Terug naar overzicht

WP 21 Gewone fouten

WP 21.1
Het is een gewone fout om een van de navolgende overtredingen te begaan (WP 21.1 t/m WP 21.18). Dit wordt bestraft met een vrije worp voor de tegenpartij, te nemen door één van hun spelers vanaf de plaats waar de fout werd begaan.

Wanneer de bal verder verwijderd is van het doel van de verdedigende ploeg, wordt de vrije worp genomen vanaf de plaats waar zich de bal bevindt. Wanneer de fout door een verdedigende speler binnen zijn twee-metergebied is begaan, wordt de vrije worp genomen vanaf de twee-meterlijn tegenover de plaats waar het voorval plaatsvond.

[ Opmerking: De scheidsrechters fluiten overeenkomstig de spelregels voor gewone fouten om de aanvallende ploeg zo een voordeelsituatie te laten verwerven. Echter, de scheidsrechters moeten daarbij letten op de bijzondere omstandigheden als genoemd in WP 9.3 (voordeel)]

WP 21.2
Het te vroeg uitzwemmen bij het begin en herbegin van een speelperiode, voordat de scheidsrechter het beginsignaal heeft gegeven.

WP 21.3
Het helpen van een speler bij het begin, een herbegin of op elk ander moment gedurende het spel.

WP 21.4
Het zich vasthouden aan of zich afzetten van de doelpalen of hun bevestigingen. Het, behalve bij het begin van een speelperiode, steunen op of zich vasthouden aan of zich afzetten van de zijkanten of uiteinden van het zwembad tijdens werkelijk spel.

WP 21.5
Het actief deelnemen aan het spel staande op de bodem van het bad, lopen als het spel aan de gang is of springen van de bodem van het bad om de bal te spelen of een tegenstander aan te vallen. Deze spelregel is niet van toepassing op de doelverdediger binnen zijn 4-metergebied.

WP 21.6 Het volledig onder water duwen of houden van de bal wanneer men aangevallen wordt.

[Opmerking: Het is een gewone fout de bal onder water te duwen of te houden als men aangevallen wordt, zelfs als de hand van de speler die de bal vasthoudt met de bal onder water wordt geduwd bij een aanval van de tegenstander (fig.3). Het maakt daarbij geen verschil of de bal onder water verdwijnt tegen zijn wil. Wat van belang is, is dat de fout wordt toegekend tegen die speler die de bal houdt op het moment dat de bal onder water geduwd werd. Het is belangrijk eraan te denken dat de overtreding alleen dan optreedt als de speler de bal onder water duwt als hij wordt aangevallen. Dus, indien de doelverdediger hoog uit het water komt om een schot te stoppen en dan, al terugzakkend, de bal voor een ogenblik onder water duwt, begaat hij geen overtreding; maar indien hij, aangevallen door een tegenstander, de bal onder water blijft houden dan pleegt hij wel inbreuk op deze spelregel en als zijn handelingen een vermoedelijk doelpunt voorkomen, moet een strafworp worden toegekend overeenkomstig WP 23.2.]


Fig. 3

WP 21.7
Het stompen van de bal met gebalde vuist. Deze spelregel is niet van toepassing op de doelverdediger binnen zijn eigen 4-metergebied.

WP 21.8
Het met twee handen tegelijkertijd spelen of aanraken van de bal. Deze spelregel is niet van toepassing op de doelverdediger binnen zijn eigen 4-metergebied.

WP 21.9
Het hinderen of op een andere manier de bewegingsvrijheid van een tegenstander die de bal niet houdt belemmeren, daarbij inbegrepen het zwemmen op de schouders, rug of benen van een tegenstander. "Houden" betekent het opnemen, vasthouden of aanraken van de bal, maar het opzwemmen(dribbelen) met de bal wordt niet als houden beschouwd.

[Opmerking: De eerste afweging die de scheidsrechter moet maken is of de tegenstander de bal houdt. Als dat het geval is, kan de speler die aanvalt niet bestraft worden voor "hinderen". Het is duidelijk dat de speler de bal "houdt" als hij deze boven water uittilt (fig. 4).


Fig. 4

De speler houdt ook de bal als hij opzwemt met de bal in zijn hand of de op het wateroppervlak drijvende bal aanraakt (fig. 5).


Fig. 5

Met de bal opzwemmen (dribbelen), als getoond in fig. 6 wordt niet als "de bal houden" beschouwd.


Fig. 6

Een gebruikelijke manier van hinderen is wanneer een speler kruiselings over de benen van zijn tegenstander zwemt (fig.7), om zodoende het bewegingstempo te verminderen en een normale beenactie te bemoeilijken.


Fig. 7

Een andere vorm is om op de schouders van de tegenstander te zwemmen. Er moet op gelet worden dat de fout "hinderen" ook kan worden begaan door een speler die in balbezit is. Fig. 8 toont bijvoorbeeld een speler, die een hand op de bal houdt terwijl hij tracht zijn tegenstander van zich af te duwen om daardoor meer ruimte voor zichzelf te scheppen.


Fig. 8

Fig. 9 toont een speler die in balbezit is terwijl hij zijn tegenstander hindert door hem weg te duwen met zijn hoofd.


Fig. 9

Oplettendheid wordt gevraagd bij situaties als afgebeeld in fig. 8 en fig. 9 omdat elke heftige beweging door een speler die in balbezit is kan uitmonden in slaan of zelfs grof optreden. De afgebeelde figuren zijn bedoeld ter illustratie van het hinderen zonder enige heftige beweging.

Een speler kan zelfs de overtreding "hinderen" begaan als hij de bal niet houdt of aanraakt. Fig. 10 toont een speler die met zijn lichaam en zijn armen wijd gespreid bewust zijn tegenstander blokkeert, om zodoende het bereiken van de bal onmogelijk te maken. Deze overtreding wordt vaak begaan bij de speelveldbegrenzingen.]


Fig. 10

WP 21.10
Het wegduwen van of zich afzetten van een tegenstander.

[Opmerking: Wegduwen kan op diverse manieren gebeuren, inbegrepen die met de hand (fig 11) of met de voet (fig 12).

"met de hand"


Fig. 11

" met de voet "


Fig. 12

In de gevallen als afgebeeld bestaat de straf uit een vrije worp voor een gewone fout. Niettemin moeten scheidsrechters oplettend zijn om goed verschil te maken tussen het wegduwen met de voet en het trappen waarvoor dan een uitsluitingsfout geldt of zelfs grof optreden. Als de voet al contact maakt met de tegenstander als de actie begint, zal dat meestal wegduwen zijn, maar als de actie begint voordat er een dergelijk contact is dan moet dit in het algemeen worden beoordeeld als trappen.]

WP 21.11
Het door een speler van de ploeg die in balbezit is, begaan van een overtreding als genoemd in WP 21.9 (een tegenstander hinderen/belemmeren) of WP 21.10 (wegduwen of zich afzetten van een tegenstander) voordat een vrije worp, doelworp of hoekworp is genomen.

WP 21.12
Het zich ophouden in het twee-metergebied van de tegenpartij, tenzij achter de ballijn. Het is geen overtreding indien de speler de bal in het twee-metergebied brengt en dan plaatst naar een andere speler die zich achter de ballijn bevindt en deze onmiddellijk op doel schiet, voordat de eerste speler in staat is het twee-metergebied te verlaten.

[ Opmerking: Als de speler die wordt aangespeeld niet op doel schiet, moet de speler die de bal plaatste onmiddellijk het twee-metergebied verlaten om te voorkomen dat hij overeenkomstig deze regel wordt bestraft.]

WP 21.13
Het nemen van een strafworp anders dan op de voorgeschreven manier.

[Opmerking: Voor de manier waarop een strafworp genomen moet worden zie WP 24.4]

WP 21.14
Het onnodig tijd verspillen bij het nemen van een vrije worp, doelworp of hoekworp.

[Opmerking: Zie de opmerking bij WP 17.2]

WP 21.15
Het zich over de middenlijn begeven of de bal daar aanraken door de doelverdediger.

WP 21.16
Het verspillen van tijd.

[Opmerking: Het is een scheidsrechter altijd geoorloofd om volgens deze spelregel te fluiten voor een gewone fout voordat de periode van 35 seconden balbezit is afgelopen.

Als de doelverdediger de enige speler van zijn ploeg is op zijn eigen speelhelft, verspilt hij tijd als hij de bal krijgt aangespeeld door een medespeler van zijn ploeg die zich op de andere helft van het speelveld bevindt.

Tijdens de laatste minuut moeten de scheidsrechters ervan overtuigd te zijn dat er bewust tijd verspild wordt, alvorens deze spelregel toe te passen.]

WP 21.17
Het door een ploeg gedurende meer dan 35 seconden werkelijk spel balbezit houden, zonder op het doel van de tegenpartij te schieten. De tijdopnemer die de tijdsduur van het balbezit bijhoudt zet de tijd terug:

(a) als de bal de hand heeft verlaten van de speler die op doel schiet. Indien de bal terugspringt van de doelpaal, dwarslat of de doelverdediger, begint de tijdsduur van het balbezit niet voordat een van de ploegen weer in balbezit komt;

(b) als de tegenpartij in balbezit komt. "Balbezit" betekent niet het door een tegenstander louter in de vlucht aanraken van de bal;

(c) als de bal in het spel gebracht is als vervolg op het geven van een uitsluitingsfout, strafworpfout, doelworp, hoekworp of neutrale inworp.

Zichtbare klokken geven op aflopende wijze de tijd aan (de tijd van balbezit die nog rest).

(KNZB-nr. 20 : Bij een terugspringende bal als bedoeld in WP 21.17 (a) zet de tijdopnemer de klok terug op het moment van terugspringen en daarna opnieuw zodra een speler de bal bewust aanraakt)

(KNZB-nr. 21 : Zichtbare klokken zijn alleen verplicht in klassen genoemd in E 9. Overigens wordt geadviseerd deze klokken indien mogelijk ook bij andere wedstrijden toe te passen.)

[Opmerking: De tijdopnemer en de scheidsrechters moeten vaststellen of het een schot op doel betrof of niet, maar de eindbeslissing berust bij de scheidsrechters.]

WP 21.18
Het over de zijlijn gooien van de bal, waaronder tevens begrepen het gooien van de bal die terugstuit van de zijkanten van het bad boven de waterspiegel.