Hoe John zijn collega vermoordde met behulp van een cup-a-soup machine

John had eindelijk even pauze. Het was vier uur. Tijd voor cup-a-soup dacht hij, terwijl hij in zichzelf lachte. Nee dus. Als hij ergens een hekel aan had, was het wel soep, ook al was het van die onechte soep. Nee, hij gaf de voorkeur aan een lekkere kop koffie en een stukje ontbijtkoek, dat vond hij pas echt genieten. Hij had vaak genoeg opmerkingen gehoord over zijn voorkeur voor ontbijtkoek. Blijkbaar konden zijn collega’s het niet waarderen, dat hij er andere eetgewoontes op nahield tijdens de pauze. Ontbijtkoek! In de middag nog wel! Dat kan toch niet. Ja, die collega’s van hem, die hebben toch moeilijke levens, dacht John.

John werkte op een standaard kantoor, een baan van negen tot vijf, met de nodige stress standaard bijgeleverd. Hij had vele opdrachten nog af te ronden en het leek allemaal weer eens niet te lukken. Het was gewoonweg te veel om allemaal in te voeren in de computer, schema’s te maken, berekeningen te maken en drie keer controleren, dan weer die opbellen en dan weer die, afspraken maken om te vergaderen, afspraken vergeten, belangrijke opdrachten mislopen, schulden oplopen en het net op het nippertje nog allemaal kunnen redden, zodat je weer terug bij af bent. Dit was wat John dagelijks deed, het was waar hij voor leefde. Verder had hij niets. Hij was niet getrouwd (wat zijn collega’s ook al zo vreemd vonden (hij was toch best een aantrekkelijke man)), leefde in een flatje in een verschrikkelijke buurt en had nooit tijd om leuke dingen te doen, zelfs niet in het weekend. In het weekend was hij altijd druk bezig met het redden van verloren opdrachten. Hij zat dan uren aan de telefoon met de gekste voorstellen, allemaal om zoveel mogelijk geld binnen te houden. Geld voor zijn baas.

John zat in de kantine. Het was rustig, altijd. De meeste collega’s gingen buiten een peukje roken. John was één van de weinigen die niet rookte. Hij had het nooit geprobeerd en het leek hem ook niets. Hij werd al kotsmisselijk als hij per ongeluk de rook van iemand anders inademde. John sipte aan zijn koffie en nam een hapje van zijn stukje ontbijtkoek. Hij bracht het kopje weer naar zijn mond, maar morste, omdat hij schrok van een stem: “Heee, Johnnyboy!!!!”. John brandde zijn mond aan de koffie en morste op zijn broek. De broek absorbeerde de gloeiendhete koffie en John deed zijn best om niet te gillen. Hij stond op en probeerde de lap stof van zijn broek van zijn been af te houden, maar omdat te broek te strak zat, lukte het niet en liep hij een zeer lichte beenverbranding op. Het kopje had hij laten vallen. Op de vloer lag een bruine vlek. “Dank je vriendelijk,” zei John. “Hey, sorry jongen, mijn fout. Laat me je een nieuwe kop aanbieden.” “Graag” zei John, zonder veel enthousiasme in zijn stem.

Wat had hij toch een hekel aan die man, die Robin Rost. Rost was echt het prototype van een kontlikker, dacht John. Hij deed alles om ervoor te zorgen dat de baas hem mocht. Het vervelende was, dat hem dat ook altijd lukte. Hij kreeg het voor elkaar om net iets meer te verdienen dan John, net iets meer opdrachten te krijgen en net iets aardiger gevonden te worden door de baas. Dat was op zich niet zo erg, dacht John. Alleen jammer dat hij zo’n ongelooflijk arrogante kop heeft. Hij doet net alsof hij mij heel graag mag, maar eigenlijk is hij niets meer dan een schijnheilige, achterbakse kneus. Op de middelbare school zou iedereen zich ergeren aan figuren als hij, maar op kantoor werd achterbaksheid schijnbaar gewaardeerd. “Hier heb je een heerlijk nieuw kopje koffie,” zei Rost, toen hij teruggekomen was. Er zat melk in de koffie.

John wilde geen melk in de koffie.

Rost wist dat.

Dat wist John zeker

John voelde een zekere soort van agressie in zich opkomen. Rustig blijven, zei hij in zichzelf. “Dank je wel, hoor Robin,” zei John op een vriendelijke toon. John begon aan zijn koffie te sippen, maar het sippen was deze keer een stuk minder genieten. Dat kwam uiteraard door de melk die door de koffie vermengd zat. Hij deed het er gewoon om. Hij doet alles om mij een hak te zetten, omdat hij weet dat hij met alles goed weg komt en dat ik altijd in de problemen kom met alles, dacht John. Wat zal hij nu weer doen om mij te irriteren.

Rost ging tegenover John zitten. Beiden zeiden ze een paar minuten lang helemaal niks. John keek met een lang gezicht vooruit en Rost keek vrolijk. Té vrolijk, dacht John. Hij is zeker weer iets aan het bedenken. Hij wil vast weer iets uithalen. Hij gaat iets doen waarvan hij weet dat ik het niet waardeer. Ik voel het gewoon. John begon te zweten. Hij zat in spanning op zijn stoel. Ik weet het gewoon zeker, dacht hij. Rost zat nog steeds vrolijk te kijken. Opeens begon hij te lachen. “Zeg, die… die opdracht met van Kanen, over die uitgeverij, die had je toch verprutst?” begon hij. Mooi, nu gaat hij me dus zwart maken, dacht John. “Hèhè, ja dat kan je wel zeggen ja,” antwoordde John lacherig, alsof hij er om kon lachen. Hij had zich er twee weken voor uit de naad gewerkt. “Het is maar dat ik de boel toch maar even gered heb, met mijn voorstellen, vind je niet. De baas vind van wel.” “De baas vind van wel” herhaalde John in zijn hoofd op een kinderachtige toon. Arrogante bal dat ie is. John antwoordde maar niet. Rost keek hem aan en lachte nog een keer. Toen keek hij weg. Het leek of hij aan het nadenken was. Toen greep hij naar zijn broekzak en pakte een pakje sigaretten eruit. Ik wist het, dacht John. Hij weet godverdomme dat ik niet van roken houd. Rost stak de sigaret aan. Hij glimlachte naar John. John lachte terug. Leuk hoor, dacht hij. Wacht jij maar. Jij zal nog eens wat meemaken. John keek rond. Hij zag de cup-a-soup machine staan. Daarnaast was een afvoer, vrij diep en vrij lang en breed. John vroeg zich af of de cup-a-soup machine er in zou passen. Hij liep er naartoe een vergeleek de grootten. Ja, het zou erin passen. John rukte de stekker van de machine uit het stopcontact. Hij begon vreemd te giechelen. Hij probeerde de machine op te dragen. Niet te zwaar dacht hij. Hij stopte de stop van de afvoer in de afvoer. Toen riep hij Rost erbij. “Rost, moet je eens kijken naar al die aanslag in deze afvoer.” Verbaasd stond Rost op en liep richting John. Rost keek erin. John haalde zijn vinger over de bodem van de afvoer heen en liep hem het vuil zien dat achterbleef op zijn vinger. Rost herhaalde wat John deed. Hij stopte zijn hand in de wasbak. Op dat moment duwde John de cup-a-soup machine de wasbak in, boven op de hand van Rost. Rost slaakte een kreet en begon gelijk te zweten. Hij zat met zijn hand vast onder de machine. “Wat doe je in godsnaam, John. Haal dat ding weg.” John zei niks en keek geamuseerd toe. Rost keek angstig naar John. “Ben je gek geworden of zo?” John liep weg. Rost probeerde zijn hand los te rukken, maar kreeg het onder de machine vandaan. John liep naar een klein radio’tje wat op de vensterbank stond. Hij pakte het op en liep terug naar Rost. Hij stopte de stekker van het radio’tje in het stopcontact waar eerst de stekker van de machine in zat. Toen draaide hij de kraan boven de afvoer open. “Waar ben je in godsnaam mee bezig, Johnny?” vroeg Rost. “Noem me geen Johnny,” zei John. John liet de bak helemaal vol lopen met water. Hij begon weer te giechelen. “Je weet dat ik niet van rokers houd, Rost,” Rost keek op. “En ik houd ook niet van koffie met melk. Maar jij weet me met beiden te ergeren. Bravo, Rost” John klapte in zijn handen en lachte heel hard. Rost begreep er niets van. John pakte het radio’tje. Rost’s ogen werden groot. Hij keek angstig naar de radio. “Nee, John, dat meen je niet,” stamelde hij. Hij begon sneller te ademen. “Dit kun je niet menen. Je bent gek.” “Ja,” zei John. “maar ik ben geen schijnheilige kontlikker, die te arrogant is om aan zijn medemens te denken.” “Wat bazel je?” vroeg Rost. “Kop dicht,” zei John. Hij bracht het radio’tje dichterbij de wasbak. “Ik heb altijd al een hekel aan je gehad, Rost!” zei John. “JOHN, NEE!!!!” schreeuwde Rost. Rost’s lichaam verstijfde zodra de radio het water aanraakte. Hij trilde helemaal en er leek rook uit zijn hoofd te komen. Zijn ogen waren groot, zond mond wijd open. Toen verslapte hij ineens en hing half over de rand van de wasbak met zijn arm. John lachte hardop. Hij hield ineens een stuk meer van cup-a-soup. Hij besloot zijn opdracht nog even af te maken en dan maar eens naar huis toe te gaan. Het was vrijdag, dus het was bijna weekend. Kon hij weer lekker telefoneren. Hij keer er al naar uit.