|
ARTIKELS |
11.11.11
tracht dezer dagen naar jaarlijkse gewoonte de Belgen bewust te
maken over de mondiale onrechtvaardigheid. We wijden een apart
artikel aan de Tobintaks, hét thema van dit jaar. In dit artikel
nemen we de evolutie van de koloniale wereld onder de loep. Vanaf de 16e
eeuw zwermden handelskapitalisten uit over de wereldzeeën. Ze
weefden stilaan de diverse regio’s aaneen tot één
wereldeconomie. Met de imperia-listische periode, startend rond
1890, kwam deze evolutie in een stroomversnelling. De grote industriële
ondernemingen transformeerden in monopolistische trusts. Uitvoer van
kapitaal kwam bovenop de uitvoer van waren. Politieke dominantie
over uitgestrekte gebieden moest de rentabiliteit van dat kapitaal
verzekeren. Uiteindelijk zou de imperialistische strijd om kolonies
uitmonden in de Eerste Wereldoorlog. Na WO II
ontketenden de koloniale volkeren een ongeziene revolutie tegen de
imperialisten en verwierven ze politieke onafhankelijkheid.
Ondertussen waren ze sterk geïntegreerd in het wereldsysteem. De
uitbuiting verliep nu via de wereldmarkt en allianties met de
lokale heersende klasse. Toch probeerden lokale heersers
tijdens de jaren 60-70 onder druk van de massa’s de macht van het
Westers kapitaal aan te vallen. Geholpen door de Koude Oorlog
poogden reformistische elites de machtsverhoudingen te keren. Denken
we bvb aan de nationalisatie van het Suez Kanaal in Egypte onder
Nasser. Dit alles
resulteerde o.a. in de G77 en de VN-oproep voor een Nieuwe
Internationale Economische Orde (1974). Die initiatieven vielen
samen met het naoorlogs hoogtepunt van de arbeidersstrijd in het
Westen. Instrumenten
van de mondiale contrarevolutie De impasse van
de reformistische strategie moest evenwel uitlopen op een
tegenoffensief, zeker omdat de winstvoeten sinds eind jaren 60
gestaag bleven dalen. Dit tegenoffensief kreeg de naam
‘neoliberalisme’. Met de schuldencrisis vanaf 1982 kregen de
imperialisten het ideale middel om de Derde Wereld naar hun hand te
zetten. Die schulden hadden zich opgestapeld door allerlei factoren:
prestigeprojecten voor dictators geleverd door Westerse bedrijven,
cliëntelisme om de massa kalm te houden, hoge olieprijzen, goedkope
leningen met gerecycleerde petrodollars, ongelijke ruil... Toen de FED
(centrale bank VS) met het aantreden van de rechtse
Reagan-administratie de rentevoet fors optrok (tot 18,9 % in 1981!)
om de inflatie te bestrijden, escaleerde de schuldenberg van de
derdewereld en kondigde Mexico in 1982 een moratorium af.
Andere landen volgden. IMF en
Wereldbank Onder druk van
een paniekerig financierkapitaal vormde het IMF zich om van een
instelling voor het behoud van monetaire stabiliteit tot een
instelling die de economische politiek van afhankelijke landen
uittekent (zie Vonk 181). Voordien had de Wereldbank (WB) zich al
omgetoverd tot een instelling die via kredieten de kolonies moest
sussen (Het Marshall Plan had het oorspronkelijke doel van de WB,
herstel van Europa, overgenomen). Nu het IMF zich meer ging moeien
met de Derde Wereld, werd de WB stilaan een appendix van het
IMF-beleid. Samen drukten ze in crisislanden ‘Structurele
Aanpassingsprogramma’s’ door (SAP). Aangezien deze landen
afhankelijk zijn van de tandem IMF-WB om nieuwe leningen te krijgen,
beslisten hun overheden meestal om de aangeraden shocktherapieën
uit te voeren. Doorgaans gaat het om de volgende maatregelen:
besnoeiing in overheidsuitgaven (o.a. gezondheid en onderwijs),
liberalisering van de handel, privatisering, devaluatie en
flexibilisering van de arbeid (o.a. afschaffing minimumloon). De
grote verliezers waren de uitgebuite klassen die hun geringe
koopkracht en beslissingsmacht nog verder zagen inkrimpen. De
schulden zijn ondertussen aangegroeid tot meer dan 2.000 miljard $.
En de belofte van kwijtschelding aan de armste landen blijkt niet
veel meer dan lippendienst. De grote
winnaar van de SAPs was de Westerse bourgeoisie die zeker was van
een aanhoudende toestroom van koloniaal kapitaal via schulden en
tegelijk op koopjesjacht kon. De meest renderende overheids- en privé-bedrijven
werden opgenomen in de structuur van multinationals. Imperialist
nummer één, de VS, heeft dan ook 17 % van de stemmen in het IMF op
basis van hun financiële bijdrage, genoeg voor een vetorecht (85 %
nodig voor belangrijke beslissingen). Bijgevolg werd het Fonds het
geliefkoosd instrument om de wil van Uncle Sam aan de rest van de
wereld op te leggen. Na Latijns-Amerika en Afrika volgde begin jaren
90 de ex-’communistische’ landen. Samen met de kliek rond
Jeltsin veranderde het IMF de Russische economie in een puinhoop. En
met de Aziatische crisis dwong het Fonds ook de Tijgers op de knieën.
In industriële machten zoals Zuid-Korea is het vandaag grote
uitverkoop. WTO Toen bleek dat
het ‘communisme’ veel van zijn charmes verloren had en geen
aan-trekkingspool meer was voor brede massa’s, schakelde de
burgerij over op haar drieste strategie van ‘alles aan de
markt’. In de sterk geïnternationaliseerde markt van vandaag
betekent dit dat multinationals lobbyen voor absolute vrijhandel. Zo
plaatste het Wereld Economisch Forum (bekend van Davos), een
belangengroep van de 1007 grootste bedrijven ter wereld (o.a. Solvay
en Union Minière), een vrij-handelsorganisatie op de agenda van de
GATT. Dat zou uitmonden in de oprichting van de World Trade
Organisation (WTO) begin 1995. Meer dan 400 van die bedrijven komen
uit de VS, vandaar dat zij de grote gangmakers zijn van de
vrijhandel. Door het afbreken van nationale handelsbeperkingen via
de WTO kunnen kolonies geen nationale industrie meer opbouwen (de
strategie die o.a. de Tijgers groot maakte) zodat Westerse en
Japanse multinationals alle markten kunnen inlijven. Tegelijk
trachten de imperialisten via zogenaamde TRIPs (akkoorden over
intellectuele eigendomsrechten, bvb. patenten) technologische kennis
binnen de eigen muren te houden. Wanneer het m.a.w. gaat over een
collectief menselijk erfgoed zoals kennis, wijzigt het kapitaal haar
tactiek van vrijhandel naar protectionisme. Ongewilde
handlangers De sociale
leemte die ontstond door de neergang van het socialisme als groot
alternatief (te wijten aan de nefaste strategieën van de
reformistische en stalinistische leiding) werd opgevuld door
niet-gouvernementele organisaties. NGOs hadden tijdens de jaren 70
sympathie verworven door hun strijd tegen de schending van de
mensenrechten in dictaturen. Die concentratie op politieke
wantoestanden maakte hen echter ontvankelijk voor coöptatie door
neoliberalen, die immers de staat verantwoordelijk stellen voor alle
kwaad. Ondanks de kritiek van veel NGOs op het IMF werden ze
natuurlijke bondgenoten. Via de SAPs reserveerde de staat een
aanzienlijk deel van haar budget voor schuldaflossing. De NGOs
compenseerden dan het gebrek aan overheidsdiensten door organisatie
van de lokale gemeenschappen om in hun behoeften te voorzien. Vanuit
hun kritiek op de bureaucratie mobiliseren NGOs de mensen om met
eigen middelen sociale diensten te verzekeren. Niet alleen keren de
belastingen zo niet terug naar de gemeenschap. Zelfvoorziening
bevordert tevens versplintering en depolitisering zodat de
staatsmacht in handen blijft van dezelfde kliek. Dat NGOs
compatibel zijn met het neoliberale plaatje laat zich ook aflezen
uit hun dramatische stijging in aantal vanaf 1988, toen de WB haar
banden met NGOs aantrok. Er braken immers opstanden uit toen na
enkele jaren van shockbehandelingen via SAPs bleek wie de grote
verliezers waren. Met de NGO-strategie kregen boerengemeen-schappen
en het stedelijk proletariaat een bezigheidstherapie. Door
zelforganisatie in lokale projecten hebben mensen het gevoel
werkelijk iets te veranderen en verdwijnt klassenstrijd voor een
aanzienlijk deel van de bevolking naar de achtergrond. Tegelijk
leidde de erkenning van NGOs door de internationale financiële
instellingen tot de illusie dat ‘de civiele maatschappij’ de WB,
IMF en WTO kan hervormen door druk uit te oefenen. In realiteit creëerde
dit enkel een nieuwe ontwikkelingselite die steeds meer vervreemdt
van haar achterban. Zelfs de meest strijdbare NGOs zoals 11.11.11
kunnen moeilijk aan die professionalisering weerstaan. Revolutie nog
steeds op de agenda Tegenover de
zelfhulp en het lokale van de NGOs stellen wij een tactiek van
frontale klassenstrijd op nationaal en internationaal niveau. Dat
sommige NGOs dit perspectief nog altijd innemen, juichen wij
volledig toe. ‘Post-marxistische’ activisten doen dit af als
cultuurimperialisme. Marxisten leggen zogezegd hun Westerse ideeën
op aan volkeren met volstrekt andere tradities. Zonder te ontkennen
dat er verschillen bestaan tussen culturen, moet het toch duidelijk
zijn dat klassenstrijd universeel is omdat vandaag elke samenleving
een klassenmaatschappij is (enkele teruggetrokken stammen
daargelaten). Neem bvb. de
revolutie in Ecuador januari 2000. De Indianenorganisatie CONAIE
startte de opstand. Maar het ging wel om Indiaanse boeren en ze
kregen onmiddellijk steun van de vakbonden. In maart 1999 legden
deze het land lam met een algemene staking van 48 uur. Het laatste
decennium rolt de ene opstand na de andere over Ecuador. De
opstandige klassen viseren zowel de regering en de heersende klasse
als het IMF. Bij het begin van het millennium leeft 62 % onder de
armoedelijn, 70 % heeft geen toegang tot medische verzorging en 64 %
van de kinderen kunnen onderwijs niet betalen. Dit allemaal in naam
van ‘structurele aanpassing’. Begin januari
zette de uitgebuite klassen een kwalitatieve stap. Zij riepen niet
langer louter om een nieuwe regering maar zetten een parallelle
staatsstructuur op met volksraden (= sovjets). Voor enkele uren lag
de macht in handen van die nieuwe staat. Bovendien liepen talrijke
soldaten over naar de opstandelingen. Het ging met andere woorden om
een echte revolutie. In 1917 gebeurde hetzelfde in Rusland. De
verdienste van de bolsjewieken was juist dat ze agiteerden om alle
macht over te dragen aan de volksraden, m.a.w. de afschaffing van de
burgerlijke staat. Dat de Sovjetunie later degenereerde tot een
autoritair systeem, mag onder geen beding verhullen dat alleen een
grootscheeps offensief van arbeiders en boeren een democratisch
alternatief kan bieden. Onrechtvaardigheid oplossen via
zelfvoorziening met de steun van NGOs is op zijn zachtst gezegd een
gevaarlijke utopie. De toestand van de kolonies liegt er niet om. Wim Benda, lid
Attac (in eigen naam) Oktober 2000 |
|