Op een avond tijdens het afwassen, terwijl ik een glas in de kast zet,
hoor ik Hannah zeggen: "Fak!". Zij vervormt graag de uitspraak van woorden;
ik hoor het bijna niet eens. Terwijl ik een ander glas in de kast zet,
zegt zij met een stem die mij naar haar doet opkijken: "Papa, ik heb dus
wel fak! gezegd." Zij kijkt nu heel boos: "Fak is een vies woord." Plotseling
begint het mij te dagen. "Wat is dat dan, fak?" vraag ik haar. "Zo," antwoordt
zij, en steekt heel meisjesachtig haar wijsvinger de lucht in, alsof ze
iets aan de juffrouw wil vragen. Ik kan het niet helpen maar ik barst in
een bulderlach uit.
Vieze woorden zijn heel aanstekelijk. Het is zoals bij een kettingbrief:
elk kind moet op zijn beurt minstens vijf anderen met het vieze woord besmetten.
Zoon Florian - amper drie jaar en toch al verdorven - heeft de tekst met
bijbehorende bewegingen alvast in het dagverblijf geïntroduceerd.
Geen zorgen dus wanneer je kleuter met fak! naar huis komt: er schuilt
écht geen kwaad in.
Kunnen we ons troosten met de idee dat vieze woorden voor de mentale ontwikkeling
van het kind niet slecht zijn? Je moet als kind er toch maar achter komen
dat er woorden bestaan die je kunt oppikken van volwassenen, woorden die
echt niet horen en waarmee je altijd succes hebt, zo niet onderdrukt geproest,
dan toch minstens een boze blik. En dan nog een kinderrijmpje ermee maken!
Het kwak-fak-rijmpje getuigt van intuïtie en taalgevoeligheid, dat
staat vast.
Voor wie nog niet getroost is: aan veel komt een einde zoals aan de winter,
aan de regen, aan Beertje Colargol en de Teletubbies (ooit, maar niet nu),
aan John Travolta en Olivia Newton-John, aan Milet-jassen en Samson-schoenen,
aan vieze woorden (ooit, maar niet onmiddellijk). En voor degenen die met
die wetenschap nog geen opgeruimd gevoel hebben, zou ik zeggen: lucht je
hart eens (maar zeg niet fak noch dubbele fak).