Voorkennis


Als je in het woordenboek kijkt onder het woord "cabaret"dan vindt je dit: Kleinkunstvorm met sketches, conferences en chansons waarbij op satarisch-humoristische wijze politieke of actuele gebeurtenissen bekritiseerd worden.  cabaret (Fr., v. Arab. chamarat = wijnhuis), oorspronkelijk de Franse aanduiding voor (kunst)kroeg, later de algemeen gebruikte term voor professionele, literair-muzikale theateramusementskunst, waarvan de realistische en/of romantische inhoud het best tot zijn recht komt in een eigen omgeving voor een intelligent publiek. Het cabaret is in 1881 te Parijs ontstaan uit een letterkundige beweging waarin de schrijver Emile Goudeau en Rodolphe Salis elkaar op Montmartre hebben gevonden. Door het (tegen betaling) mogelijk maken om naar artistieke bijeenkomsten in besloten clubverband te gaan, deed Salis een nieuwe kunstvorm ontstaan die zich afzette tegen de massale amusementsindustrie: bohème tegen bourgeoisie. De eerste 'openbare kunstkroeg' was 'Le Chat Noir', en het gelijknamige lied dat de chansonnier Aristide Bruant  aan Salis heeft opgedragen, kan worden beschouwd als het lijflied van alle cabarets die daarna naar Frans voorbeeld zijn ontstaan. Door de jaren heen hebben zich steeds weer twee stromingen geopenbaard: de realistische en de romantische. Uit de aard der zaak speelden in de toneelstukken ook politieke meningen een rol, maar zelfs in Duitsland, waar vooral het politieke cabaret tot bloei was gekomen, bestond in de jaren dertig naast het realistische cabaret van Erika Mann het romantische cabaret van Rudolf Nelson. Van het begin af onderscheidde het cabaret zich duidelijk van de andere amusementsvormen (zoals revue, variété, café-chantant, caféconcert, music-hall), waartoe nieuwe begrippen werden ingevoerd als kleinkunst, kleintoneel, levenslied, intieme kunstavond, zangdeclamatie en dichter-zanger.  Nederland:  Eduard Jacobs  was de eerste echte cabaretier in Nederland, maar artistiek gezien is hij veeleer een importeur van het Franse cabaret dan een pionier van het Nederlandse. Het grootste deel van zijn toneelstukken was uit het Frans vertaald of door zijn anonieme lijfdichter Martin Liket  geschreven. Een wezenlijke pionier was Koos Speenhoff, wiens werk van 1902 tot 1920 baanbrekend is geweest voor het Nederlandse cabaret. Uit die beginjaren komt evenwel de ex-journalist Jean-Louis Pisuisse als de invloedrijkste figuur naar voren; zijn veelzijdige kwaliteiten als zanger, conferencier, auteur, regisseur en talentenontdekker hebben de grondslag gelegd voor het moderne, geëmancipeerde cabaret. Na de vroege dood van Pisuisse vertoonde de Nederlandse cabaretkunst een ernstige inzinking. In de jaren dertig was een kleinkunstenaar niets anders dan een vrolijk-maar-beschaafde humorist-conferencier, die met een-liedje-en-een-praatje triomfen vierde bij het grote publiek en nooit vergat het levenslied te eren: Lou Bandy, Willy Derby en Kees Pruis stonden aan de top. Van de cabaretartiesten die in deze jaren toch nog geprobeerd hebben om in dancings, variétéprogramma's en in de voorprogramma's van de bioscopen de echte kleinkunst hoog te houden, moet de dichter-zanger-conferencier Alex de Haas met ere worden genoemd. De enige man die hoop gaf op betere tijden voor het cabaret was Louis Davids, de populaire revuekomiek die van 1931 tot 1938 de Pisuissetraditie voortzette. Zijn metamorfose van komiek tot cabaretier was voornamelijk te danken aan de intensieve samenwerking met een auteur die anoniem al het cabaretmateriaal voor Davids heeft geschreven: Jacques van Tol. Net als Pisuisse heeft ook Davids voor zijn programma's veel nieuwe artiesten uit binnen- en buitenland geëngageerd, zoals het Berlijnse Nelson-Cabaret met o.a. Dora Paulsen, en het jonge ABC-cabaret van Corry Vonk en Wim Kan. Wim Sonneveld maakte bij hem zijn debuut, terwijl Cor Lemaire bij Davids zijn naam vestigde als begeleider en componist. Beïnvloed door de Louis-Davidsstijl, gestimuleerd door de chansons van Charles Trenet en sterk geïnspireerd door de realistische en romantische verrichtingen van de Duitse emigrantencabarets, hebben Wim Kan, Wim Sonneveld en de schrijfster Annie M.G. Schmidt het Nederlandse cabaret een nieuw gezicht gegeven, volwassener, natuurlijker en intelligenter dan men sinds de dood van Pisuisse gewend was geweest. Ook de dichter-zanger Jules de Corte heeft ertoe bijgedragen dat het niveau van het Nederlandse cabaretlied aanzienlijk werd opgetrokken. Hoewel de vaak als 'cabaretier' bestempeldeToon Hermans in 1942 op cabaretachtige wijze begon en, in de jaren vijftig, ook enkele cabareteske experimenten heeft ondernomen, ontwikkelde hij zich ten slotte tot een moderne volkshumorist, die met zijn soloprogramma's de traditie van de grote komieken Buziau, Bandy en Davids op een zeer persoonlijke manier voortzette. Op 15 aug. 1936 begon in het Leidsepleintheater in Amsterdam een nieuwe periode in de geschiedenis van het Nederlandse cabaret met de première van de ABC-cabaretrevue Daar zit muziek in,  met het echtpaar Wim Kan en Corry Vonk. Kan, die na 1954 uitgroeide tot een nationale figuur, ging in 1970 over tot een eenmansprogramma. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam een tweede belangrijk ensemble tot bloei: het Cabaret Wim Sonneveld, dat van 1943 tot 1959 actief is geweest. Opvallend was Sonnevelds unieke samenwerking met Conny Stuart, die zich onder zijn leiding ontwikkelde van radiozangeresje tot allround cabaretière. Wim Sonneveld was zestien jaar lang een typische vertegenwoordiger van het gerichte, kunstzinnige cabaret, waarbij vooral in de begintijd de poëtische en lyrische elementen de boventoon voerden. Naast de cabarets van Kan en Sonneveld ontstonden vele andere groeperingen die naar vorm en inhoud de klassieke idealen hebben nagestreefd: Cabaret Chiel de Boer, Cabaret Carl Tobi en Cabaret Cor Ruys.. In het begin van de jaren vijftig begon men zich zorgen te maken over de 'opvolging'; de hegemonie van Kan en Sonneveld werd immers alleen tijdelijk doorbroken. Hierin kwam binnen enkele jaren verandering: in 1957 begon het Tingel-Tangel-Cabaret van Marijke en Sieto Hoving; in 1958 startte Eric Herfst zijn Lurelei-experimenten en in 1959 besloot de journalist Jaap van de Merwe een cabaretensemble op te richten. Deze drie groeperingen hadden met het Utrechtse Studenten Cabaret alleen gemeen dat hun programma's zich afspeelden in een intieme ruimte voor een select publiek; hun duidelijke politieke en sociale gerichtheid leverde een nieuw, kritisch geluid op dat het studentengezelschap niet had geambieerd. Maar de jaren zestig vróegen om zo'n geluid. Sieto Hoving was de pionier van de nieuwe stroming, die in wezen een terugkeer betekende naar de oude formule. Voor alle groepen uit deze periode was Lurelei met cabaretière Jasperina de Jong en auteur Guus Vleugel toonaangevend. De cabaretactiviteiten van de getuigende kunstenaar Jaap van de Merwe hebben zich beperkt tot een aantal kortstondige producties tussen 1959 en 1970, waarbij zijn teksten het wonnen van zijn uitvoering. Naast Tingel-Tangel, Lurelei en het cabaret-Van de Merwe ontstonden in de jaren zestig drie totaal anders gerichte groepen: PePijn, Shaffy Chantant en Cabaret Harlekijn . Waren de eerste drie overwegend realistisch en taboedoorbrekend van aard, de laatste drie hadden een meer romantisch karakter. Cabaret PePijn, met Liselore Gerritsen en Paul van Vliet, naar vorm geïnspireerd door Tingel-Tangel, had naar inhoud een duidelijk 'Haags' accent, hetgeen overigens een nationale populariteit niet in de weg heeft gestaan. De acteur-zanger Ramses Shaffy wist met zijn cabaretensemble 'Shaffy Chantant' in 1964 een wezenlijk artistieke daad te stellen; samen met o.a. Liesbeth List. In deze 'Shaffysfeer' ontplooide zich een volstrekt oorspronkelijk theatertalent: Herman van Veen met zijn Cabaret Chantant Harlekijn. Twee andere solisten kwamen uit een religieus milieu: Fons Jansen en Seth Gaaikema, die beiden in 1964 het cabaret als beroep kozen en daarin opmerkelijke prestaties leverden. De entertainer Henk Elsink heeft in zijn restaurant 'De Koopermoolen' van 1964 tot 1974 veel cabareteske gerechten geserveerd. De jaren zestig werden ten slotte afgerond door de N.V. Spot van de voormalige Lureleidiscipelen Gerard Cox en Frans Halsema , met veel materiaal van de auteur Michel van der Plas. In 1977 begonnen zij ieder een eigen soloshow
. Rond 1970 begon het duidelijk te worden dat de cabarethausse uit de jaren zestig aan het tanen was ten gunste van de 'showbusiness'. Men zou kunnen stellen dat er tussen deze beide uitersten een huwelijk werd gesloten: de cabaretshow waarin artistieke business wordt bedreven. Maar tegelijkertijd meldden zich weer nieuwe groepen en solisten die hoop gaven voor de voortzetting van het échte cabaret: Freek de Jonge en Bram Vermeulen, Don Quishocking, Cabaret Ivo de Wijs, Tekstpierement, Vrouwencabaret, Honoloeloe, Marjol Flore, Vangrail, Frits Lambrechts, Robert Long, Nelleke Burg, Youp van 't Hek, Ischa Meijer, Jenny Arean en anderen. Het Nederlandse cabaret heeft een volwassen status gekregen, waartoe uiteraard ook radio, grammofoon en televisie hebben bijgedragen. Sedert 1962 vindt aan de Akademie voor Kleinkunst in Amsterdam de opleiding van de jongste generatie plaats, en op sommige scholen begint cabaretmateriaal deel uit te maken van de lessen Nederlands. In de jaren tachtig kwam er een nieuwe lichting cabaretiers op in Nederland, die zich kenmerken door volledige afwezigheid van politiek engagement in hun voorstellingen. Vermaak staat voorop, lering wordt achterwege gelaten. Dit onderscheidt hen van hun voorgangers. Exemplarisch voor deze richting is Paul de Leeuw, die dankzij programma's op televisie, een grote populariteit bereikt. Ook de droogkomische wijze waarop Herman Finkers volkomen statisch en met Twents accent zijn voorstellingen presenteert slaat erg aan. 'De nieuwe lulligheid', is het etiket dat hem en anderen als Birgitte Kaandorp, terecht of onterecht, ten deel valt. Klein leed wordt uitvergroot tot licht absurdistische proporties en gewoonheid is de norm. Aan de andere kant zijn er cabaretiers als Bert Visscher en Hans Liberg, die op buitengewoon snelle wijze, duizendeneen zaken in hun shows behandelen. Daarnaast is er een ontwikkeling zichtbaar van solocabaret naar groepscabaret, met groepen als Crême Fraiche en Niet Uit Het Raam, waardoor een gevarieerder voorstelling ontstaat. Overigens blijft de oude garde vasthouden aan het meer traditionele cabaret, zoals dat door 'de grote drie' beleden werd. In de jaren negentig komen er een aantal cabaretiers op, zoals Hans Teeuwen en Theo Maassen, die keiharde programma's brengen, bedoeld om het publiek te shockeren. Dit lijkt een voorzichtige terugkeer van engagement in te luiden. 2. België  In Vlaanderen vond in het begin van de 20ste eeuw in de kunstkroegen of cabarets een ontmoeting tussen volkse en elitaire kunstamusementsvormen plaats. Het 'chanson littéraire' zag het levenslicht in de vaak even boertige als pseudo-intellectualistische kringen van de Franstalige bourgeoisie in verscheidene Vlaamse steden. Daarnaast bloeide een volkse lied- en conférencevorm, die even verscheiden was als het publiek waarvoor hij was bestemd. Geleidelijk aan werden de grenzen tussen beide strekkingen minder duidelijk. Twee voorbeelden uit het begin van de 20ste eeuw die deze ontwikkeling schetsen, zijn de kluchtzanger Frans Lamoen, die in het café-chantant Eldorado te Boom debuteerde en triomfen vierde in Den Haag, Utrecht en het Amsterdamse Carré-theater, en de strenge Emiel Hullebroeck, die in Nederland een graaggeziene gast was. Na deze pioniers was de opvolging tussen de beide wereldoorlogen vrij onzeker. In het begin van de jaren vijftig ondernam Will Ferdy als eerste pogingen om het niveau van het literair-muzikale theateramusement enigszins hoger te brengen, terwijl Ivonne Lex en Anton Peters in het Cyrano-cabaret te Antwerpen chanson en sketch trachtten te verzoenen. Kor van der Goten zou enkele jaren later aan te wijzen zijn als belangrijk Vlaams cabaretier. In de verdere ontwikkeling van het cabaret lag de klemtoon op de muzikale expressievormen, met als voornaamste figuren Kor van der Goten, Antoon Decandt, Hugo Raspoet en Miel Cools. Een onderscheid tussen cabaret en chanson is in Nederlandstalig België daardoor moeilijk te maken, behalve wat het cabaretgevoelige jaar 1966 betreft. Een veranderde sociaal-politieke sfeer bracht een aantal vanuit studentenkringen opererende cabaretiers op de voorgrond. De belangrijkste gezelschappen waren: Brustukadorusch, gegroeid uit het Brusselse RITCS en rond de persoon van Bert Verhoye, Malingenkolder, rond Lieven Paemen, en Rommelpot, rond Piet Piryns. In de daaropvolgende jaren vallen alleen toevallige cabaretpogingen of proeven tot radiocabaret te vermelden.
En dat is cabaret.