De snoek is gemakkelijk te herkennen. Typisch zijn de ver naar achteren op het lichaam geplaatste anaal- en rugvin. Een ander hard kenmerk is de platte brede (‘eende’-)bek. Op de kaken en op het verhemelte staan vele scherpe tandjes. Deze zijn naar achteren gericht, zodat een prooi zich moeilijk kan loswerken. Snoeken die zich tussen de waterplanten ophouden, hebben over het algemeen een schubbenkleed met groene kleurschakeringen en goudkleurige strepen. In de afwisseling van licht en schaduw vallen ze daardoor nauwelijk op. Snoeken die zich in open water ophouden, zijn meer bruinachtig gekleurd met goudkleurige stippen. Die tekening geeft een betere camouflage in open water, waar invallende zonnestralen worden onderbroken door het golvende wateroppervlak. |