| 3. To Cobbeek My first memories are of the time that I was two years old. I remembered the house where we lived at Cobbeek 19 in Zeelst. Cobbeek still exists south-west of the place where it was that time, but now it is a ward, and the houses which used to be there then aren't there anymore. Our house was about where now the new police station is, near the new City centre. Where Heuvelstraat stopped the street Cobbeek started, and where it ended 't Heike started, a street which is still there, and where a few farmbuildings are left who were there already that time. A lot has changed since then. That time Zeelst still was a real village. We had never seen sidewalks then in our village. At the side of the bricks of which most roads werd made was a narrow lane for cyclists made of stones. And there was a lot of sand. About on the opposite side of the road in front of our house there was a sandy path which led to the Djept. I think that this meant "the Depth". Behind the Djept was the Polder. I remember that I went there with uncle Jos to glide on the ice when it was very cold. Then I was much too little to do that on my own. My father was the second son of his parents, and I was the first grandchild. And I had a lot of uncles and aunts who were all very fond of me. Als je het zandpad tegenover ons huis aan de Cobbeek volgde, kwam je na een paar honderd meter bij een oude boerderij aan de rechterkant van de weg. Dat was de boerderij van mijn grootouders. Ik was daar evengoed thuis als bij mijn eigen thuis. Wat ik vooral heel bijzonder vond was dat opa en opoe twee putten hadden. Een in de moestuin achter de boerderij en een vooraan in de boogerd, zoals ze de boomgaard noemden. Heel vroeger, lang voor mijn tijd, scheen op de plaats van de boomgaard een huis gestaan te hebben, waar mijn grootouders in gewoond hadden. Dat huis heb ik nooit meer gezien, maar het was wel de verklaring waarom er twee putten waren. Ik geloof dat dat de reden was waarom mijn grootouders in mijn ogen heel rijk waren: ze hadden twee putten. Eigenlijk werd de tweede put, die ver weg in de boomgaard lag niet zo veel gebruikt. In de keuken had opoe een pomp, een soort kraan maar dan veel en veel groter. En met een lange zwengel. Het kostte best wel energie om water uit de kraan te krijgen. Maar de straal was uiteindelijk wel veel groter dan de straal die uit onze normale kraantjes tegenwoordig komt. In ons eigen huis op Cobbeek hadden we waterleiding. Dat huis lag aan een verharde weg. Het water bij Opoe werd opgepompt uit de put die achter het huis in de moestuin lag. Maar er was een probleem. Als het lang niet geregend had stond deze put droog en er kwam geen water uit de pomp. Dan moest het water met een emmer gehaald worden uit de put in de boogerd. Wij moesten als kind altijd wegblijven bij die put. En dat deed ik ook. Soms als een van mijn tantes water ging putten mocht ik daar wel komen, maar het was zo diep, echt heel akelig. Ik geloof dat ik toen al een beetje last had van hoogtevrees. |
||||||||
| Volgende... | ||||||||
![]() |
||||||||
| Vorige... | ||||||||
|
||||||||