‘Museum voor sociale deugden’, zo noemde Pieter Wiedijk de kolonie ‘Walden’ van Frederik van Eeden. Deze typering vat de reacties van de sociaal-democraten en de vrijzinnig-democraten op de kolonie Walden en die van het Internationaal Broederschap goed samen. Dat is de reden waarom dit citaat boven dit verslag van mijn onderzoek hiernaar prijkt.

   Wat mij het meeste heeft gefacineerd in het onderzoek is de persoon van Frederik van Eeden. Zijn grillen en idealisme. De manier waarop hij absoluut overtuigt lijkt te zijn van zijn opvatting, maar altijd bereid bleek te leren van zijn fouten, maar ook van fouten van anderen. Zo was het ook met zijn droomwereld, ‘Walden’. Aanvankelijk droomde hij van een eenzaam leven, precies zoals Thoreau dat had geschetst in zijn roman ‘Walden’, maar evenals bij Thoreau bleek de realiteit anders dan verwacht of verwoord. Van Eeden bleef zijn ‘Walden’ altijd als zijn persoonlijke verantwoording zien. Hij heeft zijn ‘kind’ nooit afkunnen staan aan anderen. Hij stierf zelfs op het stukje grond dat ooit ‘Walden’ was.

  Naast Van Eeden heb ik erg genoten van het boekje van Henriëtte Hendrix, al heb ik het uiteindelijk niet direct verwerkt in het stuk. Het was fascinerend om in concrete bewoordingen te lezen wat ik zovaak in abstracte termen heb gelezen. Het wantrouwen tegenover bezoekers uit de boze buitenwereld, die alleen maar slechte invloed heeft op hun ideale wereld. Was die paranoia houding het resultaat van het besef dat het ‘ideaal’ in werkelijkelijkheid niet zo praktisch bleek als men had verwacht? Waarom reageerde Van Eeden zo schichtig op haar verhaal. Waarom maakte hij zich druk  over het feit of hij al dan niet biggetjes zou hebben gehypnotiseerd?

  Het is tevens verbazing wekkend hoe je een antipathie kunt ontwikkelen tegenover iemand waarvan je slechts één stuk hebt gelezen. Ik heb het over Pieter Wiedijk alias J.Saks. Wat een arrogantie gaat er van zijn schrijven uit! Na het lezen van ‘Pionieren van Bussum’, kreeg ik nog meer sympathie voor de persoon van Van Eeden.

  Mijn dank gaat uit naar allen die mij hebben geadviseerd bij het schrijven. Hierbij denk ik natuurlijk als eerste aan mevrouw F. Dieteren, mijn begeleidend docent in het vak Historisch Ambacht, het kader waarin dit opstel is geschreven. Ik hoop dat de lezer met genoegen dit opstel leest en dit haar voldoende informeert over de onderzochte kwestie.

Hans Vink, december 2001