Gedaanteverwisseling (bij insekten)

Ei – larve – pop – metamorfose

 

Na de paring gaat het wijfje van een insekt op zoek naar een geschikte plaats om haar eitjes af te zetten. Zo‘n geschikte plaats kan een bepaalde voedselplant zijn, maar evengoed rottend hout, een dood of zelfs een levend dier. Elke insektensoort heeft haar eigen voorkeur. Hoofdzaak is dat er straks voldoende voedsel is voor de larven die uit de eitjes kruipen. Bekende larven zijn die van vlinders. Deze hebben poten. We noemen ze rupsen. Sommige keversoorten, vliegen en vliesvleugelige insekten zoals wespen en bijen brengen pootloze larven voort. Het zijn zogenaamde maden. Met of zonder poten, alle larven genieten een geweldige eetlust en groeien meestal heel snel. Ze moeten daarvoor wel een groot aantai keren vervellen. Na verloop van tijd veranderen de larven in poppen. Daaruit komen tenslotte de volwassen insekten te voorschijn. Zo‘n ontwikkeling van ei naar volwassen dier duiden we aan met het woord "gedaanteverwisseling" of metamorfose. Bij sommige insektensoorten is de gedaanteverwisseling niet helemaal volledig. De pop ontbreekt. Bij libellen en sprinkhanen is dat bijv. zo. De larven van deze insekten lijken al een beetje op hun ouders. Na iedere vervelling wordt de gelijkenis groter. Alleen de vleugels ontbreken nog,die verschijnen bij de laatste vervelling. Zuike larven noemen wo "nimfen".