Waar zit niet overal leven... In de GFT-bak bijvoorbeeld. Tussen de rottende etensresten scharrelt van alles rond. En als je etensresten in een onbewaakt ogenblik 'ergens anders' te lang laat staan om daar vervolgens je licht op te laten schijnen, dan kun je dat leven onder een microscoop zichtbaar maken. Pantoffeldiertjes bijvoorbeeld kun je in een glazen schaaltje onder een microscoop laten scharrelen.
Eerst willen ze dat niet, maar zodra er licht in valt, komen ze in beweging. Want licht vinden ze wel leuk. Merkwaardig eigenlijk, want deze eencellige diertjes hebben geen ogen. Ook geen hersens trouwens. 200 micron lang en zo'n 40 breed; groter zijn ze niet. Zwemmen kunnen ze goed en snel. Met hun duizenden zweepharen slaan ze zich door het water. Die haren staan in regelmatige rijen schuin over het lichaam. In een regelmatige cadans worden ze bewogen om vooruit en achteruit te komen. Eén keer ergens tegenaan botsen vinden ze wel genoeg. Altijd rechtsom draaiend vermijden ze een volgende keer een bekend obstakel. Ze leven van bacteriën die via een mond in voedselvacuolen worden gezogen. Daarna - zou je bijna zeggen - kunnen ze zich voortplanten. Dat gebeurt door deling. Of geslachtelijk door het uitwisselen van 'gegevens' ofte wel cel-inhoud en stukjes celkern. |
|