Bijlage 2
van het Convenant
bodemsanering in gebruik zijnde
en blijvende
bedrijfsterreinen
______________________________________________________________________________________________
Aanzet
tot een protocol ter bepaling van de ontstaansperiode van verontreinigingen
(Ouderdomsbepaling)
William Veerkamp
Shell Global Solutions
International BV
namens VNO NCW en VROM
1.................................................................. Inleiding
2................ Voorstel stappenplan ouderdomsbepaling
2.1................................................................ Algemeen
2.2............................................................. Eerste
stap
2.3............................................................ Tweede
stap
2.3.1............................................................... Voorbeelden
2.4.............................................................. Derde
stap
2.5............................................................. Vierde
stap
Deze workshop is gehouden op 10 mei 2000 onder voorzitterschap van dhr R.
Vogel. De belangrijkste conclusie van deze workshop is geweest, dat het
mogelijk is om een standaardmethode te ontwikkelen, mits aan een aantal
randvoorwaarden wordt voldaan.
1.
Vóór 1975 betekent dat 80% of meer van
de verontreiniging (hoeveelheid verontreinigende stof(fen) toegevoegd aan de
bodem) is veroorzaakt voor 1975.
2.
Bij de bepaling van de ouderdom wordt
uitgegaan van verontreiniging die te relateren is aan een incident, een proces
of het gebruik van stoffen. Op een bedrijfsperceel kunnen meer
verontreinigingen voorkomen, die veroorzaakt zijn door verschillende
activiteiten, deze kunnen als één of meerdere gevallen worden beschouwd. De
overheidsbijdrage vindt plaats per geval van verontreiniging.
3.
Verontreiniging opgetreden na 1 januari
1987 valt nooit binnen deze regeling.
4.
Methode dient simpel te zijn, waarbij
maatwerk mogelijk blijft.
5.
De nadruk ligt op het toekennen van een
overheidsbijdrage op grond van een beperkte hoeveelheid gegevens, waarbij voor
een klein aantal bedrijven (gevallen) meer informatie/onderzoek nodig kan zijn
om uitsluitsel te geven.
6.
Het protocol is enerzijds bestemd voor
bedrijven die op grond van de regeling subsidie aanvragen en anderzijds voor
het bevoegd gezag die op grond van deze regeling subsidie toekent.
Met het oog op de kosteneffectiviteit is een stappenplan
ontwikkeld, waarbij initieel op basis van een beperkte hoeveelheid gegevens
ingeschat kan worden of de betreffende verontreinigingsituatie (c.q. het
betreffende bedrijf) in aanmerking komt voor de subsidieregeling. Bij iedere
volgende stap dienen meer gegevens verzameld te worden, waarbij in de laatste
stap kan worden overwogen (gedetailleerd) onderzoek uit te voeren, waarbij op
grond van de huidige stand der techniek uitsluitsel gegeven kan worden over de
ouderdom van de betreffende verontreiniging.
a)
Nagaan of de betreffende
verontreiniging bestaat uit stoffen of veroorzaakt is door processen die
voorkomen op de “Lijst met stoffen en processen, waarbij algemeen bekend is dat
deze toepassing kenden vóór 1975”[1]
b)
Nagaan of op grond van de actuele
kennis, bijvoorbeeld binnen een lopend bodemonderzoek, reeds een ouderdom
bepaald of bekend is. Indien bijvoorbeeld sprake is van een eenmalig incident,
waarbij de datum bekend is, dan valt dit geval alleen binnen de regeling indien
dit incident plaats vond voor 1 januari 1975.
Beoordeling of op basis van de ontstaansperiode een verontreiniging onder
de regeling valt. Hierbij worden begin en einde van de operationele periode
genomen als maatstaf. Volgens onderstaand schema wordt rekenkundig bepaald of
aan het criterium van vóór 1975 is voldaan. De berekening is als volgt
gedefinieerd:
P(1975) is aantal jaren van de start tot 1975
P1 of 2 is het aantal jaren in de periode 1975 -
1980 en/of 1981 - 1986
WF1 of 2 is de weegfactor van de periode 1975 -
1980 en/of 1981 - 1986
x en y zijn weegfactoren voor de verandering van
de omvang van “potentieel
bodemverontreinigende activiteiten”
(pba’s) tov 1974 (default = 1)2
|
periode |
voor 1975 |
1975 - 1980 |
1981 - 1986 |
|
|
|
|
|
weegfactor |
1 |
0,5 |
0,2 |
|
pba |
1 |
x |
y |
Zie voor een voorbeeld berekening sectie 2.3.1
A) Een
productieproces is gestart in 1959 en geëindigd in 1983, waarbij de pba
is
gelijk gebleven.
is gelijk gebleven.
voor de derde periode verdubbeld is op grond van de
doorzet van producten.
Op grond van stap 2 blijkt dat de verontreiniging voor meer of minder dan
80 % is veroorzaakt vóór 1975. Indien het op grond van historische gegevens
aannemelijk is dat de verontreiniging niet voldoet aan het berekende criterium
kunnen de weegfactoren en/of de pba’s worden bijgesteld op basis van
“documenten onderzoek”.
Bij een percentage lager dan 80% kan het bedrijf en bij een percentage
hoger dan 80% kan het bevoegd gezag verder onderzoek doen om aan te tonen dat
bijstelling gerechtvaardigd is. Hierbij is het van belang om aan te tonen dat
meer of minder beschermende maatregelen getroffen zijn, dan redelijkerwijs
mocht worden verwacht in het licht van de ontwikkelingen en op grond waarvan de
weegfactoren zijn ontwikkeld.
Voorbeeld:
A) Indien uit een hinderwet vergunning of een bouwvergunning blijkt, dat
aan het proces of de installatie in de periode 1975 - 1987 zodanige
veranderingen hebben plaatsgevonden dat de kans op bodemverontreiniging
aanzienlijk is afgenomen, ten opzichte van de normale ontwikkelingen (de modale
situatie, welke nog nader gedefinieerd dient te worden voor beide perioden),
kunnen een of beide factoren worden verlaagd in waarde.
B) Indien bekend is dat de bedrijfsvoering van na 1975 tot een aanzienlijk
deel van de bodemverontreiniging heeft geleid, kunnen op grond van documentatie
de weegfactoren worden verhoogd.
Indien op grond van de eerdere stappen niet
voldaan wordt aan het criterium van vóór 1975, maar het nochtans aannemelijk
kan worden gemaakt dat de verontreiniging voor 1975 is ontstaan, kan het
bedrijf dit op grond van gericht onderzoek aantonen. Hierbij valt bijvoorbeeld
te denken aan onderzoek naar de ouderdom op grond van voorkomen van additieven
(lood, MTBE e.d.), fingerprints ter bepaling van de herkomst, de lengte van een
pluim in relatie tot theoretische verplaatsingssnelheid en andere ontwikkelde
of in ontwikkeling zijnde methoden. In deze stap zal vaak sprake zijn van
veldonderzoek. Dergelijk onderzoek dient plaats te vinden conform
onderzoeksprotocollen zoals het “nader onderzoek” (NO) of vergelijkbare
protocollen. De uitkomst van dergelijk onderzoek laat zich niet meer vertalen
in weegfactoren maar geeft een meer kwantitatief beeld van de
ontstaansgeschiedenis.
2 Bij het vaststellen van de factoren x en y betreft het de omvang van de potentieel bodemverontreinigende activiteit. Dit betreft bijvoorbeeld het aantal handelingen (laden en lossen van chemicalien) of de doorzet van producten.