Een vijand voerde de storm aan

Zoals hoogmoed aan de val voorafgaat
Zo nam hij zijn plaats in voor de vurige muur
Van dissonante koren wiens geloof in één leider
Samenkwam in deze spookverschijning wiens lot zweefde

Tussen vergeving en de aangerichte schade

Een elektrische parfum over somber verval
Verleende een gewelddadige opwelling aan hun serenaden...
Doorheen witte woudheiligdommen terwijl zijn gevleugelde parade
Zich boog om een schaduwspel op te voeren en om domme messen te slijpen

In de onmetelijke hemelen ongeschoold in zuiverheid
Groeide zijn macht
En maakte hij lichtschakeringen grijs...
En erger nog, een derde van de sterrren in duisternis

Toen kolkte de donder
En kronkelde in de dikker wordende nacht
Een lijn werd getrokken tussen goed en fout
En over de kelen van dieven

Terwijl liefde werd verstikt, brak de storm uit
Vanuit de verste kust van de Hemel
Neerdalend om alle hoop uit te vagen
Enkel berouw kon de heilige oorlog nog voorkomen

Hij wou echter niet knielen of een buiging faken
Maar prevelde vervloekingen naar de wind
In woede ontstoken, ging hij tekeer met gehuil als van een Balrog
Onder een storm waarin de zonde geboren werd

Opnieuw opgehitst braken rebellieën
Als waanzinnige roofdieren
Door tempeldeuren...
Naar het oosten geworpen voor de middernacht missen

En waar ooit gelukzaligheid zo verheven heerste
In zoetere woudheiligdommen
Vloeiden aders nu openlijk...
Als ogen die wegkijken van verwante assen

Toen ineens
Scheen er een vreselijk licht
En een stem als drie waanzinnigheden
Verhief zich in een vlammende speech...

"Je hebt haat verwekt waar er eerst geen was
En voor deze zware fout
Ben je van je voetstuk getuimeld Morgenzon
De hoogmoedigen zullen vernederd worden"

Hij wou echter niet knielen noch een buiging faken
Maar fluisterde vervloekingen naar de wind
En zie! de toorn van God brak los...

"Jij bent niet langer een engel vervuld
Van licht, maar een verachtelijke bloedzuiger
En je zal mijn brandende wil ondergaan"...
Maar de raaf antwoordde: "Nooit"

Nooit!

En met deze woorden als zware stenen
Geuit tegen die vergulde troon
Met vele legioenen achter de hand
Draaide hij zijn vleugels om te vluchten
Zijn ogen een toonbeeld van afkeer
Tot tranen bewogen en in hun plaats
De dageraad van de tijd en het te dragen lot
Tot in eeuwigheid...

Ik weende voor hem een dieprode rivier
Die als blood door beschramde ravijnen liep
Om de schuld te laten wegvloeien die toen
Als een slangentong naar Eva gleed
Want eens toen ik, in de Hemel geklommen
Te hoog voor de waarheid waarlijk te zien
Zag mijn gezonken geest, dronken en blind
De leugen; Wat een dwaas was ik geweest...

Alleen en koud, gezicht nog naar de kloof gewend
Voorbij de duistere poorten waar geen weg terug was
Zijn gouden kroon vervaagt tot zwart
Als een wond op het hart die niet weggaat

Met kickmoordcultuurschokgolflengtes
Van koord om de tien geboden
Hoog mee op te hangen...
Gekronkeld rond zijn geheven vingers


©Joeri W.