De Taal
Plichtplegingen

[Begroeten] [Hoe stel je een vraag?] [Hoe geef je antwoord?] [Dank u wel] [Pardon] [Wat vindt u ervan?]


Begroeten

Dag meneer (...) Dobrý den, pane (...)
Dag mevrouw (...) Dobrý den, paní (...)
Hallo, (...) Nazdar, (...)
Hoi, (...) Ahoj, (...)
Goedemorgen mevrouw Dobré ráno, paní
Goedemiddag meneer Dobré odpoledne, pane
Goedenavond Dobrý vec'er
Hoe gaat het er mee? Jak se dar'í
Prima, en met u? Dobr'e, a vám?
Uitstekend Výborn'e
Niet zo goed Nestojí to za moc
Ik ga maar eens Tak já zase pújdu
Tot ziens Na shledanou
Welterusten Dobr'e se vysp'ete
Goedenacht Dobrou noc
Prettige vakantie Pr'íjemnou dovolenou
Goede reis S't'astnou cestu
Bedankt, insgelijks D'ekuji, nápodobn'e



Hoe stel je een vraag?

Wie? Kdo?
Wie is dat? Kdo je to?
Wat? Co?
Wat is hier te zien? Co je tady k vid'ení?
Waar? Kde?
Waar is het toilet? Kde jsou toalety?
Hoe? Jak?
Hoe ver is dat? Jak je to daleko?
Hoelang duurt dat? Jak dlouho to trvá?
Hoeveel? Kolik?
Hoeveel kost dit? Kolik to stojí?
Hoe laat is het? Kolik je hodin?
Welk? Welke? Který? Které?
Wanneer? Kdy?
Wanneer vertrekt u? Kdy odjíz'díte?
Waarom? Proc'?
Kunt u me helpen a.u.b.? Mohl(-a) byste mi, prosím, pomoci?
Kunt u met me meegaan? Mohl(-a) byste, prosím vás, se mnou jít?
Weet u ...? Neví / Neznáte ...?
Heeft u misschien een gerecht zonder vlees? Nem'el(-a) byste n'ejaké bezmasé jídlo?
Ik wil graag een kilo appels Cht'el(-a) bych kilo jablek
Mag ik dit meenemen? Mohl(-a) bych si to vzít?



Hoe geef je antwoord?

Ja, natuurlijk Ano, samozr'ejm'e
Nee, het spijt me Ne, bohuz'el ne
Een ogenblikje a.u.b. Okamz'ik/Moment, prosím
Nee, dat is onmogelijk Ne, to nejde
Ik geloof het wel Myslím, z'e ano
Dat klopt (niet) To jist'e (ne)
Dat ben ik (niet) met u eens To s vámi (ne)souhlasím
Dat is goed Dobr'e
Akkoord Platí
Misschien Snad
Ik weet het niet To nevím



Dank u wel

Bedankt/dank u wel D'ekuji
Geen dank/graag gedaan Prosím/Není zac'
Heel hartelijk dank D'ekuji mnohokrát
Erg vriendelijk van u To je od vás velmi laskavé
Ik dank u voor de moeite D'ekuji za námahu



Pardon

Pardon Pardon
Sorry! Promin'te!
Neemt u me niet kwalijk Nezlobte se
Het spijt me To m'e mrzí
Dat geeft niet, hoor To nevadí
Laat maar zitten To je v por'ádku



Wat vindt u ervan?

Wat heeft u liever? Co byste cht'el(-a) rad'eji?
Wat vind je ervan? Co si o tom myslís'?
Het maakt mij niets uit Nn'e je to jedno
Goed zo! Výborn'e!
Heerlijk! Vynikající!
Wat leuk, mooi! To je hezké, krásné!
Ik hoop dat het lukt Doufám, z'e se to podar'í
Ik houd (niet) van (...) Nemám rád(-a) (...)
Ik heb er genoeg van Uz' toho mám dost
Ik had iets heel anders verwacht Oc'ekával(-a) jsem n'eco docela jiného