Naaktzadigen

 

Kegel – coniferen

De naaktzadigen vormen een grote groep planten
met duidelijke kenmerken. Alle naaktzadigen hebben een houtige stengel.
Het zijn dus bomen of struiken.
De bladeren hebben een afwijkende vorm.
Sommige zijn lang en smal en worden ,,naalden‘‘ genoemd.

                                                                                                                                                      kegel van de larix                                                            

Andere lijken meer op schubben. Naaktzadigen zijn steeds eenslachtig.
Dat wil zeggen dat de plant aparte stuifmeel- en stamperbloemen draagt. Het stuifmeel wordt door de wind verspreid.
De stamperbloemen groeien na de bevruchting uit tot kegels bijv. denappels.
Ook deze kegels worden houtig. In feite bestaan ze uit een aantal schubben die op een spil staan.
In de oksels van de schubben rijpen de zaden. Ze worden door niets bedekt.
Ook niet , zoals bij andere bloemplanten, door een vruchtbeginsel. Ze zijn ,,naakt‘‘. Vandaar de naam naaktzadigen.
 
Ongeveer anderhalf jaar na de bevruchting zijn de zaden rijp.
De kegelschubben gaan open en het zaad, dat een vleugeltje draagt, kan door de wind worden verspreid.
Deze kegeldragende bomen noemen we coniferen. Het zijn bijna allemaal naaldbomen.
De bekendste in ons land zijn: de grove den , de spar en de larix.
Enkele naaktzadigen vormen geen kegels, maar vruchten die op bessen lijken.
In die gevallen zorgen vogels voor de verspreiding van de zaden.
De taxus en de jeneverbes zijn zulke soorten.