Naaktzadigen

Kegel – coniferen
De
naaktzadigen vormen een grote groep planten
- met duidelijke kenmerken. Alle naaktzadigen hebben een houtige stengel.
- Het zijn dus bomen of struiken.
- De bladeren hebben een afwijkende vorm.
- Sommige zijn lang en smal en worden ,,naalden‘‘ genoemd.
kegel van de larix
- Andere lijken meer op schubben. Naaktzadigen zijn steeds eenslachtig.
- Dat wil zeggen dat de plant aparte stuifmeel- en stamperbloemen draagt.
Het stuifmeel wordt door de wind verspreid.
- De stamperbloemen groeien na de bevruchting uit tot kegels bijv. denappels.
- Ook deze kegels worden houtig. In feite bestaan ze uit een aantal schubben
die op een spil staan.
- In de oksels van de schubben rijpen de zaden. Ze worden door niets bedekt.
- Ook niet , zoals bij andere bloemplanten, door een vruchtbeginsel. Ze zijn
,,naakt‘‘. Vandaar de naam naaktzadigen.
-
- Ongeveer anderhalf jaar na de bevruchting zijn de zaden rijp.
- De kegelschubben gaan open en het zaad, dat een vleugeltje draagt, kan
door de wind worden verspreid.
- Deze kegeldragende bomen noemen we coniferen. Het zijn bijna allemaal
naaldbomen.
- De bekendste in ons land zijn: de grove den , de spar en de larix.
- Enkele naaktzadigen vormen geen kegels, maar vruchten die op bessen lijken.
- In die gevallen zorgen vogels voor de verspreiding van de zaden.
- De taxus en de jeneverbes zijn zulke soorten.