|
Dit gedicht hoorde ik tijdens een bijeenkomst van de jacobsladder. Het werd voorgelezen door een theologe die vertelde over het pelgrimeren. Het heet:
Zen en reizen
Wie gaat laat achter. De kleine eindigheid van thuis, de klok, het bed, de regels. Een leven -dat te dragen was- hangt aan de kapstok, als een jas. Ver weg zingt een wereld.
Reizen is een wakker worden. Het huis, dat als een tweede huid beschermde, beneemt niet meer het zicht. Het vel zit ruimer. Hoofden, verdoofd door gewoonte, gaan open voor de storm.
Alles nieuw. De vorm van bomen. De kleur van lucht. Geuren en gebeurtenissen worden haastig opgeborgen in het geheugen. De dag, die blanco was begonnen, is s avonds tot de rand gevuld. Dan valt de nacht.
Slapend in een nergens. Dromen waar we thuis voor schuilen weten ons opeens te vinden. Losgemaakt uit het verband van plaats en tijd besluipen ons herinneringen, nu wij ver en veilig zijn. De duisternis geeft licht. Welkom Thuis.
De zon komt op, een ongetelde dag, geen naam, geen datum. De tijd heeft zich bevrijd van ons en van wat we moesten doen. Een stille kust. Een man. Een ezel. Leven wordt aanwezig zijn. Bestaan is hier genoeg. Hoe kan dezelfde mens als thuis, onrustig en gedreven, zo rustig drijven in de tijd?
Reizen. Als in een rivier. Wissewasjes weggewassen Routines van ons afgespoeld. Het oude leven in een zeef, terwijl het water stroomt. Een zelf, een ik, dat was bedekt geraakt met alledaagse dingen komt onverwacht te voorschijn.
Pas wie gaat, ziet om. Elke stap vooruit schept nieuw en breder perspectief, een beeld dat telkens vreemder wordt. Completer. Maar sawas blijven sawas. Een groen dat elders niet bestaat, en woordeloos wordt ondergaan. De rijkdom is het onbeschrijfelijke: dat het hier en nu bestaat, maar niet mee te nemen is. Het zien, het moeten verliezen, en weten dat dit leven is. Een onverwachte vrede. De sawa gaat, maar laat een stilte na waarnaar men later terug kan keren.
De wereld laat te raden over, voor wie vergeet wat hij al wist. Dan ligt er achter elke berg een niet veroverd vergezicht, dat, ongezien, vermoeide voeten aanzet tot een nieuwe klim. De horizon blijft altijd even ver. Is dat een reden om te blijven, of een reden om te gaan? Thuis wacht de kapstok. De oude jas zal passen. Dat is straks het laatste raadsel, na die wonderlijke reis. |
|