken kwam en je ging in de mooie kamer naar rechts dan was daar de deur naar de slaapkamer van opa en oma. Dat was een piepklein kamertje. Er was net genoeg ruimte voor een tweepersoons bed en een beetje ruimte ernaast waar je kon staan. Er stond ook een houten wastafel met een lampetstel op. Dat was een vrij hoge houten tafel met daaroverheen een handdoek gelegd, waarop een soort ronde afwasbak van porcelein. In de wasbak stond een grote kan waar een paar liter water in kon. Als je jezelf ging wassen kpon je water halen in de kan en daarvan zoveel als nodig was in de bak gooien. Je gebruikte dan een washandje wat je eerst natmaakte en dan de zeep erop deed, je waste jezelf daarmee, spoelde het washandje uit en waste jezelf nog een keer met het uitgespoelde washandje. Dan droogde je jezelf af en was je schoon. Dat was goed genoeg voor door de week. Thuis hadden mama en papa ook zo'n wastafel.

In de praktijk werd de wastafel bijna nooit gebruikt, ook niet bij oma. Het was veel handiger om jezelf bij de kraan in de keuken te wassen, dan hoefde je tenminste niet met het water te slepen. Thuis gingen we altijd op zaterdagavond voordat we naar bed gingen in bad. Daar had mama een grote zinken teil voor, die ze op maandag ook altijd gebruikte voor de was. Ik vroeg me wel eens af of oma en opa op zaterdagavond ook in een grote teil gingen, maar ik heb nooit durven vragen of dat zo was. Volgens mij hadden ze geen teil die groot genoeg was, hoewel, misschien zou het toch wel gaan, maar dan een beetje krap.

Als je vanuit de keuken in de mooie kamer, eigenlijk de goeie kamer, zoals hij werd genoemd, bij oma linksaf ging, kwam je in de huiskamer. Daar stond een kachel en als je daar binnen ging kwam in de winter altijd de warmte je tegemoet. Die kamer had iets heel bijzonders. Er waren trouwens wel meer bijzondere dingen in die kamer, maar er was iets wat je niet kon zien, niet kon ruiken, niet kon voelen, iets wat je geen naam kon geven. Dat was het gevoel dat die kamer je gaf. Vaak was het er erg stil. Vooral overdag. Dan was opa weg om te werken in de wasserij, oma moest zorgen voor de drie koeien, de varkens en de kippen. En ze had het ook altijd druk in de keuken. En alle ooms en tantes waren ook niet thuis. Ze moesten werken in een fabriek. Maar op zondag was alles anders. Dan was het altijd heel druk. Mijn ooms zaten dan vaak te kaarten aan de tafel en van oom Jos mocht ik soms de kaarten vasthouden, maar ik mocht nooit zelf meespelen. Hij wilde het me ook niet leren. Daar was ik heel erg teleurgesteld in. Trouwens in meer dingen. Hij had me geleerd om de klok te lezen. Ik was toen drie jaar en hij leerde me hoe de wijzers van de klok stonden als het half drie was. Hij had beloofd me verder te leren, maar hij had nooit tijd daarvoor. Maar dat was nog niet het ergste: hij had een nieuwe tante meegebracht en hij had bijna alleen nog maar tijd voor haar als zij er was. Ze was verschrikkelijk mooi. Ze had hele donkere krullen en prachtige grijze ogen. En hele hoge hakken onder haar schoenen. En ze had zulke mooie dikke zwarte wimpers als ik nog nooit gezien had. En haar lippen waren vuurrood. Daar gebruikte ze lippenstift voor. Die gebruikten mijn tantes nooit zover ik wist. Soms had ik het gevoel dat het allemaal niet echt kon zijn, ze was te mooi. Maar wel kon ik begrijpen dat ze daarom voor oom Jos veel belangrijker was dan ik. Stilletjes had ik er veel verdriet van, maar wie zou dat nou snappen.

Ze heette tante Mia en ze was zeventien jaar oud. Bijna even oud als oom Jos. Ze zat altijd in de stoel naast de kast waar de pick up in stond en waar ook in de winter altijd de kerstboom bovenop stond. Soms zat oom Jos op een stoel naast haar in plaats van te kaarten met de anderen aan de tafel.  Ik had altijd het gevoel dat mijn tantes haar niet zo aardig vonden als ik. Op een keer hoorde ik een opmerking dat Jos van een mooie tafel niet lang zou kunnen eten. Ik snapte niet wat het betekende, maar ik had het gevoel dat het over tante Mia ging. Het deed aan mijn gevoelens niets af. Ik was haar stille bewonderaarster. Alleen soms had ik het gevoel dat ze een beetje bang was van iedereen. Ze was wel altijd heel vriendelijk tegen mij en nooit zag ik haar snibbig zoals mijn tantes soms tegen elkaar konden praten. Hoewel ik die ook heel lief vond, maar anders. Ik had het gevoel dat ze een beetje jaloers waren misschien. Of misschien vonden ze het niet eerlijk dat tante Mia niet hoefde te helpen met de afwas. Ik kwam er niet achter. De grote mensenwereld was niet de mijne, dat was in ieder geval heel duidelijk.

De kamer was niet vierkant. Aan de kant waar de keuken was, was er een hele hoek uit. Daar was de schouw van de keuken. Daar achter de deur bij de ligstoel van opa en de prachtige rookstandaard stond de zwarte kachel. en als je verder de kamer doorliep was daar de divan tegen de buitenmuur naast het grote dressoir waar ook de bierlepels op stonden. Iemand die ziek was mocht altijd op de divan slapen. Ik kan me herinneren dat ik er ook ooit op mocht slapen. Tegen de wand achter de divan was een prachtig gobelin wandkleed. En daarboven hing een schilderij. Daar stond Jezus op met een aantal schapen. Dat was het mooiste schilderij wat ik ooit gezien had. En het glansde altijd zo mooi vanwege de glazen plaat die ervoor zat.

Achter de divan was de deur naar de meisjeskamer zoals de slaapkamer van mijn tantes werd genoemd. De hele kamer stond vol met bedden. Er was nog maar een klein plekje vrij. En daar was de trap naar boven naar de jongenskamer. De jongenskamer was eigenlijk het achterste stuk van de zolder waar een kamer van gemaakt was. Het plafond was dan ook zowat helemaal schuin aan twee kanten. In de buitenmuur was een raam. Soms mocht ik oma helpen met het opmaken van de bedden. Dat was zwaar werk. 's Morgens moesten de bedden altijd een tijdje luchten om helemaal droog te worden. Dat was omdat de jongens 's nachts in bed hadden liggen zweten, zei oma. Maar als het andere werk in huis gedaan was hadden de bedden lang genoeg afgehaald gelegen. Ze moesten dan eerst opgeschud worden. De matras was net een groot kussen. Maar als je erop ging liggen pikte het nogal. Maar het rook wel heel speciaal, best lekker. Het rook hetzelfde als het droge gras van een hooiberg. Er zat stro in, zei oma, en het lag op houten planken in het bed. Het werd meestal elke dag omgedraaid, zodat de bovenkant onder kwam te liggen. Dan kwam daar het onderlaken overheen. Dan de kussens aan het hoofdeinde, dan het bovenlaken en daar bovenop de dekens. Er stonden twee grote tweepersoons bedden. Er was geen plaats voor een derde bed. Papa had verteld dat hij daar ook geslapen had toen hij nog niet getrouwd was. Als ik ging tellen: oom Harry, papa, oom Mies, oom Jan, oom Jos en dan ook nog oom Sjaak die in een concentratiekamp geweest was en gestorven was na de oorlog aan tbc. Maar papa vertelde dat je ook met drieën in zo'n bed paste. Maar ik denk dat je dan toch wel goed stil moest liggen. En de bedden in de meisjeskamer pikten gelukkig niet zo, al roken ze lang niet zo lekker. Die roken eigenlijk helemaal nergens naar.

Ik kan me herinneren dat mijn ooms en tantes een voor een trouwden. Oom Harry was al getrouwd met tante Riky en Gerard was bijna even oud als ik, en Jan van oom Harry was bijna even oud als mijn broer Jan. Maar op zekere dag trouwde oom Jan met tante Emma uit Meerveldhoven. Op die bruiloft voelde ik me niet zo erg thuis. Tante Toos was al getrouwd en woonde in het dorp. Maar de bruiloft van tante Nellie was heel speciaal. Het was prachtig weer buiten en wat zo heel speciaal was, was dat de mooie kamer mocht worden gebruikt. Zowel de gewone kamer als de mooie kamer stonden lange tafels met stoelen eromheen, en witte tafellakens daarop met allerlei lekkere dingen, en iedereen was zo vrolijk.

Ik had er ook een leuke oom bij gekregen. Zijn naam was oom Willie. Hij was een timmerman en hij was altijd vrolijk. Hij praatte alleen een beetje raar. Als wij het bijvoorbeeld hadden over uit en thuis, had hij het over uut en thuus. Maar toen ik daar een beetje aan gewend was kon ik hem best wel goed verstaan. Maar tante Nellie zou ver weg gaan wonen in de buurt van Nijmegen in Beek. Ik zag haar intussen toch al zo weinig en dan bijna nooit meer. Maar niemand vroeg hoe ik dat vond en ik zei maar niets. In de buurt van tante Toos en tante Nellie voelde ik me altijd heel prettig. En tante Toos verhuisde naar Bladel en tante Nellie naar Nijmegen. Ik voelde me heel eenzaam daaronder. Tante Annie was trouwens ook best aardig en tante Mien ook, maar een stuk van mijn wereld brokkelde af. Toen tante Annie trouwde had ze een hele mooie lichtblauwe jurk. Zo'n jurk zou ik ook willen als ik later trouwde. Niet dat donkere zwart of dat saaie wit, maar blauw, zoals tante Annie!

Een van de bijzondere dingen als ik bij opoe logeerde was dat ik zag hoe ze 's morgens haar haren kamde. Haar haar was donkerblond en er zat wat wit en grijs tussen. Het was ook heel dik en 's morgens als ze haar haren loshaalde zag je dat het zo lang was dat het een eind over haar middel kwam. Zulk lang haar had niemand anders in de hele wereld geloofde ik. Ze borstelde en kamde het 's morgens heel zorgvuldig in de keuken voor de spiegel, die schuin hing, zodat iedereen erin kon kijken. Als je groot was moest je dicht bij de spiegel staan en als je klein was moest je er verder vanaf gaan staan, maar iedereen kon zichzelf in de spiegel zien.

Door het borstelen en kammen leken haar haren steeds dikker te worden en het golfde helemaal, vooral onderaan. Als ze klaar was met kammen verdeelde ze het haar in drie grote strengen en maakte daarvan een dikke vlecht door elke streng om de beurt naar het midden te doen. Ze zorgde ervoor dat de vlecht heel stevig was en trok hem elke keer strak aan. Als de vlecht helemaal klaar was, was hij onderaan een stuk dunner dan waar hij begon. Op een of andere manier draaide opoe de vlecht in het rond achter op haar hoofd en ontstond er een knot achter op haar hoofd die ze vaststak met schuifspelden.

Zulk lang haar wilde ik ook, maar mama vond dat maar niets. Ze vond mij veel mooier met kort haar en een of twee mooie strikken in het haar, maar Trina en Corrie hadden ook lang haar en uiteindelijk zwichtte ze voor me. Maar het lange haar was ook niet alles. Het kostte mama veel tijd elke morgen om het uit te kammen en zelf was ik nog te klein om dat zelf te kunnen doen. Ik had intussen kleine vlechtjes gekregen, maar toen er luizen kwamen die er alsmaar uit gekamd moesten worden, moest mijn lange haar eraf. Ik stemde toe, met tegenzin, maar zag toen toch wel dat mama ook wel gelijk had.